Besluit van 9 februari 2004 houdende de algemene eisen voor de opleiding, registratie en herregistratie van medisch specialisten en voor de erkenning van opleiders, plaatsvervangend opleiders, stageopleiders en opleidingsinrichtingen

Kaderbesluit CCMS

Het Centraal College Medische Specialismen,
Gelet op artikel 14, tweede lid, onder c van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg en artikel 12, eerste lid, van de Regeling specialisten geneeskunst van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst;
Gezien de adviezen van het Federatiebestuur van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, de Orde van Medisch Specialisten, de Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband en de Medisch Specialisten Registratie Commissie;

Besluit:

Hoofdstuk

A

Algemene bepalingen

Artikel

A.1

Begripsomschrijvingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a.

    afdeling: onderdeel van een inrichting;

  • b.

    aios: arts(en) in opleiding tot (medisch) specialist;

  • c.

    algemene competentie: competentie die voor ieder specialisme van toepassing is, zoals neergelegd in artikel B.2, derde lid;

  • d.

    AVGIO-commissie: vertegenwoordiging van artsen voor verstandelijk gehandicapten in opleiding;

  • e.

    Beoordelingsstage: een stage in een opleidingsinrichting voor een arts die buiten Nederland een specialisatie met goed gevolg heeft afgerond waarbij de kennis en beroepsuitoefening getoetst wordt op gelijkwaardigheid aan het eindniveau van de Nederlandse opleiding voor het betreffende medisch specialisme;

  • f.

    bestuurlijke eenheid: eenheid die wordt gevormd doordat de instelling wordt geleid door één Raad van Bestuur, centrale directie, bestuursraad of bestuur;

  • g.

    centrale opleidingscommissie: een in iedere opleidingsinrichting aanwezig overlegorgaan ter handhaving en bevordering van een optimaal opleidingsklimaat;

  • h.

    co-assistent: de student in opleiding tot arts die het klinisch gedeelte van de opleiding volgt;

  • i.

    competentie: een getoonde bekwaamheid of gedragsrepertoire waaruit blijkt dat kennis, vaardigheden, attitude, eigenschappen en inzichten in het handelen zijn geïntegreerd;

  • j.

    CvG: de Commissie voor Geschillen;

  • k.

    dagdeel: een aaneengesloten periode overdag van vier uur;

  • l.

    deskundigheidsbevordering: het geheel van activiteiten dat er op is gericht de kwaliteit van de eigen beroepsuitoefening te handhaven op het eindniveau van de vigerende opleiding en deze te verdiepen en verbreden in afstemming op de eisen van de eigen beroepspraktijk door geaccrediteerde bij- en nascholing;

  • m.

    EER: Europees Economische Ruimte;

  • n.

    geaccrediteerde bij- en nascholing: waardering van de betreffende wetenschappelijke medisch specialistenvereniging van de kwaliteit en de onafhankelijkheid van bij- en nascholingsactiviteiten, die kwantitatief tot uitdrukking wordt gebracht in het aantal toe te kennen accreditatieuren;

  • o.

    gedeelte van de opleiding: een in tijd en inhoud omschreven onderdeel van de opleiding in een medisch specialisme;

  • p.

    inrichting: een, al dan niet over meerdere locaties verspreide, bestuurlijk samenhangende instelling waar medisch specialisten werkzaam zijn en waar een of meer medisch specialismen uitgeoefend worden;

  • q.

    klinisch wetenschappelijk onderzoek: in een kliniek of onder verantwoordelijkheid van een kliniek uitgevoerd onderzoek, begeleid door een als zodanig opgeleide onderzoeker werkzaam bij een universiteit of instelling die mede het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek in haar missie heeft opgenomen;

  • r.

    kwaliteitsvisitatie: visitatie uitgevoerd door een wetenschappelijke medisch specialisten vereniging van een individuele specialist of de afdeling waar deze werkzaam is ter bevordering van de kwaliteit van de zorg;

  • s.

    mediator: persoon die het proces bij conflictbemiddeling begeleidt en als mediator geregistreerd is bij het Nederlands Mediation Instituut;

  • t.

    medisch specialisme: een deelgebied van de geneeskunde dat door het CCMS als zodanig is aangewezen;

  • u.

    medisch specialistische kennis en ervaring verkregen buiten het kader van de opleiding: kennis en ervaring in een erkend medisch specialisme, welke in Nederland na het artsexamen en buiten de opleiding tot medisch specialist in een opleidingsinrichting is verkregen;

  • v.

    onderzoeksbegeleider: begeleider van een klinisch wetenschappelijk onderzoeksproject;

  • w.

    opleider: een door de MSRC voor de opleiding erkende medisch specialist onder wiens verantwoordelijkheid de gehele opleiding of een gedeelte van de opleiding tot medisch specialist plaatsvindt;

  • x.

    opleiding: de opleiding of gedeelte van de opleiding in Nederland tot medisch specialist;

  • y.

    opleidingsgroep: het samenwerkingsverband van de medisch specialisten, inclusief de opleider en plaatsvervangend opleider, van een opleidingsinrichting betrokken bij de opleiding van het desbetreffende specialisme;

  • z.

    opleidingsinrichting: een inrichting in Nederland die door de MSRC voor het verzorgen van één of meer opleidingen tot medisch specialist is erkend en waar de gehele of een gedeelte van de opleiding plaatsvindt;

  • aa.

    opleidingsregister: een register van aios;

  • bb.

    patiëntgebonden zorg: de zorgverlening die bestaat uit de componenten klinische werkzaamheid, poliklinische werkzaamheid, consultatieve activiteiten, patiëntgebonden opleidingsactiviteiten en patiëntenbesprekingen;

  • cc.

    plaatsvervangend opleider: de opleider die als zodanig op voordracht van de opleider en de opleidingsinrichting door de MSRC is aangewezen en die voor een bepaalde periode in de rechten en plichten van de opleider kan treden;

  • dd.

    plenaire visitatiecommissie: een per specialisme door de MSRC ingestelde adviescommissie;

  • ee.

    portfolio: een verzameling van documenten waarin de verplichtingen voortvloeiende uit dit besluit en de specifieke besluiten worden bijgehouden, waaruit de voortgang van de opleiding en de zelfreflectie van de aios blijken, met ten minste de documenten ten behoeve van de beoordeling van de aios, de gehouden voordrachten en referaten, de gepubliceerde artikelen, de gevolgde cursussen en de uitgevoerde verrichtingen;

  • ff.

    Richtlijn 2005/36/EG: Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (Pb Nr. L 255 van 30/09/2005 blz. 0022 - 0142);

  • gg.

    samengestelde opleiding: een opleiding die bestaat uit een vooropleiding in een ander medisch specialisme dan het eigenlijk gekozen medisch specialisme gevolgd door een vervolgopleiding in het eigenlijk gekozen medisch specialisme;

  • hh.

    specifiek besluit: besluit van het CCMS dat zij ter uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Regeling per specialisme vaststelt;

  • ii.

    stage: een gedeelte van de opleiding dat wordt gevolgd bij een opleidingsinrichting en dat in specifieke besluiten is omschreven wat betreft duur, inhoud en verplichte of facultatieve status;

  • jj.

    stage-eisen: eisen met betrekking tot de duur en de inhoud van de stage;

  • kk.

    stageopleider: de opleider die een stage als onderdeel van de opleiding in een medisch specialisme verzorgt;

  • ll.

    taaltest: de onder auspiciën van de MSRC af te nemen taaltest Nederlands, zoals beschreven in hoofdstuk D, titel II, paragraaf II-D van dit besluit;

  • mm.

    visitatie: een vorm van onderzoek naar het functioneren van de opleider, de plaatsvervangend opleider, de stageopleider, de inrichting of de opleidingsinrichting, op locatie met als doel een zo objectief mogelijk oordeel te verkrijgen of aan de eisen of verplichtingen voor erkenning is voldaan;

  • nn.

    visitatieprogramma: een onderzoek om de opleidingsinrichting of de opleider op basis van de besluiten van het CCMS te toetsen;

  • oo.

    visitatierapport: de op de daarvoor bestemde formulieren over een visitatie uitgebrachte rapportage en de eventueel daarbij gevoegde bescheiden;

  • pp.

    volledige werkweek: een volledige werkweek zoals bepaald in de CAO ziekenhuizen, de CAO GGZ en de CAO academische ziekenhuizen alsmede de Arbeidsvoorwaardenregeling Medisch Specialisten (AMS) en de Honoreringsregeling Academisch Medisch Specialisten (HAMS). Voor aios geldt de hiervoor omschreven werkweek, met daarbij opgeteld het aantal in voornoemde CAO’s genoemde opleidingsuren per week (zogenaamde normatieve werkweek);

  • qq.

    vrijstelling: de ontheffing van de verplichting deel te nemen aan een gedeelte van de opleiding met als gevolg feitelijke bekorting van de opleidingsduur;

  • rr.

    waarnemer: een medisch specialist die is ingeschreven in hetzelfde register als de opleider en de opleider gedurende een bepaalde periode waarneemt.

Artikel

A.2

Toepassingsbereik besluit

Artikel

A.3

Rechtsmiddelen

In elke individuele beslissing ingevolge dit besluit staat vermeld welk rechtsmiddel bij welke instantie en binnen welke termijn tegen de betreffende beslissing kan worden aangewend.

Artikel

A.4

Experimenten

Artikel

A.5

Medische specialismen

De volgende deelgebieden der geneeskunde worden in dit besluit als medisch specialisme aangewezen en daaraan zijn de genoemde titels verbonden:

  • a.

    anesthesiologie: anesthesioloog;

  • b.

    cardiologie: cardioloog;

  • c.

    cardio-thoracale chirurgie: cardiothoracaal chirurg;

  • d.

    dermatologie en venerologie: dermatoloog;

  • e.

    heelkunde: chirurg;

  • f.

    interne geneeskunde: internist;

  • g.

    keel- neus- oorheelkunde: keelneus- oorarts;

  • h.

    kindergeneeskunde: kinderarts;

  • i.

    klinische genetica: klinisch geneticus;

  • j.

    klinische geriatrie: klinisch geriater;

  • k.

    longziekten en tuberculose: longarts;

  • l.

    maag-darm-leverziekten: arts voor maag-darm-leverziekten;

  • m.

    medische microbiologie: artsmicrobioloog;

  • n.

    neurochirurgie: neurochirurg;

  • o.

    neurologie: neuroloog;

  • p.

    nucleaire geneeskunde : nucleair geneeskundige;

  • q.

    oogheelkunde: oogarts;

  • r.

    orthopedie: orthopedisch chirurg;

  • s.

    pathologie: patholoog;

  • t.

    plastische chirurgie: plastisch chirurg;

  • u.

    psychiatrie: psychiater;

  • v.

    radiologie: radioloog;

  • w.

    radiotherapie: radiotherapeut;

  • x.

    reumatologie: reumatoloog;

  • y.

    revalidatiegeneeskunde: revalidatiearts;

  • z.

    urologie: uroloog.

  • aa.

    verloskunde en gynaecologie: gynaecoloog.

Artikel

A.6

Gesloten registers

Van de volgende deelgebieden der geneeskunde die niet meer als specialisme zijn erkend houdt de MSRC een register, met de bijbehorende titel:

  • a.

    allergologie: allergoloog;

  • b.

    interne geneeskunde-allergologie: internist-allergoloog;

  • c.

    zenuw- en zielsziekten: zenuwarts;

  • d.

    klinische chemie: arts klinische chemie.

Artikel

A.7

Doorwerking toekomstige wijzigingen EG-regelgeving

Een wijziging van Richtlijn 2005/36/EG gaat voor de toepassing van dit besluit gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

Hoofdstuk

B

De opleiding

Titel

I

Opleidingseisen

Paragraaf

I-A

Algemeen

Artikel

B.1

Opleidingsinrichting

De opleiding wordt gevolgd bij een opleider of stageopleider in een opleidingsinrichting.

Artikel

B.2

Competenties

Artikel

B.3

Duur van de opleiding

Artikel

B.4

Rechtspositieregeling

De aios dient voor zijn werkzaamheden tijdens de opleiding volgens de landelijk gangbare salarisnormen te worden gehonoreerd. Op hem dient tevens de rechtspositieregeling van de opleidingsinrichting van toepassing te zijn.

Artikel

B.5

Plichten van de aios

Artikel

B.6

Geschiktheidsbeoordeling

Artikel

B.7

Jaarlijkse beoordeling

Behalve de beoordelingen bedoeld in artikel B.6. brengt de opleider aan het eind van elk volgend opleidingsjaar, met uitzondering van het laatste jaar, een beoordeling van de aios ter kennis van de MSRC door middel van een daartoe vastgesteld formulier en verstrekt een afschrift daarvan aan de aios.

Artikel

B.8

Voortgangsgesprekken

In het eerste jaar van de opleiding als bedoeld in artikel B.6., eerste lid, vindt eenmaal per kwartaal een voortgangsgesprek plaats tussen de opleider en de aios. In het tweede jaar en in het jaar halverwege de opleiding als bedoeld in artikel B.6., tweede lid, vindt halfjaarlijks een voortgangsgesprek plaats tussen de opleider en de aios. In de jaren daarna vindt tenminste een maal per jaar een voortgangsgesprek plaats, waarbij voor het laatste jaar van de opleiding geldt dat het voortgangsgesprek ten minste drie maanden voor het einde van de opleiding wordt gehouden. De conclusies van deze gesprekken worden – voor gezien of akkoord mede ondertekend door de aios – schriftelijk vastgelegd. De resultaten van voortgangsgesprekken worden steeds tijdig en behoorlijk toegelicht met de aios besproken.

Artikel

B.9

Eindoordeel

Artikel

B.10

Inschrijving opleidingsregister

Er is een opleidingsregister waarin de MSRC aios inschrijft. De aios dient vóór aanvang van de opleiding bij de MSRC een aanvraag tot inschrijving in het opleidingsregister in. De aanvraag bedoeld in het tweede lid, bevat in ieder geval de volgende elementen:

  • a.

    de naam en adres van de aios;

  • b.

    een bewijs van inschrijving in het artsregister, bedoeld in artikel 3 van de Wet BIG;

  • c.

    een bewijs dat de aios is toegelaten tot de opleiding;

  • d.

    opgave voor welk medisch specialisme de aios zal worden opgeleid;

  • e.

    opgave welke opleider zich bereid heeft verklaard de aios op te leiden;

  • f.

    opgave in welke opleidingsinrichting de opleiding zal plaats vinden;

  • g.

    verklaring van de aios dat voldaan is aan het in artikel B.4. bepaalde.

Naast de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, legt de aios het door de opleider, met inachtneming van de eisen in dit besluit en de specifieke besluiten, schriftelijk goedgekeurde opleidingsschema aan de MSRC ter goedkeuring voor. Na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, zendt de MSRC de aios binnen twee weken een formulier voor het verkrijgen van nadere gegevens. De aios zendt het formulier, genoemd in vijfde lid, ingevuld ten hoogste één maand na aanvang van de opleiding aan de MSRC retour. Alvorens de aanvraag tot inschrijving in het opleidingsregister in behandeling kan worden genomen, dient het door de MSRC daarvoor vastgestelde bedrag te zijn voldaan. De MSRC deelt de aios, de opleider en de opleidingsinrichting mede met ingang van welke datum de opleiding van de aios aanvangt of is aangevangen. De MSRC schrijft de aios, na ontvangst van de in dit artikel genoemde bescheiden en de betaling, bedoeld in het zevende lid, alsmede na goedkeuring van het opleidingsschema, bedoeld in het vierde lid, in het opleidingsregister in.

Artikel

B.11

Wijzigingen

Artikel

B.12

Uitschrijving opleidingsregister

De inschrijving in het opleidingsregister, bedoeld in artikel B.5., eerste lid, onder a, wordt doorgehaald zodra de aios de opleiding heeft voltooid en beschikt over een positief oordeel als bedoeld in artikel B.9., dan wel zodra de MSRC kennis neemt van tussentijdse beëindiging van de opleiding van de aios.

Paragraaf

I-B

Bijzondere bepalingen

Artikel

B.13

Deeltijd

Artikel

B.14

Onderbreking

Artikel

B.15

Vrijstelling

Artikel

B.16

Aanvraag tot vrijstelling

Artikel

B.17

Criteria voor vrijstelling

Artikel

B.18

Verlenging

Artikel B.11. is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf

I-C

Opleiding en klinisch wetenschappelijk onderzoek

Artikel

B.19

Combinatie opleiding en klinisch wetenschappelijk onderzoek

Artikel

B.20

Randvoorwaarden

Aan het combineren van de opleiding met het klinisch wetenschappelijk onderzoek, bedoeld in artikel B.19., eerste lid, zijn de volgende voorwaarden verbonden:

  • a.

    het door de aios met de opleider en de onderzoeksbegeleider gezamenlijk opgestelde opleidingsschema is goedgekeurd door de MSRC;

  • b.

    ten minste een jaar van het klinisch wetenschappelijk onderzoek vindt plaats na aanvang van de opleiding voor het betreffende medisch specialisme en binnen de voltooiing daarvan;

  • c.

    de aios kan pas aanvangen met de combinatie van de opleiding met klinisch wetenschappelijk onderzoek indien de MSRC het opleidingsschema heeft goedgekeurd;

  • d.

    gedurende het klinisch wetenschappelijk onderzoek blijft de aios betrokken bij de opleiding.

Artikel

B.21

Aanvraag voor beoordeling opleidingsschema

Artikel

B.22

Overige bepalingen

Paragraaf

I-D

De stage

Artikel

B.23

Stage

Voor een stage gelden de volgende eisen:

  • a.

    de duur van de stage bedraagt maximaal één jaar;

  • b.

    de aios besteedt 80% of meer van de dagtaak aan de stage;

  • c.

    de patiëntenpopulatie is specifiek voor dat gedeelte van de opleiding waarop de stage is gericht.

Paragraaf

I-E

Gedeeltelijke opleiding buiten Nederland

Artikel

B.24

Met voorafgaande toestemming MSRC

Artikel

B.25

Zonder voorafgaande toestemming MSRC

Artikel

B.26

Laatste jaar van de opleiding

Titel

II

Geschillen

Artikel

B.27

Commissie voor Geschillen (CvG)

Artikel

B.28

Competentie Commissie voor Geschillen

Hoofdstuk

C

De erkenning tot opleider en opleidingsinrichting

Titel

I

De opleider, de plaatsvervangend opleider en de stageopleider

Paragraaf

I-A

Eisen voor erkenning van de medisch specialist tot opleider

Artikel

C.1

De eisen voor erkenning

De MSRC erkent een medisch specialist als opleider indien hij aan de volgende algemene eisen voldoet:

  • a.

    hij is ten minste vijf jaar voor het medische specialisme waarvoor hij als opleider erkend wil worden, en niet tevens voor een ander medisch specialisme, in het desbetreffende register van medisch specialisten ingeschreven en actief als medisch specialist werkzaam;

  • b.

    hij beschikt over didactische kwaliteiten;

  • c.

    hij beschikt over organisatorische kwaliteiten;

  • d.

    hij is wetenschappelijk actief en heeft wetenschappelijke interesse;

  • e.

    hij is bereid co-assistenten en aios op te leiden;

  • f.

    hij is in een voor het betreffende medisch specialisme erkende opleidingsinrichting werkzaam op een zodanige wijze dat hij de eindverantwoordelijkheid als opleider daadwerkelijk en naar behoren kan dragen;

  • g.

    hij is lid van de betreffende wetenschappelijke specialistenvereniging;

  • h.

    hij voert gestructureerd overleg met andere relevante hulpverleners;

  • i.

    hij maakt deel uit van en geeft leiding aan een opleidingsgroep als bedoeld in artikel C.2. en legt de specifieke taken en verplichtingen van leden van de opleidingsgroep schriftelijk vast;

  • j.

    hij is op aanwijzing van de MSRC bereid aios op te leiden, die een nieuwe opleidingsplaats zoeken in het geval een aios door de CvG in het gelijk is gesteld of in de gevallen als bedoeld in artikel C.28.

Artikel

C.2

Opleidingsgroep

De leden van de opleidingsgroep dienen aan de volgende eisen te voldoen:

  • a.

    algemeen:

    • i.

      zij hebben elk een gedifferentieerd activiteiten- en belangstellingsterrein binnen het vakgebied van het betreffende medische specialisme terwijl hun gezamenlijke kennis en vaardigheden elkaar aanvullen;

    • ii.

      zij ondersteunen de opleiding en de aanvraag daarvoor en zijn op de hoogte van de opleidingseisen alsmede van de eindtermen van de opleiding;

    • iii.

      zij waarborgen dat minimaal één van de leden van de opleidingsgroep op de betreffende locatie aanwezig en beschikbaar is voor de aios;

  • b.

    met betrekking tot de patiëntenzorg:

    • i.

      zij stellen een generaal dagelijks rapport in en houden dit in stand;

    • ii.

      zij voldoen bij de uitoefening van het specialisme aan de kwaliteitseisen van de betreffende wetenschappelijke medisch specialisten vereniging;

  • c.

    met betrekking tot opleiding en onderwijs:

    • i.

      zij houden regelmatig stafbesprekingen, klinische conferenties en refereerbijeenkomsten waarbij in beginsel alle leden van de opleidingsgroep aanwezig zijn;

    • ii.

      zij houden in het kader van onderlinge toetsing probleemoplossende patiëntenbesprekingen.

Paragraaf

I-B

Verplichtingen van de opleider

Artikel

C.3

Verplichtingen opleider

De opleider heeft de volgende verplichtingen:

  • a.

    algemeen:

    • i.

      hij ziet er op toe dat de leden van de opleidingsgroep aan hun verplichtingen voldoen;

    • ii.

      hij verstrekt de MSRC op haar verzoek te allen tijde alle gevraagde informatie over de opleiding;

    • iii.

      hij ziet er op toe dat de aios een portfolio bijhoudt en controleert dat het portfolio voldoet aan de opleidingseisen;

    • iv.

      hij meldt de MSRC de voor de opleiding of de aios relevante wijzigingen;

    • v.

      hij houdt zich aan de instructieregeling die op grond van de modelinstructie, bedoeld in artikel C.12., eerste lid onder a. iv., is opgesteld door de betreffende opleidingsinrichting;

    • vi.

      hij voert zijn taken voortvloeiende uit artikel B.6, B.7, B.9, B.10, B.11, B.13, B.16, B.18, B.20, B.24 en B.25 zelf uit.

  • b.

    met betrekking tot opleiding en onderwijs:

    • i.

      hij participeert desgevraagd actief in de centrale opleidingscommissie.

Artikel

C.4

Opleidingsgroep

De leden van de opleidingsgroep hebben de volgende verplichtingen:

  • a.

    algemeen:

    • i.

      zij dragen zorg voor de begeleiding van de aios;

    • ii.

      zij houden ten minste vier maal per jaar een vergadering met aios uitsluitend ter bespreking van opleidingszaken;

    • iii.

      zij dragen er zorg voor dat de aios zijn verplichtingen, bedoeld in dit besluit en de specifieke besluiten, kan nakomen;

  • b.

    met betrekking tot de patiëntenzorg:

    • i.

      zij zien er op toe dat de door de aios verzorgde ziektegeschiedenissen en medische correspondentie aan door de beroepsgroep te stellen eisen voldoet en dat bij belangrijke beslissingsmomenten in de behandeling de aantekening geplaatst wordt dat in overleg met met name genoemde medisch specialisten onderscheidenlijk de opleiders tot een bepaald beleid is besloten;

    • ii.

      zij geven uitsluitend aanwijzingen die relevant zijn voor en in het belang zijn van de opleiding en van de patiëntenzorg en houden rekening met de vorderingen in de vakbekwaamheid van de aios;

    • iii.

      zij zien er regelmatig op toe dat de door de aios verrichte werkzaamheden voldoen aan de algemene competenties zoals neergelegd in artikel B.2. derde lid alsmede aan de specialismegebonden competenties, bedoeld in artikel B.2., tweede lid, en houden supervisie op de aios;

  • c.

    met betrekking tot opleiding en onderwijs:

    • i.

      zij besteden voldoende tijd aan de opleiding en nemen het daarmee samenhangende werk op zich;

    • ii.

      zij participeren actief in voor de opleiding verplichte onderwijsactiviteiten;

    • iii.

      zij dragen er zorg voor dat er tussen de aios en andere medische specialisten voldoende contact is;

  • d.

    met betrekking tot bij- en nascholing:

    • i.

      zij houden hun kennis en inzicht als medisch specialist op peil door het regelmatig deelnemen aan geaccrediteerde bij- en nascholingsactiviteiten;

    • ii.

      zij volgen systematisch geaccrediteerde bijscholing met didactische aspecten ten behoeve van de opleiding;

  • e.

    met betrekking tot onderzoek en ontwikkeling:

    • i.

      zij bevorderen klinisch wetenschappelijk onderzoek van de leden van de opleidingsgroep en de aios, hetgeen blijkt uit publicaties en voordrachten.

Paragraaf

I-C

De plaatsvervangend opleider en de waarnemer

Artikel

C.5

Eisen voor erkenning van medisch specialist tot plaatsvervangend opleider

Artikel

C.6

Eisen voor aanwijzing van medisch specialist als waarnemer

Paragraaf

I-D

De stageopleider

Artikel

C.7

De stageopleider

Artikel

C.8

Eisen voor erkenning van medisch specialist tot stageopleider

Artikel

C.9

Verplichtingen stageopleider

Titel

II

De opleidingsinrichting

Paragraaf

II-A

Eisen voor de erkenning van de inrichting tot opleidingsinrichting voor de totale opleiding op één locatie

Artikel

C.10

Eisen voor erkenning

Paragraaf

II-B

Aanvullende eisen voor de erkenning van de inrichting tot opleidingsinrichting voor de totale opleiding op meerdere locaties

Artikel

C.11

Aanvullende eisen bij meerdere locaties

Paragraaf

II-C

Verplichtingen voor de opleidingsinrichting voor de totale opleiding op één locatie

Artikel

C.12

Verplichtingen opleidingsinrichting

Artikel

C.13

Centrale opleidingscommissie

Paragraaf

II-D

Aanvullende verplichtingen voor de opleidingsinrichting op meerdere locaties

Artikel

C.14

Aanvullende verplichtingen bij meerdere locaties

Paragraaf

II-E

De opleidingsinrichting voor een gedeelte van de opleiding of een stage

Artikel

C.15

Samenwerkingsovereenkomsten

Vervallen

Artikel

C.16

Eisen en verplichtingen voor de erkenning gedeelte opleiding

Artikel

C.17

Eisen en verplichtingen voor de erkenning van een opleidinginrichting voor een stage

Titel

III

Procedure erkenning opleider, plaatsvervangend opleider, stageopleider en opleidingsinrichting

Artikel

C.18

Aanvraag erkenning

Artikel

C.19

Visitatie

Artikel

C.20

Beslissing tot erkenning

Artikel

C.21

Duur erkenning

Artikel

C.22

Ingangsdatum erkenning

Artikel

C.23

Eén opleidingsinrichting

Artikel

C.24

Alle onderdelen opleiding

Artikel

C.25

Koppeling erkenning opleider en opleidingsinrichting

Artikel

C.26

Tussentijdse wijziging erkenning

Artikel

C.27

Einde van rechtswege

De erkenning van de opleider eindigt van rechtswege:

  • a.

    bij overlijden van de opleider;

  • b.

    indien de opleider ingevolge een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld wegens geestelijke stoornis;

  • c.

    indien de opleider ingevolge een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak al dan niet tijdelijk de bevoegdheid om zijn medisch specialisme uit te oefenen is ontnomen;

  • d.

    indien een opleider zijn taak neerlegt of zijn arbeidsovereenkomst wordt beëindigd;

  • e.

    indien de opleider of de opleidingsinrichting gedurende twee achtereenvolgende jaren geen aios meer heeft opgeleid;

  • f.

    indien geen aanvraag voor vernieuwing van een erkenning wordt aangevraagd.

Artikel

C.28

Voortzetting opleiding bij einde erkenning

Hoofdstuk

D

De registratie en herregistratie van medisch specialisten

Titel

I

Inschrijving

Artikel

D.1

Inschrijving

Voor inschrijving in één van de registers van medisch specialisten komt in aanmerking:

  • Een arts die met goed gevolg in Nederland de opleiding in een specialisme als bedoeld in artikel A.5. heeft gevolgd en voltooid;

  • Een arts, onderdaan van een der landen behorende tot de EER of Zwitserland, die in het bezit is van een in bijlage V.1, punt 5.1.3. van Richtlijn 2005/36/EG vermelde opleidingstitel;

  • Een arts, onderdaan van een der landen behorende tot de EER of Zwitserland, die in het bezit is van een andere opleidingstitel dan genoemd in artikel A.3., en die op grond van Richtlijn 2005/36/EG recht heeft op inschrijving;

  • Een arts die in het bezit is van een bewijs van het voltooid hebben van een buiten Nederland gevolgde opleiding op wie Richtlijn 2005/36/EG niet van toepassing is en die voldoet aan de eisen voor inschrijving zoals neergelegd in artikel D.4.;

  • Een arts die met goed gevolg een beoordelingsstage als bedoeld in paragraaf II-B heeft gevolgd en voltooid;

  • Een arts die met goed gevolg een individueel scholingsprogramma als bedoeld in paragraaf II-C heeft gevolgd en voltooid.

Titel

II

Registratie

Paragraaf

II-A

Aanvraag registratie

Artikel

D.2

Registratie arts tot medisch specialist

De arts als bedoeld in artikel D.1. eerste lid, sub a dient na voltooiing van de opleiding bij de MSRC een aanvraag in tot registratie in het betreffende register van medisch specialisten. Voorts verschaft hij de MSRC de gegevens en bescheiden die de MSRC voor de beoordeling van de aanvraag nodig acht en waarover de arts redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Indien de aanvraag bedoeld in het eerste lid, meer dan drie maanden na het eind van de opleiding bij de MSRC wordt ingediend dient de arts aan te tonen dat hij voldoet aan de eisen voor herregistratie zoals neergelegd in titel III. Bij de aanvraag tot registratie in het betreffende register van medisch specialisten overlegt de arts die gedeeltelijk buiten Nederland is opgeleid, over de betreffende periode aan de MSRC de schriftelijke bewijsstukken en verstrekt de MSRC desgevraagd alle nadere inlichtingen. De MSRC schrijft de arts die aan alle eisen gesteld in dit besluit en in de specifieke besluiten voldoet en die het door de MSRC daarvoor vastgestelde bedrag heeft voldaan, alsmede voorzover de opleider een positieve beoordeling, bedoeld in artikel B.9., heeft verstrekt, op verzoek van de arts en met inachtneming van het bepaalde in de Regeling in het betreffende register van medisch specialisten in.

Artikel

D.3

Registratie op basis van Richtlijn 2005/36/EEG

Indien een arts, als bedoeld in artikel D.1., onder b, in een specialistenregister wenst te worden ingeschreven, meldt hij zich schriftelijk bij de MSRC. De aanvraag gaat vergezeld van:

  • een bewijs dat hij is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet BIG;

  • een bewijs van het voltooid hebben van een opleiding tot medisch specialist, afgegeven door de bevoegde autoriteiten van het land van oorsprong of herkomst

De MSRC schrijft de arts, bedoeld in het eerste lid, na ontvangst van de stukken, genoemd in het eerste lid, in. Indien een arts als bedoeld in artikel D.1., onder c. in een specialistenregister wenst te worden ingeschreven, meldt hij zich schriftelijk bij de MSRC. De aanvraag gaat vergezeld van:

  • een bewijs dat hij is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet BIG;

  • een bewijs van het hebben gevolgd en voltooid van een opleiding in een specialisme met een inhoud en een duur die ten minste gelijkwaardig is aan de Nederlandse opleiding in een specialisme als bedoeld in artikel A.5., afgegeven door de bevoegde autoriteiten van het land van oorsprong of herkomst;

  • documenten waaruit blijkt over welke beroepservaring hij beschikt alsmede welke aanvullende opleiding en medische bij- en nascholing hij gevolgd heeft. De arts verschaft de MSRC de gegevens en bescheiden die de MSRC voor de beoordeling van de aanvraag nodig acht en waarover de arts redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Op basis van de in het derde lid overgelegde documenten beoordeelt de MSRC of de door de arts gevolgde en voltooide opleiding gelijkwaardig is aan de Nederlandse opleiding in het betreffende specialisme.

Indien de MSRC van oordeel is dat van gelijkwaardigheid als bedoeld in het vierde lid, sprake is, schrijft zij de arts in. Indien de MSRC van oordeel is dat van gelijkwaardigheid geen sprake is, wijst zij het verzoek tot inschrijving af en kan zij toestemming verlenen voor het volgen van een individueel scholingprogramma als bedoeld in paragraaf II-C.

Artikel

D.4

Registratie anders dan op basis van Richtlijn 2005/36/EEG

Indien een arts, als bedoeld in artikel D.1., onder d, in een specialistenregister wenst te worden ingeschreven, meldt hij zich schriftelijk bij de MSRC. De aanvraag gaat vergezeld van:

  • een bewijs van inschrijving in het register, als bedoeld in artikel 3 van de Wet BIG en

  • een bewijs voltooid hebben van een opleiding in een specialisme als bedoeld in artikel A.5. met een inhoud en duur die ten minste overeenkomt met de inhoud en duur van de Nederlandse opleiding in het betreffende specialisme, afgegeven door de bevoegde autoriteiten van het land van oorsprong of herkomst;

  • een bewijs dat hij gerechtigd is tot de beroepsuitoefening in het betreffende specialisme in het land van herkomst; een bewijs dat hij de Nederlandse taal beheerst als bedoeld in artikel D.14.

De arts dient een bewijs te overleggen dat hij vanaf het moment van voltooiing van de opleiding ten minste 16 uur per week in het betreffende specialisme werkzaam is geweest. De MSRC gaat na in hoeverre de inhoud van de elders voltooide opleiding overeenkomt met die van de Nederlandse opleiding in het betreffende specialisme. De arts verschaft de MSRC de gegevens en bescheiden die de MSRC voor de beoordeling van de aanvraag nodig acht en waarover de arts redelijkerwijs te beschikking kan krijgen. Indien de MSRC van oordeel is dat de door de arts voltooide opleiding gelijkwaardig is aan de Nederlandse opleiding in het betreffende specialisme, schrijft de MSRC de arts na ontvangst van de stukken in het eerste lid en met inachtneming van het bepaalde in de Regeling in het betreffende register in. Indien de MSRC van oordeel is dat van gelijkwaardigheid van door de arts voltooide opleiding geen sprake is, wijst zij het verzoek tot inschrijving af en kan zij bepalen dat een beoordelingsstage als bedoeld in paragraaf II-B dient te worden gevolgd. Indien de MSRC tot de vaststelling komt dat de arts, bedoeld in het vierde lid, niet voldoet aan de gestelde eisen om in aanmerking te komen voor een beoordelingsstage, beoordeelt de MSRC of de arts in aanmerking komt voor het volgen van een individueel scholingprogramma. Daarbij gelden de eisen als gesteld in paragraaf II-C.

Artikel

D.5

Registratie na individueel scholingsprogramma of beoordelingsstage

De arts, bedoeld in artikel D.1., onder c., d. e. of f., wendt zich aan het eind van het individueel scholingsprogramma of de beoordelingsstage tot de MSRC voor registratie in een van de registers van medisch specialisten. Hij verschaft de MSRC de gegevens en bescheiden die de MSRC voor de beoordeling van de aanvraag nodig acht en waarover de arts redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De arts overlegt:

  • een bewijs van inschrijving in het register, als bedoeld in artikel 3 van de Wet BIG, en

  • een verklaring van de opleider dat de arts in staat is het betreffende medisch specialisme in Nederland zelfstandig en naar behoren uit te oefenen.

Indien de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, meer dan drie maanden na het afgeven van de verklaring, bedoeld in het eerste lid, onder b, bij de MSRC wordt ingediend dient de arts aan te tonen dat hij voldoet aan de eisen voor herregistratie, zoals neergelegd in titel III. De MSRC schrijft de arts na ontvangst van stukken bedoeld in het eerste en tweede lid en met inachtneming van het bepaalde in de Regeling in het betreffende register van medisch specialisten in.

Artikel

D.6

Inschrijving korter dan 5 jaar

De MSRC kan met toepassing van artikel 29, tweede lid van de Regeling, besluiten tot inschrijving van een arts in een specialistenregister voor een periode korter dan vijf jaar. Artikel 31, vijfde lid van de Regeling is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf

II-B

Beoordelingsstage

Artikel

D.7

Beoordelingsstage

Voor het volgen van een beoordelingsstage komt in aanmerking een arts als bedoeld in artikel D.4., vierde lid. De beoordelingsstage wordt gevolgd onder begeleiding van een opleider in een opleidingsinrichting.

Artikel

D.8

Aanvraag beoordelingsstage

De arts dient tijdig voorafgaand aan de aanvang van de beoordelingsstage bij de MSRC een aanvraag in, vergezeld met de gegevens en bescheiden als genoemd in artikel D.4., eerste lid. De arts verschaft de MSRC de gegevens en bescheiden die de MSRC voor de beoordeling van de aanvraag nodig acht en waarover de arts redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De beoordelingsstage kan eerst aanvangen nadat de MSRC hiervoor toestemming heeft gegeven.

Artikel

D.9

Toestemming MSRC

In het kader van het verlenen van toestemming voor de aanvang van de beoordelingsstage gaat de MSRC na of de arts voldoet aan de in artikel D.4., eerste lid, genoemde eisen. Indien de MSRC tot de vaststelling komt dat op verantwoorde wijze met de beoordelingsstage kan worden gestart, verleent de MSRC toestemming voor het volgen van de beoordelingsstage. In het geval de MSRC de arts toestemming verleent de beoordelingsstage aan te vangen, bepaalt de MSRC tevens conform artikel D.11., de tijdsduur hiervan.

Artikel

D.10

Ontheffing beoordelingsstage

De MSRC kan in bijzondere gevallen besluiten ontheffing te verlenen van de beoordelingsstage, bedoeld in artikel D.7. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, kan worden verleend indien een arts die buiten Nederland een specialisatie heeft gevolgd en op grond van door hem verstrekte en door de MSRC geverifieerde inlichtingen over zijn opleiding en wetenschappelijke prestaties, blijkt te beschikken over bijzondere theoretische kennis en praktische bekwaamheid op het terrein van het betreffende medisch specialisme. De betreffende arts kan worden ingeschreven nadat hij met goed gevolg een taaltest heeft afgelegd en is ingeschreven in het artsregister als bedoeld in artikel 3 van de Wet BIG, inschrijven volgens artikel 26 van de Regeling.

Artikel

D.11

Duur beoordelingsstage

De duur van de beoordelingsstage bedraagt 6 maanden bij een volledige werkweek. Bij deeltijd wordt de duur naar rato aangepast. In afwijking van het eerste lid kan de MSRC voorafgaande aan de beoordelingstage of in overleg met de opleider tussentijds bepalen dat gedurende een langere of een kortere periode een beoordelingsstage wordt gevolgd. De beoordelingsstage inclusief de eventuele verlenging genoemd in het tweede lid, duurt ten hoogste 12 maanden bij een volledige werkweek. Bij deeltijd wordt de duur naar rato aangepast.

Artikel

D.12

Tussentijdse beëindiging beoordelingsstage

Om zwaarwegende redenen kan de MSRC op aangeven van de opleider besluiten de stage tussentijds te beëindigen. Van zwaarwegende redenen is in ieder geval sprake indien het gelet op de risico’s voor de volksgezondheid niet verantwoord is de stage voort te zetten.

Artikel

D.13

Oordeel van de opleider

De opleider is verplicht de arts iedere drie maanden tussentijds te beoordelen, deze beoordelingen schriftelijk vast te leggen in door de MSRC vastgestelde formulieren en ter kennis te brengen van de MSRC en de arts. De opleider is verplicht zijn oordeel over de arts aan het eind van de beoordelingsstage ter kennis te brengen van de MSRC, nadat hij heeft nagegaan of diens kennis en kunde gelijkwaardig is aan die van in Nederland opgeleide medisch specialisten en of de arts in staat is het betreffende medisch specialisme in Nederland zelfstandig en naar behoren uit te oefenen. Indien de opleider een positieve beoordeling afgeeft, kan de arts conform artikel. D.5. een verzoek om inschrijving in het betreffende register van medisch specialisten indienen. Indien de opleider een negatieve beoordeling afgeeft, beoordeelt de MSRC op verzoek van de arts of aanleiding is voor het volgen van een individueel scholingsprogramma. Daarbij zijn de eisen, bedoeld in paragraaf II-C overeenkomstige toepassing.

Artikel

D.14

Beheersing Nederlandse taal

Inschrijving in het register, bedoeld in de artikelen D.1. onder d, alsmede de aanvang van de beoordelingsstage, bedoeld in artikel D.4., vierde lid, kan eerst geschieden nadat de arts op een door de MSRC aangegeven wijze heeft aangetoond een zodanige kennis van de Nederlandse taal in woord en geschrift alsmede voldoende luistervaardigheid te hebben verworven, dat een goede communicatie met patiënten, collegae en andere werkers in de gezondheidszorg gewaarborgd is

Paragraaf

II-C

Individueel scholingsprogramma

Artikel

D.15

Individueel scholingsprogramma

Artikel

D.16

Inhoud individueel scholingsprogramma

De opleider stelt het individueel scholingsprogramma, bedoeld in artikel D.15. op. Bij het opstellen van het individueel scholingsprogramma houdt de opleider rekening met de uitgangssituatie van de betreffende arts of medisch specialist en maakt daartoe gebruik van de voor de betreffende opleiding geldende toetsmethoden. Nadat de opleider het individueel scholingsprogramma heeft opgesteld vraagt hij ter zake goedkeuring aan de MSRC.

Artikel

D.17

Beoordeling individueel scholingsprogramma

Gedurende het individueel scholingsprogramma beoordeelt de opleider iedere drie maanden de voortgang van de arts of medisch specialist. De conclusies van deze beoordelingen worden - voor gezien of akkoord meeondertekend door de arts of medisch specialist - schriftelijk vastgelegd. Aan het eind van het individueel scholingsprogramma beoordeelt de opleider of de betreffende arts geacht kan worden en in staat is de medische zorg in het betreffende medisch specialisme zelfstandig en op verantwoorde wijze uit te voeren. De opleider geeft over de beoordeling, bedoeld in het derde lid, een verklaring aan de arts of medisch specialist af voor de MSRC ten behoeve van de registratie.

Artikel

D.18

Inhoud Taaltest:

Vervallen

Artikel

D.19

Uitslag Taaltest:

Vervallen

Titel

III

Herregistratie

Artikel

D.20

Eisen herregistratie

Artikel

D.21

Regelmatige uitoefening specialisme

Van regelmatige uitoefening van het medisch specialisme, bedoeld in artikel D.20., eerste lid, onder a, is sprake indien de medisch specialist gemiddeld over vijf jaar ten minste zestien uur per week patiëntgebonden zorg verleent, waaronder worden begrepen klinische werkzaamheid, poliklinische werkzaamheid, consultatieve activiteiten, patiëntgebonden opleidingsactiviteiten en patiëntbesprekingen. In specifieke besluiten kunnen voor medisch specialismen, op voorstel van de betreffende wetenschappelijke medisch specialistenvereniging, het eerste lid aanvullende eisen worden gesteld.

Artikel

D.22

Deskundigheidsbevordering

Artikel

D.23

Bewijsstukken

De medisch specialist legt ten behoeve van de herregistratie de schriftelijke bewijzen van het gevolgd hebben van deskundigheidsbevordering en van de regelmatige uitoefening van het specialisme over aan de MSRC.

Artikel

D.24

Visitatieprogramma

De medisch specialist toont aan dat hij heeft deelgenomen aan het visitatieprogramma, bedoeld in artikel D.20., eerste lid, onder c, en verstrekt dit gegeven desgevraagd aan de MSRC ten behoeve van de individuele herregistratie.

Artikel

D.25

Gelijkgestelde werkzaamheden

Artikel

D.26

Herintreding

Artikel

D.27

Duur herregistratie

Artikel

D.28

Herregistratie zenuw- en zielsziekten

Artikel

D.29

Herregistratie allergologen

Herregistratie in het register voor allergologie kan plaatsvinden indien voldaan is aan 16 uur patiëntgebonden zorgverlening per week in het specialisme interne geneeskunde aandachtsgebied allergologie, en aan de overige bepalingen voor herregistratie in deze paragraaf.

Artikel

D.30

Herregistratie artsen voor klinische chemie

Herregistratie in het register voor artsen klinische chemie kan plaatsvinden indien voldaan is aan 16 uur patiëntgebonden zorgverlening per week in het betreffende vakgebied, en aan de overige bepalingen voor herregistratie in deze paragraaf.

Hoofdstuk

E

Overige bepalingen

Artikel

E.1

Overgangsbepalingen

Artikel

E.2

Intrekking besluiten

Artikel

E.3

Publicatie

Artikel

E.4

Inwerkingtreding

Artikel

E.5

Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Kaderbesluit CCMS.

Utrecht
C.M.T. Plasmans, voorzitter CCMS. V.J. Schelfhout-van Deventer, secretaris colleges.

Bijlage

1

Aanvullende voorschriften bij hoofdstuk B, titel II Geschillen

1. Termijn benoeming

1. De leden en plaatsvervangend leden worden voor een periode van vier jaar benoemd. Zij zijn aansluitend eenmaal herbenoembaar.

2. Een benoeming van een lid of plaatsvervangend lid op een plaats die vacant komt terwijl de zittingstermijn van het te vervangen lid nog niet verstreken is geschiedt voor de volle, in het eerste lid genoemde termijn.

2. Einde lidmaatschap

De benoeming van de leden van de CvG en de plaatsvervangend leden eindigt door:

a. het verstrijken van de benoemingstermijn, overlijden van het lid of het plaatsvervangend lid, onder curatele stelling of onder bewindstelling van het lid of het plaatsvervangend lid telkens een dag nadat een van de voornoemde omstandigheden zich heeft voorgedaan;

b. door schriftelijke opzegging door het lid of het plaatsvervangende lid tegen het einde van een kalenderjaar met inachtneming van een opzegtermijn van minimaal een maand.

3. Intrekking en schorsing benoeming

1. Gedurende diens benoemingstermijn kan de benoeming van een lid of plaatsvervangend lid van de CvG ingetrokken of geschorst worden vanwege: a. diens beëindiging van de actieve beroeps- of functie-uitoefening; b. verandering van functie, indien deze functie mede ten grondslag lag aan de voordracht tot benoeming; c. het in diskrediet brengen van de medische stand door of vanwege zijn persoonlijke gedragingen.

2. Intrekking vindt schriftelijk plaats met inachtneming van een termijn van ten minste een maand.

3. Schorsing vindt plaats met onmiddellijke ingang voor een termijn van maximaal een jaar.

4. Zitting van de CvG

1. De CvG houdt zitting met zeven leden.

2. In afwijking van het eerste lid kan de voorzitter, indien de zaak hem daartoe geschikt voorkomt, bepalen dat de zitting wordt gehouden door de voorzitter en twee dan wel vier door hem aan te wijzen leden.

5. Verzoek

1. Alvorens de partij die een geschil heeft als bedoeld in artikel B.28. een verzoek indient bij de CvG legt hij het geschil binnen vier weken na het ontstaan hiervan schriftelijk aan de centrale opleidingscommissie van het betreffende ziekenhuis voor, voorzover het de competentie van de centrale opleidingscommissie, bedoeld in artikel C.13., betreft . Bij overschrijding van deze termijn neemt de centrale opleidingscommissie het geschil niet in behandeling.

2. De centrale opleidingscommissie kan gebruik maken van een mediator. In dat geval worden de kosten van de mediation gezamenlijk en voor gelijke delen door partijen gedragen, tenzij bij de mediation anders is overeengekomen. De centrale opleidingscommissie tracht het geschil binnen zes weken nadat het geschil aan haar is voorgelegd in der minne te schikken.

3. Het verzoek wordt binnen twee weken na het verstrijken van de termijn van zes weken, bedoeld in het tweede lid, bij de CvG ingediend in de vorm van een verzoekschrift. Bij overschrijding van deze termijn neemt de CvG het verzoekschrift niet in behandeling.

4. Voorzover het geschil betrekking heeft op een genomen besluit, hebben de volgende omstandigheden opschortende werking ten aanzien van dat besluit: a. het voorleggen van het geschil aan de centrale opleidingscommissie, bedoeld in het eerste lid; b. de mediation, bedoeld in het tweede lid; c. het indienen van een verzoekschrift bij de CvG; d. het binnen twee weken na het besluit van de CvG vragen om een voorlopige voorziening aan dan wel starten van een kort geding bij de rechter.

5. Een verzoekschrift kan mondeling worden ingetrokken tijdens een hoorzitting. Totdat de CvG uitspraak doet kan een verzoekschrift schriftelijk worden ingetrokken.

6. De inhoud van het verzoekschrift

1. Het verzoekschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van het geschil waarop het verzoekschrift zich richt; d. de gronden van het verzoek.

2. Bij het verzoekschrift worden voorzover mogelijk alle relevante stukken waarop het geschil betrekking heeft overgelegd.

7. Termijn indienen verzoekschrift

1. Een verzoekschrift is tijdig ingediend indien het voor de termijn, bedoeld in de artikel 5., derde lid is ontvangen door de CvG.

2. Bij verzending per post is een verzoekschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn per post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

8. Behandeling verzoekschrift

De secretaris van de CvG informeert alle betrokken partijen onverwijld omtrent de behandeling van het verzoekschrift verzoekschrift en stuurt aan hen de op het verzoekschrift betrekking hebbende stukken toe.

9. Niet-ontvankelijkheid

1. Indien niet is voldaan aan de in dit besluit gestelde eisen voor het in behandeling nemen van het verzoekschrift, kan dit niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe door de CvG gestelde termijn.

2. Ten aanzien van een verzoekschrift dat is ingediend na afloop van de termijn bedoeld in het eerste lid, blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

10. Hoorzitting

1. De voorzitter van de CvG bepaalt plaats en tijdstip van de zitting waarin partijen in de gelegenheid worden gesteld zich door de CvG te doen horen.

2. Van het horen van partijen kan worden afgezien indien: a. het verzoekschrift kennelijk nietontvankelijk is; b. het verzoekschrift kennelijk ongegrond is; c. partijen hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord.

3. De CvG deelt de partijen ten minste drie weken voor de zitting schriftelijk mee, dat zij in de gelegenheid worden gesteld zich tijdens de zitting te doen horen.

4. Partijen kunnen zich tijdens de zitting laten bijstaan of vertegenwoordigen. De vertegenwoordiger is bij de behandeling van het verzoekschrift bij de hoorzitting voorzien van een schriftelijke lastgeving, tenzij de advocaat of procureur is ingeschreven dan wel de betreffende partij zelf met hem op de hoorzitting verschijnt.

5. De CvG hoort de partijen binnen vier weken na ontvangst van het verzoekschrift en doet vervolgens binnen zes weken een uitspraak.

6. De CvG kan de uitspraak voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan partijen.

11. Horen van partijen en getuigen en deskundigen

1. Tot tien dagen voor het horen kunnen de bij het geschil betrokken partijen nadere stukken indienen.

2. Partijen worden in elkaars aanwezigheid gehoord, waarbij hoor en wederhoor wordt toegepast.

3. Van het horen wordt een verslag gemaakt.

4. Op verzoek van de bij het geschil betrokken partijen kunnen door hen meegebrachte getuigen en deskundigen worden gehoord. De wederpartij wordt hiervan ten minste vijf dagen voor de zitting op de hoogte gesteld.

5. De voorzitter van de CvG kan uit eigen beweging of op verlangen van de CvG bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en deze zonodig uitnodigen daartoe ter zitting te verschijnen. Partijen worden hiervan ten minste vijf dagen voor de zitting op de hoogte gesteld.

12. Openbaarheid hoorzitting

1. De zitting van de CvG is openbaar.

2. Indien de voorzitter van de CvG of één van de aanwezige leden het nodig oordeelt of indien een belanghebbende daartoe een gemotiveerd verzoek doet kan de voorzitter bepalen dat de zitting achter gesloten deuren plaatsvindt.

13. Verslag van de hoorzitting

1. In het verslag, bedoeld in artikel 11., derde lid, worden de namen vermeld van de aanwezigen en hun hoedanigheid.

2. Het verslag houdt een korte beschrijving in van hetgeen over en weer is gezegd en ter zitting is voorgevallen.

3. Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden, die aan het verslag worden gehecht.

4. Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de CvG.

14. Nader onderzoek

1. Na afloop van de zitting kan de voorzitter van de CvG uit eigen beweging of op verzoek van de CvG nader onderzoek houden.

2. De uit het onderzoek verkregen informatie wordt in afschrift aan de leden van de CvG, aan de indiener van het verzoekschrift en de andere betrokken partijen gezonden.

3. De leden van de CvG, de indiener van het verzoekschrift en de andere partijen kunnen binnen een week na verzending van de informatie, bedoeld in het tweede lid, aan de voorzitter van de CvG een verzoek richten tot het beleggen van een nieuwe hoorzitting. De voorzitter beslist omtrent een dergelijk verzoek.

4. Op een nieuwe hoorzitting als bedoeld in het derde lid, zijn de artikelen 10. tot en met 13. van overeenkomstige toepassing.

5. Indien de voorzitter een verzoek als bedoeld in het derde lid afwijst, stelt de CvG partijen in de gelegenheid binnen twee weken schriftelijk te reageren op de uit het onderzoek verkregen informatie. De secretaris van de CvG verzendt de schriftelijke reacties in afschrift aan de leden van de CvG en de bij het geschil betrokken partijen.

15. Nadere informatie

Wanneer na het horen aan de CvG feiten en omstandigheden bekend worden die voor de uitspraak van aanmerkelijk belang kunnen zijn, wordt dit aan de indiener van het verzoekschrift en de andere betrokken partijen meegedeeld en worden partijen in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.

16. Bevindingen van de CvG

1. De CvG beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren en doet uitspraak.

2. De CvG beslist bij meerderheid van stemmen over de door haar uit te brengen uitspraak.

3. De uitspraak naar aanleiding van het verzoekschrift berust op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de uitspraak wordt vermeld.

4. De uitspraak wordt door de voorzitter en de secretaris van de CvG ondertekend.

5. De indiener van het verzoekschrift en andere betrokken partijen ontvangen een exemplaar van de uitspraak.