Besluit van 14 februari 2013 tot instelling en benoeming van de Evaluatiecommissie Onderzoeksraad voor veiligheid (Besluit instelling Evaluatiecommissie Onderzoeksraad voor veiligheid 2013)

Besluit instelling Evaluatiecommissie Onderzoeksraad voor veiligheid 2013

De Minister van Veiligheid en Justitie, in overeenstemming met de voorzitter van de Onderzoeksraad voor veiligheid,

Besluit:

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

Zo spoedig mogelijk na de beëindiging van de werkzaamheden van de commissie of, zo de omstandigheden daartoe aanleiding geven, zoveel eerder, worden de bescheiden betreffende die werkzaamheden van de commissie overgedragen aan het archief van het Bureau Secretaris-generaal van het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

Artikel

7

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 juli 2014.

Artikel

8

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit instelling Evaluatiecommissie Onderzoeksraad voor veiligheid 2013.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Veiligheid en Justitie,I.W.Opstelten

Bijlage

bij artikel 2, tweede lid, van de Besluit instelling Evaluatiecommissie Onderzoeksraad voor veiligheid 2013

  • *

    In hoeverre zijn de onderzoeksbeperkingen, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de rijkswet, doelmatig en doeltreffend? Daarbij moet onderscheid gemaakt worden naar de verschillende beperkingen zoals die zijn neergelegd in de rijkswet en dient acht te worden geslagen op de aan die beperkingen ten grondslag liggende overwegingen.

  • *

    In hoeverre is de huidige samenstelling van de Onderzoeksraad voor veiligheid van vijf leden geëigend?

  • *

    In hoeverre staat de benoemingsprocedure van de leden, inclusief de voorzitter, van de raad de onafhankelijke positie van de raad in de weg?

  • *

    In hoeverre is de verplichte deelname van buitengewone leden aan raadsvergaderingen wenselijk?

  • *

    Wat zou de kring van personen van het inzagerecht, bedoeld in artikel 56 juncto artikel 48 van de rijkswet, moeten zijn?

  • *

    In hoeverre zou een concept van het onderzoeksrapport in alle gevallen in zijn geheel moeten worden toegezonden aan degenen die zijn bedoeld in artikel 48, tweede lid, onderdeel a, of zou ook, indien internationale regelgeving dat toelaat, volstaan kunnen worden met het toezenden van de relevante delen uit het conceptrapport?

  • *

    In hoeverre zijn de reactietermijnen, bedoeld in de artikelen 73 en 74 van de rijkswet, doeltreffend?

  • *

    Moet er in de rijkswet een regeling worden getroffen over een reactie van de minister op een aanbeveling van de Onderzoeksraad aan een ander bestuursorgaan?

  • *

    In hoeverre staat de huidige positionering als zelfstandig bestuursorgaan het onafhankelijk functioneren van de raad in de weg?