Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 maart 2014, 2014-0000040627, tot de besteding van gelden uit het Europees Sociaal Fonds 2014–2020

Subsidieregeling ESF 2014–2020

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Overwegende dat het noodzakelijk is dat met betrekking tot de besteding van de gelden die voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 uit het Europees Sociaal Fonds aan Nederland worden toegewezen ter verwezenlijking van de strategie van de Europese Unie voor slimme, duurzame en inclusieve groei, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van Verordening (EU) Nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PbEU 2013, L 347), nadere regels worden gesteld in het verlengde van en met inachtneming van die verordening, alsmede Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van Europese Unie van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad (PbEU 2013, L 347);

Besluit:

Artikel

1

Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • arbeidsbelemmerde: een persoon die jegens het college van burgemeester en wethouders van zijn woonplaats aanspraak heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand en naar het oordeel van dat college een lichamelijke, verstandelijke, psychische of psychosociale beperking heeft;

  • brutoloon: bruto salaris, inclusief eindejaarsuitkering of een beloning in de vorm van een dertiende maand, zijnde een vast bedrag of vastgesteld percentage van het salaris, dat werknemers als extra loon ontvangen, voor zover dit is geregeld in de geldende CAO of arbeidsovereenkomst, exclusief vakantiegeld, exclusief (overige) vergoedingen, bijzondere beloningen, winst- of prestatieafhankelijke uitkeringen en aanvullende werkgeverslasten. Het brutoloon kan worden verhoogd met de ploegentoeslag of inconveniëntentoeslag indien dit in de CAO is geregeld;

  • centrumgemeente: Alkmaar, Almere, Amersfoort, Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Breda, Den Bosch, Den Haag, Doetinchem, Dordrecht, Ede, Eindhoven, Emmen, Enschede, Goes, Gorinchem, Gouda, Groningen, Haarlem, Heerlen, Helmond, Hilversum, Leeuwarden, Leiden, Nijmegen, Roermond, Rotterdam, Tiel, Tilburg, Utrecht, Venlo, Zaanstad, Zoetermeer en Zwolle;

  • directe loonkosten: loonkosten van personeel, waarbij sprake is van direct aan deelnemers van het project bestede uren, dan wel loonkosten welke direct te relateren zijn aan de uitvoering van subsidiabele activiteiten als bedoeld in bijlage 1;

  • directe loonkosten projectcoördinatie en -administratie: loonkosten van personeel welke direct zijn te relateren aan coördinatie en administratie van het project en waarbij het desbetreffende personeelslid voor 50% of meer van diens contractuele werktijd werkzaam is voor het project;

  • externe kosten: kosten die in rekening gebracht worden door derden voor het uitvoeren van direct aan deelnemers gerelateerde activiteiten, dan wel voor het uitvoeren van subsidiabele activiteiten als bedoeld in bijlage 1;

  • externe kosten projectcoördinatie en -administratie: kosten die in rekening gebracht worden door derden en direct te relateren zijn aan het beheer van het project;

  • gedetineerde: een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel in een justitiële inrichting plaatsvindt of ten aanzien van wie een bevel tot verpleging van overheidswege is gegeven als bedoeld in artikel 37b of 38c van het Wetboek van Strafrecht;

  • IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • jongere: een persoon jonger dan 28 jaar;

  • loonverletkosten: de loonkosten van deelnemers voor niet-productieve uren als gevolg van deelname aan subsidiabele activiteiten, voor zover die hebben geleid tot een vermindering van de werkbare uren voor de werkgever;

  • minister: de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

  • niet-uitkeringsontvanger: de persoon jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid van de Algemene Ouderdomswet, die als werkloze werkzoekende staat geregistreerd bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en die geen uitkering ontvangt of arbeidsondersteuning op grond van enige sociale zekerheidswet;

  • Operationeel Programma: het Operationeel Programma ESF 2014–2020;

  • plaatsingssubsidie: subsidie verstrekt aan een werkgever die met een persoon, als bedoeld in artikel A4, A13 en A21, een (tijdelijke) arbeidsovereenkomst sluit, of een leerwerkovereenkomst dan wel een stageovereenkomst met een looptijd van tenminste drie maanden niet zijnde een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d Participatiewet. Waarbij in het geval van een loonkostensubsidie maximaal het daadwerkelijk betaalde brutoloon vermeerderd met een opslag van 32% van het brutoloon subsidiabel is;

  • praktijkonderwijs: het onderwijs, bedoeld in artikel 10f, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;

  • project: een samenhangend geheel van activiteiten met betrekking tot een onderwerp als bedoeld in artikel 4;

  • projectperiode: periode tussen het tijdstip waarop activiteiten starten en worden beëindigd;

  • subsidieaanvrager: de aanvrager van een subsidie op grond van deze regeling;

  • subsidieontvanger: de subsidieaanvrager aan wie krachtens deze regeling subsidie is verleend;

  • subproject: een op zichzelf staand onderdeel van een project;

  • UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

  • VNG: Vereniging Nederlandse Gemeenten;

  • Verordening: Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van Europese Unie van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad (PbEU 2013, L 347);

  • voortgezet speciaal onderwijs: het onderwijs dat wordt gegeven op een school of instelling waaraan voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra wordt verzorgd;

  • Wajong-uitkering: uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten;

  • WAO-uitkering: uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

  • werkloze werkzoekende: persoon zonder werk, of met werk voor minder dan twaalf uur per week, die actief op zoek is naar betaald werk voor twaalf uur of meer per week en die daarvoor direct beschikbaar is;

  • WIA-uitkering: uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;

  • WWB-uitkering: uitkering op grond van de Wet werk en bijstand;

  • ZW-uitkering: uitkering op grond van de Ziektewet;

  • 55-plusser: een persoon van 55 jaar of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet.

Artikel

2

Inleidende bepaling

Artikel

3

Aanwijzing autoriteiten

Artikel

4

Aard van de projecten

De minister verleent met inachtneming van deze regeling en onder het voorbehoud, bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Verordening subsidie ten behoeve van projecten op het gebied van:

  • a.

    bevordering van sociale inclusie en bestrijding van armoede en discriminatie, nader uitgewerkt in investeringsprioriteit A in bijlage 1, behorende bij deze regeling;

  • b.

    bevordering van sociale innovatie en transnationale samenwerking, nader uitgewerkt in investeringsprioriteit A in bijlage 1, behorende bij deze regeling;

  • c.

    bevordering van duurzame en kwalitatief hoogstaande werkgelegenheid en ondersteuning van arbeidsmobiliteit, nader uitgewerkt in investeringsprioriteit B in bijlage 1, behorende bij deze regeling;

  • d.

    bevordering van duurzame en kwalitatief hoogstaande werkgelegenheid en ondersteuning van arbeidsmobiliteit, nader uitgewerkt in investeringsprioriteit C in bijlage 1, behorende bij deze regeling.

Artikel

5

Aanvraagtijdvakken en subsidieplafond

De mogelijkheid tot het indienen van aanvragen om subsidie bestaat slechts gedurende door de minister vastgestelde aanvraagtijdvakken, gelegen in de jaren 2014 tot en met 2023. De minister maakt de aanvraagtijdvakken vooraf bekend in de Nederlandse Staatscourant, waarbij tevens het maximaal beschikbare bedrag per investeringsprioriteit per aanvraagtijdvak wordt vastgesteld.

Artikel

6

Subsidieaanvrager

Artikel

7

De subsidieaanvraag

Artikel

8

Rangschikking

Artikel

9

Subsidieverlening

Artikel

10

Weigering van de subsidie

Een aanvraag tot verlening van subsidie wordt door de minister geheel of gedeeltelijk afgewezen, indien:

  • a.

    de subsidieaanvraag niet voldoet aan de daaraan bij en krachtens deze regeling gestelde eisen;

  • b.

    de kosten van het project niet in een redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten resultaten;

  • c.

    onvoldoende zekerheid bestaat over de financiering van de totale noodzakelijkerwijs ten behoeve van de voorbereiding en de uitvoering van het project te maken kosten;

  • d.

    onvoldoende zekerheid bestaat dat de administratie van de subsidieaanvrager zal voldoen aan de daaraan gestelde eisen;

  • e.

    onaannemelijk is dat de subsidieaanvrager de subsidiabele activiteiten in voldoende mate in kwalitatieve of kwantitatieve zin kan beïnvloeden of realiseren;

  • f.

    onaannemelijk is dat met de door de subsidieaanvrager toegepaste werkwijze de met de subsidie beoogde doelstelling wordt bereikt;

  • g.

    onaannemelijk is dat de voorgenomen subsidiabele activiteiten en subsidiabele kosten eenvoudig te verantwoorden en te controleren zijn;

  • h.

    de kosten reeds uit anderen hoofde worden gefinancierd ten laste van Europese subsidieprogramma’s;

  • i.

    dezelfde subsidiabele kosten reeds uit hoofde van nationale subsidieprogramma’s worden gefinancierd zodanig dat de totale financiering van de subsidiabele kosten meer dan 100% bedraagt;

  • j.

    onaannemelijk is dat subsidieaanvrager beschikt over operationele en financiële capaciteit voor de uitvoering van de voorgenomen activiteiten;

  • k.

    anderszins niet aannemelijk is op grond van diens eerdere subsidieverleningen voor vergelijkbare activiteiten dat de subsidieaanvrager de activiteiten goed zal uitvoeren en aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen zal voldoen.

Artikel

11

Hoogte van de subsidie

Artikel

12

Subsidiabele kosten

Artikel

13

Niet-subsidiabele kosten

Niet voor subsidiering komen in aanmerking:

  • a.

    onredelijk of niet noodzakelijk gemaakte kosten voor uitvoering van het project of een onderdeel daarvan;

  • b.

    kosten van het project die qua prijsniveau niet in een redelijke verhouding staan tot de overeengekomen prestaties of hetgeen gebruikelijk is;

  • c.

    loonkosten van een persoon die werkzaam is in een dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening;

  • d.

    loonverletkosten;

  • e.

    kosten gemaakt buiten de projectperiode, die benoemd is in de beschikking tot verlening, met uitzondering van kosten voor de directe loonkosten projectcoördinatie en -administratie en de externe kosten projectcoördinatie en -administratie ten behoeve van het opstellen van de einddeclaratie tot aan het moment van indienen van het verzoek tot vaststelling.

  • f.

    kosten die reeds uit anderen hoofde worden gefinancierd ten laste van Europese subsidieprogramma’s;

  • g.

    dezelfde kosten die reeds uit hoofde van nationale subsidieprogramma’s worden gefinancierd zodanig dat de totale financiering van de subsidiabele kosten meer dan 100% bedraagt.

Artikel

14

Bevoorschotting

Artikel

15

Administratievoorschriften

Artikel

16

Beschikbaarheid van bescheiden

Artikel

17

Rapportageverplichtingen

Artikel

18

Einddeclaratie en subsidievaststelling

Artikel

19

Publiciteit

Artikel

20

Openbaar maken subsidiedossier

Door het indienen van een aanvraag stemt de subsidieontvanger er mee in dat het subsidiedossier met uitzondering van persoonsgegevens openbaar kan worden gemaakt.

Artikel

21

Intrekking en terugvordering

Artikel

22

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling ESF 2014–2020.

Artikel

23

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,J.Klijnsma.

Bijlage

1

Specifieke bepalingen voor subsidie aanvragen per investeringsprioriteit

Investeringsprioriteit A. Bevordering van sociale inclusie en bestrijding van armoede en discriminatie

Artikel

A1

Subsidieaanvrager

  • 1.

    De subsidie met betrekking tot een project in het kader van investeringsprioriteit A als bedoeld in artikel 4, onderdelen a en b, wordt aangevraagd door:

    • a.

      het college van burgemeester en wethouders van een centrumgemeente als bedoeld in artikel 1;

    • b.

      het UWV;

    • c.

      de minister van Veiligheid en Justitie, en indien nodig, mede namens de Minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport.

  • 2.

    Op aanvragen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, zijn in aanvulling op het algemeen deel van de regeling de bepalingen in hoofdstuk I van deze bijlage van toepassing. Op aanvragen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, zijn in aanvulling op het algemeen deel van de regeling de bepalingen in Hoofdstuk II van deze bijlage van toepassing. Op aanvragen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zijn in aanvulling op het algemeen deel van de regeling de bepalingen in Hoofdstuk III van deze bijlage van toepassing. Op aanvragen als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, zijn in aanvulling op het algemeen deel van de regeling de bepalingen in hoofdstuk IV van deze bijlage van toepassing.

Hoofdstuk I. Centrumgemeenten

Artikel

A1

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 mei 2014, 09.00 uur, tot en met 31 oktober 2014, 17.00 uur.

Artikel

A3

Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel A2, € 113.999.500,–.

Artikel

A4

Doel en doelgroepen

  • 1.

    Een project in het kader van dit hoofdstuk heeft tot doel het bevorderen van actieve inclusie, door middel van het vergroten van mogelijkheden tot arbeidsinpassing van personen die op het moment van hun start van deelneming aan een project behoren tot één of meer van de volgende doelgroepen:

    • a.

      niet-uitkeringsontvangers;

    • b.

      arbeidsbelemmerden, dan wel personen met een uitkering op basis van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, IOAW, IOAZ en Ziektewet dan wel personen met een recht op arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten;

    • c.

      55-plussers met een WWB-uitkering, een IOAW-uitkering, een IOAZ-uitkering, of een uitkering van het UWV;

    • d.

      jongeren;

    • e.

      personen die een WWB-uitkering, een aanvullende IOAW-uitkering, een aanvullende IOAZ-uitkering, of een uitkering van het UWV ontvangen en in de twaalf maanden voorafgaand aan hun deelname aan een project deze uitkering(en) in totaal zes maanden of langer hebben ontvangen;

    • f.

      leerlingen, die vijftien jaar of ouder zijn en die geïndiceerd zijn voor, en ingeschreven staan bij een school voor voortgezet speciaal onderwijs dan wel praktijkonderwijs, alsmede leerlingen die vijftien jaar of ouder zijn en die in de periode 24 maanden onmiddellijk voorafgaand aan de start van hun deelname aan het project, ingeschreven hebben gestaan bij een dergelijke school, en in aanvulling op het regulier onderwijs ondersteuning nodig hebben of die na het verlaten van de school begeleiding nodig hebben ten behoeve van arbeidsintegratie.

  • 2.

    Indien sprake is van een persoon die deelneemt aan twee opeenvolgende projecten en deze persoon behoort bij instroom in het eerste project aantoonbaar tot de doelgroep, dan behoort deze persoon ook het opvolgende project tot de doelgroep mits voor deze deelnemer sprake is van een individueel traject dat onafgebroken doorloopt in beide projecten.

  • 3.

    Een project in het kader van dit hoofdstuk heeft mede tot doel de bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen en de bevordering van gelijke kansen en non-discriminatie.

Artikel

A5

De aanvraag

  • 1.

    Per aanvraagtijdvak kan een centrumgemeente maximaal twee aanvragen indienen, te weten een regio-aanvraag gemeenten en een regio-aanvraag leerlingen voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs waarbij in elk geval sprake is van een regio-aanvraag leerlingen voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 7, derde lid en vierde lid, bevat de projectbeschrijving en de begroting van de regio-aanvraag gemeenten een beschrijving van de wijze waarop de subprojecten in maximaal vijf clusters worden onderverdeeld ten behoeve van de verantwoording en de controle hierop. Projectcoördinatie en- administratie is hierbij één cluster.

  • 3.

    In aanvulling op artikel 7, derde lid en vierde lid, bevat de projectbeschrijving en de begroting van de regio-aanvraag leerlingen voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs een beschrijving van de wijze waarop de subprojecten in maximaal drie clusters worden onderverdeeld ten behoeve van de verantwoording en de controle hierop. Projectcoördinatie en- administratie is hierbij één cluster.

  • 4.

    In aanvulling op artikel 15, tweede lid, is de volledige administratie per cluster beschikbaar op één locatie.

Artikel

A6

Specifieke eisen

  • 1.

    Een project, in het kader van dit hoofdstuk, komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

    • a.

      het project past binnen het doel, omschreven in artikel A4;

    • b.

      het project een duur van ten hoogste 24 maanden heeft, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige aanvraag;

    • c.

      het in de regio-aanvraag leerlingen voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs gevraagde subsidiebedrag betrekking heeft op tenminste 30% van het maximaal beschikbare bedrag, bedoeld in artikel A10.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan door de minister in de beschikking tot subsidieverlening een andere startdatum van het project worden vermeld.

Artikel

A7

Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Voor subsidie komen enkel de volgende activiteiten in aanmerking, voor zover zij de doelstelling uit artikel A4 ondersteunen:

    • a.

      activiteiten direct gericht op de bestrijding van jeugdwerkloosheid;

    • b.

      activiteiten direct gericht op de bevordering van de aansluiting praktijkonderwijs of voortgezet speciaal onderwijs op de arbeidsmarkt of vervolgonderwijs;

    • c.

      activiteiten direct gericht op het vergroten van de mogelijkheden tot arbeidsinpassing.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 12, eerste lid, onderdeel a, zijn enkel de volgende externe kosten subsidiabel: de kosten van extern ingekochte trajecten voor zover de relatie met de activiteiten, genoemd in het eerste lid, voldoende aannemelijk is.

Artikel

A8

Voortgangsrapportage

  • 1.

    De subsidieontvanger dient binnen vier weken na afloop van de eerste twaalf maanden van het project, een voortgangsrapportage in over de eerste twaalf maanden. De voortgangsrapportage wordt ingediend onder gebruikmaking van een daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier, voorzien van de vereiste bijlagen en een door hem erkende elektronische handtekening.

  • 2.

    Indien uit de voortgangsrapportage, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat na twaalf maanden minder dan 20% is gerealiseerd van het verleende subsidiebedrag, genoemd in de beschikking tot verlening, wordt het verleende subsidiebedrag verlaagd met het bedrag dat niet is gerealiseerd ten opzichte van de eerder genoemde 20%.

Artikel

A9

Voorschot

In aanvulling op artikel 14 verleent de minister, indien de subsidieontvanger dit in zijn subsidieaanvraag heeft aangegeven, na ontvangst en beoordeling van de voortgangsrapportage, bedoeld in artikel A8 eerste lid, een voorschot tot maximaal 50% van het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen maximum subsidiebedrag, mits uit de beoordeling van de voortgangsrapportage blijkt dat de gerapporteerde kosten zijn gespecificeerd en financieel en inhoudelijk voldoende zijn onderbouwd.

Artikel

A10

Maximum subsidie per subsidieaanvrager

  • 1.

    Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie in het kader van investeringsprioriteit A voor aanvragen, ingediend in de periode van 1 mei 2014 tot en met 31 oktober 2014 per centrumgemeente is vastgelegd in bijlage 3, behorende bij deze regeling.

  • 2.

    De minister kan eventuele onderbenutting van het bedrag, bedoeld in artikel A3, herverdelen over subsidieaanvragers die meer hebben gerealiseerd dan het aan hen toegekende bedrag in de bijlage 3, voor zover het totale bedrag in de bijlage 3 niet wordt overschreden.

Hoofdstuk II. UWV

Artikel

A11

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 oktober 2014, 09.00 uur, tot en met 31 oktober 2014, 17.00 uur.

Artikel

A12

Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel A11, € 9.000.000,–.

Artikel

A13

Doel en doelgroepen

  • 1.

    Een project in het kader van dit hoofdstuk heeft tot doel het bevorderen van actieve inclusie, gericht op het vergroten van mogelijkheden tot arbeidsinpassing van personen die op het moment van hun start van deelneming aan een project een UWV-uitkering ontvangen dan wel recht hebben op arbeidsondersteuning in het kader van de WIA, WAO, ZW en Wajong.

  • 2.

    Indien sprake is van een persoon die deelneemt aan twee opeenvolgende projecten en deze persoon behoort bij instroom in het eerste project aantoonbaar tot de doelgroep, dan behoort deze persoon ook het opvolgende project tot de doelgroep mits voor deze deelnemer sprake is van een individueel traject dat onafgebroken doorloopt in beide projecten.

  • 3.

    Een project in het kader van dit hoofdstuk heeft mede tot doel de bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen en de bevordering van gelijke kansen en non-discriminatie.

Artikel

A14

De aanvraag

Een aanvraag wordt onderverdeeld in één of meerdere op zichzelf staande subprojecten met subsidiabele activiteiten. Per subproject kan maximaal één kostensoort als bedoeld in artikel 12, eerste lid, worden verantwoord.

Artikel

A15

Specifieke eisen

  • 1.

    Een project komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

    • a.

      het project past binnen het in artikel A13 omschreven doel;

    • b.

      het project een duur heeft van ten hoogste 24 maanden, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige aanvraag.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan door de minister in de beschikking tot subsidieverlening een andere startdatum van het project worden vermeld.

Artikel

A16

Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Voor subsidie komen slechts in aanmerking activiteiten direct gericht op het vergroten van de mogelijkheden tot arbeidsinpassing, voor zover zij de doelstelling uit artikel A13 ondersteunen.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 12, eerste lid, onderdeel a, zijn enkel de volgende externe kosten subsidiabel: de kosten van extern ingekochte trajecten voor zover de relatie met de activiteiten genoemd in het eerste lid voldoende aannemelijk is.

Artikel

A17

Voortgangsrapportage

  • 1.

    De subsidieontvanger dient binnen vier weken na afloop van de eerste twaalf maanden van het project, een voortgangsrapportage in over de eerste twaalf maanden. De voortgangsrapportage wordt ingediend onder gebruikmaking van een daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier, voorzien van de vereiste bijlagen en een door hem erkende elektronische handtekening.

  • 2.

    Indien uit de voortgangsrapportage, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat na twaalf maanden minder dan 20% is gerealiseerd van het verleende subsidiebedrag genoemd in de beschikking tot verlening, wordt het verleende subsidiebedrag verlaagd met het bedrag dat niet is gerealiseerd ten opzichte van de eerder genoemde 20%.

Artikel

A18

Voorschot

In aanvulling op artikel 14 verleent de minister, indien de subsidieontvanger dit in zijn subsidieaanvraag heeft aangegeven, na ontvangst en beoordeling van de voortgangsrapportage, bedoeld in artikel A17 eerste lid, een voorschot tot maximaal 50% van het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen maximum subsidiebedrag, mits uit de beoordeling van de voortgangsrapportage blijkt dat de gerapporteerde kosten zijn gespecificeerd en financieel en inhoudelijk voldoende zijn onderbouwd.

Hoofdstuk III. De minister van Veiligheid en Justitie, en indien nodig, mede namens de minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport

Artikel

A19

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 oktober 2014, 09.00 uur, tot en met 31 oktober 2014, 17.00 uur.

Artikel

A20

Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel A19, € 8.000.000,–.

Artikel

A21

Doel en doelgroep

  • 1.

    Een project in het kader van dit hoofdstuk heeft tot doel de arbeidsmarktpositie van gedetineerden en jongeren verblijvend in een Justitiële jeugdinrichting dan wel een accommodatie als bedoeld in hoofdstuk IVb Wet op de jeugdzorg dan wel personen die in de periode twaalf maanden onmiddellijk voorafgaand aan de start van hun deelname aan het project in een gevangenis, tbs-kliniek of jeugdinrichting of een accommodatie als bedoeld in hoofdstuk IVb Wet op de jeugdzorg hebben verbleven, zodanig te verbeteren, dat zij naar werk bemiddelbaar zijn of na detentie direct inpasbaar zijn in een arbeidsmarkt gerelateerd programma of regulier opleidingstraject.

  • 2.

    Indien sprake is van een persoon die deelneemt aan twee opeenvolgende projecten en deze persoon behoort bij instroom in het eerste project aantoonbaar tot de doelgroep, dan behoort deze persoon ook het opvolgende project tot de doelgroep mits voor deze deelnemer sprake is van een individueel traject dat onafgebroken doorloopt in beide projecten.

  • 3.

    Een project in het kader van dit hoofdstuk heeft mede tot doel de bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen en de bevordering van gelijke kansen en non-discriminatie.

Artikel

A22

De aanvraag

Een aanvraag wordt onderverdeeld in één of meerdere op zichzelf staande subprojecten met subsidiabele activiteiten. Per subproject kan maximaal één kostensoort als bedoeld in artikel 12, eerste lid, worden verantwoord.

Artikel

A23

Specifieke eisen

  • 1.

    Een project komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

    • a.

      het project past binnen het in artikel A21 omschreven doel;

    • b.

      het project een duur heeft van ten hoogste vijftien maanden, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige aanvraag.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan door de minister in de beschikking tot subsidieverlening een andere startdatum van het project worden vermeld.

Artikel

A24

Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Voor subsidie komen slechts in aanmerking activiteiten direct gericht op het vergroten van de mogelijkheden tot arbeidsinpassing, respectievelijk gericht op het volgen van scholing of een opleiding, voor zover zij de doelstelling uit artikel A21 ondersteunen.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 12, eerste lid, onderdeel a, zijn enkel de volgende externe kosten subsidiabel:

De kosten van extern ingekochte trajecten voor zover de relatie met de activiteiten, genoemd in het eerste lid, voldoende aannemelijk is.

Hoofdstuk IV. Sociale innovatie en transnationale samenwerking

Investeringsprioriteit B. Bevordering van duurzame en kwalitatief hoogstaande werkgelegenheid en ondersteuning van arbeidsmobiliteit

Investeringsprioriteit C. Toegang tot werkgelegenheid voor werkzoekenden en niet-actieven

Bijlage

2

Procedure betreffende gebruik geconverteerde documenten of gegevensdragers en digitale bewijsstukken

In het kader van de verantwoording op de einddeclaratie onderbouwt de subsidieontvanger de kosten met originele bewijsstukken. De Verordening maakt het mogelijk kopieën of volledig digitale documenten te accepteren als bewijsstuk. Hiertoe moet door de lidstaat een procedure voor de vaststelling van de authenticiteit worden opgesteld. In deze bijlage worden de door Nederland vastgestelde procedures weergegeven.

De volgende documenten worden als bewijsstukken geaccepteerd:

  • a.

    fotokopieën van originelen;

  • b.

    microfiches van originelen;

  • c.

    elektronische versies van originelen;

  • d.

    documenten die uitsluitend in elektronische versie bestaan, mits de gebruikte computersystemen voldoen aan aanvaarde beveiligingsnormen die waarborgen dat de bewaarde documenten voldoen aan de eraan te stellen wettelijke eisen en dat bij controles op deze documenten kan worden gesteund.

Hieronder staan de procedures om deze stukken te kunnen gebruiken als geaccepteerde bewijsstukken in het kader van de ESF-administratie.

Procedure voor het gebruik van de documenten, genoemd in de onderdelen a, b en c

De hierboven genoemde bewijsstukken a, b en c zijn geconverteerde documenten of gegevensdragers. Bij conversie van het origineel naar het geconverteerde document of gegevensdrager wordt aan de hieronder vermelde voorwaarden voldaan:

  • Alle gegevens worden overgezet;

  • Alle gegevens worden inhoudelijk juist overgezet;

  • Er wordt voor gezorgd dat de nieuwe gegevensdrager tijdens de gehele bewaartermijn beschikbaar is;

  • De geconverteerde gegevens kunnen binnen redelijke tijd ge(re)produceerd worden en leesbaar worden gemaakt;

  • Er wordt zorg voor gedragen dat de controle van de geconverteerde gegevens binnen redelijke tijd kan worden uitgevoerd;

  • De subsidieaanvrager borgt tevens de authenticiteit van de geconverteerde bewijsstukken door onder andere een relatie te leggen met de overige bewijsstukken in het betreffende projectdossier. Bij een factuur bijvoorbeeld behoort ook een betaalbewijs, een bewijs van deelname of een bewijsstuk met betrekking tot de inkoopprocedure.

Het in samenhang bezien van de verschillende bewijsstukken strekt er mede toe de authenticiteit van het geconverteerde document of de gegevensdrager te waarborgen en dat hierop voor controledoeleinden kan worden vertrouwd.

Als de conversie op de juiste wijze gebeurt, is het in het kader van de ESF-verantwoording, niet meer noodzakelijk de bewijsstukken op de originele gegevensdrager te bewaren. Het geconverteerde bewijsstuk mag na conversie niet meer gewijzigd kunnen worden.

De subsidieaanvrager verklaart door middel van het aanvraag-, tussendeclaratie- en einddeclaratieformulier dat de geconverteerde documenten of de nieuwe gegevensdragers die onderdeel zijn van de ESF-administratie, voldoen aan de vereisten uit artikel 16 van de ESF subsidieregeling 2014–2020 en daarmee aan deze bijlage.

Procedure voor het bewaren van stukken die uitsluitend in elektronische versie bestaan (onderdeel d)

Indien een subsidieontvanger gebruik maakt van elektronische documenten waarbij uitsluitend een elektronische versie bestaat, worden de geautomatiseerde systemen voorzien van beheers- en beveiligingsmaatregelen die de betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens gedurende de gehele vereiste bewaartermijn waarborgen. Het is aan de subsidieontvanger om dit aan te tonen. Voor een tweetal veel voorkomende situaties zijn de voorschriften hieronder uitgewerkt:

  • 1.

    Digitale urenadministratie:

    om aan de eisen van betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens te kunnen voldoen moet de subsidieontvanger kunnen aantonen dat:

    • a.

      De functiescheiding binnen het systeem wordt gewaarborgd;

    • b.

      De tijdigheid binnen het systeem wordt gewaarborgd;

    • c.

      Vaststellingen na accorderen door de leidinggevende niet meer te wijzigen zijn.

    Het is aan de subsidieaanvrager om dit aan te tonen.

  • 2.

    Facturen die digitaal worden verzonden:

    om aan de eisen van betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens te kunnen voldoen kan de subsidieaanvrager via de onderlinge relatie met andere documenten (zoals een betaalbewijs) aantonen dat voor de controle kan worden gesteund op de digitale factuur.

De in deze bijlage omschreven procedures gelden voor alle bewijsstukken die getoond moeten worden in het kader van de ESF-verantwoording. Artikel 16 is onverminderd van toepassing.

Bijlage

3

Subsidieplafonds centrumgemeenten

Groningen

Groningen

€ 7.335.000

Leeuwarden

Friesland

€ 4.982.500

Alkmaar

Noord-Holland Noord

€ 2.281.000

Emmen

Drenthe

€ 2.063.000

Zwolle

IJsselvechtstreek

€ 2.031.500

Almere

Flevoland

€ 2.906.500

Zaanstad

Zaanstreek/Waterland

€ 1.448.000

Haarlem

Zuid-Kennemerland

€ 1.880.500

Enschede

Twente

€ 4.309.500

Amsterdam

Groot Amsterdam

€ 13.666.000

Apeldoorn

Stedendriehoek en Noordwest Veluwe

€ 2.746.500

Hilversum

Gooi- en Vechtstreek

€ 969.000

Leiden

Holland Rijnland

€ 1.696.500

Utrecht

Midden-Utrecht

€ 3.601.000

Amersfoort

Amersfoort

€ 1.176.500

Ede

Food Valley

€ 1.105.000

Doetinchem

Achterhoek

€ 1.007.000

Zoetermeer

Zuid-Holland Centraal

€ 1.713.500

Gouda

Midden-Holland

€ 792.000

Den Haag

Haaglanden

€ 8.956.000

Arnhem

Midden-Gelderland

€ 3.081.500

Rotterdam

Rijnmond

€ 17.226.000

Tiel

Rivierenland

€ 716.500

Gorinchem

Gorinchem

€ 406.500

Nijmegen

Rijk van Nijmegen

€ 2.569.500

Dordrecht

Drechtsteden

€ 1.821.000

Den Bosch

Noordoost-Brabant

€ 2.077.500

Breda

West-Brabant

€ 3.007.000

Goes

Zeeland

€ 1.871.000

Tilburg

Midden-Brabant

€ 2.570.000

Venlo

Noord-Limburg

€ 1.293.000

Helmond

Helmond-De Peel

€ 1.262.000

Eindhoven

Zuidoost-Brabant

€ 2.534.500

Roermond

Midden-Limburg

€ 1.160.000

Heerlen

Zuid-Limburg

€ 5.737.000

Totaal

€ 113.999.500