Artikel
1
Begripsbepalingen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Stichting leerplanontwikkeling heeft tot taak:
het ontwikkelen en onderhouden van landelijke leerplankaders,
het ondersteunen en adviseren van Onze Minister met betrekking tot leerplanontwikkeling,
het uitvoeren van onderzoek ter ondersteuning van de taken, genoemd in dit artikel, of
het uitvoeren van aanvullende activiteiten, niet zijnde activiteiten gericht op het nascholen van leraren, die samenhangen met de taken, genoemd in dit artikel.
Stichting Cito Instituut voor Toetsontwikkeling heeft tot taak:
dit onderdeel is nog niet in werking getreden.
dit onderdeel is nog niet in werking getreden,
het ontwikkelen van de rekentoets, bedoeld in artikel 29, vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs,
het ontwikkelen van de centrale examens, bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs BES, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet educatie en beroepsonderwijs BES,
het uitvoeren van onderzoek ter ondersteuning van de taken, genoemd in dit artikel, of
het uitvoeren van aanvullende activiteiten die samenhangen met de taken, genoemd in dit artikel.
Onze Minister kan Stichting Cito Instituut voor Toetsontwikkeling subsidie verstrekken voor de taken, genoemd in dit artikel.
Onze Minister kan Stichting Cito Instituut voor Toetsontwikkeling subsidie verstrekken voor het ontwikkelen van de toetsen, bedoeld in artikel 11, zevende lid, van de Wet op de expertisecentra.
Subsidies voor de taken, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met c, en artikel 3, eerste lid, onderdelen a tot en met e worden per boekjaar verstrekt.
Onze Minister maakt eenmaal per twee jaar voor 1 april een Kaderbrief SLOA bekend op het terrein van leerplanontwikkeling en de doelen van toetsen en examens. De Kaderbrief SLOA heeft betrekking op de twee kalenderjaren die volgen op het jaar waarin de brief bekend wordt gemaakt.
Onverminderd de mogelijkheden tot weigering van subsidieverlening ingevolge de Algemene wet bestuursrecht kan een subsidieverlening worden geweigerd indien Onze Minister van oordeel is dat:
de aanvraag niet past binnen de Kaderbrief SLOA, of
mag worden verwacht dat de met subsidiëring beoogde doelstellingen niet worden bereikt.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:
de aanvraag van een subsidie en de besluitvorming daarover,
het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald,
de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt,
de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend,
de verplichtingen van de instellingen,
de vaststelling van de subsidie,
intrekking en wijziging van de subsidieverlening of subsidievaststelling,
de betaling van de subsidie en het verlenen van voorschotten,
het verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk, bedoeld in artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht, of
andere criteria voor de verstrekking van subsidie.
Bij de regels, bedoeld in het eerste lid, wordt voor zover nodig onderscheid gemaakt tussen subsidie voor:
de taken, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met c, en artikel 3, eerste lid, onderdelen a tot en met e, en
de taken, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, en artikel 3, eerste lid, onderdeel f.
Onze Minister stelt jaarlijks het bedrag vast dat ten hoogste beschikbaar is voor de verlening van subsidies ten behoeve van de taken, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met c, en artikel 3, eerste lid, onderdelen a tot en met e. Hij bepaalt daarbij hoe het beschikbare bedrag of de beschikbare bedragen worden verdeeld.
Onze Minister kan jaarlijks het bedrag vaststellen dat ten hoogste beschikbaar is voor de activiteiten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, en artikel 3, eerste lid, onderdeel f. Hij kan daarbij bepalen hoe het beschikbare bedrag of de beschikbare bedragen worden verdeeld.
De voor de taken, genoemd in artikel 2 en 3, gebruikte gegevens en de resultaten van die taken worden door de instellingen openbaar gemaakt, tenzij bijzondere omstandigheden zich hiertegen verzetten. Bij ministeriële regeling en bij de subsidieverlening kan worden bepaald dat openbaarmaking geheel of gedeeltelijk achterwege blijft.
Tenzij anders overeengekomen werkt de instelling mee aan het overdragen van intellectuele eigendomsrechten ten behoeve van Onze Minister ter zake van de taken, genoemd in artikel 2 en 3, en doet voor zover de Auteurswet dit toestaat, tevens afstand van persoonlijkheidsrechten als bedoeld in de Auteurswet die haar of haar personeel toebehoren.
Met het toezicht op de naleving van de aan de instelling opgelegde verplichtingen zijn belast de bij besluit van Onze Minister aan te wijzen personen.
Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Na de inwerkingtreding van deze wet berust de Regeling OCW-subsidies mede op artikel 7 van deze wet.
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Deze wet wordt aangehaald als: Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten, met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin zij zal worden geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.