Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 5 augustus 2011, nr. DJZ/BR/0880-11, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Mensenrechtenfonds 2012–2015)
Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond subsidiëring Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Mensenrechtenfonds 2012-2015)
Aanvragen voor een subsidie in het kader van het Mensenrechtenfonds 2012–2015 worden ingediend aan de hand van het daartoe door de Minister vastgestelde aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.Het aanvraagformulier is geplaatst op http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/subsidies-maatschappelijke-organisaties.
De verdeling van het subsidieplafond vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven de aanvragen die het beste voldoen aan die maatstaven het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komen, binnen het raam van een evenwichtige spreiding als bedoeld in artikel 8, derde lid, sub d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Artikel
5
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het geplaatst wordt en vervalt met ingang van 1 januari 2016 met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
namens deze:
de Directeur Generaal Internationale Samenwerking,J.M.Brandt
Bijlage
1
Inleiding
Voor u ligt het Subsidiebeleidskader Mensenrechtenfonds 2012–2015 voor de periode 2012–2015. Het beleidskader vormt het richtsnoer voor de beoordeling van de aanvragen voor subsidies onder dit kader. Samen met het verplicht te hanteren aanvraagstramien dat gepubliceerd is op de website van het Ministerie van Buitenlandse Zaken1http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/subsidies-maatschappelijke-organisaties.vormt het tevens de leidraad bij het opstellen van de subsidieaanvraag voor de periode 2012–2015.
De beschikbare subsidiemiddelen maken deel uit van het ‘Mensenrechtenfonds’ dat zich richt op de financiering van activiteiten op het gebied van mensenrechten ter ondersteuning van de prioriteiten uit de mensenrechtenstrategie ‘Verantwoordelijkheid voor Vrijheid’ van april 20112Kamerstukken II 2010/11, 32 735, nr. 1.en zodoende op de doelstellingen van het Nederlands buitenlands beleid.
Naleving van mensenrechten is nog steeds niet vanzelfsprekend. De roep om respect voor mensenrechten en democratie is wereldwijd zelfs groeiende, gesteund door internet en andere nieuwe media. De recente ontwikkelingen in de Arabische wereld illustreren dit. De inzet op onder andere burgerlijke en politieke vrijheden, en ondersteuning van mensenrechtenverdedigers, is juist nu van belang.
Daartoe zal Nederland in de periode 2012–2015 realistisch en selectief middelen en menskracht inzetten, waarbij de effectiviteit van de besteding van de middelen voorop staat. De mogelijkheden van internationale taakverdeling zullen daarbij worden onderzocht. Het Nederlandse mensenrechtenbeleid zal zich in het bijzonder richten op die terreinen waar vrijheid, veiligheid en welvaart elkaar versterken.
Nederland zet specifiek in op de volgende thema’s:
•
vrijheid van meningsuiting,
•
internetvrijheid,
•
vrijheid van godsdienst en levensovertuiging,
•
vrouwen- en LGBT (‘Lesbian, Gay, Bisexual, Transgender’)-rechten,
•
Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO),
•
kinderarbeid en
•
bescherming van mensenrechtenverdedigers.
Op deze wijze zal Nederland uitvoering geven aan de geactualiseerde mensenrechtenstrategie, ‘Verantwoordelijk voor Vrijheid’2Kamerstukken II 2010/11, 32 735, nr. 1. en de notitie ‘Vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst en levens- overtuiging: kernwaarden in het Nederlands buitenlands beleid’.3Kamerstukken II 2010/11, 32 735, nr. 2.
De voorliggende beleidsregels gelden zowel voor activiteiten ter bevordering van de naleving van mensenrechten die volgens de OESO-DAC-criteria toerekenbaar zijn voor ODA-uitgaven, als voor activiteiten ter bevordering van de naleving van mensenrechten die daaraan niet voldoen.4Zie voor de OESO-DAC-criteria Annex III bij deze beleidsregels.
Voor de subsidiëring in het kader van het Mensenrechtenfonds 2012–2015 wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten in twee categorieën landen:
Oda-landen5Het betreft landen opgenomen op de DAC-landenlijst van de OESO, zie Annex IV bij deze beleidsregels.:
Voor activiteiten die toerekenbaar zijn voor ODA-uitgaven en die plaatsvinden in DAC-landen bevatten deze beleidsregels een subsidieplafond. Hiervoor geldt het volgende:
•
De hoogte van het budget bedraagt € 14 miljoen over de periode van 2012 tot en met 2015.
•
De hiervoor beschikbare middelen worden verdeeld volgens een tender;
•
De aanvragen worden beoordeeld aan de hand van de in de in deze beleidsregels vastgestelde criteria.
•
Er geldt een uiterste indieningstermijn voor aanvragen voor subsidie voor dergelijke activiteiten (zie daarover paragraaf 3.4).
•
De tender is vastgesteld onder het Standaardkader ontwikkelingssamenwerking (SO).6Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 1 december 2010, nr. DJZ/BR/0874-10, tot vaststelling van beleidsregels houdende algemene bepalingen voor subsidieverlening ten behoeve van activiteiten in het kader van ontwikkelingssamenwerking (Standaardkader ontwikkelingssamenwerking), Stcrt. 2010, nr. 19701.
•
Deze tender wordt opengesteld voor nationale en internationale maatschappelijke organisaties.
Non-ODA-landen:
Voor de subsidiëring in het kader van het Mensenrechtenfonds 2012–2015 van activiteiten die niet toerekenbaar zijn voor ODA-uitgaven geldt:
De aanvragen worden beoordeeld aan de hand van de in de in deze beleidsregels vastgestelde criteria.
•
Aanvragen kunnen doorlopend worden ingediend gedurende het tijdvak van de beleidsregels (2012–2015);
•
Aanvragen kunnen worden ingediend door Nederlandse en internationale maatschappelijke organisaties.
Aanvragen voor een subsidie die betrekking hebben op zowel activiteiten in categorie 1 als op activiteiten in categorie 2 zullen worden beoordeeld volgens het regime dat in deze beleidsregels wordt vastgesteld voor activiteiten in categorie 1.
In dit Subsidiebeleidskader worden in hoofdstuk 2 allereerst de beleidsuitgangspunten geschetst die de basis vormen voor MRF 2012–2015. De uitgangspunten zijn vertaald in voorwaarden die gelden om voor subsidieverlening in het kader van MRF 2012–2015 in aanmerking te kunnen komen: de drempelcriteria. Vervolgens zijn op basis van de beleidsuitgangspunten beoordelingscriteria opgesteld. De beoordelingscriteria vormen de basis voor de beoordeling van de subsidieaanvragen die aan de drempelcriteria voldoen.
Voordat deze criteria uiteen worden gezet in hoofdstuk 4, beschrijft dit Subsidiekader in hoofdstuk 3 hoe de beoordelingsprocedure van subsidieaanvragen zal verlopen. De beoordeling gebeurt in twee achtereenvolgende fasen, steeds aan de hand van toetsen die de verschillende beoordelingscriteria bevatten.
De eerste beoordelingsfase bestaat, naast de toets op de drempelcriteria, uit een organisatietoets (O-toets) aan de hand waarvan een oordeel wordt gevormd over de kwaliteit en doelmatigheid van de aanvragende organisatie.
De tweede beoordelingsfase bestaat uit de beoordeling van de kwaliteit van het programma door middel van een programmatoets. Deze komt in hoofdstuk 4 aan bod.
Bij dit Subsidiebeleidskader behoort een aantal annexen. Het betreft de lijst van prioritaire landen voor het Mensenrechtenbeleid (Annex I), de omschrijving van de ODA criteria van de OESO (Annex II) en de Definities ‘Outcomes’ en ‘Outputs’ door DAC/OECD (Annex III) en de DAC-landenlijst van OESO (Annex IV).
2
Beleidsuitgangspunten van MRF 2012–2015:
2.1
Doelstelling en beleidsthema’s van het MRF 2012–2015
De overkoepelende beleidsdoelstelling van het MRF 2012–2015 is het leveren van een bijdrage aan de verbetering van de mensenrechtensituatie wereldwijd. Voor subsidiëring van activiteiten die hieraan bijdragen en op grond van artikel 4.8 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 voor subsidiëring in aanmerking kunnen komen – d.w.z. als ODA aangemerkt kunnen worden – heeft de minister van Buitenlandse Zaken voor de periode 2012–2015 € 2 miljoen ter beschikking gesteld.
Om voor subsidieverlening in het kader van MRF 2012–2015 in aanmerking te kunnen komen dienen de aanvragende organisaties op een effectieve en efficiënte wijze te werken aan de verbetering van de mensenrechtensituatie in de landen die staan vermeld in de bij deze beleidsregels behorende Annex I. In deze lijst wordt een onderscheid gemaakt tussen ODA en non-ODA landen.
De thema’s van de mensenrechtenstrategie ‘Verantwoordelijkheid voor Vrijheid’ zullen leidend zijn. Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het MRF 2012 dient minimaal 60% van de middelen die zijn benodigd voor de uitvoering van de activiteiten betrekking te hebben op één van de volgende (deel)thema’s:
•
Bevordering van vrijheid van meningsuiting, inclusief internetvrijheid.
•
Bevordering van vrijheid van godsdienst en levensovertuiging,
•
Bescherming en ondersteuning van mensenrechtenverdedigers.
•
Maatschappelijk verantwoord ondernemen, waaronder ook de bestrijding van kinderarbeid.
•
Tegengaan van discriminatie op basis van seksuele oriëntatie en genderidentiteit en discriminatie op basis van geslacht.
Activiteiten dienen om voor subsidie in aanmerking te komen in ieder geval plaats te vinden in één van de landen uit de bijgevoegde lijst (zie Annex 1). Voor enkele landen geldt dat daar alleen activiteiten op het terrein van maatschappelijk verantwoord ondernemen, inclusief de bestrijding van kinderarbeid, en de bevordering van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in aanmerking komen voor subsidie (zie Annex I).
Prioriteit zal gegeven worden aan activiteiten in de landen waar de mensenrechtensituatie relatief het slechtst is.
2.3
Voor wie zijn de subsidies bestemd
MRF 2012–2015 subsidies zijn bedoeld voor programma’s van zelfstandige Nederlandse of internationale maatschappelijke organisaties met rechtspersoonlijkheid, zonder winstoogmerk, die op resultaatgerichte wijze werken aan de bescherming en bevordering van mensenrechten. Zij richten zich daarbij op activiteiten zoals gespecificeerd in 2.2.
Organisaties kunnen zelfstandig een subsidieaanvraag indienen of deel uitmaken van een alliantie van penvoerders en mede-indieners. De penvoerder dient in een dergelijk geval namens de alliantie een aanvraag in voor het programma van de alliantie als geheel. De penvoerder is, indien de aanvraag wordt gehonoreerd, verantwoordelijk voor de uitvoering van het programma van de alliantie. In een alliantie kunnen alleen maatschappelijke organisaties in bovenstaande zin deelnemen.
Aanvragers kunnen voor de uitvoering van (onderdelen van) het programma een samenwerkingsverband aangaan met andere organisaties zonder winstoogmerk of met bedrijven. Samenwerkingspartners kunnen geen subsidie verkrijgen in het kader van het Mensenrechtenfonds 2012–2015.
3
Beoordelingsprocedure
3.1
Beoordelingscriteria
Organisaties die een subsidie aanvragen in het kader van MRF 2012–2015 moeten aan bepaalde criteria voldoen om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Er zijn drie soorten criteria:
1.
Drempelcriteria: criteria waaraan elke aanvraag zonder meer moet voldoen. Indien een aanvraag niet voldoet aan één of meerdere drempelcriteria, wordt de aanvraag afgewezen.
2.
Criteria met betrekking tot de kwaliteit van de aanvragende organisatie (organisatietoets, O-toets).
3.
Criteria met betrekking tot de kwaliteit van het programmavoorstel (programmatoets, P-toets).
Nadere uitwerking van deze criteria is opgenomen in hoofdstuk 4.
3.2
Beoordeling
De bepalingen van de Algemene Wet Bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking. De aanvragen zullen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in deze beleidsregels zijn neergelegd. Daarnaast zijn de beleidsregels van toepassing zoals vastgesteld in het Standaardkader Ontwikkelingssamenwerking7Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 1 december 2010, nr. DJZ/BR/0874-10, tot vaststelling van beleidsregels houdende algemene bepalingen voor subsidieverlening ten behoeve van activiteiten in het kader van ontwikkelingssamenwerking (Standaardkader ontwikkelingssamenwerking), Stcrt. 2010, nr. 19701.. Indien de beleidsregels voor MRF 2012–2015 afwijken van het Standaardkader Ontwikkelingssamenwerking hebben de beleidsregels voor MRF 2012–2015 voorrang.
De beoordeling van de aanvragen voor subsidiëring van activiteiten die toerekenbaar zijn voor ODA-uitgaven en de toekenning en verdeling van de daarvoor beschikbare middelen vindt plaats via een tender: van alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven van deze beleidsregels, wordt de kwaliteit beoordeeld volgens dezelfde criteria. De aanvragen die het beste voldoen aan de criteria komen als eerste voor subsidie in aanmerking. De Minister besluit tot subsidieverlening overeenkomstig deze rangorde. Besluitvorming over de subsidieaanvragen door de Minister vindt plaats uiterlijk op 1 december 2011.
De beoordeling van de aanvragen voor subsidiëring van activiteiten die niet toerekenbaar zijn voor ODA-uitgaven vindt plaats op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Ook deze beoordeling vindt plaats aan de hand van de maatstaven van deze beleidsregels.
3.3
Toetsing en verdeling beschikbare middelen
De beoordeling van de aanvragen voor MRF 2012–2015 zal getrapt plaatsvinden.
De 1e fase bestaat uit een controle op de drempelcriteria en de organisatietoets. Voor de 2e fase worden alleen de voorstellen bekeken die voldoen aan de drempelcriteria en waarvan de organisaties een voldoende score op de O-toets hebben behaald.
3.3.1
Toetsen in fase 1
De drempelcriteria zijn criteria waaraan aanvragen voor MRF 2012–2015 subsidie zonder meer moeten voldoen. Er worden geen punten toegekend; bij het niet voldoen aan één of meerdere criteria volgt een afwijzing en wordt de aanvraag niet verder beoordeeld.
De organisatietoets bevat criteria die een oordeel geven over de kwaliteit en doelmatigheid (track record, planning, monitoring en evaluatie, en financieel en administratief management) van de aanvragende organisatie. Aanvragen van organisaties van wie de kwaliteit en doelmatigheid als onvoldoende wordt beoordeeld, worden afgewezen en niet verder beoordeeld.
3.3.2
Toets in fase 2
In fase 2 wordt de kwaliteit van het programmavoorstel beoordeeld. Indien de kwaliteit van het programma als onvoldoende wordt beoordeeld, komt de aanvraag niet voor subsidie in het kader van MRF 2012–2015 in aanmerking en volgt een afwijzing.
Om voor een subsidie in het kader van MRF 2012–2015 in aanmerking te kunnen komen zal een toetsing aan de criteria van dit beleidskader met een voldoende resultaat moeten zijn afgesloten. Dit geldt voor de subsidiëring van zowel activiteiten die toerekenbaar zijn voor ODA-uitgaven als activiteiten die niet toerekenbaar zijn voor ODA-uitgaven.
3.3.3
Verdeling van voor ODA-uitgaven beschikbare middelen
De verdeling van de middelen die beschikbaar zijn voor subsidiëring van activiteiten die toerekenbaar zijn voor ODA-uitgaven vindt plaats aan het einde van fase 2, dus op basis van de uitkomsten van de kwalitatieve beoordeling, aan de hand van bovenvermelde programmatoets, van de aanvragen welke de drempelcriteria en de organisatietoets zijn doorgekomen.
Als de beschikbare middelen niet toereikend zijn om alle aanvragen die als voldoende zijn beoordeeld volledig te honoreren, zal de verdeling van de middelen over deze aanvragen vervolgens plaatsvinden aan de hand van een rangschikking van de aanvragen naar aanleiding van de uitkomsten van de P-toets. Bij de uiteindelijke verdeling van de middelen zal de mate waarin een aanvraag wordt gehonoreerd gerelateerd zijn aan de mate waarin aan de criteria wordt voldaan.
3.4
Aanvraagprocedure
Aanvragen voor een subsidie in het kader van het Mensenrechtenfonds 2012–2015 dienen te worden ingediend met gebruikmaking van het daartoe door de minister vastgestelde en ter beschikking gestelde aanvraagstramien8Het aanvraagformulier is geplaatst op http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/subsidies-maatschappelijke-organisaties.. Aanvragen dienen compleet en zonder voorbehoud te worden ingediend, rechtsgeldig ondertekend, in tweevoud op papier en op CD-rom. Het is niet mogelijk om een voorlopige aanvraag in te dienen. De aanvraag dient te worden opgesteld in de Nederlandse of Engelse taal.
Aanvragen voor subsidiëring van activiteiten die toerekenbaar zijn aan ODA-uitgaven dienen uiterlijk op vrijdag 30 september 2011, 16.30 uur (NL tijd) te zijn ontvangen op het Ministerie van Buitenlandse Zaken, DHM/MR, Bezuidenhoutseweg 67 te Den Haag. Aanvragen voor subsidiëring van activiteiten die niet toerekenbaar zijn aan ODA-uitgaven kunnen gedurende de looptijd van het Mensenrechtenfonds 2012–2015 doorlopend worden ingediend.
In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan het ministerie vragen om een aanvulling. Als datum van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum waarop de aanvraag is aangevuld. Voor aanvragen waarvoor de deadline van 30 september 2011 van toepassing is geldt dat, indien een aanvraag pas in de laatste twee weken voor het verstrijken van de deadline wordt ingediend, de aanvrager het risico loopt dat het ministerie geen toepassing zal geven aan zijn bevoegdheid om de indiener om een aanvulling te vragen aangezien een dergelijke aanvulling niet meer mogelijk is zonder de deadline te overschrijden. In dat geval zal de aanvraag derhalve niet meer kunnen worden aangevuld, maar zal deze worden beoordeeld zoals hij primair was ingediend.
Mochten er vragen ontstaan naar aanleiding van dit document of andere zaken dan kunt u deze via e-mail indienen, waarna de vragen geanonimiseerd beantwoord worden, door middel van publicatie via internet.
De deadline voor het indienen van vragen is op 31 augustus 2011 om 16.30; deze zullen voor 5 september beantwoord worden. Vragen kunnen ingediend worden per e-mail op het adres: dmh-tender@minbuza.nl .
Op 31 augustus om 15.00 uur zal de minister een informatiebijeenkomst organiseren over ‘voortgangsbewaking’ op grond van outcomes en outputs, ten behoeve van aan vragen voor het MRF 2012. Geïnteresseerden kunnen zich uiterlijk 29 augustus om 12.00 uur per e-mail aanmelden op het adres: dmh-tender@minbuza.nl.
3.5
Uitvoering en planning van de besluitvorming
De beoordeling van de aanvragen vindt ambtelijk plaats door een beoordelingscommissie bestaande uit minimaal twee medewerkers van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en eventueel een externe consultant. De beoordeling geschiedt aan de hand van de voor subsidieverlening door de minister geldende wet- en regelgeving, het Standaardkader OS en dit Subsidiebeleidskader.
Over aanvragen voor een subsidie voor activiteiten die niet toerekenbaar zijn aan ODA-uitgaven wordt besloten conform de daarvoor op grond van artikel 30 Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken geldende termijnen. Over de aanvragen voor een subsidie voor activiteiten die toerekenbaar zijn aan ODA-uitgaven neemt de minister uiterlijk 1 december 2011 een besluit.
4
Beoordeling van de aanvragen
4.1
De drempelcriteria
Voor de drempelcriteria geldt dat indien een aanvraag niet aan één of meerdere criteria voldoet, deze wordt afgewezen en niet verder beoordeeld. Deze criteria worden hieronder vermeld en indien nodig toegelicht.
Criterium D.1 De aanvrager, of in het geval van een alliantie, de penvoerder, is een Nederlands of internationale maatschappelijke organisatie zonder winstoogmerk en bezit rechtspersoonlijkheid. Dit blijkt uit bijgevoegde statuten van de organisatie.
Criterium D.2 Indien een beroep wordt gedaan op ODA-middelen geldt dat de aanvrager/penvoerder grensoverschrijdend werkt en zich inzet voor structurele armoedebestrijding in ontwikkelingslanden, door samenwerking met maatschappelijke organisaties zonder winstoogmerk in die landen en met als doel verbetering van de mensenrechtensituatie in die landen.9Voor de DAC-landen lijst, zie annex IV; http://www.oecd.org/dataoecd/32/40/43540882.pdfDe doelstellingen van de organisatie zoals vermeld in de statuten, dienen dit van de organisatie duidelijk te maken. Voor organisaties met een brede(re) doelstelling geldt dat zij dit ook kunnen aantonen op grond van hun track record en/of interne beleidsstukken.
Criterium D.3 De aanvrager/penvoerder maakt aannemelijk dat vanaf 1 januari 2012 ten minste 25% van de jaarlijkse inkomsten afkomstig is uit bronnen anders dan BZ-bijdragen. MRF 2012–2015 subsidies zullen nooit meer bedragen dan 75% van de jaarlijkse inkomsten van de organisatie. De aanvrager onderbouwt de aannemelijkheid hiervan aan de hand van de inkomsten over de periode 2008–2010.
Indien de aanvrager penvoerder is voor een alliantie geldt dit criterium voor de gehele alliantie. Dat wil zeggen dat indien één van de deelnemende organisaties minder dan 25% van de jaarlijkse inkomsten uit andere dan BZ bijdragen verwerft, dit kan worden gecompenseerd door een andere partij uit de alliantie. Gelden die direct of indirect worden verkregen ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (bijvoorbeeld een subsidie of bijdrage van een Nederlandse ambassade) tellen niet mee bij het bepalen van de omvang van de eigen inkomsten.
Criterium D.4 Het bruto salaris van management en bestuur van de aanvrager/penvoerder staat niet later dan met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt verleend in redelijke verhouding tot de het niveau van de functie, de geografische ligging en de omvang en complexiteit van de organisatie. De aanvrager specificeert de hoogte van de salarissen (inclusief toeslagen) van het management en bestuur.
Criterium D.5 De aanvrager/penvoerder is in staat tot een adequaat financieel beheer. De aanvrager kan door ervaringsdeskundigheid met betrekking tot de activiteiten als waarvoor subsidie wordt gevraagd een doelgerichte en doelmatige uitvoering van de activiteiten waarborgen.
Criterium D.6 De subsidieaanvraag bedraagt minimaal € 400.000 en maximaal € 2.000.000 en heeft een maximale looptijd van 4 jaar. Bij een kortere looptijd zijn het minimale en het maximale bedrag van de subsidieaanvraag naar rato lager. De minimale looptijd van de activiteit bedraagt 24 maanden. Dit blijkt uit het voorstel en bijbehorende begroting en meerjarenraming.
Criterium D.7 Het programma betreft geen initiatieven die proselitisme (mede) beogen. Dit blijkt uit het voorstel en bijbehorende begroting en meerjarenraming.
Criterium D.8 Het programma betreft substantiële activiteiten in:
•
minimaal één DAC-land opgenomen op de landenlijst bij deze beleidsregels (zie Annex I), of
•
minimaal één van de zes landen die op deze lijst zijn opgenomen die niet tot de DAC-landen behoren.
Dit blijkt uit het voorstel en bijbehorende begroting en meerjarenraming.
Criterium D.9 Het programma betreft geen commerciële dienstverlening, investeringen of commerciële activiteiten. Dit blijkt uit het voorstel en bijbehorende begroting en meerjarenraming.
Criterium D.10 Minimaal 60% van de middelen die zijn benodigd voor de uitvoering van deactiviteiten is gericht op ten minste één van de volgende categorieën van activiteiten:
•
Ondersteuning van activiteiten gericht op de bevordering van vrijheid van meningsuiting, inclusief internetvrijheid.
•
Ondersteuning van activiteiten gericht op de bevordering van vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.
•
Ondersteuning van activiteiten gericht op de bescherming en ondersteuning van mensenrechtenverdedigers.
•
Ondersteuning van activiteiten gericht op de bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen, waaronder ook de bestrijding van kinderarbeid.
•
Ondersteuning van activiteiten gericht op tegengaan van discriminatie op basis van seksuele oriëntatie en genderidentiteit en discriminatie op basis van geslacht.
Dit blijkt uit het voorstel en bijbehorende begroting en meerjarenraming.
Criterium D.11 Minimaal 60% van de middelen die zijn benodigd voor de uitvoering van de activiteiten wordt besteed in de landen die genoemd zijn in Annex 1, dan wel is gericht op het bereiken van effecten in deze landen ten aanzien van de thema’s, genoemd in Criterium D.10.
In afwijking van het Standaardkader Ontwikkelingssamenwerking is geen criterium van toepassing met betrekking tot het percentage van de bestedingen binnen het programma waarvoor financiering wordt gevraagd in partnerlanden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
4.2
De organisatietoets
De organisatietoets is onderdeel van de beoordeling van de aanvrager in de eerste fase. Doel van deze toets is dat de minister zich een oordeel kan vormen over de kwaliteit en doelmatigheid van de aanvragende organisaties.
Beoordeling in het kader van de organisatietoets vindt plaats op grond van de mate waarin de organisatie voldoet aan de volgende criteria:
•
Track record van de afgelopen drie jaar: De aanvrager/penvoerder is op grond van de door zijn inspanningen in de afgelopen drie jaren behaalde resultaten in staat om geplande ‘outcomes10Zoals gedefinieerd door DAC/OECD, zie annex III; http://www.oecd.org/dataoecd/29/21/2754804.pdf’ en ‘outputs10Zoals gedefinieerd door DAC/OECD, zie annex III; http://www.oecd.org/dataoecd/29/21/2754804.pdf’ te realiseren, om de bijdragen van derden die noodzakelijk waren voor de uitvoering van de programma’s daadwerkelijk te verkrijgen, en om de duurzaamheid van de programma’s te verankeren bij de uiteindelijke doelgroep.
•
Planning, monitoring en evaluatie: De gehanteerde PM&E systematiek is toereikend voor het bewaken van de voortgang t.a.v. outcomes, outputs en duurzaamheid op programma- en organisatieniveau. De organisatie laat periodiek onafhankelijke evaluaties uitvoeren over (delen van) programma’s en het functioneren van de eigen organisatie. De organisatie heeft een goed verankerd systeem voor kwaliteitsbeheer t.a.v. de hoofdprocessen.
•
Financieel en administratief management: De aanvrager/penvoerder heeft een adequaat beleid t.a.v. het financieel toezicht op organisaties met wie zij een financieringsrelatie heeft, zij maakt gebruik van een adequate toets om de kwaliteit van (partner)organisaties waarmee zij een financiële relatie heeft te toetsen, zij heeft een financieel monitoringssysteem dat haar in staat stelt om (dreigende) verliezen of overschotten vroegtijdig te signaleren en hier met adequate maatregelen op te anticiperen, en een brede donorbasis.
Indien de kwaliteit van de organisatie van de aanvrager/penvoerder onvoldoende is, wordt de aanvraag afgewezen en niet verder beoordeeld.
4.3
De programmatoets
Bij het programmavoorstel wordt de kwaliteit van het programma beoordeeld. Dit gebeurt aan de hand van de volgende criteria:
•
Beleidsrelevantie: de mate waarin het programma beleidsmatig relevant is. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de volgende factoren:
1.
Ontwikkelingsrelevantie: de mate waarin de activiteiten bijdragen aan structurele armoede bestrijding in ontwikkelingslanden. Deze factor is alleen van toepassing op aanvragen voor subsidie voor activiteiten die toerekenbaar zijn aan ODA-middelen.
2.
Relevantie voor het doel van deze tender: de mate waarin de activiteiten bijdragen aan de bevordering van de naleving van mensenrechten, in het bijzonder de mensenrechten zoals genoemd in de mensenrechtenstrategie ‘Verantwoordelijk voor Vrijheid’.
3.
De mate waarin activiteiten aansluiten bij de notitie ‘Vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst en levensovertuiging: kernwaarden in het Nederlands buitenlands beleid’.
4.
De landen waarin de activiteiten worden uitgevoerd. Prioriteit zal gegeven worden aan activiteiten in de landen waar de mensenrechtensituatie relatief het slechtst is.
5.
Complementariteit: de mate waarin de activiteiten zijn afgestemd op het ontwikkelingsbeleid van Nederland of andere donoren (organisaties of landen) in het betreffende land, of op activiteiten die in het betreffende land worden ondernomen door Nederland of andere donoren (organisaties of landen).
•
Innovatief karakter: de mate waarin het voorstel vernieuwend is, in thematische zin, door verbeteringen in de gehanteerde interventiestrategie (verhoging van de effectiviteit van de programma’s) en door efficiencywinst in de uitvoering van de programma’s.
•
Contextanalyses: de mate waarin het voorstel, in het bijzonder de probleemstelling en doelstelling, is afgestemd op de uitkomsten van een analyse van de context.
•
Positie van de partners in het programma: de mate waarin het programma bijdraagt aan de institutionele capaciteitsopbouw van de partners in de landen van uitvoering en de mate waarin deze dan wel de doelgroep effectieve invloed hebben op de sturing van het programma.
•
Uitwerking van Outcomes, Outputs, Activiteiten en Middelen: de mate waarin het programma is uitgewerkt in outcomes, outputs, voorgenomen activiteiten en middelen en zijn voorzien van een helder verband tussen de te bereiken outputs en de daarvoor benodigde middelen.
•
Uitwerking van beoogde outcomes, outputs en middelen in SMART-systematiek: de mate waarin de outcomes en outputs en middelen Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden zijn uitgewerkt.
•
Risico’s, monitoring en bijsturing: de mate waarin sprake is van adequaat risicomanagement, bestaande uit een adequate risicoanalyse en een adequaat systeem voor monitoring en bijsturing, en de mate waarin de middelen zijn gewaarborgd die complementair aan de gevraagde subsidie nodig zijn voor de uitvoering van het programma.
•
Duurzaamheid: de mate waarin het programma een blijvend effect voor de uiteindelijke doelgroep heeft en bijdraagt aan de institutionele duurzaamheid van de partners en de eigen organisatie van de aanvrager/penvoerder.
Annex
I
Prioritaire landen
1
Afghanistan
x
x
x
x
x
2
Algerije
x
x
x
x
x
3
Bahrein*
x
x
x
x
x
4
Bangladesh
x
x
x
x
x
5
Benin
x
x
x
x
x
6
Birma
x
x
x
x
x
7
Brazilië
x
8
Burundi
x
x
x
x
x
9
China
x
x
x
x
x
x
x
10
Colombia
x
11
Cuba
x
x
x
x
x
12
DRC
x
x
x
x
x
13
Egypte
x
x
x
x
x
x
14
Eritrea
x
15
Ethiopië
x
x
x
x
x
16
Ghana
x
x
x
x
x
17
India
x
x
18
Iran
x
x
x
x
x
19
Irak
x
x
x
x
x
20
Israël (MOVP)*
x
x
x
x
x
21
Jemen
x
x
x
x
x
22
Jordanië
x
x
x
x
x
23
Kazachstan
x
x
24
Kenia
x
x
x
x
x
25
Kuweit*
x
x
x
x
x
26
Indonesië
x
x
x
x
x
27
Libië
x
x
x
x
x
28
Libanon
x
x
x
x
x
29
Mali
x
x
x
x
x
30
Marokko
x
x
x
x
x
31
Mexico
x
x
x
x
x
32
Mozambique
x
x
x
x
x
33
Nigeria
x
x
x
x
x
34
Noord-Korea
x
x
x
x
x
35
Oeganda
x
x
x
x
x
36
Oman
x
x
x
x
x
37
Pakistan
x
x
x
x
x
38
Palestijnse Gebieden
x
x
x
x
x
39
Qatar*
x
x
x
x
x
40
Rusland*
x
41
Rwanda
x
x
x
x
x
42
Saoedi-Arabië*
x
x
x
x
x
43
Soedan
x
x
x
x
x
44
Somalië
x
x
x
x
x
45
Syrië
x
x
x
x
x
46
Tunesië
x
x
x
x
x
47
Turkije
x
48
Venezuela
x
x
x
x
x
49
VAE*
x
50
Wit-Rusland
x
x
x
x
x
51
Zimbabwe
x
x
x
x
x
52
Zuid-Afrika
x
Annex
II:
Omschrijving oda criteria
Is it ODA?
Factsheet – November 2008
Is it ODA?
DAC Members occasionally request the Secretariat’s view as to whether a particular expenditure should be reported as official development assistance (ODA). This paper outlines the reasoning the Secretariat uses to answer such enquiries, and discusses some specific cases. It should not be taken as a definitive guide to ODA eligibility, since only the DAC may determine such eligibility. Further details are provided in the Statistical Reporting Directives (available at www.oecd.org/dac/stats/dac/directives).
Official development assistance is defined as those flows to countries and territories on the DAC List of ODA Recipients (available at www.oecd.org/dac/stats/daclist) and to multilateral development institutions which are:
i.
provided by official agencies, including state and local governments, or by their executive agencies; and
ii.
each transaction of which:
a)
is administered with the promotion of the economic development and welfare of developing countries as its main objective; and
b)
is concessional in character and conveys a grant element of at least 25 per cent (calculated at a rate of discount of 10 per cent)1This calculation helps determine whether a loan is concessional. If the loan satisfies the ODA criteria, then the whole amount is reported as ODA. The grant element itself is not reportable as a flow. Reporting is on a cash (nominal) basis, except for Paris Club debt service reduction (see under ‘Flows’ below).
Economic development and welfare as the main objective
This is often the decisive criterion for determining ODA eligibility. In the final analysis it is a matter of intention. But in order to reduce the scope for subjective interpretations and promote comparable reporting, Members have agreed to limits on ODA reporting, e.g.:
Exclusion of military aid – The supply of military equipment and services, and the forgiveness of debts incurred for military purposes, are not reportable as ODA. On the other hand, additional costs incurred for the use of the donor’s military forces to deliver humanitarian aid or perform development services are ODA-eligible.
Peacekeeping – The enforcement aspects of peacekeeping are not reportable as ODA. However, ODA does include the net bilateral costs to donors of carrying out the following activities within UN-administered or UN-approved peace operations: human rights, election monitoring, rehabilitation of demobilised soldiers and of national infrastructure, monitoring and training of administrators, including customs and police officers, advice on economic stabilisation, repatriation and demobilisation of soldiers, weapons disposal and mine removal. (Net bilateral costs means the extra costs of assigning personnel to these activities, net of the costs of stationing them at home, and of any compensation received from the UN.) Similar activities conducted for developmental reasons outside UN peace operations are also reportable as ODA, but not recorded against the peacekeeping code. Activities carried out for non-developmental reasons, e.g. mine clearance to allow military training, are not reportable as ODA.
Civil police work – Expenditure on police training is reportable as ODA, unless the training relates to paramilitary functions such as counter-insurgency work or intelligence gathering on terrorism. The supply of the donor’s police services to control civil disobedience is not reportable.
Social and cultural programmes – As with police work, a distinction is drawn between building developing countries’ capacity (ODA-eligible) and one-off interventions (not ODA-eligible). Thus, the promotion of museums, libraries, art and music schools, and sports training facilities and venues counts as ODA, whereas sponsoring concert tours or athletes’ travel costs does not. Cultural programmes in developing countries whose main purpose is to promote the culture or values of the donor are not reportable as ODA.
Assistance to refugees – Assistance to refugees in developing countries is reportable as ODA. Temporary assistance to refugees from developing countries arriving in donor countries is reportable as ODA during the first 12 months of stay, and all costs associated with eventual repatriation to the developing country of origin are also reportable.
Nuclear energy – The peaceful use of nuclear energy, including construction of nuclear power plants, nuclear safety and the medical use of radioisotopes, is ODA-eligible. Military applications of nuclear energy and nuclear non-proliferation activities are not.
Research – Only research directly and primarily relevant to the problems of developing countries may be counted as ODA. This includes research into tropical diseases and developing crops designed for developing country conditions. The costs may still be counted as ODA if the research is carried out in a developed country.
Anti-Terrorism – Activities combatting terrorism are not reportable as ODA, as they generally target perceived threats to donor, as much as to recipient countries, rather than focusing on the economic and social development of the recipient.
Oda eligibility of aid to multilaterals and ngos
Annex 2 of the Statistical Reporting Directives lists those international agencies contributions to which are reportable as ODA. ODA coefficients are provided for United Nations agencies which conduct part of their activities in favour of development. These coefficients are revised every few years in consultation with the agencies concerned.
United Nations agencies have established many specific-purpose funds. These are too numerous, and arise and disappear too quickly, to be listed in the Directives. The same applies to national non-governmental organisations. In both cases, Members must use their judgement as to whether contributions have an ODA character2. When in doubt, they may consult the Secretariat, at dac.contact@oecd.org providing details of the fund in question.
The Directives also list the main international non-governmental organisations (INGOs) contributions to which are reportable as ODA. These are increasingly numerous. Where Members have contributed to INGOs not on this list, they should assess their ODA character in the light of the INGOs’ aims, programmes and membership. If they believe the contribution should be counted as ODA, they should inform the Secretariat so that Members can consider the INGO in the annual review of Annex 2.
2.
The coefficient established for an agency partly active in development does not normally apply to specific-purpose funds it sets up, the ODA character of which should be assessed individually. For example, 70 per cent of contributions to WHO’s core budget are reportable as ODA. But contributions to WHO’s bilharzia programme are 100 per cent ODA-reportable, while contributions to its International Agency for Research on Cancer are not ODA-reportable.
Official agencies
Official flows comprise transactions undertaken by the official sector (i.e. Government) at their own risk and responsibility, regardless of the source of funds (taxation of or borrowing from the private sector). Official agengies include federal, state and local departments and agencies. The market-based transactions of central monetary authorities, however, do not enter into the statistics.
Sometimes one official agency subsidises another. Since the subsidy is internal to the official sector of the donor country, it is not reported as a flow. Rather, the transaction recorded is that between the subsidised agency and the developing country. If this transaction meets the other ODA criteria described in this paper, it is recorded as ODA.
Official subsidies to private firms may be recorded as other official flows (OOF). They are not considered to meet the tests of ODA, since by definition they support activities with a primarily commercial objective.
Official subsidies to private not-for-profit organisations (‘non-governmental organisations’) that are active in development are reportable as ODA.
Flows
Flows are transfers of resources, either in cash or in the form of commodities or services. Since DAC statistics concentrate on transactions likely to have a development impact, loans for one year or less are not counted. Repayments of the principal of ODA loans count as negative flows, and are deducted to arrive at net ODA, so that by the time a loan is repaid, the net flow over the period of the loan is zero. Interest is recorded, but is not counted in the net flow statistics. Where official equity investments in a developing country are reported as ODA because of their development intention, proceeds from their later sale are recorded as negative flows, regardless of whether the purchaser is in a developed or a developing country.
Disbursements are measured on a cash basis, not an accruals basis, except that:
•
wherever contributions to multilateral development banks and funds are made in the form of promissory notes, the full amount of the note is recorded at the time of deposit; and
•
the net present value of debt relief provided by implementing a Paris Club debt reorganisation through debt service reduction is reportable as an ODA grant in the year of the reorganisation.
Some transactions not recorded as transfers in balance of payments statistics are nevertheless eligible to be recorded as ODA, since they represent an effort by the official sector in favour of development. These include the costs of developmentally relevant secondary and tertiary education and vocational training (including stipends and travel) provided to developing country nationals in the donor country, the administrative costs of ODA programmes, subsidies to non-governmental organisations, in donor refugee costs and programmes to raise development awareness in donor countries.
Capital investment in the donor country is not regarded as a flow and is therefore not eligible to be reported as ODA. This applies even to the construction and equipment of training and research facilities related to development issues. The running costs of such facilities may, however, be counted as ODA.
Concessional in character
From the earliest discussions of the concept of ODA, Members agreed that it should represent an effort in favour of developing countries by the official sector. Loans at market terms were excluded. When in the early 1970s interest rates began rising sharply, it was further specified that loans could only be reported as ODA if they had a grant element of at least 25 per cent, calculated against a notional reference rate of 10 per cent per annum.
These elements remain today. In recent years, long-term interest rates in most OECD Member countries have fallen well below 10 per cent, so the 25 per cent grant element level has become easier to attain. But to qualify as ODA, loans must still be concessional in character, i.e. below market interest rates.
Where concessional and non-concessional financing are combined in so-called ‘associated financing packages’, the official and concessional elements may be reported as ODA, provided they have a grant element of at least 25 per cent. Such contributions must also meet the special concessionality tests for associated financing, which are based on market interest rates and set out in the Arrangement on Guidelines for Officially Supported Export Credits (OECD, 2008 Revision).
Annex
III:
Definitie ‘outcomes’ en ‘outputs’ door dac/oecd
Outcome
The likely or achieved short-term and medium-term effects of an intervention’s outputs.
Related terms: result, outputs, impacts, effect.
Réalisation (Effet direct)
Ce que l’action doit accomplir ou a accompli à court ou à moyen terme.
Representa el conjunto de resultados a corto y mediano plazo probables o logrados
por los productos de una intervención. Términos conexos: resultados, producto, impacto, efecto.
Outputs
The products, capital goods and services which result from a development intervention; may also include changes resulting from the intervention which are relevant to the achievement of outcomes.
Extrant (Produit)
Biens, équipements ou services qui résultent de l’action de développement. Le terme peut s’appliquer à des changements induits par l’action qui peuvent conduire à des effets directs.
Producto
Comprende los productos, los bienes de capital y los servicios que resultan de una intervención para el desarrollo; puede incluir también los cambios resultantes de la intervención que son pertinentes para el logro de los efectos directos.
Annex
IV:
Dac-landen lijst
Dac list of oda recipients
Effective for reporting on 2009 and 2010 flows
Afghanistan
Côte d’Ivoire
Albania
*Anguilla
Angola
Ghana
Algeria
Antigua and Barbuda1
Bangladesh
Kenya
Armenia
Argentina
Benin
Korea, Dem. Rep.
Azerbaijan
Barbados2
Bhutan
Kyrgyz Rep.
Bolivia
Belarus
Burkina Faso
Nigeria
Bosnia and Herzegovina
Belize
Burundi
Pakistan
Cameroon
Botswana
Cambodia
Papua New Guinea
Cape Verde
Brazil
Central African Rep.
Tajikistan
China
Chile
Chad
Uzbekistan
Colombia
Cook Islands
Comoros
Viet Nam
Congo, Rep.
Costa Rica
Congo, Dem. Rep.
Zimbabwe
Dominican Republic
Croatia
Djibouti
Ecuador
Cuba
Equatorial Guinea
Egypt
Dominica
Eritrea
El Salvador
Fiji
Ethiopia
Former Yugoslav Republic of Macedonia
Gabon
Gambia
Grenada
Guinea
Georgia
Jamaica
Guinea-Bissau
Guatemala
Kazakhstan
Haiti
Guyana
Lebanon
Kiribati
Honduras
Libya
Laos
India
Malaysia
Lesotho
Indonesia
Mauritius
Liberia
Iran
*Mayotte
Madagascar
Iraq
Mexico
Malawi
Jordan
Montenegro
Maldives
Kosovo3
*Montserrat
Mali
Marshall Islands
Nauru
Mauritania
Micronesia, Federated States
Oman1
Mozambique
Moldova
Palau
Myanmar
Mongolia
Panama
Nepal
Morocco
Serbia
Niger
Namibia
Seychelles
Rwanda
Nicaragua
South Africa
Samoa
Niue
*St. Helena
São Tomé and Príncipe
Palestinian Administered Areas
St. Kitts-Nevis
Senegal
St. Lucia
Sierra Leone
Paraguay
St. Vincent and Grenadines
Solomon Islands
Peru
Suriname
Somalia
Philippines
Trinidad and Tobago2
Sudan
Sri Lanka
Turkey
Tanzania
Swaziland
Uruguay
Timor-Leste
Syria
Venezuela
Togo
Thailand
Tuvalu
*Tokelau
Uganda
Tonga
Vanuatu
Tunisia
Yemen
Turkmenistan
Zambia
Ukraine
*Wallis and Futuna
1 Antigua & Barbuda and Oman exceeded the high income country threshold in 2007. In accordance with the DAC rules for revision of this List, both will graduate from the List in 2011 if they remain high income countries until 2010.
2 Barbados and Trinidad & Tobago exceeded the high income country threshold in 2006 and 2007. In accordance with the DAC rules for revision of this List, both will graduate from the List in 2011 if they remain high income countries until 2010.
3 This does not imply any legal position of the OECD regarding Kosovo’s status.
*Territory
As of April 2009, the Heavily Indebted Poor Countries (HIPCs) are : Afghanistan, Benin, Bolivia, Burkina Faso, Burundi, Cameroon, Central African Republic, Chad, Comoros, Congo (Dem. Rep.), Congo (Rep.), Côte d’Ivoire, Eritrea, Ethiopia, Gambia, Ghana, Guinea, Guinea-Bissau, Guyana, Haiti, Honduras, Kyrgyz Republic, Liberia, Madagascar, Malawi, Mali, Mauritania, Mozambique, Nicaragua, Niger, Rwanda, São Tomé and Príncipe, Senegal, Sierra Leone, Somalia, Sudan, Tanzania, Togo, Uganda and Zambia.