Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 27 november 2014, nr. IenM/BSK-2014/259021, houdende vaststelling van regels ter uitvoering van titel 9.7 Hernieuwbare energie vervoer van de Wet milieubeheer en van het Besluit hernieuwbare energie vervoer 2015 (Regeling hernieuwbare energie vervoer 2015)

Regeling hernieuwbare energie vervoer 2015

§

1

Algemeen

Artikel

1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel

1.2

uitvoering artikel 9.7.1.1 van de wet

De energie-inhoud op basis van de onderste verbrandingswaarde van biobrandstof waarvoor in bijlage III bij de richtlijn hernieuwbare energie geen energie-inhoud wordt vermeld en van hernieuwbare brandstof, wordt door de inboeker aangetoond aan de hand van bestaande gegevens of vastgesteld door een volgens ISO-/IEC 17025 geaccrediteerd laboratorium.

Artikel

1.3

uitvoering artikel 9.7.1.4 van de wet

§

2

Jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer

Artikel

2.1

uitvoering artikel 9.7.2.3 van de wet

Bij het invoeren van de hoeveelheid benzine, diesel, vloeibare biobrandstof en vloeibare hernieuwbare brandstof, bedoeld in artikel 9.7.2.3, eerste lid, van de wet, vermeldt de leverancier tot eindverbruik de volgende gegevens:

  • a.

    soort brandstof;

  • b.

    periode overeenkomend met de periode van de accijnsaangifte;

  • c.

    volume in liters bij een temperatuur van 15 °C;

  • d.

    of de opgave afwijkt van de accijnsopgave;

  • e.

    indien de opgave afwijkt van de accijnsopgave, de reden voor die afwijking.

§

3

Inboeken hernieuwbare energie vervoer

Artikel

3.1

uitvoering artikel 9.7.4.5, onderdelen a en b, van de wet

Artikel

3.2

uitvoering artikel 9.7.4.5, onderdelen a en b, van de wet

Artikel

3.3

uitvoering artikel 9.7.4.5, onderdelen a en b, van de wet

Artikel

3.4

uitvoering artikel 9.7.4.5, onderdelen a en b, van de wet

De hoeveelheid aan wegvoertuigen in Nederland geleverde elektriciteit die wordt ingeboekt is de geleverde hoeveelheid in kWh die blijkt uit de meter van het aan de elektriciteitsaansluiting van de inboeker gekoppelde leverpunt of de aan de elektriciteitsaansluiting van de inboeker gekoppelde leverpunten.

Artikel

3.5

uitvoering artikel 9.7.4.5, onderdelen c en d, van de wet

Artikel

3.7

uitvoering artikel 9.7.4.6, vierde lid, van de wet

De importeur die een hoeveelheid vloeibare biobrandstof heeft ingeboekt, overlegt aan het bestuur van de emissieautoriteit een bewijs van aangifte accijns voor die hoeveelheid.

Artikel

3.8

uitvoering artikel 3.6, eerste lid, van het besluit

Bij de uitgifte van hernieuwbare brandstofeenheden door het bestuur van de emissieautoriteit wordt de energie-inhoud van biobrandstof die is geproduceerd uit de materialen, genoemd in bijlage 2:

  • a.

    tabel 1, 2 en 3 vermenigvuldigd met twee,

  • b.

    tabel 4 en 5 niet vermenigvuldigd met twee.

Artikel

3.9

uitvoering artikel 3.6, eerste lid, van het besluit

§

4

Verificatie

Artikel

4.1

uitvoering artikel 4.3 van het besluit

Artikel

4.2

uitvoering artikel 4.6 van het besluit

Artikel

4.3

uitvoering artikel 4.9 van het besluit

§

5

Register hernieuwbare energie vervoer

Artikel

5.1

uitvoering artikel 9.7.5.2, eerste lid, van de wet

Artikel

5.2

uitvoering artikel 9.7.5.2, eerste lid, van de wet

Artikel

5.4

uitvoering artikel 9.7.5.3, vijfde lid, van de wet

Artikel

5.5

uitvoering artikel 9.7.5.3, vijfde lid, van de wet

Artikel

5.6

uitvoering artikel 9.7.5.3, vijfde lid, van de wet

Artikel

5.7

uitvoering artikel 9.7.5.3, vijfde lid, van de wet

Artikel

5.8

uitvoering artikel 9.7.5.3, vijfde lid, van de wet

Artikel

5.9

uitvoering artikel 9.7.5.3, vijfde lid, van de wet

§

6

Rapportage

§

7

Slotbepalingen

Artikel

7.1

Wijzigt het Besluit aanwijzing ambtenaren VROM-regelgeving.

Artikel

7.3

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.

Artikel

7.4

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling hernieuwbare energie vervoer 2015.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,W.J.Mansveld

Bijlage

1

bij artikel 3.5

Bij inboeking van hernieuwbare energie vervoer te vermelden gegevens

1

Algemeen

  • a.

    soort hernieuwbare energie vervoer;

  • b.

    datum of periode van levering aan de Nederlandse markt voor vervoer, aan vervoer in Nederland dan wel aan wegvoertuigen in Nederland;

  • c.

    referenties eigen administratie inboeker.

2

Vloeibare biobrandstof

  • a.

    de soort vloeibare biobrandstof;

  • b.

    de hoeveelheid in liters bij 15 °C;

  • c.

    de locatie van waaraf geleverd is, met inbegrip van een identificerende naam en het adres;

  • d.

    of er sprake is van levering tot eindverbruik of levering aan een andere houder van een vergunning voor een accijnsgoederenplaats als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de accijns;

  • e.

    het duurzaamheidssysteem waaronder de levering plaatsvond;

  • f.

    indien beschikbaar: het nummer van het bewijs van duurzaamheid;

  • g.

    de naam van de grondstof of de grondstoffen volgens het duurzaamheidssysteem waaronder de levering plaatsvond;

  • h.

    het land van herkomst van de grondstof of de grondstoffen;

  • i.

    de broeikasgasemissie in g CO2eq/MJ, berekend overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie;

  • j.

    in het geval van meerdere grondstoffen: per grondstof de bijdrage van die grondstof aan de totale energie-inhoud van, indien van toepassing het hernieuwbare gedeelte van, de biobrandstof als percentage;

  • k.

    indien de vloeibare biobrandstof als dubbeltellend is aangemerkt:

    • 1°.

      het nummer van de dubbeltellingsverklaring;

    • 2°.

      bij een gesplitste hoeveelheid dubbeltellende vloeibare biobrandstof, de nummers van ingetrokken dubbeltellingsverklaringen;

    • 3°.

      indien van toepassing, het kenmerk van het besluit van de minister, bedoeld in artikel 3.9.

3

Gasvormige biobrandstof

  • a.

    de per aansluiting volgens het bemeterde leverpunt of de bemeterde leverpunten geleverde hoeveelheid gas in normaal m3, met inbegrip van de identificerende naam, het adres en het EAN van de gasaansluiting;

  • b.

    van de garantie van oorsprong, bedoeld in artikel 3.2, tweede lid:

    • 1°.

      het nummer van de certificaatreeks;

    • 2°.

      de aanmaakdatum van de certificaatreeks;

    • 3°.

      de naam van de grondstof of de grondstoffen volgens het duurzaamheidsysteem waaronder de levering plaatsvond;

    • 4°.

      het land van herkomst van de grondstof of de grondstoffen;

    • 5°.

      in het geval van meerdere grondstoffen: per grondstof de bijdrage van die grondstof aan de totale energie-inhoud van de biobrandstof als percentage;

    • 6°.

      het duurzaamheidsysteem waaronder de levering plaatsvindt;

    • 7°.

      de broeikasgasemissie in g CO2eq/MJ, berekend overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie;

    • 8°.

      de energieproductie zonder, indien toegepast, correctie voor eigen gebruik van het gas als vermeld in artikel 6, tweede lid, van de Regeling garanties van oorsprong voor energie uit hernieuwbare energiebronnen en HR-WKK-elektriciteit;

  • c.

    indien de gasvormige biobrandstof als dubbeltellend is aangemerkt:

    • 1°.

      het nummer van de dubbeltellingsverklaring;

    • 2°.

      bij een gesplitste hoeveelheid dubbeltellende vloeibare biobrandstof, de nummers van ingetrokken dubbeltellingsverklaringen;

    • 3°.

      indien van toepassing, het kenmerk van het besluit van de minister, bedoeld in artikel 3.9.

4

Hernieuwbare brandstof

  • a.

    de soort hernieuwbare brandstof;

  • b.

    de hoeveelheid in liters bij 15 °C;

  • c.

    de locatie van waaraf geleverd is, met inbegrip van een identificerende naam en het adres;

  • d.

    of er sprake is van levering tot eindverbruik of levering aan een andere houder van een vergunning voor een accijnsgoederenplaats als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de accijns;

  • e.

    de naam en het vestigingsadres van de producent van de hernieuwbare brandstof;

  • f.

    de broeikasgasemissie in g CO2eq/MJ, berekend overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie;

  • g.

    het nummer van de verificatieverklaring hernieuwbare brandstof.

5

Elektriciteit

De per elektriciteitsaansluiting volgens het aan die elektriciteitsaansluiting gekoppelde bemeterde leverpunt of de aan die elektriciteitsaansluiting gekoppelde bemeterde leverpunten aan wegvoertuigen in Nederland geleverde hoeveelheid elektriciteit in kWh, met inbegrip van een identificerende naam, het adres en het EAN van de elektriciteitsaansluiting.

Bijlage

2

bij de artikelen 3.8 en 3.9

Tabel 1 – Procesafval of procesresidu

Afvalhout

Hout van voldoende kwaliteit om als materiaal of brandstof te worden toegepast. Voor de beoordeling is leidend of de toepassing wel of niet onder de afval wet- en regelgeving valt.

Afvalwater vrijkomend bij productie van suiker uit suikerbieten

Afvalwater dat vrijkomt bij verwerking van suikerbieten tot suiker en waarvoor is aangetoond, dat er geen sprake is van terugwinbare hoeveelheden suiker in het afvalwater, bijvoorbeeld door aan te tonen dat de concentraties suiker in het afvalwater niet substantieel zijn toegenomen ten opzichte van voorgaande jaren.

Alcoholcondensaat uit biergist

Alcoholcondensaat uit biergist is het condensaat dat ontstaat bij het indrogen van gist, dat als reststroom bij het brouwen van bier ontstaat.

AWZI- en RWZI zuiveringsslib

(NTA 8003:410)

Slib uit afvalwaterzuiveringsinstallaties (AWZI’s) en rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s). Dit is relevant voor biogas geproduceerd in AWZI- en RWZI-slibvergisters.

Biogene component van oude autobanden (‘end-of-life tyres’)

Het biogene (hernieuwbare) deel van oude autobanden. Het gaat hierbij om niet-herbruikbare autobanden, die op grond van lokale wet- en regelgeving zijn aangemerkt als afval. Alleen het biogene deel komt in aanmerking voor dubbeltelling.

Biomassa deel ongesorteerd stedelijk afval (residual MSW)

De gemengde restfractie is aan te merken als afval.

Dit is relevant voor uit stortplaatsen gewonnen biogas (ook wel stortgas genoemd).

CNSL (cashew nut shell liquid)

CNSL is de olie geperst uit het harde omhulsel van cashewnoten. Dit omhulsel blijft over als residu bij het consumptiegeschikt maken van de cashewnoot.

Dierlijke vetten categorieën 1 en 2

Dierlijk vet dat ontstaat bij de verwerking van dierlijke bijproducten in vetsmelterijen wordt in verordening (EG) nr. 1069/2009 inzake dierlijke bijproducten1 wordt ingedeeld in categorieën. Categorie 1 en 2 materiaal heeft geen toepassing (in significante hoeveelheden) anders dan voor energie.

Druivendraf oftewel ‘Grape Marc’

Grape Marc is de dikke brij met schillen en pitten die overblijft na persing van de gegiste most bij de wijnproductie.

Gebruikte bleekaarde (spent bleaching earth)

Bleekaarde (‘bleaching earth’) wordt gebruikt als filtermedium bij het raffineren van plantaardige oliën. Gebruikte bleekaarde wordt doorgaans gestort of verbrand. Uit gebruikte bleekaarde kunnen achtergebleven (residuale) oliën via extractie worden teruggewonnen.

Gebruikte frituurolie

(NTA 8003: 572)

Gebruikte frituurolie ontstaat bij het frituren van plantaardige of dierlijke producten in plantaardige olie of dierlijke vetten. De olie wordt door daarin gespecialiseerde bedrijven ingezameld. Gebruikte frituurolie is – op mogelijk een kleine fractie na uit de voedselverwerkende industrie waarin geen dierlijke producten zijn bereid – ongeschikt voor toepassing als diervoeder of als grondstof voor de oleochemische industrie en heeft daarmee geen toepassing anders dan voor energie.

Gft (NTA 8003: 610) en organisch afval van handel-diensten-bedrijven (NTA 8003: 620)

Gft en soortgelijke afvalstromen uit handel- diensten en bedrijven worden aangemerkt als afval. Dit is inclusief etensresten van restaurants (swill).

Hemicellulose uit brown liquor

Brown liquor ontstaat bij de productie van cellulose in de sulfietpulpindustrie. Het bevat lignine en hemicellulose. De hemicellulose (suiker) wordt als restproduct verwijderd door fermentatie tot (bio)ethanol.

Organische mest

Organische mest is volgens de Europese Commissie2 een residu.

Palmolie – lege vruchtbundels (empty palm fruit bunches)

Lege palmolie vruchtbundels ontstaan als de palmvruchten worden verwijderd van de verse palmolievruchtbundels. Lege vruchtbundels worden gestort, verbrand of als mulch in de plantages gebruikt.

Palmolie – afvalwater uit palmolie molen (POME)

Het afvalwater uit een palmoliemolen (palm oil mill effluent; POME) wordt opgeslagen in open bassins waar het leidt (na anaerobe vergisting) tot methaanemissies. Als alternatief kan het in gesloten tanks worden opgeslagen en vergist.

Putvet

Putvet is het materiaal dat in afscheiders voor oliën en vetten uit afvalwater van restaurants en andere grootkeukens wordt verzameld.

Ruwe glycerine

Ruwe glycerine (‘raw glycerine’ of ‘crude glycerine’) wordt o.a. geproduceerd bij verestering van plantaardige oliën om bijv. biodiesel te produceren. Volgens de bijlage V, onderdeel C, onder 18, bij de richtlijn hernieuwbare energie en de Europese Commissie2 is ruwe glycerine een residu.

Suikerbietenpunten

Suikerbietenpunten zijn stukjes van suikerbiet die tijdens transport en wassen van de suikerbiet (tijdens verwerking tot suiker) zijn afgebroken. Typisch ontstaat circa 10 kg suikerbietenpunt per ton verwerkte suikerbiet. Ook vrijkomend bladmateriaal wordt tot ‘suikerbietenpunten’ gerekend.

Tallolie, onbewerkt

Tallolie (‘tall oil’ of ‘crude tall oil’: CTO) ontstaat uit black liquor dat vrijkomt bij papierproductie uit hout.

Talloliepek

Tallolie (‘tall oil’) ontstaat als bijproduct uit black liquor dat vrijkomt bij papierproductie uit hout. De tallolie kan via raffinage worden gescheiden in een aantal producten plus een destillatieresidu genaamd talloliepek. Volgens de Europese Commissie2 is talloliepek een residu.

Zaagsel

Hier valt niet onder zaagsel dat vrijkomt in de bosbouw (dat valt onder ‘bosbouwresidu’ in tabel 2). Zaagsel komt vrij bij de verwerking van hout in de houtverwerkende industrie. Zaagsel is een procesafval/residu zolang niet de hoeveelheid zaagsel opzettelijk wordt vergroot. Opzettelijke aanpassingen aan het proces om de hoeveelheid te verhogen, resulteren erin dat het zaagsel moet worden geclassificeerd als een product in plaats van als een residu.

1 Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (PbEU 2009, L 300).

2 Mededeling van de Commissie over de praktische tenuitvoerlegging van de duurzaamheidsregeling van de EU over biobrandstoffenen vloeibare biomassa en over boekingsregels voor biobrandstoffen (PbEU 2010, C 160)

Tabel 2 – Afval of residu van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw

Bagasse

Bagasse wordt als landbouwresidu genoemd in bijlage V, onderdeel C, onder 18, bij de richtlijn hernieuwbare energie.

Bosbouwresiduen

Residuen uit de bosbouw. Hieronder wordt niet verstaan vers hout (zie tabel 3). Bij de inzameling van bosbouwresiduen moet erop worden toegezien dat het proces waarin deze residuen ontstaat niet is aangepast, leidend tot een toename van de hoeveelheid materiaal dat als residu wordt geclaimd. Opzettelijke aanpassingen aan het proces om de hoeveelheid zaagsel, chips, schors, of houtafval te verhogen, resulteren erin dat het materiaal moet worden geclassificeerd als een product in plaats van als een residu. Zo worden houtchips van de takken van bomen waarvan de stam separaat wordt verwerkt of afgevoerd, geclassificeerd als bosbouwresidu, terwijl houtchips uit hele stammen worden geclassificeerd als product (‘vers hout’ in tabel 3).

Doppen, schillen, vliezen, pitten (NTA 8003: 230)

Harde schillen van noten en dergelijke en schillen, vliezen en omhulsels van oliezaden en oliebonen en olienoten, inclusief pitten.

Lege maïskolven

Kolven worden als landbouwresidu genoemd in bijlage V, onderdeel C, onder 18, bij de richtlijn hernieuwbare energie.

Stro (NTA 8003:220)

De droge halmen van koren en andere vruchtdragende planten.

Stro wordt als landbouwresidu genoemd in bijlage V, onderdeel C, onder 18, bij de richtlijn hernieuwbare energie.

Top en blad van suikerriet

Top en blad van suikerriet dat bij het kappen van het riet wordt verwijderd.

Tabel 3 – Niet-voedsel cellulosemateriaal en ligno-cellulosisch materiaal (geen afval of residu)

Korte omloop hout

Landbouwteelt van snelgroeiende houtachtige gewassen waarbij de bovengrondse biomassa periodiek tot maximaal 8 jaar na de aanplanting of na de vorige oogst, in zijn totaliteit wordt geoogst.

Vers hout

Niet gebruikt hout, dat qua samenstelling niet is veranderd ten opzichte van het hout dat in het bos groeit, en waar geen vermenging, verontreiniging of vervuiling met productvreemde stoffen heeft plaatsgevonden. Houtresten uit de houtverwerkende industrie, die vrijgekomen zijn bij het verkleinen van vers hout, worden hier niet ook onder verstaan (dit in tegenstelling tot NTA 8003 categorie 110).

Tabel 4 – Product of co-product

DDGS (Dried Distillers Grains with Solubles)

DDGS ontstaat bij de productie van ethanol uit granen zoals maïs, gerst, rogge en tarwe. De vaste stof die achterblijft na fermentatie heet distillers grains with solubles en bevat de niet gefermenteerde delen waaronder proteïnen, vezels en vet. Dit natte product DGS kan worden gedroogd tot DDGS. Zowel DGS als DDGS worden toegepast als veevoeder.

Dierlijke vetten categorie 3

Dierlijk vet dat ontstaat bij de verwerking van dierlijke bijproducten in vetsmelterijen wordt in verordening (EG) nr. 1069/2009 inzake dierlijke bijproducten1 ingedeeld in categorieën. Categorie 3 materiaal kent alternatieve toepassingen, bijv. als diervoeder en in de oleochemische industrie.

NB. Omdat dit materiaal niet rechtstreeks vanuit landgebonden gewassen wordt geproduceerd, hoeft biobrandstof uit categorie 3 dierlijk vet niet te voldoen aan de landgebonden duurzaamheidscriteria.

Dierlijke vetten – categorie onbekend of niet gecategoriseerd

Dierlijk vet dat ontstaat bij de verwerking van dierlijke bijproducten in vetsmelterijen wordt in verordening (EG) nr. 1069/2009 inzake dierlijke bijproducten1 ingedeeld in categorieën. Niet gecategoriseerd dierlijk vet is of afkomstig van buiten Europa of er is sprake van categorie onbekend voor een Europese stroom. Voor de regelgeving hernieuwbare energie vervoer wordt dit materiaal ingedeeld als (co-)product. Materiaal afkomstig van buiten Europa kan als procesresidu worden ingedeeld als wordt aangetoond dat het materiaal geen alternatieve toepassing heeft.

NB. Omdat dit materiaal niet rechtstreeks vanuit landgebonden gewassen wordt geproduceerd, hoeft biobrandstof uit categorie of onbekend of niet-gecategoriseerd dierlijk vet niet te voldoen aan de landgebonden duurzaamheidscriteria.

Glycerine, geraffineerd

Geraffineerde glycerine wordt uit ruwe glycerine geproduceerd op de plek waar de ruwe glycerine ontstaat (bijv. bij productie van biodiesel) of in een centrale raffinagefabriek. Geraffineerde glycerine heeft toepassingen in o.a. de voedsel-, cosmetica- en farmaceutische industrie.

Olie-, suiker- of zetmeelhoudende agrarische producten

Agrarische producten zoals oliehoudende pitten, vruchten of zaden (jatropha, koolzaad, palmvruchten, sojabonen, zonnebloempitten), zetmeelhoudende zaden (gerst, maïs, rogge, tarwe) en suikerhoudende producten waaronder knollen (suikerbiet) en stengels (suikerriet) worden toegepast als voeding en diervoeder.

Plantaardige oliën (ruw en geraffineerd)

Plantaardige oliën ontstaan door mechanische persing of door extractie uit oliehoudende zaden zoals jatrophaboon, koolzaad, palmvrucht, sojaboon en zonnebloemzaad. De meeste oliën worden toegepast in voeding en cosmetica, daarnaast zijn de oliën in alle gevallen hoofdproduct of één van de hoofdproducten van de teelt van het betreffende gewas.

Plantaardige oliekoek

Plantaardige oliekoek (‘cake’ of ‘meal’) is het restant na persen van ruwe plantaardige oliën uit oliehoudende pitten, vruchten of zaden). De koek wordt doorgaans toegepast als diervoeder.

Pulp uit suikerbereiding (Nta 8003: 532).

Overblijfsel uit suiker-extractie uit suikerbiet. Dit betreft zowel perspulp (nat) als pulpbrok (droog). De pulp wordt verkocht als diervoeder.

Melasse

Reststroom uit suikerbereiding uit suikerbiet en suikerriet. Wordt toegepast in de consumptie alcohol-industrie en als veevoer.

Vetzuren ((Free) fatty acids, refinery fatty acids, fatty acid distillates, fatty acid oils)

Vetzuren worden geproduceerd tijdens de raffinage van ruwe plantaardige olie tot geraffineerde plantaardige olie, bijv. tijdens het productieproces van biodiesel. Hoeveelheid en samenstelling van de gevormde vetzuren hangen af van het soort plantaardige olie en van het type raffinageproces. Vetzuren worden gebruikt in de oleochemie, als diervoeder en voor productie van biodiesel.

1 Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (PbEU 2009, L 300).

Tabel 5 – Overige materialen

Gras

Gras is een verzamelnaam voor planten uit de grassenfamilie. Gras kan worden benut (vers, gekuild of gedroogd) als veevoer. Vele grassoorten zoals tarwe, rijst, maïs, etc. bevatten zetmeelrijke vruchten (zaden/korrels) die worden gebruikt als voedsel en veevoer en ook als grondstof voor productie van biobrandstoffen zoals ethanol en biogas. Naast de vrucht bevatten ook de andere delen van gras significante hoeveelheden eiwitten, suikers, vetten en zetmeel.

Uit de lignocellulose bestanddelen van gras kan biobrandstof worden geproduceerd. Gras is niet in tabel 3 ingedeeld omdat de verhouding tussen het aandeel biobrandstoffen uit het lignocellulose deel van het gras en het aandeel biobrandstoffen uit de overige bestanddelen afhankelijk is van het specifieke biobrandstof productieproces. Stro, dat kan worden gezien als subcategorie van gras en waarvan het lignocellulose gehalte zeer hoog is, is ingedeeld in tabel 2.

Industrieel afvalwater

Industrieel afvalwater is niet in één van de tabellen 1 t/m 4 ingedeeld omdat de samenstelling zeer divers van aard is. Industrieel afvalwater kan componenten bevatten die zijn terug te winnen of na eventuele opwerking benut kunnen worden als diervoeder. Er is een overlap tussen het materiaal ‘industrieel afvalwater’ en het materiaal ‘zetmeelrijke bij- en restproducten uit de aardappel- en graanverwerkende industrie’.

Het gaat in deze categorie niet om afvalwater vrijkomend bij productie van suiker uit suikerbieten of om palmolie – afvalwater uit palmolie molen (POME) als bedoeld in tabel 1.

Voedingsmiddelen ongeschikt voor menselijke consumptie (NTA 8003: 581,582, 583)

Dit betreft bijvoorbeeld over datum producten, of producten die uit gezondheids- of veiligheidsoverwegingen uit de markt worden gehaald. Deze materialen zijn niet in één van de tabellen 1 t/m 4 ingedeeld omdat het een diverse groep materialen betreft waarvan een deel een alternatieve toepassing heeft, bijvoorbeeld als veevoeder.

Zetmeelrijke bij- of restproducten uit de aardappel- en graan- (oa maïs- en tarwe-) verwerkende industrie

Deze materialen zijn niet in één van de tabellen 1 t/m 3 ingedeeld omdat het een zeer diverse groep materialen betreft; de samenstelling en afzetbaarheid van de materialen hangt af van het productieproces en/of de productielocatie. Een groot deel van deze materialen heeft een alternatieve toepassing, bijvoorbeeld als veevoeder of als toevoeging in de papier- en kartonindustrie.

Bijlage

3

bij artikel 3.9, eerste lid, onderdeel c, onder 2°

Criteria

  • 1.

    De energie-inhoud (calorische onderwaarde) van de geproduceerde biobrandstof, afkomstig uit het cellulose en/of lignocellulosedeel van het materiaal, dient te worden vastgesteld op basis van een massabalans over de hoeveelheid en samenstelling van het uitgangsmateriaal, van het overblijvend materiaal na de conversie en van de geproduceerde biobrandstof. Die energie-inhoud wordt opgesteld aan de hand van monstername, monstervoorbehandeling en analyses die zijn uitgevoerd volgens gangbare (ISO, NEN, DIN, ASTM) normen.

  • 2.

    Een analyse van het proces als bedoeld onder 1 wordt in ten minste tweevoud verricht met behulp van representatieve monsters. Representatief houdt in dat de monsters genomen zijn in de daadwerkelijke bedrijfsopstelling waarvoor dubbeltelling wordt aangevraagd, of – als een bedrijfsopstelling nog niet voorhanden is – monsters genomen in een vergelijkbare demo- of testopstelling. De monsters dienen te worden genomen tijdens condities (temperatuur, druk, verblijftijd, hoeveelheden en eigenschappen van de toegevoegde hulpstoffen, etc.) zoals die ook zullen gelden tijdens commerciële productie van de biobrandstof.

  • 3.

    De bedrijfsvoering tijdens monstername, wijze van bemonstering, gebruikte analysemethoden, resultaten en conclusies moeten op een transparante en reproduceerbare wijze worden gerapporteerd. De rapportage moet met het verzoek voor dubbeltelling mee- of nagezonden worden.

  • 4.

    De minister neemt, eventueel na consultatie van een onafhankelijke deskundige, een beslissing over de aanvraag.

  • 5.

    Een onafhankelijke deskundige kan worden geconsulteerd als de uitkomst van het onderzoek niet in lijn is met de verwachting is.

  • 6.

    Een eventueel ingeschakelde onafhankelijke deskundige krijgt desgewenst toegang tot de installatie waaraan is bemonsterd en kan daar desgewenst zelf bemonsteren en analyses laten uitvoeren.

  • 7.

    Mocht de onafhankelijke deskundige op basis van onderbouwde argumenten tot andere conclusies dan de aanvrager komen dan past de minister wederhoor toe.

Bijlage

4

bij artikel 4.1, tweede lid

Verificatieverklaringen hernieuwbare brandstof worden afgegeven bij:

  • a.

    de producent van de hernieuwbare brandstof, en

  • b.

    afnemers van de hernieuwbare brandstof, die die hernieuwbare brandstof inboeken.

  • A.

    De verificatieverklaring hernieuwbare brandstof die wordt afgegeven bij de producent van de hernieuwbare brandstof voldoet aan de volgende eisen:

    • 1.

      Met betrekking tot de totstandkoming van de verklaring is en blijft de verificateur hernieuwbare brandstof bekend met de administratieve processen en de productie-installatie van de brandstof. De verificateur hernieuwbare brandstof bezoekt daarom de productielocatie ten minste:

      • a.

        eenmaal per jaar tijdens het initieel onderzoek;

      • b.

        eenmaal per jaar in ieder jaar waarin verklaringen worden uitgegeven.

    • 2.

      Als onderdeel van de verificatie hernieuwbare brandstof wordt nagegaan of:

      • a.

        de fysieke brandstof uit een hernieuwbare bron als bedoeld in artikel 2 onderdeel a van de richtlijn hernieuwbare energie wordt geproduceerd;

      • b.

        de daarbij benodigde energie volledig uit hernieuwbare bronnen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de richtlijn hernieuwbare energie afkomstig is, en

      • c.

        de productie van hernieuwbare energie financieel is gestimuleerd via een subsidie per opgewekte hoeveelheid hernieuwbare energie dan wel via een subsidie voor de productie van de voor de productie van de hernieuwbare brandstof gebruikte energie.

    • 3.

      Met betrekking tot de totstandkoming van de verificatieverklaring hernieuwbare energie wordt of de seggregatie-methode als ‘traceerbaarheidketen’systeem gehanteerd dan wel indien de hernieuwbare brandstof met niet-hernieuwbare brandstof wordt gemengd, wordt slechts het deel van het mengsel dat fysiek uit hernieuwbare brandstof afkomstig is (dus naar rato van de gemengde hoeveelheden) als hernieuwbare brandstof beschouwd. Voor vloeibare hernieuwbare brandstoffen is het massabalanssysteem uit artikel 18, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie niet van toepassing.

    • 4.

      Met betrekking tot de totstandkoming van de verklaring vergewist de verificateur hernieuwbare brandstof zich er van dat alle partijen en organisaties bij wie gedurende het verificatieproces informatie wordt verzameld deze informatie minimaal vijf jaar bewaren.

    • 5.

      Met betrekking tot de hernieuwbare herkomst van de grondstoffen en energie

      • a.

        is de verificatieverklaring hernieuwbare brandstof gericht op het verschaffen van een redelijke mate van zekerheid;

      • b.

        wordt de energie-inhoud op basis van de onderste verbrandingswaarde van hernieuwbare brandstof in de verklaring overgenomen van bestaande gegevens of wordt die waarde in opdracht van de producent van de hernieuwbare brandstof bepaald door een laboratorium dat voor die werkzaamheden geaccrediteerd is overeenkomstig ISO/IEC 17025;

    • 6.

      Met betrekking tot de hoeveelheid grondstoffen en energie

      • a.

        omvat de verificatieverklaring hernieuwbare brandstof:

        • 1°.

          de hoeveelheden hernieuwbare brandstof, waaronder tevens worden verstaan de onderste verbrandingswaarde en energie-inhoud;

        • 2°.

          de aantoonbaarheid van productie van hernieuwbare energie, waaronder wordt verstaan de bron van hernieuwbare energie waaruit de brandstof is geproduceerd;

        • 3°.

          het land waarin de hernieuwbare brandstof is geproduceerd;

        • 4°.

          de broeikasgasemissie in CO2eq/MJ, berekend overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie;

      • b.

        stemt de hoeveelheid hernieuwbare brandstof waarvoor deverklaring wordt afgegeven, overeen met de hoeveelheid grondstof en/of hernieuwbare energie die voor zijn productie aangewend is.

    • 7.

      Met betrekking tot de geverifieerde hernieuwbare brandstof:

      • a.

        wordt in de verificatieverklaring hernieuwbare brandstof de hoeveelheid brandstof gespecificeerd die in een vastgestelde tijdsperiode geleverd is, evenals de afnemer;

      • b.

        wordt voor een geproduceerde hoeveelheid hernieuwbare brandstof per afnemer een verklaring met een unieke code afgegeven, waarbij de som van de hoeveelheden waarop deze verklaringen betrekking hebben, niet meer bedraagt dan de oorspronkelijke geproduceerde hoeveelheid.

  • B.

    De verificatieverklaring hernieuwbare brandstof die wordt afgegeven bij de afnemer die de hernieuwbare brandstof inboekt, voldoet aan de volgende eisen:

    • 1.

      Met betrekking tot de totstandkoming van de verificatieverklaring hernieuwbare brandstof is en blijft de verificateur hernieuwbare brandstof bekend met de administratieve processen van de afnemer. De verificateur hernieuwbare brandstof bezoekt daarom de locatie van de afnemer ten minste:

      • a.

        eenmaal per jaar tijdens het initieel onderzoek;

      • b.

        eenmaal per jaar in ieder jaar waarin verklaringen worden uitgegeven.

    • 2.

      Met betrekking tot de totstandkoming van de verificatieverklaring hernieuwbare brandstof:

      • a.

        vergewist de verificateur hernieuwbare brandstof zich er van dat alle partijen en organisaties bij wie gedurende het verificatieproces informatie wordt verzameld deze informatie minimaal vijf jaar bewaren;

      • b.

        vergewist de verificateur hernieuwbare brandstof zich ervan dat een verificatieverklaring productie hernieuwbare brandstof aanwezig is waarop de inboekende partij als afnemer staat vermeld en waarvan de hoeveelheid hernieuwbare brandstof overeen stemt met de hoeveelheid op de uit te geven verklaring inboeking hernieuwbare brandstof;

      • c.

        neemt de onafhankelijke instelling de verificatieverklaring productie hernieuwbare brandstof in;

      • d.

        geeft de verificateur hernieuwbare brandstof het unieke nummer van de verklaring weer volgens het formaat xxx.9999999, waarbij de drie letters betrekking hebben op de identificatiecode van de verificatie-instelling.

    • 3.

      Met betrekking tot het transport van hernieuwbare brandstof van de producent naar de afnemer:

      • a.

        is de verificatieverklaring hernieuwbare brandstof gericht op het verschaffen van een redelijke mate van zekerheid;

      • b.

        wordt de segregatiemethode als ‘traceerbaarheidsketen’ systeem gehanteerd dan wel indien de hernieuwbare brandstof met niet hernieuwbare brandstof wordt gemengd, wordt slechts het deel van het mengsel dat fysiek uit hernieuwbare brandstof afkomstig is (dus naar rato van de gemengde hoeveelheden) als hernieuwbare brandstof beschouwd. Voor vloeibare hernieuwbare brandstoffen is het massabalanssysteem uit artikel 18, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie niet van toepassing,

      • c.

        vergewist de verificateur hernieuwbare brandstof zich er op basis van transportdocumenten, die in de administratie van de inboeker aanwezig dienen te zijn, van dat de hoeveelheid vloeibare hernieuwbare brandstof, zoals vermeld op de verificatieverklaring productie hernieuwbare brandstof, is geladen bij de producent;

      • d.

        vergewist de verificateur hernieuwbare brandstof zich er op basis van transportdocumenten, die in de administratie van de inboeker aanwezig dienen te zijn, van dat:

        • 1°.

          de hernieuwbare brandstof niet vermengd met andere brandstoffen is gelost bij de inboeker, dan wel

        • 2°.

          indien de hoeveelheid hernieuwbare brandstof, zoals vermeld op de verificatieverklaring productie hernieuwbare brandstof en geladen bij de producent, vermengd is met een hoeveelheid andere brandstoffen, zowel de hoeveelheid hernieuwbare brandstof als de hoeveelheid andere brandstof zijn gelost bij de inboeker, of

        • 3°.

          indien de hoeveelheid hernieuwbare brandstof, zoals vermeld op de verificatieverklaring hernieuwbare brandstof is geladen bij de producent, vermengd is met een hoeveelheid andere brandstoffen en de gemengde hoeveelheid niet in het geheel bij de inboeker zijn gelost, op basis van de transportdocumenten naar rato is ingeboekt.

Bijlage

5

bij artikel 4.2, tweede lid

  • 1.

    Met betrekking tot de totstandkoming van de dubbeltellingsverklaring is de dubbeltellingsverificateur bekend met de administratieve processen en de productie-installatie van de biobrandstof. De dubbeltelllingsverificateur bezoekt daarom de productielocatie ten minste:

    • a.

      eenmaal per jaar tijdens het initieel onderzoek;

    • b.

      eenmaal per jaar in ieder jaar waarin verklaringen worden uitgegeven.

    Met de betrekking tot de administratieve processen vermeldt de dubbeltellingverklaring:

    • a.

      onder welk duurzaamheidssysteem productie en opslag op de productielocatie plaats vindt;of

    • b.

      de dubbeltellende biobrandstof volgens de massabalans van het duurzaamheidssysteem van de producent aan de ontvanger van de dubbeltellingverklaring geleverd is;

    • c.

      dat de geleverde dubbeltellende biobrandstof niet door een andere verificatie-instelling voor dubbeltelling geverifieerd is.

  • 2.

    Met betrekking tot de aard van de grondstof en de dubbeltelling van de biobrandstof:

    • a.

      vermeldt de dubbeltellingsverklaring uit welk materiaal de biobrandstof geproduceerd is, gebruikmakend van de benaming in de tabellen 1, 2 of 3 van bijlage 2 dan wel in de beschikking van de minister, bedoeld in artikel 3.9;

    • b.

      vermeldt de dubbeltellingsverklaring de energie-inhoud van de biobrandstof overeenkomstig artikel 1.2;

    • c.

      kan in de dubbeltellingsverklaring gebruik worden gemaakt van analyseresultaten als bewijslast voor de inzet van dubbeltellende grondstoffen of de samenstelling van grondstoffen, voor zover de analyses uitgevoerd zijn door een laboratorium dat geaccrediteerd is overeenkomstig ISO/IEC 17025.

  • 3.

    Met betrekking tot de hoeveelheid grondstof en de hoeveelheid dubbeltellende biobrandstof:

    • a.

      is de dubbeltellingsverklaring gericht op het verschaffen van een redelijke mate van zekerheid;

    • b.

      omvat de dubbeltellingsverklaring:

      • 1°.

        de hoeveelheden biobrandstof, waaronder tevens worden verstaan de onderste verbrandingswaarde en energie-inhoud;

      • 2°.

        de aantoonbaarheid van productie uit dubbeltellende grondstof, waaronder wordt verstaan de grondstof waarvan de biobrandstof afkomstig is;

      • 3°.

        het land van of de landen van herkomst van de grondstof;

    • c.

      stemt de hoeveelheid dubbeltellende biobrandstof waarvoor een dubbeltellingsverklaring wordt afgegeven, overeen met de hoeveelheid grondstof die voor zijn productie aangewend is.

  • 4.

    Met betrekking tot de geverifieerde dubbeltellende biobrandstof:

    • a.

      specificeert de dubbeltellingverklaring de hoeveelheid biobrandstof die in een vastgestelde tijdsperiode geleverd is, evenals de afnemer en de leverancier in de handelsketen;

    • b.

      vermeldt de dubbeltellingverklaring indien de grondstof voor de biobrandstof is opgenomen in tabel 5 de datum en het nummer van het besluit, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid;

    • c.

      geeft de verificateur voor een geproduceerde hoeveelheid dubbeltellende biobrandstof per afnemer een dubbeltellingverklaring met een unieke code af, waarbij de som van de hoeveelheden waarop deze dubbeltellingverklaringen betrekking hebben, niet meer bedraagt dan de oorspronkelijke geproduceerde hoeveelheid volgens de massabalans van het controlerend duurzaamheidssysteem;

    • d.

      kan een hoeveelheid dubbeltellende biobrandstof, waarvoor reeds een dubbeltellingverklaring afgegeven is, worden gesplitst in een of meer kleinere hoeveelheden, voor zover de oorspronkelijke dubbeltellingverklaring nog niet door een inboeker is gebruikt als bewijs voor dubbeltelling;

    • e.

      kunnen de dubbeltellingverklaringen die voor de gesplitste hoeveelheden worden opgesteld, opgeteld geen grotere hoeveelheid betreffen, dan in de oorspronkelijke verklaring verantwoord werd;

    • f.

      neemt de dubbeltellingverificateur bij de splitsing de oorspronkelijke dubbeltellingverklaring in;

    • g.

      wordt bij splitsing een nieuw uniek nummer afgegeven, terwijl alle voorgaande unieke nummer worden vermeld;

    • h.

      de dubbeltellingverificateur geeft het nummer van de verklaring weer volgens het formaat xxx.9999999, waarbij de drie letters betrekking hebben op de identificatiecode van de verificatie-instelling.

Bijlage

6

bij artikel 4.3, derde lid

A – Inboekverificatie op een accijnsgoederenplaats (AGP), geregistreerd geadresseerde (GG) of een douane-entrepot in een lidstaat

De inboekverificateur levert ten behoeve van de inboekverificatie een onafhankelijk oordeel dat gericht is op het verschaffen van een voldoende mate van zekerheid met betrekking tot de juistheid van de data en informatie over de aard, herkomst en hoeveelheid van de ingeboekte biobrandstof, de mogelijke dubbeltelling hiervan en de bijbehorende duurzaamheidskenmerken en de juistheid van de data en informatie over de aard, herkomst en hoeveelheid van de ingeboekte biobrandstof die de heeft vermeld in het register. De inboekverificatie vindt plaats op basis van een verificatieplan dat de materialiteitsgrens, genoemd in artikel 4.7 van het besluit, hanteert met betrekking tot het ontdekken van kwantitatieve en kwalitatieve afwijkingen die van materieel belang zijn.

De inboekverificateur maakt gebruik van de standaard auditingprocessen zoals document review, interviews, observaties en het toetsen van data en informatie van externe informatiebronnen. Het doel is om voldoende relevante bewijzen te verzamelen en te documenteren om tot een verificatieverklaring te kunnen komen.

Van belang zijn twee elementen.

Ten eerste de systeemverificatie ofwel de beoordeling van de administratieve organisatie. Hierbij zijn van belang:

  • controle van de massabalans (per kwartaal, of de periode die wordt gehanteerd in het duurzaamheidsysteem), aansluiting bij voorraadadministratie en financiële en mogelijk accijnsadministratie; toetsing op verschillen;

  • de wijze waarop de vloeibare brandstoffen evenredig worden verdeeld na menging en splitsing.

  • beoordeling van procedures met betrekking tot de voorraadopname (inventarisatie).

  • controle van de interne beheersmaatregelen en/of systemen van de inboeker.

  • de wijze waarop de inboeker voorkomt dat ingeboekte hernieuwbare energie niet als duurzaam of hernieuwbaar geproduceerd, wordt verkocht;

  • het systeem voor het overnemen van de juiste duurzaamheidskenmerken van de biobrandstoffen of milieukenmerken bij hernieuwbaar brandstof;

  • de kalibratie en onderhoud van relevante meters en het juist omrekenen van factoren bij verschillende eenheden (indien van toepassing);

  • de wijze waarop dubbeltellende biobrandstoffen zijn gedocumenteerd, en van verklaringen en duurzaamheidsbewijzen zijn voorzien;

  • de wijze waarop hernieuwbare brandstof is gedocumenteerd, en van verificatieverklaringen hernieuwbare brandstof is voorzien. De hernieuwbare brandstof mag niet doorgeleverd zijn, maar moet direct van de producent afkomstig zijn;

  • de wijze waarop de gegevens vanuit de massabalans of de voorraadadministratie in het register worden ingevoerd.

Ten tweede de dataverificatie die bestaat uit kritische deelwaarnemingen van de gerapporteerde gegevens op basis van het verificatieplan om te komen tot een voldoende mate van zekerheid van de hoeveelheden ingeboekte hernieuwbare energie en voor de juiste overname van de duurzaamheidkenmerken en milieukenmerken in het register.

  • 1.

    Met betrekking tot de totstandkoming van de inboekingverificatieverklaring is inboekverificateur bekend met de administratieve processen van de inboeker en de relevante fysieke situaties op de locaties die onder het duurzaamheidssysteem zijn gecertificeerd.

    • De onafhankelijke instelling bezoekt daarom de locaties die onder het duurzaamheidssysteem vallen ten minste eenmaal tijdens het initieel onderzoek.

    • De onafhankelijke instelling bezoekt daarom de locaties die onder het duurzaamheidssysteem vallen in ieder jaar waarin verklaringen worden uitgegeven als op die locaties een substantiële verandering is doorgevoerd. Dit op basis van een risico-analyse die de onafhankelijke instelling maakt.

    • De onafhankelijke instelling bezoekt daarom in ieder geval de hoofdlocatie waar de administratieve processen worden gedocumenteerd.

    • De onafhankelijke instelling bezoekt daarom in ieder geval de locatie van waaruit de hernieuwbaar brandstof wordt ingeboekt tijdens het initieel onderzoek en daarna jaarlijks zolang van deze locatie hernieuwbaar brandstof wordt geleverd aan de markt voor vervoer.

  • 2.

    Met betrekking tot de aard van de hernieuwbare energie wordt de energie-inhoud vermeld overeenkomstig artikel 1.2.

  • 3.

    Met betrekking tot de hoeveelheid hernieuwbare energie heeft de inboekverificatieverklaring betrekking op:

    • een hoeveelheid hernieuwbare energie die in het betreffende kalenderjaar is geleverd aan de Nederlandse markt voor vervoer;

    • op een hoeveelheid hernieuwbare energie die op grond van artikel 9.7.4.1 van de wet door een inboeker is ingeboekt in het register.

  • 4.

    De inboekverificatieverklaring geeft een risicoanalyse die is gebaseerd op een onderzoek dat ten minste de volgende onderdelen omvat:

    • check of het certificaat van het duurzaamheidssysteem toereikend is voor alle locaties van de AGP van waar uit geleverd wordt;

    • controle van de massabalans (per kwartaal) versus voorraadadministratie en financiële en mogelijk accijnsadministratie;

    • controle van de wijze waarop de vloeibare brandstoffen evenredig worden verdeeld na menging en splitsing;

    • controle van eerdere verklaringen afgegeven door een verificateur hernieuwbare brandstof of dubbeltellingverificateur;

    • controle van de wijze waarop de inboeker voorkomt dat ingeboekte hernieuwbare energie als duurzaam wordt verkocht;

    • beoordeling van de administratieve organisatie en de interne controle;

    • interviews met betrokken werknemers bij de rapportage van hernieuwbare energie;

    • locatiebezoeken.

  • 5.

    Een inboekverificatieverklaring vermeldt:

    • de kenmerken van de opdrachtgever inclusief het rekeningnummer in het register van de opdrachtgever;

    • de kenmerken van de hoeveelheid ingeboekte hernieuwbare energie inclusief rekeningnummer van de inboeker in het register;

    • een beschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden (inclusief bezochte locaties);

    • dat een voldoende mate van zekerheid is verkregen dat de hoeveelheid ingeboekte hernieuwbare energie in het register in de juiste eenheden, opgedeeld in soorten zoals gegeven in bijlage III bij de richtlijn hernieuwbare energie, en opgesplitst in enkel- en dubbeltellend geen onjuistheden van materieel belang bevat;

    • dat een redelijke mate van zekerheid is verkregen dat de duurzaamheidskenmerken behorende bij de hernieuwbare energie juist zijn overgenomen;

    • dat een beperkte mate van zekerheid is verkregen dat uit de massabalansen volgt dat de ingeboekte hernieuwbare energie niet opnieuw als duurzaam is verkocht;

    • een totaal oordeel waaruit blijkt of met voldoende mate van zekerheid de juistheid van de data en informatie over de aard, herkomst en hoeveelheid van de ingeboekte biobrandstoffen, de mogelijke dubbeltelling hiervan en de bijbehorende duurzaamheidskenmerken van de betreffende partij ingeboekte hernieuwbare energie kan worden vastgesteld;

    • een aanduiding van de inboekingen waarvoor de verklaring niet geldt.

  • 6.

    Een inboekverificatie wordt afgerond door het verstrekken van een inboekverificatieverklaring en het plaatsen van een aantekening in het register door de inboekverificateur voor de inboekingen, met uitzondering van die inboekingen waarvoor de inboekverificatieverklaring niet geldt.

  • 7.

    Zowel de inboeker als de inboekverificateur houden een deugdelijke administratie bij van de inboekverificatie en het inboekverificatieproces.

B – Inboekverificatie bij een leverancier van elektriciteit aan wegvoertuigen in Nederland

De inboekverificateur levert ten behoeve van de inboekverificatie een onafhankelijk oordeel dat gericht is op het verschaffen van een voldoende mate van zekerheid met betrekking tot de juistheid van de data en informatie over de hoeveelheid van de ingeboekte elektriciteit die de inboeker heeft vermeld in het register voor. De inboek verificatie vindt plaats op basis van een verificatieplan dat de materialiteitsgrens genoemd in artikel 4.7 van het besluit hanteert met betrekking tot het ontdekken van kwantitatieve en kwalitatieve afwijkingen die van materieel belang zijn.

De inboekverificateur maakt gebruik van de standaard auditingprocessen zoals document review, interviews, observaties en het toetsen van data en informatie van externe informatiebronnen. Het doel is om voldoende relevante bewijzen te verzamelen en te documenteren om tot een verificatieverklaring te kunnen komen.

Van belang zijn twee elementen.

Ten eerste de systeemverificatie ofwel de beoordeling van de administratieve organisatie. Hierbij zijn van belang:

  • controle van het systeem van inzamelen van de standen van de telwerken van de aan de elektriciteitsaansluiting gekopppelde bemeterde leverpunten;

  • de wijze waarop afrekening met de leverancier van elektriciteit plaatsvindt en de borging dat de hoeveelheid geleverd aan wegvoertuigen in Nederland niet meer is dan de in dezelfde periode ingekochte hoeveelheid elektriciteit;

  • de wijze waarop is geborgd dat geen andere leveringen dan aan wegvoertuigen in Nederland worden meegeteld;

  • controle van de interne beheersmaatregelen of -systemen van de inboeker;

  • de kalibratie en onderhoud van relevante meters en het juist omrekenen van factoren bij verschillende eenheden (indien van toepassing);

  • de wijze waarop de gegevens vanuit de administratie in het register worden vermeld.

Ten tweede de dataverificatie die bestaat uit kritische deelwaarnemingen van de gerapporteerde gegevens op basis van het verificatieplan om te komen tot een voldoende mate van zekerheid van de hoeveelheden ingeboekte elektriciteit en voor de juiste overname van de duurzaamheidkenmerken in het register.

  • 1.

    Met betrekking tot de totstandkoming van de inboekingverificatieverklaring is de inboekverificateur bekend met de administratieve processen van de inboeker. De inboekverificateur bezoekt daarom in ieder geval de hoofdlocatie waar de administratieve processen worden gedocumenteerd.

  • 2.

    Met betrekking tot de aard van de elektriciteit wordt de energie-inhoud vermeld overeenkomstig artikel 1.2.

  • 3.

    Met betrekking tot de hoeveelheid elektriciteit heeft de verificatieverklaring betrekking op:

    • een hoeveelheid elektriciteit in kWh die in het betreffende kalenderjaar is geleverd aan wegvoertuigen in Nederland;

    • op een hoeveelheid elektriciteit in kWh die op grond van artikel 9.7.4.1 van de wet is ingeboekt in het register.

  • 4.

    De inboekverificatieverklaring geeft een risicoanalyse die is gebaseerd op een onderzoek dat ten minste de volgende onderdelen omvat:

    • controle van de in- en verkoopadministratie en financiële administratie;

    • beoordeling van de administratieve organisatie en de interne controle;

    • interviews met betrokken werknemers bij de rapportage van hernieuwbare energie.

  • 5.

    Een inboekverificatieverklaring vermeldt:

    • de kenmerken van de opdrachtgever inclusief het rekeningnummer in het register van de opdrachtgever;

    • de kenmerken van de hoeveelheid ingeboekte elektriciteit inclusief rekeningnummer van de inboeker in het register;

    • een beschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden (inclusief geraadpleegde registers zoals EDSN en CIR);

    • dat een voldoende mate van zekerheid is verkregen dat de hoeveelheid ingeboekte elektriciteit in het register in de juiste eenheden en periodes, geen onjuistheden van materieel belang bevat;

    • een totaal oordeel waaruit blijkt of met voldoende mate van zekerheid de juistheid van de data en informatie over de aard, herkomst en hoeveelheid van de ingeboekte elektriciteit kan worden vastgesteld.

    • en aanduiding van de inboekingen waarvoor de verklaring niet geldt.

  • 6.

    Een inboekverificatie wordt afgerond door het verstrekken van een inboekverificatieverklaring en het plaatsen van een aantekening in het register door de inboekverificateur voor de inboekingen, met uitzondering van die inboekingen waarvoor de inboekverificatieverklaring niet geldt.

  • 7.

    Zowel de inboeker als de inboekverificateur houden een deugdelijke administratie bij van de inboekverificatie en het inboekverificatieproces.

C – Inboekverificatie bij een leverancier van gasvormige biobrandstof aan vervoer in Nederland

De inboekverificateur levert ten behoeve van de inboekverificatie een onafhankelijk oordeel dat gericht is op het verschaffen van een voldoende mate van zekerheid met betrekking tot de juistheid van de data en informatie over de aard, herkomst en hoeveelheid van de ingeboekte gasvormige biobrandstof, de mogelijke dubbeltelling hiervan en de bijbehorende duurzaamheidskenmerken die de inboeker heeft vermeld in het register. De inboekverificatie vindt plaats op basis van een verificatieplan dat de materialiteitsgrens, genoemd in artikel 4.7 van het besluit, hanteert met betrekking tot het ontdekken van kwantitatieve en kwalitatieve afwijkingen die van materieel belang zijn.

De inboekverificateur maakt gebruik van de standaard auditingprocessen zoals document review, interviews, observaties en het toetsen van data en informatie van externe informatiebronnen. Het doel is om voldoende relevante bewijzen te verzamelen en te documenteren om tot een inboekverificatieverklaring te kunnen komen.

Van belang zijn twee elementen.

Ten eerste de systeemverificatie ofwel de beoordeling van de administratieve organisatie. Hierbij zijn van belang:

  • beoordeling van procedures met betrekking tot de meteropname (inventarisatie), met name rondom de metingen rond de jaarwisseling;

  • controle van de interne beheersmaatregelen of -systemen van de inboeker.

  • het systeem voor het overnemen van de juiste duurzaamheidskenmerken van de garanties van oorsprong;

  • de kalibratie en onderhoud van relevante meters en het juist omrekenen van factoren bij verschillende eenheden (indien van toepassing);

  • de wijze waarop dubbeltellende biobrandstoffen zijn gedocumenteerd, en van de juiste verklaringen en duurzaamheidsbewijzen zijn voorzien.

Ten tweede de dataverificatie die bestaat uit kritische deelwaarnemingen van de gerapporteerde gegevens op basis van het verificatieplan om te komen tot een voldoende mate van zekerheid van de ingeboekte hoeveelheden gasvormige biobrandstof en voor de juiste overname van de duurzaamheidkenmerken en milieukenmerken in het register.

  • 1.

    Met betrekking tot de totstandkoming van de inboekingverificatieverklaring is de inboekverificateur bekend met de administratieve processen van de inboeker en de relevante fysieke situaties op de locaties die onder het duurzaamheidssysteem zijn gecertificeerd.

    De inboekverificateur bezoekt daarom:

    • de locaties vanwaar gasvormige biobrandstof geleverd wordt aan het wegvoertuigen in Nederland ten minste eenmaal tijdens het initieel onderzoek.

    • de locaties vanwaar gasvormige biobrandstof geleverd wordt aan wegvoertuigen in ieder jaar waarin verklaringen worden uitgegeven als op die locaties een substantiële verandering is doorgevoerd. Dit op basis van een risico-analyse die de inboekverificateur maakt.

    • in ieder geval de hoofdlocatie waar de administratieve processen worden gedocumenteerd.

  • 2.

    Met betrekking tot de aard van de gasvormige biobrandstof wordt de energie-inhoud vermeld overeenkomstig artikel 1.2

  • 3.

    Met betrekking tot de hoeveelheid gasvormge biobrandstof heeft de inboekverificatieverklaring betrekking op:

    • een hoeveelheid gasvormige biobrandstof die in het betreffende kalenderjaar is geleverd aan wegverkeer in Nederland;

    • op een hoeveelheid gasvormige biobrandstof die op grond van artikel 9.7.4.1 van de wet is ingeboekt in het register.

  • 4.

    De inboekverificatieverklaring geeft een risicoanalyse die is gebaseerd op een onderzoek dat ten minste de volgende onderdelen omvat:

    • check of de garanties van oorsprong op moment van leveren zoals vermeld bij de inboeking in het register, nog de status ‘actief’ bezitten en op de rekening van de NEa zijn bijgeboekt;

    • controle van de afleveradministratie, de inkoopadministratie en de financiële administratie;

    • controle van eerdere verklaringen afgegeven door een dubbeltellingverificateur of verificateur hernieuwbare brandstof;

    • beoordeling van de administratieve organisatie en de interne controle;

    • interviews met betrokken werknemers bij de rapportage van hernieuwbare energie;

    • locatiebezoeken, waarbij met name de primaire gasmeters en de aflevermeters worden gecontroleerd.

  • 5.

    Een inboekverificatieverklaring vermeldt:

    • de kenmerken van de opdrachtgever inclusief het rekeningnummer in het register van de opdrachtgever;

    • de kenmerken van de ingeboekte hoeveelheid gasvormige biobrandstof inclusief rekeningnummer in het register van de inboeker;

    • een beschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden (inclusief bezochte locaties);

    • dat een voldoende mate van zekerheid is verkregen dat de ingeboekte hoeveelheidgasvormige biobrandstof in de juiste eenheden, opgedeeld in soorten zoals gegeven in bijlage III bij de richtlijn hernieuwbare energie, en opgesplitst in enkel- en dubbeltellend geen onjuistheden van materieel belang bevat;

    • dat een redelijke mate van zekerheid is verkregen dat de duurzaamheidskenmerken behorende bij de gasvormige biobrandstof juist zijn overgenomen;

    • dat een beperkte mate van zekerheid is verkregen dat uit de massabalans volgt dat de ingeboekte gasvormige biobrandstof niet opnieuw als duurzaam is verkocht;

    • een totaal oordeel waaruit blijkt of met voldoende mate van zekerheid de juistheid van de data en informatie over de aard, herkomst en hoeveelheid van de ingeboekte gasvormige biobrandstof, de mogelijke dubbeltelling hiervan en de bijbehorende duurzaamheidskenmerken van de ingeboekte gasvormige biobrandstof kan worden vastgesteld;

    • een aanduiding van de inboekingen waarvoor de verklaring niet geldt.

  • 6.

    Een inboekverificatie wordt afgerond door het verstrekken van een inboekverificatieverklaring en het plaatsen van een aantekening in het register door de inboekverificateur voor de inboekingen, met uitzondering van die inboekingen waarvoor de inboekverificatieverklaring niet geldt.

  • 7.

    Zowel de inboeker als de inboekverificateur houden een deugdelijke administratie bij van de inboekverificatie en het inboekverificatieproces.