Wetboek van Strafvordering BES

Wetboek van Strafvordering BES

Titel

I

Algemene bepalingen

Artikel

1

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende nadere regelingen en uitvoeringsvoorschriften wordt verstaan onder:

  • aanbieder van een communicatiedienst: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de uitoefening van een beroep of bedrijf aan de gebruikers van zijn dienst de mogelijkheid biedt te communiceren met behulp van een geautomatiseerd werk, of gegevens verwerkt of opslaat ten behoeve van een zodanige dienst of de gebruikers van die dienst;

  • beschikkingen: de niet op de terechtzitting gegeven beslissingen;

  • commandant: de bevelhebber van een oorlogsschip of een militair luchtvaartuig van het Koninkrijk;

  • einduitspraken: de uitspraken tot verklaring van onbevoegdheid, niet-ontvankelijkheid of nietigheid van de dag vaarding, en die welke na afloop van het gehele onderzoek op de terechtzitting over de zaak worden gedaan;

  • gebruiker van een communicatiedienst: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die met de aanbieder van een communicatiedienst een overeenkomst is aangegaan met betrekking tot het gebruik van die dienst of die feitelijk gebruik maakt van een zodanige dienst;

  • gegevens: iedere weergave van feiten, begrippen of instructies, op een overeengekomen wijze, geschikt voor overdracht, interpretatie of verwerking door personen of geautomatiseerde werken;

  • gezagvoerder van een luchtvaartuig: elke gezagvoerder van een Nederlands burgerlijk luchtvaartuig of degene die deze vervangt;

  • Hof van Justitie en Hof: Hof van Justitie en Hof: het Gemeenschappelijk Hof, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie;

  • huiszoeking: het gericht en stelselmatig onderzoeken van een plaats als bedoeld in de artikelen 144 en 145 van het Wetboek van Strafrecht BES, op de aanwezigheid van voor inbeslagneming vatbare voorwerpen;

  • hulpofficieren van justitie: de in artikel 191 bedoelde personen;

  • inbeslagneming: het onder zich nemen of gaan houden van voorwerpen of vorderingen ten behoeve van de strafvordering;

  • installatie ter zee: elke installatie buiten Bonaire, Sint Eustatius en Saba opgericht op de bodem van de territoriale zee of dat deel van de Caribische zee of de Atlantische Oceaan, waarvan de grenzen samenvallen met die van het aan genoemde eilanden toekomende gedeelte van het continentale plat;

  • Nederlands schip: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 88 van het Wetboek van Strafrecht BES;

  • opsporingsambtenaren: alle personen die overeenkomstig de artikelen 184 en 185 met de opsporing van strafbare feiten zijn belast, alsmede de leden van het openbaar ministerie, indien zij van hun opsporingsbevoegdheid gebruik maken;

  • opsporingsonderzoek: het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen;

  • opvarende: degene, niet zijnde de schipper, die zich aan boord van een Nederlands schip bevindt, ook indien hij buiten Bonaire, Sint Eustatius en Saba het schip gedurende de reis tijdelijk verlaat, alsmede degene, niet zijnde de schipper, die zich op een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen installatie ter zee bevindt;

  • ouders: de ouders die de ouderlijke macht of de voogdij over de minderjarige uitoefenen;

  • persoon: zowel de natuurlijke als de rechtspersoon;

  • raadsman: de advocaat van een verdachte;

  • rechterlijke beslissingen: zowel de beschikkingen als de uitspraken;

  • rechtstaal: de gebezigde taal die in het rechtsgebied als officiële taal is toegelaten;

  • schepeling: ieder die zich als scheepsofficier of scheepsgezel aan boord van een Nederlands schip bevindt;

  • schipper: de gezagvoerder van een Nederlands schip of degene die deze vervangt, alsmede degene die de leiding heeft op een bij ministeriële regeling aangewezen installatie ter zee;

  • teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen: het verrichten van de in verband met de beëindiging van het beslag vereiste formaliteiten;

  • uitspraken: de op de terechtzitting gegeven beslissingen;

  • voorbereidend onderzoek: het onderzoek dat aan de behandeling ter terechtzitting voorafgaat;

  • voorlopige hechtenis: de vrijheidsontneming ingevolge een bevel tot bewaring, gevangenneming of gevangenhouding en de bevelen tot verlenging daarvan;

  • voorwerpen: alle zaken en vermogensrechten.

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

5a

Artikel

6

Ontdekking op heterdaad heeft plaats, wanneer het strafbare feit ontdekt wordt, terwijl het begaan wordt of terstond nadat het begaan is. De heterdaad wordt niet langer aanwezig geacht dan kort na de ontdekking.

Artikel

7

Bij de beantwoording van de vraag of een zaak al dan niet is geëindigd, wordt het rechtsgevolg, bij artikel 282 aan het bekend worden van nieuwe bezwaren verbonden, buiten beschouwing gelaten.

Artikel

8

Het in deze titel bepaalde geldt niet, wanneer uit enige bepaling van dit wetboek een andere betekenis blijkt.

Titel

II

Legaliteitsbeginsel

Artikel

9

Strafvordering heeft alleen plaats in de gevallen en op de wijze bij wet voorzien.

Titel

III

Het openbaar ministerie en de bevoegdheid van de rechter

Artikel

10

Het openbaar ministerie vervolgt de strafbare feiten bij de rechter die tot de kennisneming daarvan krachtens de wet bevoegd is.

Artikel

11

[vervallen]

Artikel

12

Strafbare feiten buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba aan boord van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig begaan, worden ter bepaling van de bevoegdheid van de rechter geacht te zijn begaan binnen het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel

13

[vervallen]

Artikel

14

De procureur-generaal houdt toezicht op een behoorlijke vervolging van strafbare feiten, en kan daartoe aan de officier van justitie de nodige bevelen geven.

Titel

IV

Rechterlijk bevel tot vervolging of verdere vervolging van strafbare feiten

Artikel

15

Artikel

16

Artikel

17

Is de klager kennelijk niet ontvankelijk of het beklag kennelijk ongegrond, dan kan het Hof zonder nader onderzoek de klager niet ontvankelijk of het beklag ongegrond verklaren.

Artikel

18

Artikel

19

Artikel

20

Artikel

21

De persoon wiens vervolging wordt verlangd is niet verplicht op de vragen, hem in raadkamer gesteld, te antwoorden. Hiervan wordt hem, voordat hij wordt gehoord, mededeling gedaan. De mededeling wordt in het proces-verbaal opgenomen.

Artikel

22

Wanneer de klager of de persoon wiens vervolging wordt verlangd in raadkamer wordt gehoord, nodigt het Hof de procureur-generaal uit daarbij tegenwoordig te zijn.

Artikel

23

Het horen van de klager en de persoon wiens vervolging wordt verlangd kan ook aan een van de leden van het Hof worden opgedragen.

Artikel

25

Artikel

26

Artikel

27

De leden van het Hof die over het beklag hebben geoordeeld, nemen noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep, deel aan de berechting.

Artikel

29

Wanneer het Hof ambtshalve van oordeel is, dat de vervolging van strafbare feiten behoort ingesteld of voortgezet te worden, vinden de bepalingen van deze titel zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing.

Titel

V

Schorsing van de vervolging

Artikel

30

Artikel

31

Artikel

32

Na het uitbrengen van de dagvaarding ter terechtzitting kan de verdachte de schorsing wegens het bestaan van een geschilpunt van burgerlijk recht enkel verzoeken, hetzij bij het bezwaarschrift dat tegen die dagvaarding kan worden ingediend, hetzij op de terechtzitting.

Artikel

33

Artikel

34

Artikel

35

Alvorens omtrent de schorsing te beslissen, kan de rechter getuigen en deskundigen horen.

Artikel

36

De beslissingen omtrent de schorsing worden genomen hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie, hetzij op het verzoek van de verdachte of zijn raadsman, door de rechter voor wie de zaak wordt vervolgd of zal worden vervolgd, of voor wie de zaak het laatst is vervolgd.

Artikel

37

Tegen beslissingen omtrent de schorsing staat het openbaar ministerie binnen drie dagen daarna en de verdachte binnen drie dagen na de betekening hoger beroep open bij het Hof van Justitie.

Titel

VI

Behandeling door de raadkamer

Artikel

38

Artikel

39

Artikel

40

Artikel

41

Artikel

42

Titel

VII

Rechterlijke voorzieningen bij dringende noodzaak

Artikel

43

Titel

VIII

Algemeen voorschrift met betrekking tot rechterlijke beslissingen

Artikel

44

Alle rechterlijke beslissingen op grond van dit wetboek worden, tenzij daarvoor een bijzondere regeling geldt, binnen een zo kort mogelijke termijn genomen, zijn met redenen omkleed, en worden ten spoedigste ter kennis gebracht van het openbaar ministerie, dat onverwijld voor betekening aan de verdachte zorgdraagt. Op de dag dat de beslissing schriftelijk ter kennis is gebracht, respectievelijk betekend is vangt de termijn aan waarbinnen enig rechtsmiddel is opengesteld.

Titel

IX

Geheimhouding

Artikel

45

Een ieder, die betrokken is bij de uitvoering van dit wetboek en daarbij de beschikking krijgt over gegevens, waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijze moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van dit wetboek de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.

Titel

X

Beëdiging

Artikel

46

Tweede

Boek

De verdachte en zijn raadsman

Titel

I

De verdachte

Eerste

Afdeling

Begripsomschrijving

Artikel

47

Tweede

Afdeling

Rechtskundige bijstand

Artikel

48

Artikel

49

In alle gevallen waarin de verdachte overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek wordt gehoord, is hij bevoegd zich door een raadsman te doen bijstaan. Deze wordt in de gelegenheid gesteld de nodige opmerkingen te maken. Gelijke bevoegdheid komt hem toe, wanneer de verdachte niet in staat is in persoon te worden gehoord.

Derde

Afdeling

Zwijgrecht

Artikel

50

Vierde

Afdeling

Processtukken

Artikel

50a

Artikel

51

Artikel

52

Tijdens het voorbereidend onderzoek mag aan de verdachte niet worden onthouden de kennisneming van:

  • a.

    de processen-verbaal van zijn verhoren;

  • b.

    de processen-verbaal betreffende verhoren of handelingen van onderzoek, waarbij hij of zijn raadsman de bevoegdheid heeft gehad tegenwoordig te zijn, tenzij en voor zover uit het proces-verbaal blijkt van enige omstandigheid waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven, en in verband daarmee een bevel als bedoeld in artikel 70, tweede of derde lid, is gegeven;

  • c.

    de overige processen-verbaal van verhoren, waarvan de inhoud hem mondeling volledig mededeling is gedaan.

Artikel

53

De kennisneming van geen enkel processtuk in het oorspronkelijke of in afschrift mag de verdachte worden onthouden, zodra het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten, of, indien een gerechtelijk vooronderzoek niet heeft plaatsgehad, zodra de dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg is betekend.

Artikel

54