Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 december 2011, nr. Z/F-3096189, houdende bepalingen omtrent de in de Zorgverzekeringswet bedoelde vereveningsbijdrage voor het jaar 2012 (Regeling risicoverevening 2012)
Regeling risicoverevening 2012
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
dbc-zorgproduct: een declarabele prestatie die is afgeleid uit subtrajecten en zorgactiviteiten via door de zorgautoriteit vastgestelde beslisbomen;
b.
dbc-zorgproduct in het vrije segment: een dbc-zorgproduct waarvan de prijs tot stand komt in vrije onderhandeling;
c.
dbc-zorgproduct in het gereguleerde segment: een dbc-zorgproduct waarvan de maximumprijs wordt bepaald door de zorgautoriteit;
d.
overig zorgproduct: een declarabele prestatie binnen de medisch-specialistische zorg, niet zijnde een dbc-zorgproduct;
e.
expertproduct: een dbc-zorgproduct dat minder dan zes keer voorkomt in het dbc informatie systeem (DIS);
f.
add-on: een door de zorgautoriteit te omschrijven overig zorgproduct op het terrein van de intensive care, de dure geneesmiddelen of de weesgeneesmiddelen, bestaande uit zorgactiviteiten behorende bij een dbc-zorgproduct;
g.
hemostatica: een overig zorgproduct dat betrekking heeft op de verstrekking van stollingsmiddelen in het kader van een behandelplan voor hemofilie en aanverwante hemostaseziekten;
h.
eerstelijnsdiagnostiek: een overig zorgproduct dat betrekking heeft op diagnostiek door een ziekenhuis of huisartsenlaboratorium op verzoek van de eerste lijn;
i
landelijke vaste kosten factor: een factor waarmee het Zorginstituut op basis van historische kosten ziekenhuisverpleging per zorgverzekeraar de ex ante deelbedragen berekent voor de vaste kosten ziekenhuisverpleging in 2012.
Het Zorginstituut verdeelt het macro-deelbedrag vaste kosten van ziekenhuisverpleging, over zorgverzekeraars aan de hand van de gemiddelde vaste kosten per verzekerde per zorgverzekeraar in het jaar 2010, de landelijke vaste kostenfactor 2012 en de geraamde aantallen verzekerden voor het vereveningsjaar 2012.
Artikel
6
1
In afwijking van artikel 5, eerste lid, en bijlage 1, tabel 1.2, wordt een verzekerde die in het buitenland woont ingedeeld in de FKG-klasse ‘Geen FKG’, waarbij voor hem het gewicht van die klasse door het CVZ wordt vastgesteld op een percentage van het gewicht van de FKG-klasse ‘Geen FKG’ zoals dat op grond van bijlage 1 tabel 1.2 voor in Nederland wonende verzekerden geldt.
2
In afwijking van artikel 5, eerste lid, en bijlage 1, tabel 1.3, wordt een verzekerde die in het buitenland woont ingedeeld in de DKG-klasse ‘0’, waarbij voor hem het gewicht van die klasse door het CVZ wordt vastgesteld op een percentage van het gewicht van de DKG-klasse ‘0’ zoals dat op grond van bijlage 1 tabel 1.3 voor in Nederland wonende verzekerden geldt.
Artikel
7
1
De nominale rekenpremie per jaar bedraagt € 1 050 per zorgverzekering waarvoor premie moet worden betaald.
2
Het Zorginstituut raamt de opbrengst van de nominale rekenpremie per zorgverzekeraar, bedoeld in artikel 3.10, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering, door het geraamde aantal zorgverzekeringen waarvoor premie moet worden betaald te vermenigvuldigen met de nominale rekenpremie.
3
Het Zorginstituut berekent het aantal zorgverzekeringen waarvoor premie moet worden betaald door het aantal zorgverzekeringen van verzekerden van achttien jaar en ouder bij een zorgverzekeraar, te verminderen met het aantal zorgverzekeringen van verzekerden als bedoeld in artikel 24 van de Zorgverzekeringswet.
Artikel
8
1
Het Zorginstituut raamt de opbrengst van het verplicht eigen risico per zorgverzekeraar, bedoeld in artikel 3.10, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering, door het geraamde aantal verzekerden van achttien jaar en ouder te verminderen met het geraamde aantal verzekerden, bedoeld in artikel 24 van de Zorgverzekeringswet, en het resultaat te vermenigvuldigen met de geraamde opbrengst van het verplicht eigen risico per verzekerde.
2
Het Zorginstituut gaat voor de bepaling van de geraamde opbrengst per verzekerde, bedoeld in het eerste lid, voor verzekerden van achttien jaar of ouder die voldoen aan het criterium ‘Geen FKG’ uit van verzekerdenaantallen onderverdeeld in klassen naar leeftijd en geslacht, aard van het inkomen, en regio en de in bijlage 4 genoemde gewichten. Hierbij wordt de in de bijlage 4 aangegeven klassenindeling van de criteria aangehouden.
3
De geraamde opbrengst per verzekerde, bedoeld in het eerste lid, bedraagt voor verzekerden van achttien jaar of ouder die niet voldoen aan het criterium ‘Geen FKG’, € 220 per verzekerde.
Hoofdstuk
3
De regels ten behoeve van de vaststelling van de vereveningsbijdrage (ex post) aan een zorgverzekeraar
Artikel
9
1
Een verzekerde die slechts gedurende een deel van het vereveningsjaar bij een zorgverzekeraar verzekerd was, telt voor het vaststellen van de vereveningsbijdrage voor die zorgverzekeraar mee in een mate die bepaald wordt door het aantal dagen dat hij in dat jaar bij die zorgverzekeraar verzekerd was te delen door het aantal dagen in dat jaar.
2
Indien een verzekerde gedurende een aantal dagen van het vereveningsjaar bij meer dan één zorgverzekeraar verzekerd was, telt hij voor het vaststellen van de vereveningsbijdrage over die periode mee in een mate die bepaald wordt door het getal 1 te delen door het aantal zorgverzekeraars waarbij hij in die periode verzekerd was.
Voor de in artikel 3.11, vijfde lid, van het Besluit zorgverzekering bedoelde herberekening van de gewichten ten behoeve van de in artikel 3.12, eerste lid, van het Besluit zorgverzekering bedoelde berekening van het deelbedrag ‘kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg’, gaat het Zorginstituut voor zover het gaat om de herberekening van de kosten van verzekerden van jonger dan achttien jaar uit van de verhouding tussen de gewichten in bijlage 2, tabel 2.1, en voor zover het gaat om de herberekening van de kosten van verzekerden van achttien jaar en ouder uit van de verhouding tussen de gewichten, opgenomen in bijlage 3.
Artikel
11
1
Nadat het Zorginstituut de gerealiseerde kosten op de in de artikelen 12 tot en met 15, 17, eerste lid, 18, eerste lid, en 19 beschreven wijze heeft toebedeeld aan de clusters ‘dbc-zorgproducten in het vrije segment’, ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en specialistische hulp’, ‘geneeskundige geestelijke gezondheidszorg’ en ‘overige prestaties’, herberekent het instituut de voor deze clusters relevante gewichten.
2
Het Zorginstituut gaat bij de herberekening, bedoeld in het eerste lid, uit van de gerealiseerde kosten voor elk van de in het eerste lid genoemde clusters van prestaties, van gerealiseerde aantallen verzekerden per klasse van ieder criterium en van de verhouding tussen de gewichten in de in artikel 10 genoemde bijlagen.
3
De gerealiseerde aantallen verzekerden per klasse van ieder criterium worden voor de hiernavolgende criteria aan de hand van realisatiecijfers over volgende jaren berekend:
a.
leeftijd en geslacht: 2012;
b.
FKG’s: 2011;
c.
FKG’s psychische aandoeningen: 2011;
d.
DKG’s: 2011;
e.
aard van het inkomen: 2012;
f.
SES: 2012;
g.
éénpersoonsadres: 2012;
h.
regio: 2012;
i.
GGZ-regio: 2012;
j.
kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de lage drempel: 2011;
k.
kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de hoge drempel: 2011;
l.
meerjarige hoge kosten: 2009, 2010 en 2011
m.
leeftijd onder achttien jaar: 2012
4
In afwijking van het tweede en derde lid herberekent het Zorginstituut het gewicht van de klasse ‘Geen MHK’ van het criterium meerjarig hoge kosten dusdanig, dat het voor dit criterium gesommeerde resultaat van de vermenigvuldiging van de gewichten met het gerealiseerde aantal verzekerden, macro per saldo nul bedraagt.
5
In afwijking van het tweede en derde lid herberekent het Zorginstituut het gewicht van de klasse ‘Geen kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de lage drempel’ van het criterium kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de lage drempel en het gewicht van de klasse ‘Geen kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de hoge drempel’ van het criterium kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de hoge drempel dusdanig, dat per criterium het gesommeerde resultaat van de vermenigvuldiging van de gewichten met het gerealiseerde aantal verzekerden, macro per saldo nul bedraagt.
uit de specificatie blijkt dat zij ofwel gelden als kosten van geneeskundige zorg zoals medisch-specialisten die plegen te bieden – met uitzondering van de kosten, bedoeld in subonderdeel b –, ofwel als kosten van verblijf als bedoeld in artikel 2.10 van het Besluit zorgverzekering – met uitzondering van de kosten, bedoeld in subonderdeel b – voor 70 procent aan als kosten van het cluster ‘dbc-zorgproducten in het vrije segment’, voor 15 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’ en voor 15 procent aan als kosten van het cluster ‘vaste kosten van ziekenhuisverpleging’;
b.
uit de specificatie blijkt dat zij gelden als kosten van geneeskundige zorg die gericht is op herstel van een psychische aandoening en, voor zover die zorg daarmee gepaard gaat, kosten van verblijf, aan als kosten van het cluster ‘geneeskundige geestelijke gezondheidszorg’ voor verzekerden jonger dan achttien jaar of kosten van het cluster ‘geneeskundige geestelijke gezondheidszorg’ voor verzekerden van achttien jaar en ouder;
c.
uit de specificatie niet blijkt dat zij gelden als kosten als bedoeld onder a of b, voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘overige prestaties’.
2
Het Zorginstituut merkt kosten voor prestaties van grensoverschrijdende zorg die gemaakt zijn met toepassing van internationale regelingen inzake sociale zekerheid, voor 35 procent aan als kosten van het cluster ‘dbc-zorgproducten in het vrije segment’, voor 10 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’, voor 10 procent aan als kosten van het cluster ‘vaste kosten van ziekenhuisverpleging’, voor 10 procent aan als kosten van het cluster ‘geneeskundige geestelijke gezondheidszorg’ voor verzekerden van achttien jaar en ouder, en voor 35 procent aan als kosten van het cluster ‘overige prestaties’.
Artikel
13
1
Met uitzondering van betalingen uit hoofde van een verplicht of vrijwillig eigen risico, rekent het Zorginstituut zorgkosten die voor rekening komen van de verzekerden niet toe aan een cluster van prestaties.
2
Het Zorginstituut rekent renteheffingskosten niet toe aan een cluster van prestaties.
Artikel
14
Het Zorginstituut merkt de kosten van dbc-zorgproducten in het vrije segment van alle instellingen voor medisch specialistische zorg, uitgezonderd expertproducten, voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘dbc-zorgproducten in het vrije segment’.
Artikel
15
1
Het Zorginstituut merkt de kostencomponent van de kosten van dbc-zorgproducten in het gereguleerde segment van alle instellingen voor medisch specialistische zorg, inclusief long/astma-klinieken en epilepsiecentra, maar uitgezonderd de kosten van expertproducten, voor 75 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’.
2
Het Zorginstituut merkt de honorariumcomponent van de kosten van dbc-zorgproducten in het gereguleerde segment van alle instellingen voor medisch specialistische zorg, uitgezonderd de long/astma-klinieken en de epilepsiecentra, en uitgezonderd de kosten van expertproducten, voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’.
3
Het Zorginstituut merkt de kosten- en honorariumcomponent van de kosten van overige zorgproducten, uitgezonderd de kosten van overige zorgproducten van long/astma-klinieken en epilepsiecentra en de kosten van add-ons, hemostatica en eerstelijnsdiagnostiek, voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’.
4
Het Zorginstituut merkt kosten voor prestaties waarop de beleidsregel ‘Verpleging in de thuissituatie, noodzakelijk in verband met medisch-specialistische zorg’ van de zorgautoriteit van toepassing is, voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’.
5
Het Zorginstituut merkt de kostencomponent van de kosten van prestaties, geleverd door instellingen die meedoen aan experimenten in de zin van de Wet marktordening gezondheidszorg, voor een door hem per instelling vast te stellen percentage aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’.
6
Het Zorginstituut merkt de door de zorgautoriteit berekende bedragen ter verrekening van de in 2012 gerealiseerde opbrengstresultaten van long/astma-klinieken en epilepsiecentra, voor 75 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’.
7
Met uitzondering van de verpleegkosten bij instellingen die niet worden gefinancierd op basis van dbc-zorgproducten, waarvoor een percentage van 60 wordt aangehouden, merkt het Zorginstituut de volgende kosten voor 75 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’:
a.
de kostencomponent en honorariumcomponent van de kosten van overige zorgproducten van long/astma-klinieken en epilepsiecentra die in hoofdzaak worden gefinancierd op basis van dbc-zorgproducten, uitgezonderd de kosten van add-ons, hemostatica en eerstelijnsdiagnostiek van die instellingen;
b.
de honorariumcomponent van de kosten van dbc-zorgproducten van long/astma-klinieken en epilepsiecentra;
c.
alle kosten van overige instellingen op het gebied van ziekenhuisverpleging voor zover zij niet worden gefinancierd op basis van dbc-zorgproducten.
Artikel
16
1
Het Zorginstituut baseert de herberekening per zorgverzekeraar vaste kosten van ziekenhuisverpleging op de vaste kosten in het jaar 2011.
2
Het Zorginstituut merkt de kostencomponent van de kosten van dbc-zorgproducten in het gereguleerde segment van alle instellingen voor medisch-specialistische zorg, inclusief long/astma-klinieken en epilepsiecentra, en uitgezonderd de kosten van expertproducten, voor 25 procent aan als kosten van het cluster ‘vaste kosten van ziekenhuisverpleging’.
3
Het Zorginstituut merkt de kostencomponent en de honorariumcomponent van de kosten van expertproducten in het vrije en gereguleerde segment voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘vaste kosten van ziekenhuisverpleging’.
4
Het Zorginstituut merkt de kosten van add-ons voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘vaste kosten van ziekenhuisverpleging’.
5
Het Zorginstituut merkt de kosten hemostatica voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘vaste kosten van ziekenhuisverpleging’.
6
Het Zorginstituut merkt de kostencomponent van de kosten van prestaties, geleverd door instellingen die meedoen aan experimenten in de zin van de Wet marktordening gezondheidszorg, voor een door hem per instelling voor medisch specialistisch zorg vast te stellen percentage aan als kosten van het cluster ‘vaste kosten van ziekenhuisverpleging’.
7
Het percentage per instelling, bedoeld in het zesde lid, is gelijk aan 100 minus het percentage, bedoeld in artikel 15, vijfde lid.
8
Het Zorginstituut merkt de door de zorgautoriteit vastgestelde bedragen ter verrekening van de in 2012 gerealiseerde opbrengstresultaten van long/astma-klinieken en epilepsiecentra voor 25 procent als kosten van het cluster ‘vaste kosten van ziekenhuisverpleging’.
9
Met uitzondering van de verpleegkosten bij instellingen die niet worden gefinancierd op basis van dbc-zorgproducten, waarvoor een percentage van 40 wordt aangehouden, merkt het Zorginstituut de volgende kosten voor 25 procent aan als kosten van het cluster ‘vaste kosten van ziekenhuisverpleging’:
a.
de kostencomponent en honorariumcomponent van de kosten van overige zorgproducten van long/astma-klinieken en epilepsiecentra die in hoofdzaak worden gefinancierd op basis van dbc-zorgproducten, uitgezonderd de kosten van add-ons, hemostatica en eerstelijnsdiagnostiek van die instellingen;
b.
de honorariumcomponent van de kosten van dbc-zorgproducten van long/astma-klinieken en epilepsiecentra;
c.
alle kosten van overige instellingen op het gebied van ziekenhuisverpleging voor zover zij niet worden gefinancierd op basis van dbc-zorgproducten.
10
Het Zorginstituut merkt de kosten van de overgangsregeling van het functioneel leeftijdsontslag van werknemers in de publieke ambulancezorg voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘vaste kosten van ziekenhuisverpleging’.
11
Het Zorginstituut merkt de kosten voor de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘vaste kosten van ziekenhuisverpleging’.
12
Het Zorginstituut calculeert 100 procent na op het verschil tussen de vaste kosten van ziekenhuisverpleging, vastgesteld ingevolge het tweede tot en met negende lid enerzijds, en het herberekende deelbedrag vaste kosten van ziekenhuisverpleging na toepassing van het eerste lid, anderzijds.
Artikel
17
1
Het Zorginstituut merkt de door de zorgautoriteit berekende bedragen ter verrekening van de in 2012 gerealiseerde opbrengstresultaten van gebudgetteerde instellingen voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor een door de zorgautoriteit vast te stellen gedeelte aan als kosten die behoren tot het cluster ‘geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden jonger dan achttien jaar’.
2
Het Zorginstituut calculeert 100 procent na op het verschil tussen de gerealiseerde kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden jonger dan achttien jaar enerzijds, en het herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden jonger dan achttien jaar, bedoeld in artikel 3.12, derde lid, van het Besluit zorgverzekering, anderzijds.
Artikel
18
1
Het Zorginstituut merkt de door de zorgautoriteit berekende bedragen ter verrekening van de in 2012 gerealiseerde opbrengstresultaten van gebudgetteerde instellingen voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor een door de zorgautoriteit vast te stellen gedeelte aan als kosten die behoren tot het cluster ‘geneeskundige geestelijke gezondheidszorg’ voor verzekerden van achttien jaar en ouder.
2
Het Zorginstituut past als volgt hoge kostencompensatie toe op het herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden van achttien jaar en ouder, bedoeld in artikel 3.12, derde lid, van het Besluit zorgverzekering:
a.
90 procent van de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg, voor zover deze kosten het bedrag van € 10 000 per verzekerde op jaarbasis overschrijden, wordt betrokken bij de herberekening van het deelbedrag kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg van verzekerden van achttien jaar en ouder;
b.
vervolgens worden de uitkomsten uit onderdeel a per zorgverzekeraar gesommeerd;
c.
aan de ingevolge onderdeel b gesommeerde kosten wordt per zorgverzekeraar 40 procent toegevoegd van de kosten van verzekerde prestaties die verzekerden van de zorgverzekeraar buiten Nederland hebben gemaakt en die het Zorginstituut op basis van declaraties op kasbasis naar het werkelijke bedrag in 2012 vergoedt, voor zover zij ingevolge artikel 12, tweede lid, als kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg van verzekerden van achttien jaar en ouder zijn aangemerkt;
d.
daarna wordt het percentage berekend dat voortvloeit uit de verhouding tussen de som van de uitkomsten van onderdeel c van alle zorgverzekeraars samen en de herberekende deelbedragen kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden van achttien jaar en ouder van alle zorgverzekeraars samen, en dit percentage wordt toegepast op het corresponderende herberekende deelbedrag van een zorgverzekeraar;
e.
ten slotte wordt het herberekende deelbedrag per zorgverzekeraar nogmaals herberekend door hierbij het resultaat van onderdeel c op te tellen en vervolgens te verminderen met het resultaat van onderdeel d.
Artikel
19
1
Het Zorginstituut merkt de kosten van eerstelijnsdiagnostiek voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘overige prestaties’.
2
Het Zorginstituut merkt de kosten van prestaties waarop de beleidsregels ‘Innovatie ten behoeve van nieuwe zorgprestaties’ of ‘Prestatiebekostiging multidisciplinaire zorgverlening chronische aandoeningen’ van de zorgautoriteit van toepassing zijn, voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘overige prestaties’.
De opbrengst van de nominale rekenpremie, bedoeld in artikel 3.19, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering, wordt berekend overeenkomstig artikel 7, met dien verstande, dat wordt uitgegaan van het gerealiseerde aantal zorgverzekeringen waarvoor premie moet worden betaald bij de zorgverzekeraar.
De betaling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraar door het Zorginstituut
Artikel
23
De betaling van de bijdrage geschiedt overeenkomstig door het Zorginstituut te stellen beleidsregels, waarin ten minste een betaalschema is opgenomen dat rekening houdt met het betaalschema van de zorgverzekeraars.
Hoofdstuk
6
Wijziging van de Regeling zorgverzekering
Artikel
24
Wijzigt de Regeling zorgverzekering.
Artikel
25
Wijzigt de Regeling zorgverzekering.
Hoofdstuk
7
Overige bepalingen
Artikel
26
Wijzigt de Wijzigingsregeling Regeling zorgverzekering (vereveningsbijdrage zorgverzekeraars 2011).
Artikel
27
In afwijking van hetgeen daarover in artikel 3.16 van de Regeling zorgverzekering zoals dat met betrekking tot het jaar 2010 gold, was geregeld, worden de variabele kosten van ziekenhuisverpleging en de kosten van specialistische hulp ten behoeve van de vaststelling van de vereveningsbijdrage over het jaar 2010 als volgt herberekend:
1.
Het Zorginstituut merkt de kosten voor de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten voor 100 procent aan als variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp.
2.
Het Zorginstituut merkt de kostencomponent van niet-onderhandelbare dbc-tarieven in algemene en academische ziekenhuizen, alsmede van het Oogziekenhuis, voor een door hem per ziekenhuis vast te stellen percentage aan als variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp.
3.
Het Zorginstituut merkt de kostencomponent van de kosten van dbc’s, geleverd door instellingen die meedoen aan experimenten in de zin van de Wet marktordening gezondheidszorg, die niet bedoeld zijn in artikel 3.1, voor een door hem per ziekenhuis vast te stellen percentage aan als variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp.
4.
Het Zorginstituut merkt de door de zorgautoriteit berekende bedragen ter verrekening van de in 2010 gerealiseerde opbrengstresultaten voor een door hem per instelling voor medisch specialistische zorg vast te stellen percentage aan als variabele kosten van ziekenhuisverpleging.
5.
Het Zorginstituut bepaalt per ziekenhuis het percentage, bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid, op basis van door de zorgautoriteit te verschaffen gegevens.
6.
Het Zorginstituut merkt de kostencomponent van niet-onderhandelbare dbc-tarieven van instellingen dan wel zorgverleners, die niet bedoeld zijn in het tweede of derde lid, voor 75 procent aan als variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp.
7.
Met uitzondering van de verpleegkosten bij instellingen die niet worden gefinancierd op basis van dbc’s, waarvoor een percentage van 60 wordt aangehouden, merkt het Zorginstituut de volgende kosten voor 75 procent aan als variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp:
a.
de kostencomponent en honorariumcomponent van overige trajecten en verrichtingen en van ondersteunende en overige producten van instellingen en zorgverleners die in hoofdzaak worden gefinancierd op basis van dbc’s;
b.
alle kosten van overige instellingen op het gebied van ziekenhuisverpleging voor zover zij niet worden gefinancierd op basis van dbc’s;
c.
de kostencomponent van de vaste bedragen ter verrekening van de in 2010 gerealiseerde opbrengstresultaten van centra voor klinische genetica, radiotherapie, epilepsie, dialyse en revalidatie.
8.
Het Zorginstituut merkt de honorariumcomponent van de niet-onderhandelbare dbc’s en eventuele overige declaraties van vrijgevestigde specialisten voor 100 procent aan als variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp, met uitzondering van de honorariumcomponent van overige trajecten en verrichtingen en van ondersteunende en overige producten, waarvoor een percentage van 75 wordt aangehouden.
9.
Het Zorginstituut betrekt de renteheffingstarieven niet bij de variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp.
10.
Het Zorginstituut past overeenkomstig artikel 3.14 hogekostencompensatie toe op het deelbedrag variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp.
11.
Het Zorginstituut calculeert 30 procent na op het verschil tussen de variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp, vastgesteld ingevolge het eerste tot en met negende lid enerzijds, en het herberekende deelbedrag variabele kosten van ziekenhuis.
Artikel
28
In afwijking van hetgeen daarover in artikel 3.17 van de Regeling zorgverzekering zoals dat met betrekking tot het jaar 2010 gold, was geregeld, worden de vaste kosten van ziekenhuisverpleging ten behoeve van de vaststelling van de vereveningsbijdrage over het jaar 2010 als volgt herberekend:
1.
Het Zorginstituut baseert de herberekening per zorgverzekeraar van het deelbedrag vaste kosten van ziekenhuisverpleging op de vaste kosten in het jaar 2009.
2.
Het Zorginstituut merkt de kostencomponent van de niet-onderhandelbare dbc-tarieven in algemene en academische ziekenhuizen, alsmede van het Oogziekenhuis, voor een door hem per ziekenhuis vast te stellen percentage aan als vaste kosten van ziekenhuisverpleging.
3.
Het percentage per ziekenhuis, bedoeld in het tweede lid, is gelijk aan 100 minus het percentage, bedoeld in artikel 3.16, tweede lid.
4.
Het Zorginstituut merkt de kostencomponent van de kosten van dbc’s, geleverd door instellingen die meedoen aan experimenten in de zin van de Wet marktordening gezondheidszorg, die niet bedoeld zijn in artikel 3.1, voor een door hem per ziekenhuis vast te stellen percentage aan als vaste kosten van ziekenhuisverpleging.
5.
Het percentage per instelling, bedoeld in het vierde lid, is gelijk aan 100 minus het percentage, bedoeld in artikel 3.16, derde lid.
6.
Het Zorginstituut merkt de door de zorgautoriteit berekende bedragen ter verrekening van de opbrengstresultaten in 2010 voor een door hem per instelling voor medisch specialistische zorg vast te stellen percentage aan als vaste kosten van ziekenhuisverpleging.
7.
Het percentage per instelling, bedoeld in het zesde lid, is gelijk aan 100 minus het percentage, bedoeld in artikel 3.16, vierde lid.
8.
Het Zorginstituut merkt de kostencomponent van de niet-onderhandelbare dbc-tarieven van instellingen, dan wel zorgverleners, die niet bedoeld zijn in het tweede, vierde of zesde lid, voor 25 procent aan als vaste kosten van ziekenhuisverpleging.
9.
Met uitzondering van de verpleegkosten bij instellingen die niet worden gefinancierd op basis van dbc’s, waarvoor een percentage van 40 wordt aangehouden, merkt het Zorginstituut de volgende kosten voor 25 procent aan als vaste kosten van ziekenhuisverpleging:
a.
de kostencomponent en honorariumcomponent van overige trajecten en verrichtingen en van ondersteunende en overige producten van instellingen en zorgverleners die in hoofdzaak worden gefinancierd op basis van dbc’s;
b.
alle kosten van overige instellingen op het gebied van ziekenhuisverpleging voor zover zij niet worden gefinancierd op basis van dbc’s;
c.
de kostencomponent van de vaste bedragen ter verrekening van de in 2010 gerealiseerde opbrengstresultaten van centra voor klinische genetica, radiotherapie, epilepsie, dialyse en revalidatie.
10.
Het Zorginstituut merkt de kosten voor prestaties waarop de beleidsregel ‘Verpleging in de thuissituatie, noodzakelijk in verband met medisch-specialistische zorg’ van de zorgautoriteit van toepassing is, en de kosten van de overgangsregeling van het functioneel leeftijdsontslag van werknemers in de publieke ambulancezorg voor 100 procent aan als vaste kosten van ziekenhuisverpleging.
11.
Het Zorginstituut betrekt de renteheffingstarieven niet bij de vaste kosten van ziekenhuisverpleging.
12.
Het Zorginstituut calculeert 100 procent na op het verschil tussen de vaste kosten van ziekenhuisverpleging, vastgesteld ingevolge het tweede tot en met elfde lid enerzijds, en het deelbedrag vaste kosten van ziekenhuisverpleging na toepassing van het eerste lid anderzijds.
Artikel
29
In afwijking van hetgeen daarover in artikel 3.18 van de Regeling zorgverzekering zoals dat met betrekking tot het jaar 2010 gold, was geregeld, worden de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden jonger dan achttien jaar ten behoeve van de vaststelling van de vereveningsbijdrage over het jaar 2010 als volgt herberekend:
1.
Het Zorginstituut merkt de door de zorgautoriteit berekende bedragen ter verrekening van de in 2010 gerealiseerde opbrengstresultaten van gebudgetteerde instellingen voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor een door de zorgautoriteit vast te stellen gedeelte aan als kosten voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden jonger dan achttien jaar.
2.
Het Zorginstituut merkt de door de zorgautoriteit berekende bedragen ter verrekening van de in 2010 gerealiseerde opbrengstresultaten van gebudgetteerde instellingen voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor een door de zorgautoriteit vast te stellen gedeelte aan als kosten die behoren tot het deelbedrag kosten voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden van achttien jaar en ouder.
3.
Het percentage, bedoeld in het tweede lid, is gelijk aan 100 minus het percentage, bedoeld in het eerste lid.
4.
Het Zorginstituut calculeert 100 procent na op het verschil tussen de gerealiseerde kosten van geneeskundige gezondheidszorg voor verzekerden jonger dan achttien jaar en het deelbedrag kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden jonger dan achttien jaar.
5.
Het Zorginstituut past overeenkomstig artikel 3.14 van de Regeling zorgverzekering zoals dat met betrekking tot het jaar 2010 gold, hogekostencompensatie toe op het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden van achttien jaar en ouder.
Artikel
30
In afwijking van hetgeen daarover in artikel 3.19 van de Regeling zorgverzekering zoals dat met betrekking tot het jaar 2010 gold, was geregeld, worden de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden van achttien jaar en ouder ten behoeve van de vaststelling van de vereveningsbijdrage over het jaar 2010 als volgt herberekend:
1.
Het Zorginstituut merkt de door de zorgautoriteit berekende bedragen ter verrekening van de in 2010 gerealiseerde opbrengstresultaten van gebudgetteerde instellingen voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor een door de zorgautoriteit vast te stellen gedeelte aan als kosten voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden van achttien jaar en ouder.
2.
Het Zorginstituut past overeenkomstig artikel 3.14 van de Regeling zorgverzekering zoals dat met betrekking tot het jaar 2010 gold, hogekostencompensatie toe op het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden van achttien jaar en ouder.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling risicoverevening 2012.
Artikel
33
1
Deze regeling treedt, met uitzondering van artikel 25, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 30 september 2011.
2
Artikel 25 treedt in werking met ingang van 1 januari 2012.
3
Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 januari 2012, treedt ook artikel 25 in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin de regeling wordt geplaatst en werkt dat artikel terug tot en met 1 januari 2012.
De bijlage betreft kosten van zorg behorende tot de clusters ‘dbc-zorgproducten in het vrije segment’, ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’, en ‘overige prestaties’.
De in deze bijlage genoemde gewichten zijn bedoeld voor de ex ante berekening van het normatieve bedrag ten behoeve van een zorgverzekeraar (art. 5) en vormen de basis voor de herberekening van de gewichten ten behoeve van de ex post berekening van het normatieve bedrag ten behoeve van een zorgverzekeraar (art. 10, eerste lid).
Tabel 1.1: Gewichten voor het criterium leeftijd en geslacht (in euro’s per verzekerde)
Mannen
0 jaar
484,51
2.253,76
879,86
1–4 jaar
429,02
323,15
653,54
5–9 jaar
366,86
247,86
742,58
10–14 jaar
345,60
207,73
682,39
15–17 jaar
403,38
185,37
684,64
18–24 jaar
439,09
154,18
499,58
25–29 jaar
462,79
133,23
515,57
30–34 jaar
475,22
129,40
537,00
35–39 jaar
510,46
143,24
555,46
40–44 jaar
556,29
135,70
575,05
45–49 jaar
636,79
157,70
621,33
50–54 jaar
738,42
178,88
673,63
55–59 jaar
910,77
218,55
762,63
60–64 jaar
1.077,52
233,29
815,73
65–69 jaar
1.387,43
258,13
939,02
70–74 jaar
1.697,28
246,54
1.003,49
75–79 jaar
2.020,88
206,51
1.088,74
80–84 jaar
2.133,44
77,90
1.204,30
85–89 jaar
2.119,51
0,36
1.399,87
90+ jaar
2.095,70
– 18,67
1.746,38
Vrouwen
0 jaar
399,65
1.970,03
771,53
1–4 jaar
370,68
262,10
601,11
5–9 jaar
350,15
178,61
670,96
10–14 jaar
342,81
172,07
687,62
15–17 jaar
422,28
182,55
777,44
18–24 jaar
574,95
148,56
688,22
25–29 jaar
844,27
172,49
964,31
30–34 jaar
898,87
182,81
999,11
35–39 jaar
762,10
163,01
774,66
40–44 jaar
695,52
129,70
667,25
45–49 jaar
784,12
119,40
702,70
50–54 jaar
867,20
122,21
755,92
55–59 jaar
952,43
123,93
813,58
60–64 jaar
1.057,75
116,79
858,01
65–69 jaar
1.243,12
116,59
961,45
70–74 jaar
1.416,60
96,75
1.038,80
75–79 jaar
1.614,79
67,93
1.143,35
80–84 jaar
1.668,87
6,65
1.295,95
85–89 jaar
1.628,18
– 42,88
1.499,92
90+ jaar
1.383,83
– 49,27
1.783,16
Tabel 1.2: Gewichten voor het criterium FKG’s (in euro’s per verzekerde)
FKG’s
Geen FKG
–59,76
0,80
– 147,69
Glaucoom
118,02
– 43,47
183,32
Schildklieraandoeningen
124,52
–16,85
106,28
Psychose, Alzheimer en verslaving
– 405,78
–225,81
1.000,59
Depressie
60,79
–28,33
170,32
Neuropathische pijn
483,64
–117,25
817,01
Hoog cholesterol
88,78
40,30
249,43
Diabetes type IIb
141,46
4,83
425,64
COPD/Zware astma
651,68
–84,59
969,29
Astma
194,17
10,19
513,71
Diabetes type IIa
203,79
35,83
592,49
Epilepsie
–52,61
443,19
626,46
Ziekte van Crohn/Colitis Ulcerosa
621,09
–125,49
309,04
Hartaandoeningen
705,39
172,05
345,02
Reuma: TNF-alfa-remmers
0,00
0,00
0,00
Reuma: overige middelen
640,00
17,72
41,64
Parkinson
74,32
–214,21
2.425,17
Diabetes type I
169,24
–135,76
1.342,73
Transplantaties
–691,64
32,75
1.090,22
Cystic fibrosis/pancreasenzymen
603,17
–459,75
4.846,78
Aandoeningen van hersenen/ruggenmerg
–877,21
–627,84
5.929,31
Kanker
1.948,82
–360,70
4.664,51
Hormoongevoelige tumoren
682,83
–273,69
952,29
HIV/AIDS
–622,16
–844,42
8.635,68
Nieraandoeningen
3.572,42
–258,23
3.137,46
Groeihormonen
–2.034,44
–1.741,28
14.029,68
Tabel 1.3: Gewichten voor het criterium DKG’s (in euro’s per verzekerde)
DKG’s
0
–79,09
–12,45
–22,41
1
792,60
94,95
55,63
2
806,41
392,86
224,33
3
1.142,27
665,40
422,40
4
2.019,75
282,70
690,05
5
3.448,67
231,31
1.050,92
6
2.708,64
439,98
716,05
7
2.831,31
1.777,41
1.312,98
8
3.828,69
348,22
1.363,46
9
3.525,36
1.082,33
2.661,06
10
6.373,81
299,71
2.158,77
11
7.257,08
831,72
3.419,87
12
5.880,56
2.597,55
5.879,23
13
54.954,48
141,03
2.605,21
Tabel 1.4: Gewichten voor het criterium aard van het inkomen (in euro’s per verzekerde)
0–17 jaar
0,00
0,00
0,00
Arbeidsongeschikten
18–34 jaar
143,72
184,29
346,06
35–44 jaar
201,11
123,29
348,98
45–54 jaar
248,17
63,12
297,54
55–64 jaar
239,74
47,01
199,90
Bijstandsgerechtigden
18–34 jaar
105,76
28,16
49,36
35–44 jaar
125,31
36,78
149,09
45–54 jaar
164,15
15,15
186,68
55–64 jaar
79,47
20,49
110,78
Zelfstandigen
18–34 jaar
–46,41
–16,46
–56,11
35–44 jaar
–59,84
–19,37
–54,64
45–54 jaar
–86,95
–20,25
–73,41
55–64 jaar
–96,81
–19,96
–86,72
Referentiegroep
18–34 jaar
–6,28
–7,29
–12,67
35–44 jaar
–10,77
–6,69
–20,84
45–54 jaar
–22,22
–4,64
–29,41
55–64 jaar
–42,50
–8,47
–36,96
65+ jaar
0,00
0,00
0,00
Tabel 1.5: Gewichten voor het criterium regio (in euro’s per verzekerde)
Regio
1
46,93
8,78
14,91
2
22,71
7,33
8,52
3
21,91
2,91
4,08
4
8,46
8,03
1,55
5
1,32
–1,34
7,65
6
–2,37
–1,83
4,12
7
–9,65
–2,96
–2,85
8
–18,58
–4,11
–6,14
9
–25,44
–8,41
–6,68
10
–45,10
–8,36
–25,00
Tabel 1.6: Gewichten voor het criterium sociaaleconomische status (in euro’s per verzekerde)
SES > 15 bewoners
0–17 jaar
0,21
8,66
12,95
18–64 jaar
3,10
16,64
–67,61
65+ jaar
–216,94
–121,21
401,67
SES 1 (laag)
0–17 jaar
0,21
8,66
12,95
18–64 jaar
31,31
–2,31
22,31
65+ jaar
283,58
4,73
118,90
SES 2 (midden)
0–17 jaar
0,77
–7,14
–7,99
18–64 jaar
13,52
–2,55
18,56
65+ jaar
–27,78
–3,02
–15,98
SES 3 (hoog)
0–17 jaar
–3,24
–12,14
–26,64
18–64 jaar
–37,95
4,07
–34,92
65+ jaar
–83,52
17,77
–90,35
Tabel 1.7: Gewichten voor het criterium meerjarige hoge kosten (in euro’s per verzekerde)
De bijlage betreft de kosten van zorg behorende tot de clusters ‘geneeskundige geestelijke gezondheidszorg’ voor verzekerden jonger dan achttien jaar en ‘geneeskundige geestelijke gezondheidszorg’ voor verzekerden van achttien jaar en ouder.
De in deze bijlage genoemde gewichten zijn bedoeld voor de ex ante berekening van het normatieve bedrag ten behoeve van een zorgverzekeraar en vormen wat betreft tabel 2.1 de basis voor de herberekening van de gewichten ten behoeve van de ex post berekening van de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden jonger dan achttien jaar (art. 10, tweede lid). De gewichten bevatten geen correctie voor hogekostencompensatie.
Tabel 2.1: Gewichten voor het criterium leeftijd onder achttien jaar (in euro’s per verzekerde)
Leeftijd onder achttien jaar
Wel
185,15
Niet
0,00
Tabel 2.2: Gewichten voor het criterium leeftijd en geslacht (in euro’s per verzekerde)
Mannen
18–24 jaar
283,94
25–29 jaar
305,46
30–34 jaar
289,22
35–39 jaar
273,69
40–44 jaar
257,15
45–49 jaar
243,08
50–54 jaar
232,45
55–59 jaar
220,48
60–64 jaar
220,48
65–69 jaar
207,69
70–74 jaar
210,29
75–79 jaar
206,22
80–84 jaar
212,90
85–89 jaar
194,32
90+ jaar
193,89
Vrouwen
18–24 jaar
284,41
25–29 jaar
256,63
30–34 jaar
256,63
35–39 jaar
245,62
40–44 jaar
245,62
45–49 jaar
238,47
50–54 jaar
232,45
55–59 jaar
220,48
60–64 jaar
220,48
65–69 jaar
208,13
70–74 jaar
199,73
75–79 jaar
193,89
80–84 jaar
193,89
85–89 jaar
193,89
90+ jaar
193,89
Tabel 2.3: Gewichten voor het criterium GGZ-regio (in euro’s per verzekerde)
GGZ-regio
1
78,41
2
11,26
3
–3,32
4
–9,46
5
–4,26
6
–12,10
7
–15,51
8
–15,51
9
–15,51
10
–15,51
Tabel 2.4: Gewichten voor het criterium FKG psychische aandoeningen in euro’s per verzekerde)
FKG’s
Geen FKG psychische aandoeningen
–31,73
Psychose
3.465,81
Depressie
228,68
Verslaving
2.583,56
Bipolaire stoornis
1.386,78
ADHD
271,45
Tabel 2.5: Gewichten voor het criterium aard van het inkomen (in euro’s per verzekerde)
Arbeidsongeschikten
18–34 jaar
834,80
35–44 jaar
241,31
45–54 jaar
126,06
55–64 jaar
28,71
Bijstandsgerechtigden
18–34 jaar
744,29
35–44 jaar
627,47
45–54 jaar
271,54
55–64 jaar
148,23
Zelfstandigen
18–34 jaar
–47,71
35–44 jaar
–36,70
45–54 jaar
–23,53
55–64 jaar
–11,57
Referentiegroep
18–34 jaar
–47,71
35–44 jaar
–36,70
45–54 jaar
–21,95
55–64 jaar
–11,57
65+ jaar
0,00
Tabel 2.6: Gewichten voor het criterium sociaaleconomische status (in euro’s per verzekerde)
SES > 15 bewoners
18–64 jaar
1.754,46
65+ jaar
114,39
SES 1 (laag)
18–64 jaar
–14,36
65+ jaar
25,49
SES 2 (midden)
18–64 jaar
–0,69
65+ jaar
–10,77
SES 3 (hoog)
18–64 jaar
–25,79
65+ jaar
–10,77
Tabel 2.7: Gewichten voor het criterium eenpersoonsadres (in euro’s per verzekerde)
Eenpersoonsadres
Niet
–20,96
Wel
107,51
Tabel 2.8: Gewichten voor het criterium kosten geneeskundige GGZ boven de lage drempel (in euro’s per verzekerde)
Kosten geneeskundige GGZ boven lage drempel
Niet
–35,95
Wel
776,22
Tabel 2.9: Gewichten voor het criterium kosten geneeskundige GGZ boven de hoge drempel (in euro’s per verzekerde)
De bijlage betreft kosten van zorg behorend tot de cluster ‘geneeskundige geestelijke gezondheidszorg’ voor verzekerden van achttien jaar en ouder.
De in deze bijlage genoemde gewichten vormen de basis voor de herberekening van de gewichten ten behoeve van de ex post berekening van het normatieve bedrag ten behoeve van een zorgverzekeraar (art. 10, tweede lid). De gewichten bevatten een correctie voor hogekostencompensatie.
Tabel 3.1: Gewichten voor het criterium leeftijd en geslacht (in euro’s per verzekerde)
Mannen
18–24 jaar
257,83
25–29 jaar
277,56
30–34 jaar
278,99
35–39 jaar
274,44
40–44 jaar
263,58
45–49 jaar
254,87
50–54 jaar
240,64
55–59 jaar
219,34
60–64 jaar
210,08
65–69 jaar
185,63
70–74 jaar
190,78
75–79 jaar
191,33
80–84 jaar
201,53
85–89 jaar
195,63
90+ jaar
184,33
Vrouwen
18–24 jaar
297,99
25–29 jaar
295,92
30–34 jaar
274,95
35–39 jaar
271,94
40–44 jaar
260,23
45–49 jaar
259,83
50–54 jaar
240,64
55–59 jaar
215,12
60–64 jaar
210,08
65–69 jaar
183,99
70–74 jaar
183,99
75–79 jaar
183,99
80–84 jaar
183,99
85–89 jaar
183,99
90+ jaar
183,99
Tabel 3.2: Gewichten voor het criterium GGZ-regio (in euro’s per verzekerde)
GGZ-regio
1
53,65
2
26,60
3
8,41
4
2,83
5
–4,01
6
–11,21
7
–19,40
8
–19,40
9
–19,40
10
–19,40
Tabel 3.3: Gewichten voor het criterium FKG psychische aandoeningen
FKG’s
Geen FKG psychische aandoeningen
–29,56
Psychose
2.454,78
Depressie
327,36
Verslaving
1.783,63
Bipolaire stoornis
1.083,27
ADHD
340,69
Tabel 3.4: Gewichten voor het criterium aard van het inkomen (in euro’s per verzekerde)
Arbeidsongeschikten
18–34 jaar
537,97
35–44 jaar
297,59
45–54 jaar
169,10
55–64 jaar
35,42
Bijstandsgerechtigden
18–34 jaar
557,73
35–44 jaar
528,52
45–54 jaar
319,97
55–64 jaar
106,22
Zelfstandigen
18–34 jaar
–58,75
35–44 jaar
–61,14
45–54 jaar
–41,55
55–64 jaar
–11,00
Referentiegroep
18–34 jaar
–31,43
35–44 jaar
–33,26
45–54 jaar
–26,40
55–64 jaar
–11,00
65+ jaar
0,00
Tabel 3.5: Gewichten voor het criterium sociaaleconomische status (in euro’s per verzekerde)
SES > 15 bewoners
18–64 jaar
643,91
65+ jaar
50,34
SES 1 (laag)
18–64 jaar
–0,15
65+ jaar
18,84
SES 2 (midden)
18–64 jaar
7,45
65+ jaar
–6,33
SES 3 (hoog)
18–64 jaar
–21,42
65+ jaar
–6,33
Tabel 3.6: Gewichten voor het criterium eenpersoonsadres (in euro’s per verzekerde)
Eenpersoonsadres
Niet
–18,61
Wel
95,46
Tabel 3.7: Gewichten voor het criterium kosten geneeskundige GGZ boven de lage drempel (in euro’s per verzekerde)
Kosten geneeskundige GGZ boven lage drempel
Niet
Zie artikel 11, vierde lid
Wel
1.056,49
Tabel 3.8: Gewichten voor het criterium kosten geneeskundige GGZ boven de hoge drempel (in euro’s per verzekerde)
De in deze bijlage genoemde gewichten zijn bedoeld voor de berekening van de specifiek voor de zorgverzekeraar geraamde opbrengst van het verplicht eigen risico.
Tabel 4.1: Gewichten voor het criterium leeftijd en geslacht (in euro’s per verzekerde)
Mannen
18–24 jaar
89,68
25–29 jaar
86,37
30–34 jaar
89,85
35–39 jaar
94,01
40–44 jaar
98,18
45–49 jaar
105,09
50–54 jaar
114,73
55–59 jaar
128,58
60–64 jaar
138,36
65–69 jaar
153,75
70–74 jaar
167,89
75–79 jaar
178,84
80–84 jaar
184,82
85–89 jaar
186,69
90+ jaar
186,38
Vrouwen
18–24 jaar
135,61
25–29 jaar
139,52
30–34 jaar
146,04
35–39 jaar
136,53
40–44 jaar
131,67
45–49 jaar
135,36
50–54 jaar
142,27
55–59 jaar
147,46
60–64 jaar
152,74
65–69 jaar
163,88
70–74 jaar
174,59
75–79 jaar
182,81
80–84 jaar
186,07
85–89 jaar
185,04
90+ jaar
177,80
Tabel 4.2: Gewichten voor het criterium aard van het inkomen (in euro’s per verzekerde)
Arbeidsongeschikten
18–34 jaar
39,49
35–44 jaar
41,90
45–54 jaar
37,30
55–64 jaar
23,71
Bijstandsgerechtigden
18–34 jaar
28,83
35–44 jaar
34,03
45–54 jaar
28,74
55–64 jaar
9,86
Zelfstandigen
18–34 jaar
–4,10
35–44 jaar
–6,73
45–54 jaar
–8,74
55–64 jaar
–8,62
Referentiegroep
18–34 jaar
–1,69
35–44 jaar
–2,18
45–54 jaar
–2,42
55–64 jaar
–2,76
65+ jaar
0,00
Tabel 4.3: Gewichten voor het criterium regio (in euro’s per verzekerde)