Artikel
1
Er is een gezamenlijke Raad voor Geschillen van NIVRA en NOvAA, hierna te noemen: de Raad.
Stelt de volgende verordening vast:
Er is een gezamenlijke Raad voor Geschillen van NIVRA en NOvAA, hierna te noemen: de Raad.
De Raad bestaat uit de volgende leden:
Een voorzitter en een of meer plaatsvervangend voorzitters;
Vier registeraccountants;
Vier Accountants-Administratieconsulenten.
De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter zijn rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast.
De Raad wordt bijgestaan door een secretaris en een plaatsvervangend secretaris. Voor benoeming tot secretaris of plaatsvervangende secretaris komt in aanmerking degene:
aan wie door een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, de graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad Master op het gebied van het recht is verleend, of
die aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het doctoraat in de rechtsgeleerdheid of het recht om de titel meester te voeren heeft verkregen.
Het lidmaatschap van de Raad is onverenigbaar met:
het lidmaatschap van het bestuur van de NOVAA;
het lidmaatschap van het het bestuur van het NIVRA;
het lidmaatschap van de Accountantskamer;
het lidmaatschap van het College van Beroep voor het bedrijfsleven; en
een dienstverband met de NOvAA of het NIVRA.
Het lidmaatschap van de Raad eindigt:
op verzoek van het lid;
bij het bereiken van de zeventigjarige leeftijd;
bij het verstrijken van de zittingsduur;
bij doorhaling in het accountantsregister als bedoeld in artikel 63 van de Wet op de Registeraccountants of artikel 48 van de Wet op de Accountants- Administratieconsulenten; en
bij overlijden.
Een ieder kan een burgerrechtelijk geschil ter zake van de beroepsuitoefening van een lid van het NIVRA aan de Raad voorleggen.
De eis wordt ingesteld door middel van een schriftelijk gemotiveerd verzoekschrift. De secretaris bevestigt de ontvangst aan de partijen bij het geschil en stelt de verweerder in de gelegenheid schriftelijk en gemotiveerd op het verzoekschrift te antwoorden.
Een tegenvordering wordt uiterlijk ingesteld bij het verweerschrift. De eiser wordt in de gelegenheid gesteld schriftelijk op de tegenvordering te antwoorden.
Indien verweerder lid is van het NIVRA kan hij het geschil, met voorbijgaan van de Raad, aanhangig maken bij de volgens de wet bevoegde rechter. Verweerder maakt in dat geval het geschil uiterlijk twee weken na ontvangst van de ontvangstbevestiging, bedoeld in het tweede lid, aanhangig en stelt de Raad daarvan, gelijktijdig, bij aangetekende brief in kennis.
Het is aan de leden, de secretaris en de plaatsvervangend secretaris van de Raad verboden:
hetgeen zij als zodanig te weten zijn gekomen direct of indirect bekend te maken;
op enigerlei wijze de gevoelens te openbaren die in de Raad over aanhangige geschillen zijn geuit;
om met betrekking tot een voor hen aanhangig geschil of een geschil dat naar hun weten of vermoeden voor hen aanhangig gemaakt zal worden, buiten de behandeling van het geschil door de Raad, deel te nemen aan enig onderhoud, gesprek of samenkomst met belanghebbenden of van hen enige inlichting of schriftelijk stuk betreffende het geschil aan te nemen.
De Raad neemt een geschil slechts in behandeling:
indien de derde heeft laten weten zich aan de uitspraak van de Raad te zullen onderwerpen;
indien het geschil niet reeds aan een bevoegde rechter is voorgelegd;
indien eiser het depot gestort heeft;
indien eiser hem een gemotiveerd verzoekschrift heeft doen toekomen, waaruit de inhoud van het geschil duidelijk blijkt.
De secretaris stelt partijen in kennis van het in behandeling nemen van het geschil, met opgave van de leden van de Raad.
Op verzoek van partijen, kan de voorzitter of elk van de leden die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de onpartijdigheid van de Kamer schade zou kunnen lijden.
Het verzoek geschiedt schriftelijk en is gemotiveerd. Tijdens de zitting kan het ook mondeling geschieden.
Op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, kan elk van de leden die een zaak behandelen, verzoeken zich te mogen verschonen.
De betrokken partijen kunnen – tenzij de Kamer beveelt, dat zij in persoon verschijnen – zich ter zitting doen vertegenwoordigen door een daartoe gemachtigde. Partijen kunnen zich door een raadsman doen bijstaan.
De Kamer kan bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan, weigeren. Bij zodanige weigering houdt de Raad de zaak tot een volgende zitting aan.
Leden van het NIVRA die als getuige zijn opgeroepen, zijn verplicht voor de Kamer te verschijnen en op de hun gestelde vragen te antwoorden.
Indien een partij niet voldoet aan de verplichting te verschijnen, inlichtingen te geven, stukken over te leggen of weigert antwoord te geven op vragen van de Kamer, kan de Kamer daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.
Alle beslissingen van de Kamer worden genomen met gewone meerderheid van stemmen.
De Kamer is bevoegd op verzoek een voorlopige voorziening te treffen, die hem nodig of nuttig voorkomt.
Indien de Kamer van oordeel is dat het geschil in staat van wijzen is, dan stelt hij zijn uitspraak vast.
De Kamer bepaalt door welke partij de kosten van de procedure worden gedragen. Ook kan hij besluiten om de kosten voor rekening van beide partijen te laten.
Bij het vaststellen van de hoogte van de kosten stelt de Kamer vast in hoeverre zij kunnen worden voldaan uit het depot, bedoeld in artikel 8.
Zodra de Raad bij de behandeling van een geschil zijn einduitspraak heeft gedaan, zenden de leden van de Kamer de in hun bezit zijnde stukken, die op dit geschil betrekking hebben, aan de secretaris. Deze draagt zorg, dat de stukken in het archief van de Raad worden bewaard of, voor zover zij overtollig zijn, worden vernietigd.
De Verordening op de Raad voor Geschillen van 14 december 2001 (Stcrt. 2002, 43), laatstelijk gewijzigd op 16 december 2009 (Stcrt. 2009, 20537) wordt ingetrokken.
Ten aanzien van de benoemingen die voor de eerste maal na inwerkingtreding van deze verordening plaatsvinden, kan van het bepaalde in artikel 2, vijfde lid worden afgeweken.
De artikelen van deze verordening treden in werking op een bij bestuursbesluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.