Beleidsregels van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 december 2011, Directie Kinderopvang, nr. KO/2011/22193, houdende werkwijze toezichthouder kinderopvang en peuterspeelzalen (Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang en peuterspeelzalen)

Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang en peuterspeelzalen 2012

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Besluit:

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

1

Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    wet: Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;

  • b.

    toezichthouder: de toezichthouder, bedoeld in artikel 1. 61 en 2.19 van de wet;

  • c.

    dagopvang: kinderopvang, verzorgd door een kindercentrum voor kinderen tot de leeftijd waarop zij het basisonderwijs volgen;

  • d.

    buitenschoolse opvang: kinderopvang, verzorgd door een kindercentrum voor kinderen in de leeftijd dat zij naar het basisonderwijs kunnen gaan, waarbij opvang wordt geboden voor of na de dagelijkse schooltijd, alsmede gedurende vrije dagen of middagen en in de schoolvakanties;

  • e.

    inspectierapport: het inspectierapport, bedoeld in artikel 1.63 en 2.21 van de wet;

  • f.

    college: college van burgemeester en wethouders;

  • g.

    voorziening voor gastouderopvang: opvang als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van de wet;

  • h.

    peuterspeelzaal: voorziening als bedoeld in artikel 2.1 van de wet;

  • i.

    risicomodel: het door GGD Nederland ontwikkelde risicomodel voor toezicht;

  • j.

    voorschoolse educatie: uitvoering van een door het college van burgemeester en wethouders gesubsidieerd programma dat gericht is op het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes instromen in het basisonderwijs voor kinderen die nog niet tot een school kunnen worden toegelaten.

Paragraaf

2

Werkwijze toezichthouder

Artikel

2

Werkzaamheden toezichthouder

De werkzaamheden van de toezichthouder bestaan uit:

  • a.

    het beoordelen van de kwaliteit van de kinderopvang bij een kindercentrum respectievelijk van de uitvoering van de werkzaamheden van een gastouderbureau of houder van een voorziening voor gastouderopvang op basis van het verrichten van onderzoek naar de naleving van de bij of krachtens hoofdstuk 1, afdeling 3, paragrafen 2 en 3, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen gegeven voorschriften en de bij de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen gegeven voorschriften alsmede ten aanzien van peuterspeelzalen het beoordelen van de naleving van de bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 2 gestelde regels;

  • b.

    het bij de uitoefening van de onder a bedoelde werkzaamheden voeren van overleg met betrokkenen van het betreffende kindercentrum, gastouderbureau, voorziening voor gastouderopvang of peuterspeelzaal, met dien verstande dat bij een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, tweede en derde lid, van de wet en als bedoeld in artikel 2.20, tweede en derde lid, ten minste overleg plaatsvindt met de houder of diens vertegenwoordiger, met één of meer vertegenwoordigers van het personeel, met één of meer vertegenwoordigers van de oudercommissie met, indien aanwezig, de klachtenfunctionaris en de vertrouwensfunctionaris, en

    met vertegenwoordigers van de gemeente waar het desbetreffende kindercentrum, gastouderbureau, voorziening voor gastouderopvang of peuterspeelzaal is gevestigd, tenzij dit naar het oordeel van de toezichthouder in verband met de kwaliteit van de kinderopvang bij het desbetreffende kindercentrum, van de desbetreffende voorziening voor gastouderopvang, van de desbetreffende peuterspeelzaal respectievelijk van de uitvoering van de werkzaamheden van het betreffende gastouderbureau niet noodzakelijk wordt geacht; en

  • c.

    het rapporteren over de kwaliteit van de kinderopvang bij een kindercentrum, voorziening voor gastouderopvang, peuterspeelzaal respectievelijk over de uitvoering van de werkzaamheden bij een gastouderbureau.

Artikel

3

Onderzoek voor registratie

Artikel

4

Onderzoek na aanvang exploitatie

Artikel

5

Signaleren niet-gemelde activiteiten

Indien naar het oordeel van de toezichthouder sprake is van niet-gemelde kinderopvang in een kindercentrum of niet-gemelde gastouderopvang die door tussenkomst van een gastouderbureau plaatsvindt, dan informeert de toezichthouder het college waar de niet-gemelde kinderopvang of de niet-gemelde gastouderopvang voorkomt dan wel het niet-gemelde gastouderbureau opereert. Dit geldt eveneens voor activiteiten in een niet gemelde peuterspeelzaal.

Artikel

6

Procedure ontwerprapport van onderzoek

Artikel

7

Inspectierapport

Artikel

8

Rapport aan gastouders

In afwijking van artikel 7 kan voor voorzieningen voor gastouderopvang worden volstaan met een rapport dat in ieder geval bevat:

  • a.

    naam, adres, postcode en plaats van vestiging van de houder van een voorziening voor gastouderopvang;

  • b.

    soort van opvang die is onderzocht;

  • c.

    naam en adres van de gemeente namens wie de GGD-ambtenaar een onderzoek heeft uitgevoerd;

  • d.

    naam en adres van de vestiging van de GGD waar de desbetreffende ambtenaar werkzaam is;

  • e.

    aanleiding van het onderzoek;

  • f.

    een beknopte weergave van de onderzoeksresultaten; en

  • g.

    de zienswijze van de houder van een voorziening voor gastouderopvang (indien beschikbaar).

Artikel

10

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012.

Artikel

11

Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang en peuterspeelzalen 2012.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,H.G.J.Kamp