Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 11 april 2011, nr. BJZ2011041742, houdende algemene regels voor lozen anders dan vanuit een inrichting (Regeling lozen buiten inrichtingen)

Regeling lozen buiten inrichtingen

Hoofdstuk

1

Algemeen

Afdeling

1.1

Begripsbepalingen

Artikel

1.2

Hoofdstuk

2

Bepalingen met betrekking tot het lozen

§

2.1

Lozen van huishoudelijk afvalwater

Artikel

2.2

Een zuiveringsvoorziening bestaat uit een septic tank:

  • a.

    die een nominale inhoud heeft van ten minste 6 kubieke meter,

  • b.

    die voldoet aan NEN-EN 12566-1, en

  • c.

    die een hydraulisch rendement heeft van ten hoogste 10 gram, bepaald overeenkomstig annex B van NEN-EN 12566-1.

Artikel

2.3

Een zuiveringsvoorziening:

  • a.

    is goed toegankelijk, en

  • b.

    wordt zo vaak als voor de goede werking daarvan nodig is onderhouden.

§

2.2

Lozen ten gevolge van werkzaamheden aan vaste objecten in of nabij een oppervlaktewaterlichaam

Artikel

2.4

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    hulpconstructie: constructie waarop of waarin reinigings- of conserveringswerkzaamheden aan een vast object plaatsvinden;

  • b.

    stofdichte wand: afdichting gericht op het voorkomen van emissie van stofdelen uit de hulpconstructie;

  • c.

    vloeistofdichte wand: afdichting gericht op het voorkomen van emissie van vloeistof of nevel uit de hulpconstructie;

  • d.

    winddichte wand: afdichting gericht op het voorkomen van invloed van wind op de emissie van stofdelen, vloeistof of nevel uit de hulpconstructie;

  • e.

    stoffen: afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, die bij reinigings- of conserveringswerkzaamheden worden gebruikt dan wel van het vast object vrijkomen.

Artikel

2.5

Artikel

2.6

Artikel

2.7

Artikel

2.8

Artikel

2.9

Artikel

2.10

Artikel

2.11

Artikel

2.12

Artikel

2.13

Indien reinigingswerkzaamheden of conserveringswerkzaamheden worden uitgevoerd aan spoorbruggen, bevat de hulpconstructie in afwijking van de artikelen 2.9 tot en met 2.12 aan de bovenzijde geen hulpconstructie en aan de in- en uitrijrichting geen zijwand en lopen de zijwanden maximaal twee meter boven het te behandelen deel van het object door.

Artikel

2.14

Indien reinigingswerkzaamheden of conserveringswerkzaamheden worden uitgevoerd aan vaste objecten die direct in contact staan met een oppervlaktewaterlichaam, omsluit de hulpconstructie in afwijking van de artikelen 2.9 tot en met 2.12 de ruimte waarin wordt gewerkt zoveel mogelijk.

Artikel

2.15

Indien reinigingswerkzaamheden of conserveringswerkzaamheden worden uitgevoerd aan een vast object dat door het aanbrengen van een hulpconstructie beperkt stabiel wordt, omsluit de hulpconstructie in afwijking van de artikelen 2.9 tot en met 2.12 de ruimte waarin wordt gewerkt zoveel mogelijk.

§

2.3

Lozen ten gevolge van opslaan en overslaan van goederen

Artikel

2.16

Voor de toepassing van artikel 3.13, tweede lid van het besluit worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn met bodembedreigende stoffen:

  • a.

    schoon, onbehandeld hout;

  • b.

    snoeihout;

  • c.

    banden van voertuigen;

  • d.

    straatmeubilair;

  • e.

    tuinmeubilair;

  • f.

    aluminium, ijzer, roestvrij staal;

  • g.

    papier en karton;

  • h.

    textiel en tapijt, en

  • i.

    vlakglas.

Artikel

2.17

Aan artikel 3.13, vierde lid, onder c, van het besluit wordt bij het opslaan van goederen in de buitenlucht in ieder geval voldaan indien:

  • a.

    op de laad- en loskade tot 2 meter uit de kaderand of oever geen opslag van goederen plaatsvindt, of

  • b.

    er een deugdelijke keerwand aanwezig is en er geen product tussen de keerwand en de kade of oever ligt.

Artikel

2.18

Artikel

2.19

Andere goederen, niet zijnde inerte goederen, die boven een oppervlaktewaterlichaam bovendeks aanwezig zijn, staan opgesteld:

  • a.

    boven een voorziening die zich rondom of onder de opgeslagen goederen bevindt en de gelekte vloeistoffen opvangt en zodanig is uitgevoerd dat er geen hemelwater op of in terecht kan komen, of

  • b.

    boven een doelmatige fysieke voorziening die vrijgekomen stoffen keert zolang als nodig is om met daarop afgestemde maatregelen te voorkomen dat deze stoffen in een oppervlaktewaterlichaam kunnen geraken.

Artikel

2.22

Aan artikel 3.13, vierde lid 4, onder a en b, van het besluit wordt bij overslag van stuifgevoelige goederen in ieder geval voldaan indien:

Artikel

2.23

Onverminderd artikel 2.22 wordt aan artikelen 3.13, vierde lid onder a en b, van het besluit bij het verladen van goederen behorend tot:

§

2.4

Lozen in verband met handelingen in een oppervlaktewaterlichaam

§

2.5

Lozen van gezuiverd toiletwater door een pleziervaartuig

Artikel

2.27

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • fabrikant: degene die verantwoordelijk is de conformiteit van de productie;

  • technische dienst: onderneming of dienst die testen als bedoeld in de bijlage bij deze regeling kan verrichten;

  • typegoedkeuring: goedkeuring van een tot een bepaald type horende voorziening;

  • zuiveringsvoorziening: zuiveringsvoorziening als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, van het besluit.

Artikel

2.28

Artikel

2.29

Artikel

2.30

Artikel

2.31

Artikel

2.32

Op een zuiveringsvoorziening zijn, op een voor de toezichthouder goed zichtbare plaats, de volgende gegevens aanwezig:

  • a.

    handelsmerk of handelsnaam van de fabrikant;

  • b.

    naam en serienummer van de zuiveringsvoorziening;

  • c.

    bouwjaar van de zuiveringsvoorziening; en

  • d.

    naam van de instantie, bedoeld in artikel 2.29, eerste lid, en het nummer van het verleende certificaat.

Artikel

2.33

Artikel

2.34

§

2.6

Lozen van uitsluitend urine door een pleziervaartuig

Artikel

2.35

In afwijking van paragraaf 2.5 gelden er geen eisen aan een zuiveringsvoorziening als bedoeld in artikel 2.27 als uitsluitend urine wordt geloosd.

Hoofdstuk

2a

Bepalingen met betrekking tot gesloten bodemenergiesystemen

Artikel

2a.1

Artikel

2a.2

Het energierendement dat een gesloten bodemenergiesysteem behaalt bij de levering van warmte of koude aan een bouwwerk, wordt bepaald overeenkomstig de volgende formule:

waarbij wordt verstaan onder:

Qw: de door het bodemenergiesysteem aan het bouwwerk geleverde hoeveelheid warmte per jaar in MWh;

Qk: de door het bodemenergiesysteem aan het bouwwerk geleverde hoeveelheid koude per jaar in MWh;

E: de door het bodemenergiesysteem verbruikte hoeveelheid elektriciteit per jaar in MWh;

G: de door het bodemenergiesysteem verbruikte hoeveelheid gas per jaar in MWh.

Hoofdstuk

3

Wijziging van de Activiteitenregeling milieubeheer

Artikel

3.1

Wijzigt de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.

Hoofdstuk

4

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

4.1

Artikel

4.4

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling lozen buiten inrichtingen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,J.J.Atsma

Bijlage

Testen voor zuiveringsvoorzieningen

(bijlage als bedoeld in artikel 2.29 van de Regeling lozen buiten inrichtingen)

I

Test voor zuiveringsvoorzieningen met biologische zuivering

  • 1.

    Bij de test wordt naar de zuiveringsvoorziening toegevoerd: toiletpapier, feces, urine en drinkwater in een gewichtsverhouding van respectievelijk 2, 9, 75 en 300.

  • 2.

    Bij een zuiveringsvoorziening zonder voorgeschakelde verzameltank wordt het volgende testprogramma uitgevoerd:

    • a.

      van dag 1 tot en met 6 is de zuiveringsvoorziening ingeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur ten minste 12 °C en ten hoogste 18 °C, waarbij de hydraulische belasting op dag 1, 2 en 3 ingesteld is op 125% en op dag 4, 5 en 6 100% bedraagt, en monsternames van het effluent plaatsvinden op dag 1, 3, 4 en 6;

    • b.

      van dag 7 tot en met 13 is de zuiveringsvoorziening uitgeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur ten minste 12 °C en ten hoogste 18 °C;

    • c.

      van dag 14 tot en met 33 is de zuiveringsvoorziening ingeschakeld, waarbij op dag 14 tot en met 27 de omgevingstemperatuur ten minste 12 °C en ten hoogste 18 °C is en de hydraulische belasting ingesteld is op 100%, en op dag 28 tot en met 33 de omgevingstemperatuur ten minste 34 °C en ten hoogste 40 °C is en de hydraulische belasting op dag 28, 29 en 30 125% bedraagt, en op dag 31, 32 en 33 50% bedraagt, en monsternames van het effluent plaatsvinden op dag 14, 16, 19, 23, 27, 28, 30, 31 en 33;

    • d.

      van dag 34 tot en met 54 is de zuiveringsvoorziening uitgeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur ten minste 12 °C en ten hoogste 18 °C; en

    • e.

      van dag 55 tot en met 68 is de zuiveringsvoorziening ingeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur ten minste 34 °C en ten hoogste 40 °C, waarbij de hydraulische belasting ingesteld is op 100%, en monsternames van het effluent plaatsvinden op dag 55, 57, 60, 64 en 68.

  • 3.

    Bij een zuiveringsvoorziening met voorgeschakelde verzameltank wordt het volgende testprogramma uitgevoerd:

    • a.

      van dag 1 tot en met 13 is de zuiveringsvoorziening ingeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur ten minste 12 °C en ten hoogste 18 °C, waarbij de hydraulische belasting op dag 1 en 13 is ingesteld is op 50%, en op dag 2 tot en met 12 100% bedraagt, en monsternames van het effluent plaatsvinden op dag 1, 2, 4, 7, 10 en 13;

    • b.

      van dag 14 tot en met 20 is de zuiveringsvoorziening uitgeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur ten minste 12 °C en ten hoogste 18 °C;

    • c.

      van dag 21 tot en met 34 is de zuiveringsvoorziening ingeschakeld, waarbij de omgevingstemperatuur op dag 21 tot en met 27 ten minste 12 °C en ten hoogste 18 °C bedraagt en op dag 28 tot en met 35 ten minste 34 °C en ten hoogste 40 °C, waarbij de hydraulische belasting op dag 21 en 34 ingesteld is op 50%, en op dag 22 tot en met 33 100% bedraagt, en monsternames van het effluent plaatsvinden op dag 21, 22, 24, 27, 28, 30, 33 en 34;

    • d.

      van dag 35 tot en met 55 is de zuiveringsvoorziening uitgeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur ten minste 12 °C en ten hoogste 18 °C; en

    • e.

      van dag 56 tot en met 68 is de zuiveringsvoorziening ingeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur ten minste 34 °C en ten hoogste 40 °C, waarbij de hydraulische belasting op dag 56 en 68 ingesteld is op 50% en op dag 57 tot en met 68 100% bedraagt, en monsternames van het effluent plaatsvinden op dag 56, 57, 59, 62, 65 en 68.

  • 4.

    De monsters van het effluent worden onderzocht op de parameters, genoemd in artikel 2.28, eerste lid, overeenkomstig de aldaar genoemde analysemethoden.

II

Test voor zuiveringsvoorzieningen met niet-biologische zuivering

  • 1.

    Bij de test wordt naar de zuiveringsvoorziening toegevoerd: toiletpapier, feces, urine en drinkwater in een gewichtsverhouding van respectievelijk 2, 9, 75 en 300.

  • 2.

    Bij de zuiveringsvoorziening wordt het volgende testprogramma uitgevoerd:

    • a.

      van dag 1 tot en met 7 is de zuiveringsvoorziening ingeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur ten minste 34 °C en ten hoogste 40 °C, waarbij monsternames van het effluent plaatsvinden op dag 1, 2, 4 en 7;

    • b.

      op dag 8 is de zuiveringsvoorziening uitgeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur ten minste 34 °C en ten hoogste 40 °C; en

    • c.

      van dag 9 tot en met 15 is de zuiveringsvoorziening ingeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur ten minste 12 °C en ten hoogste 18 °C, waarbij monsternames van het effluent plaatsvinden op dag 9, 10, 12 en 15.

  • 3.

    De monsters van het effluent worden onderzocht op de parameters, genoemd in artikel 2.28, eerste lid, overeenkomstig de aldaar genoemde analysemethoden.