Artikel
1
Er is een Raad voor Geschillen, hierna te noemen: de Raad.
Het bestuur van de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants maakt, gelet op artikel 23, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep, onderstaande verordening bekend, welke door de ledenvergadering op 16 december 2013 is vastgesteld.
Stelt de volgende verordening vast:
Er is een Raad voor Geschillen, hierna te noemen: de Raad.
De Raad bestaat uit de volgende leden:
een voorzitter en een of meer plaatsvervangend voorzitters;
vier accountants met de beroepstitel Registeraccountant;
vier accountants met de beroepstitel Accountant-Administratieconsulent.
De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter zijn rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast.
De Raad wordt bijgestaan door een secretaris en een plaatsvervangend secretaris. Voor benoeming tot secretaris of plaatsvervangende secretaris komt in aanmerking degene:
aan wie door een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, de graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad Master op het gebied van het recht is verleend, of
die aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het doctoraat in de rechtsgeleerdheid of het recht om de titel meester te voeren heeft verkregen.
Het lidmaatschap van de Raad eindigt:
op verzoek van het lid;
bij het bereiken van de zeventigjarige leeftijd;
bij het verstrijken van de zittingsduur;
bij doorhaling van de inschrijving van het lid in het accountantsregister als bedoeld in artikel 43 van de Wet op het accountantsberoep; en
bij overlijden.
Een ieder kan een burgerrechtelijk geschil ter zake van de beroepsuitoefening van een lid van de NBA aan de Raad voorleggen.
De eis wordt ingesteld door middel van een gemotiveerd verzoekschrift. De secretaris bevestigt de ontvangst aan de partijen bij het geschil en stelt de verweerder in de gelegenheid schriftelijk en gemotiveerd op het verzoekschrift te antwoorden.
Een tegenvordering wordt uiterlijk ingesteld bij het verweerschrift. De eiser wordt in de gelegenheid gesteld schriftelijk op de tegenvordering te antwoorden.
Indien verweerder lid is van de NBA kan hij het geschil, met voorbijgaan van de Raad, aanhangig maken bij de volgens de wet bevoegde rechter. Verweerder maakt in dat geval het geschil uiterlijk twee weken na ontvangst van de ontvangstbevestiging, bedoeld in het tweede lid, aanhangig en stelt de Raad daarvan, gelijktijdig, bij aangetekende brief in kennis.
Het is aan de leden, de secretaris en de plaatsvervangend secretaris van de Raad verboden:
hetgeen zij als zodanig te weten zijn gekomen direct of indirect bekend te maken;
op enigerlei wijze de gevoelens te openbaren die in de Raad over aanhangige geschillen zijn geuit;
om met betrekking tot een voor hen aanhangig geschil of een geschil dat naar hun weten of vermoeden voor hen aanhangig gemaakt zal worden, buiten de behandeling van het geschil door de Raad, deel te nemen aan enig onderhoud, gesprek of samenkomst met belanghebbenden of van hen enige inlichting of schriftelijk stuk betreffende het geschil aan te nemen.
De eiser is een depot verschuldigd ten behoeve van de vergoeding van de kosten van de procedure. Indien partijen gezamenlijk het geschil aan de Raad hebben voorgelegd zijn beide partijen een depot verschuldigd.
De voorzitter van de Raad kan aanvulling van het depot van partijen verlangen. Over het gestorte depot wordt geen rente vergoed.
De Raad kan, onverminderd het eerste lid, een afzonderlijk depot verlangen van een van de partijen indien het geschil betrekking heeft op de hoogte van een declaratie. Het depot wordt vastgesteld ter hoogte van het deel van het declaratiebedrag dat in geschil is exclusief rente en kosten.
In afwijking van artikel 5, vierde lid, wordt het geschil door arbitrage beslecht indien het depot, bedoeld in het vorige lid, niet binnen een maand wordt gestort.
De Raad neemt een geschil slechts in behandeling indien:
de derde heeft laten weten zich aan de uitspraak van de Raad te zullen onderwerpen;
het geschil niet reeds aan een bevoegde rechter is voorgelegd;
eiser het depot gestort heeft; en
eiser hem een gemotiveerd verzoekschrift heeft doen toekomen, waaruit de inhoud van het geschil duidelijk blijkt.
De Raad neemt een geschil niet in behandeling indien het geschil zich niet leent voor behandeling door de Raad.
Op verzoek van partijen, kan de voorzitter of elk van de leden die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de onpartijdigheid van de Kamer schade zou kunnen lijden.
Het verzoek geschiedt schriftelijk en is gemotiveerd. Tijdens de zitting kan het ook mondeling geschieden.
Op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, kan elk van de leden die een zaak behandelen, verzoeken zich te mogen verschonen.
De betrokken partijen kunnen – tenzij de Kamer beveelt, dat zij in persoon verschijnen – zich ter zitting doen vertegenwoordigen door een daartoe gemachtigde. Partijen kunnen zich door een raadsman doen bijstaan.
De Kamer kan bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan, weigeren. Bij zodanige weigering houdt de Raad de zaak tot een volgende zitting aan.
De Raad kan partijen, getuigen en overige belanghebbenden oproepen. De oproeping geschiedt per aangetekende verzending.
Leden van de NBA die als getuige zijn opgeroepen, zijn verplicht voor de Kamer te verschijnen en op de hun gestelde vragen te antwoorden.
Indien een partij niet voldoet aan de verplichting te verschijnen, inlichtingen te geven, stukken over te leggen of weigert antwoord te geven op vragen van de Kamer, kan de Kamer daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.
Alle beslissingen van de Kamer worden genomen met gewone meerderheid van stemmen.
De Kamer is bevoegd op verzoek een voorlopige voorziening te treffen, die hem nodig of nuttig voorkomt.
Indien de Kamer van oordeel is dat het geschil in staat van wijzen is, dan stelt hij zijn uitspraak vast.
De Kamer bepaalt door welke partij de kosten van de procedure worden gedragen. Ook kan hij besluiten om de kosten voor rekening van beide partijen te laten.
Bij het vaststellen van de hoogte van de kosten stelt de Kamer vast in hoeverre zij kunnen worden voldaan uit het depot, bedoeld in artikel 8.
Vorderingen en verplichtingen die voortkomen uit de uitspraak van de Raad en rusten op een lid van de NBA dat de opdracht namens een accountantsorganisatie heeft uitgevoerd, worden overgenomen door de accountantsorganisatie of haar rechtsopvolger indien de accountantsorganisatie de opdrachtnemer bij die opdracht is.
De uitspraak van de Raad wordt toegezonden aan de NBA en kan zonder enige vermelding van namen en woon- of vestigingsplaatsen op een door de NBA te bepalen wijze worden gepubliceerd.
Zodra de Raad bij de behandeling van een geschil einduitspraak heeft gedaan, zenden de leden van de Kamer de in hun bezit zijnde stukken, die op dit geschil betrekking hebben, aan de secretaris. Deze draagt zorg, dat de stukken in het archief van de Raad worden bewaard of, voor zover zij overtollig zijn, worden vernietigd.
Het bepaalde in paragraaf 2 is van overeenkomstige toepassing op de arbitrageprocedure, met uitzondering van artikel 5, vierde lid.
De Raad draagt er zorg voor dat:
een afschrift van elk vonnis, getekend door een arbiter of de secretaris van de Raad, aan de partijen aangetekend wordt toegezonden;
het origineel van een eindvonnis wordt gedeponeerd ter griffie van de rechtbank binnen het arrondissement waar de plaats van de arbitrage is gelegen.
De Verordening op de Raad voor Geschillen 2012 van 28 juni 2012 (Stcrt. 2013, 732) en de Verordening op de Raad voor Geschillen 2012 van 28 juni 2012 (Stcrt. 2013, 748) worden ingetrokken.
Op geschillen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze verordening blijven ten aanzien van de bevoegdheid en de rechtsvordering de bepalingen van toepassing, geldende ten tijde van de ontvangst van het verzoekschrift.
Besluiten genomen op grond van artikel 2, vierde lid, van de Verordening op de Raad voor Geschillen 2012 van 28 juni 2012 (Stcrt. 2013, 732) en artikel 2, vierde lid, van de Verordening op de Raad voor Geschillen 2012 van 28 juni 2012 (Stcrt. 2013, 748) die gelden op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, worden geacht te zijn genomen op grond van deze verordening.
Ten aanzien van de benoemingen die voor de eerste maal na inwerkingtreding van deze verordening plaatsvinden, kan van het bepaalde in artikel 2, vijfde lid worden afgeweken.
Deze verordening wordt aangehaald als Verordening op de Raad voor Geschillen.
De artikelen van deze verordening treden in werking op 1 januari 2014.