1
Indien de minister een verzoek om toestemming tot het beëindigen van een arbeidsovereenkomst ontvangt, stelt hij de betrokken werknemer in de gelegenheid binnen een door de minister te stellen termijn zijn mening over de door de werkgever opgegeven redenen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te kennen te geven.
2
De minister zendt uiterlijk binnen achtentwintig dagen na ontvangst van een verzoek de daarop betrekking hebbende stukken, waaronder een verslag van het in het eerste lid bedoelde wederhoor, aan de commissie. Indien een kennisgeving als bedoeld in artikel 5 van de wet is gedaan, zendt de minister de daarop betrekking hebbende stukken alsmede het afvloeiingsplan, bedoeld in dat artikel, aan de commissie uiterlijk binnen twintig dagen nadat hij het afvloeiingsplan heeft ontvangen.