Beleidsregels ontgrondingen in rijkswateren

§

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • LAT: Lowest Astronomical Tide: het laagst mogelijke, tijdens springtij optredende laagwater;

  • multifunctionele ontgronding: ontgronding waarbij naast de winning van bouwgrondstoffen de ontgronding een tweede maatschappelijke functie heeft ;

  • oppervlaktedelfstof: vaste delfstof die voorkomt in de bodem en die kan worden gewonnen zonder ondergrondse mijnbouw;

  • overslagput: aangelegde verdieping van de waterbodem bedoeld voor het tijdelijk opslaan en overslaan van elders gewonnen oppervlaktedelfstoffen.

Artikel

2

In tabel 1 is de afstand opgenomen ten opzichte van kunstwerken, vaste objecten, situaties en omstandigheden waarbinnen geen ontgrondingsvergunning voor schelpenwinning of andere ontgrondingen wordt verleend.

Tabel 1. Afstanden tot de kunstwerken, vaste objecten, situaties en omstandigheden waarbinnen geen ontgrondingsvergunning wordt verleend.

Primaire waterkeringen (afstand tot de teen van dijk)

100 m 1

Zie voetnoot 2 2

500 m

Per geval bepaald

100 m

Secundaire waterkeringen en Limburgse kaden (afstand tot de teen van dijk)

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Per geval bepaald

n.v.t.

Natuur en milieu

Werp-, rust- en zooggebieden van zeehonden

1200 m

n.v.t.

1500 m

n.v.t.

1200 m

Vogelconcentraties

500 m

Per geval bepaald

500 m

Per geval bepaald

Per geval bepaald

Natuurlijke schelpdierbanken

100 m

n.v.t.

100 m

n.v.t.

100 m

Binnen een zone van 500 m gemeten vanuit de afgebakende mossel-percelen

500 m

Binnen een zone van 1000 m vanuit de 500 m gemeten vanuit de afgebakende mosselzaad-invang-installaties, en voorts binnen een zone van 1000 m

1000 m

Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk beschermde monumenten van archeologische vondsten, locaties met melding van archeologische vondsten en wrakken

100 m

100 m 3

100 m

100 m

100 m

Overige objecten

Olie- en gasleidingen in de bodem van het betreffende rijkswater

500 m 4

Per geval bepaald

500 m

100 m

500 m

In gebruik zijnde telecommuni-catiekabels in de bodem van of boven het betreffende rijkswater

500 m 5

Per geval bepaald

500 m

100 m

500 m

Door ontgronding ontstaan water

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Per geval bepaald

n.v.t.

Overige vaste objecten van het Rijk of van derden

500 m 6

Per geval bepaald

500 m

Per geval bepaald

500 m

1 Afstanden gelden voor ontgrondingen tot een diepte van maximaal 2 meter beneden de zeebodem. Voor diepere ontgrondingen kunnen grotere afstanden gelden tot de kabels, leidingen, kunstwerken en vaste objecten waarbinnen geen ontgrondingen mogen plaatsvinden. Deze afstanden worden per specifiek geval bepaald en in de vergunningsvoorschriften opgenomen.

2 Ontgrondingsvergunningen in het IJsselmeergebied worden tevens niet verleend indien de ontgronding dieper gaat dan de denkbeeldige taludlijn met een helling van 1:10, lopend vanaf de teen van de dijk schuin omlaag, dan wel lopend vanaf het archeologische monument, de archeologische vondst of het wrak schuin omlaag. Indien voor de betreffende dijk een buitendijkse beschermingszone (zoals gedefinieerd door de beheerder van de waterkering) voor ontgronden van toepassing is loopt de taludlijn vanaf de buitenste begrenzing van deze beschermingszone omlaag.

3 Ontgrondingsvergunningen in het IJsselmeergebied worden tevens niet verleend indien de ontgronding dieper gaat dan de denkbeeldige taludlijn met een helling van 1:10, lopend vanaf de teen van de dijk schuin omlaag, dan wel lopend vanaf het archeologische monument, de archeologische vondst of het wrak schuin omlaag. Indien voor de betreffende dijk een buitendijkse beschermingszone (zoals gedefinieerd door de beheerder van de waterkering) voor ontgronden van toepassing is loopt de taludlijn vanaf de buitenste begrenzing van deze beschermingszone omlaag.

4 Afstanden gelden voor ontgrondingen tot een diepte van maximaal 2 meter beneden de zeebodem. Voor diepere ontgrondingen kunnen grotere afstanden gelden tot de kabels, leidingen, kunstwerken en vaste objecten waarbinnen geen ontgrondingen mogen plaatsvinden. Deze afstanden worden per specifiek geval bepaald en in de vergunningsvoorschriften opgenomen.

5 Afstanden gelden voor ontgrondingen tot een diepte van maximaal 2 meter beneden de zeebodem. Voor diepere ontgrondingen kunnen grotere afstanden gelden tot de kabels, leidingen, kunstwerken en vaste objecten waarbinnen geen ontgrondingen mogen plaatsvinden. Deze afstanden worden per specifiek geval bepaald en in de vergunningsvoorschriften opgenomen.

6 Afstanden gelden voor ontgrondingen tot een diepte van maximaal 2 meter beneden de zeebodem. Voor diepere ontgrondingen kunnen grotere afstanden gelden tot de kabels, leidingen, kunstwerken en vaste objecten waarbinnen geen ontgrondingen mogen plaatsvinden. Deze afstanden worden per specifiek geval bepaald en in de vergunningsvoorschriften opgenomen.

§

2

Schelpenwinning

Artikel

3

§

3

Overige Ontgrondingen

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

Voor ontgrondingen in kanalen en in het zomerbedgedeelte van rivieren in beheer bij het Rijk, alsmede de daarmee in open verbinding staande havens onder beheer van het Rijk kan een ontgrondingsvergunning worden verleend, waarbij de ontgronding in ieder geval:

  • a.

    geen ongewenste erosie of sedimentatie van het rivierbed tot gevolg heeft, noch op de locatie van de ontgronding, noch elders,

  • b.

    het rivierkundig gewenste evenwicht in de bodemligging en de stabiliteit van infrastructuur niet verstoort,

  • c.

    niet leidt tot substantiële waterstandsverhogingen in maatgevende situaties als bedoeld in de Beleidsregels grote rivieren en hoofdstuk 6, §6 van het Waterbesluit,

  • d.

    geen belemmering vormt voor huidige/geplande/toekomstige rivierverruimingsprojecten als bedoeld in de Planologische kernbeslissing Ruimte voor de rivier en het project Zandmaas II,

  • e.

    niet leidt tot een structurele beperking van de scheepvaart, en

  • f.

    niet leidt tot ongewenste grondwaterstandveranderingen.

Artikel

8

§

4

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

9

De volgende beleidsnota’s worden ingetrokken:

  • a.

    Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee 2 (RON2; 2004);

  • b.

    Zand boven Water: Beleidsnota oppervlaktedelfstoffenwinning wateren IJsselmeergebied 1991–2000 (1991);

  • c.

    Zeezand zonder zorgen, Beleid en beheer voor (her)winning, overslag en het transport van (zee)zand en (zee)grind in het beheersgebied van Rijkswaterstaat directie Zuid-Holland (1995);

  • d.

    Oppervlaktedelfstoffen Rijkswateren ZH (1993);

  • e.

    Zand in de hand, Beleidsplan zandwinning Westerschelde 2001–2011 (2000);

  • f.

    de Landelijke Beleidsnota Schelpenwinning (1998);

  • g.

    de partiële herziening Landelijke Beleidsnota Schelpenwinning (2001);

  • h.

    de tweede partiële herziening Landelijke Beleidsnota Schelpenwinning (2004).

Artikel

10

Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels ontgrondingen in rijkswateren.

Artikel

11

Deze Beleidsregels treden in werking met ingang van de eerste dag van de eerste kalendermaand na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze Beleidsregels zullen met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Verkeer en Waterstaat, C.M.P.S.Eurlings

Bijlage

behorend bij artikel 3 van de beleidsregels ontgrondingen in rijkswateren

Onderdeel A. Schelpenwingebieden Waddenzee en aangrenzende Noordzeekustzone

Onderdeel B. Schelpenwingebieden Westerschelde, Voordelta en aangrenzende Noordzeekustzone