Regeling van De Nederlandsche Bank N.V. van 26 oktober 2010 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder hybride instrumenten gelijk kunnen worden gesteld met vermogensbestanddelen als bedoeld in de artikelen 95 tot en met 98 van het Besluit prudentiële regels Wft (Regeling hybride instrumenten verzekeraars Wft 2010)

Regeling hybride instrumenten verzekeraars Wft 2010

De Nederlandsche Bank N.V.,
Na raadpleging van de betrokken representatieve organisaties;
Gelet op Richtlijn nr. 2009/111/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot wijziging van de Richtlijnen 2006/48/EG, 2006/49/EG en 2007/64/EG wat betreft banken die zijn aangesloten bij centrale instellingen, bepaalde eigenvermogensbestanddelen, grote posities, het toezichtkader en het crisisbeheer (PbEU L 302);

Besluit:

Hoofdstuk

1

Definities en toepassingsbereik

Artikel

1:1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Besluit: Besluit prudentiële regels Wft;

  • b.

    cumulatief preferent aandeel: een aandeel dat recht geeft op een vast jaarlijks dividend, ook over de periode dat de dividenduitkeringen op dat aandeel waren opgeschort;

  • c.

    directe uitgifte: de uitgifte van een hybride instrument door een verzekeraar die dat hybride instrument als een van de vermogensbestanddelen, bedoeld in de artikelen 95 tot en met 98 van het Besluit, in aanmerking neemt of zal nemen;

  • d.

    DNB: De Nederlandsche Bank N.V.;

  • e.

    verzekeraar: een verzekeraar als bedoeld in artikel 95, eerste lid, van het Besluit;

  • f.
  • g.

    indirecte uitgifte: de uitgifte van een hybride instrument door een andere entiteit dan de verzekeraar die dat hybride instrument als een van de vermogensbestanddelen, bedoeld in de artikelen 95 tot en met 98 van het Besluit, in aanmerking neemt of zal nemen, mits de verzekeraar en die entiteit samen een groep in de zin van artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vormen;

  • h.

    innovatief financieel instrument: een financieel instrument dat vanwege zijn kenmerken kan worden gelijkgesteld met een vermogensbestanddeel als bedoeld in de artikelen 95 tot en met 98 van het Besluit en waaraan een of meer voorwaarden zijn verbonden waarvan een aflossingsstimulans kan uitgaan;

  • i.

    niet-cumulatief preferent aandeel: aandeel dat recht geeft op een vast jaarlijks dividend, met uitzondering van de periode waarover de dividenduitkeringen op dat aandeel opgeschort zijn geweest;

  • j.

    niet-innovatief financieel instrument: een financieel instrument dat vanwege zijn kenmerken materieel in voldoende mate kan worden gelijkgesteld met een vermogensbestanddeel als bedoeld in de artikelen 95 tot en met 98 van het Besluit en waaraan geen voorwaarden zijn verbonden waarvan een aflossingsstimulans kan uitgaan; en

  • k.

    trigger-moment: het moment waarop de aanwezige solvabiliteitsmarge, al dan niet op geconsolideerde dan wel subgeconsolideerde basis, van een verzekeraar daalt onder het minimumbedrag, bedoeld in artikel 65, 66, 67 respectievelijk 68 van het Besluit.

Hoofdstuk

2

Gelijkstelling van hybride instrumenten met kernkapitaal

§

2.1

Algemene bepalingen betreffende hybride instrumenten

Artikel

2:1

Artikel

2:2

Hybride instrumenten kunnen uitsluitend voor de berekening, bedoeld in artikel 2:1, eerste lid, als vermogenbestanddeel in aanmerking worden genomen, indien:

  • a.

    het aan de hybride instrumenten verbonden kapitaal op permanente basis door derden is verstrekt;

  • b.

    zij zijn geplaatst en volgestort;

  • c.

    zij de verzekeraar de mogelijkheid verschaffen om verliezen op te vangen, terwijl de verzekeraar haar werkzaamheden kan voortzetten;

  • d.

    de verzekeraar volledige zeggenschap heeft over de omvang en het tijdstip van de uitkeringen op de hybride instrumenten;

  • e.

    de daaraan verbonden vorderingen van crediteuren volledig achtergesteld zijn bij die van andere crediteuren, daaronder in ieder geval begrepen de crediteuren, bedoeld in artikel 96, onderdeel b, van het Besluit, zonder dat de verzekeraar of een daarmee verbonden partij de feitelijke mogelijkheid of contractuele bevoegdheid heeft om de rangorde van de aan de hybride instrumenten verbonden vorderingen jegens die andere crediteuren te verbeteren;

  • f.

    daaraan geen cumulatieve preferenties zijn verbonden, daaronder mede begrepen elke contractuele bevoegdheid of elke feitelijke mogelijkheid die aan de houders de bevoegdheid verleent om een gepasseerde of opgeschorte dividend- of couponbetaling op de hybride instrumenten op een later tijdstip in te halen; en

  • g.

    daaraan geen calloptie zijn verbonden, daaronder mede begrepen elke contractuele of feitelijke mogelijkheid tot verwerving van hybride instrumenten door een entiteit die met de verzekeraar in een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is verbonden.

Artikel

2:3

Aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 2:2, onderdeel d, is voldaan, indien:

  • a.

    er geen verplichting tot het doen van uitkeringen op het hybride instrument bestaat, daaronder niet begrepen de verplichting tot uitkering vanwege een daaraan voorafgaande dividendbetaling op het gewone aandelenkapitaal buiten periodes om waarin zich een trigger-moment voordoet;

  • b.

    uitkeringen uitsluitend kunnen plaatsvinden uit de middelen die voor uitkering beschikbaar zijn;

  • c.

    de hoogte van uitkeringen vooraf is vastgelegd en niet kan worden herzien op basis van een wijziging van de kredietwaardigheid van de verzekeraar; en

  • d.

    niet-uitgekeerde bedragen ter vrije beschikking van de verzekeraar staan.

Artikel

2:4

Een contractuele bevoegdheid of feitelijke mogelijkheid van de verzekeraar tot uitgifte van een vermogensbestanddeel, ter voldoening van een of meer opgeschorte dividend- of couponbetalingen op een hybride instrument bij de hervatting van de normale dividend- of couponbetaling, is niet in strijd met artikel 2:2, onderdeel f, indien:

  • a.

    de voldoening plaatsvindt in een vermogensbestanddeel als bedoeld in artikel 95, tweede lid, van het Besluit waaraan geen calloptie verbonden is en dat niet aflosbaar is;

  • b.

    de verzekeraar vanaf de uitgifte tot en met het einde van de looptijd van het hybride instrument, bedoeld in de aanhef, vermogensbestanddelen ten laste van de vrije emissieruimte afzondert om in deze voldoening te voorzien, waarvan de waarde ten minste gelijk is aan het equivalent van een (1) toekomstige dividend- of couponbetaling, vermeerderd met eventueel eerder onvoldane betalingen, zulks omgerekend naar het vermogensbestanddeel waarmee de voldoening plaatsvindt;

  • c.

    de verzekeraar de gewone aandeelhouders in kennis stelt van de contractuele bevoegdheid of feitelijke mogelijkheid, bedoeld in de aanhef, en de afzondering, bedoeld in onderdeel b; en

  • d.

    betaling in het vermogensbestanddeel als bedoeld in onderdelen a tot en met c, indien en voor zover betrekking hebbend op een periode van verplichte opschorting, niet hoger is dan de nominale waarde van de oorspronkelijke coupons of dividenden.

Artikel

2:5

§

2.2

Bijzondere bepalingen betreffende innovatieve financiële instrumenten

Artikel

2:6

Als innovatief financieel instrument wordt in ieder geval aangemerkt elk financieel instrument dat aan de voorwaarden van artikel 2:2 voldoet, en dat is uitgegeven met een renteopstap in de emissievoorwaarden. Een financieel instrument met een renteopstap kan uitsluitend voor de berekening, bedoeld in artikel 2:1, eerste lid, aanhef, in aanmerking worden genomen, indien in de emissievoorwaarden van dat instrument is bepaald dat:

  • a.

    van het recht van renteopstap slechts eenmaal gedurende de looptijd van het financieel instrument gebruik kan worden gemaakt;

  • b.

    van een renteopstap niet eerder gebruik kan worden gemaakt dan nadat, gerekend vanaf de uitgiftedatum, minimaal 10 kalenderjaren zijn verstreken; en

  • c.

    de renteopstap ten hoogste 100 basispunten ten opzichte van de initiële rentevergoeding respectievelijk ten hoogste 50% van de initiële kredietrentemarge bedraagt, in beide gevallen gecorrigeerd voor het effect van een verandering van de relevante rentebases.

§

2.3

Bijzondere bepalingen betreffende emissieopbrengsten en verliesabsorptie

Artikel

2:7

Artikel

2:8

Hoofdstuk

3

Gelijkstelling van hybride instrumenten met aanvullend kapitaal

Artikel

3:1

Vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 96, onderdeel c, van het Besluit waaraan een calloptie of een renteopstap is verbonden, voldoen uitsluitend aan de eisen van voornoemde artikelen van het Besluit, indien:

  • a.

    in het geval van een calloptie: de calloptie voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2:5;

  • b.

    in het geval van een renteopstap: de renteopstap voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2:6.

Artikel

3:2

Vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 96, onderdelen a en b, van het Besluit waaraan een calloptie of een renteopstap is verbonden, voldoen uitsluitend aan de eisen van voornoemde artikelen van het Besluit, indien:

  • a.

    in het geval van een calloptie: de calloptie slechts uitoefenbaar is op initiatief van de verzekeraar en met toestemming van DNB;

  • b.

    in het geval van een renteopstap: de renteopstap voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2:6, met dien verstande dat:

    • 1.

      het in artikel 2:6, onderdeel b, genoemde aantal verstreken kalenderjaren minimaal vijf is;

    • 2.

      de in artikel 2:6, onderdeel c, genoemde maximale waarden van de renteopstap bij effectuering na vijf jaar wordt gehalveerd en bij effectuering van de renteopstap tussen vijf en tien jaar rechtlijnig mag worden geïnterpoleerd;

Hoofdstuk

4

Procedurele bepalingen

Artikel

4:1

Artikel

4:2

Artikel

4:3

DNB kan ambtshalve aan een verzekeraar die niet over een in aandelen verdeeld kapitaal beschikt respectievelijk die niet over vrij verhandelbare aandelen beschikt, en die als gevolg daarvan niet zou kunnen voldoen aan de beoogde conversie, bedoeld in artikel 2:7, tweede lid, onderdeel a, respectievelijk bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, aanvullende compenserende voorwaarden opleggen.

Hoofdstuk

5

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

5:3

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling hybride instrumenten verzekeraars Wft 2010.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Amsterdam
De Nederlandsche Bank N.V., H.J. Brouwer, directeur