Wet van 17 december 2014 tot wijziging van de Wet op de bedrijfsorganisatie en andere wetten in verband met de opheffing van de bedrijfslichamen (Wet opheffing bedrijfslichamen)

Wet opheffing bedrijfslichamen

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, met inachtneming van artikel 134, eerste lid, van de Grondwet, dat het wenselijk is de bedrijfslichamen op te heffen en taken van de bedrijfslichamen te beleggen bij de centrale overheid;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk

1

Begripsbepalingen

Hoofdstuk

2

Wijziging van de Wet op de bedrijfsorganisatie

Artikel

II

Wijzigt de Wet op de bedrijfsorganisatie.

Hoofdstuk

3

Wijziging en intrekking van diverse andere wetten in verband met de opheffing van de product- en bedrijfschappen

§

1

Ministerie van Algemene Zaken

Artikel

III

Wijzigt de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden.

Artikel

IV

Wijzigt de Noodwet voedselvoorziening.

§

2

Ministerie van Buitenlandse Zaken

Artikel

V

Wijzigt de Sanctiewet 1977.

§

3

Ministerie van Veiligheid en Justitie

Artikel

VI

Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel

VII

Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie.

Artikel

VIII

Wijzigt de Wet op de economische delicten.

Artikel

IX

Wijzigt de Wet op de kansspelen.

Artikel

XI

Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

§

4

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Artikel

XII

Wijzigt de Ambtenarenwet.

Artikel

XIII

Wijzigt de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector.

§

5

Ministerie van Financiën

Artikel

XIV

Wijzigt de Algemene douanewet.

Artikel

XV

Wijzigt de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Artikel

XVI

Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.

§

6

Ministerie van Infrastructuur en Milieu

Artikel

XVII

Wijzigt de Loodsenwet.

Artikel

XVIII

Wijzigt de Waterschapswet.

Artikel

XIX

Wijzigt de Wet milieubeheer.

§

7

Ministerie van Economische Zaken

Artikel

XX

Wijzigt de Boswet.

Artikel

XXI

Wijzigt de Dienstenwet.

Artikel

XXII

Wijzigt de Flora- en faunawet.

Artikel

XXIII

Wijzigt de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

Artikel

XXIV

Wijzigt de Landbouwkwaliteitswet.

Artikel

XXV

Wijzigt de Landbouwwet.

Artikel

XXVa

Wijzigt de Meststoffenwet.

Artikel

XXVI

Wijzigt de Plantenziektenwet.

Artikel

XXVII

Wijzigt de Visserijwet 1963.

Artikel

XXVIII

Wijzigt de Wet dieren.

Artikel

XXIX

Wijzigt de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

Artikel

XXX

Wijzigt de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005.

§

8

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Artikel

XXXI

Wijzigt de Arbeidstijdenwet.

Artikel

XXXII

Wijzigt de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.

Artikel

XXXIII

Wijzigt de Wet op de ondernemingsraden.

§

9

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Artikel

XXXV

Wijzigt de Warenwet.

Artikel

XXXVI

Wijzigt de Wet op de medische keuringen.

Hoofdstuk

4

Vereffening

§

1

Algemene bepalingen

Artikel

XXXVII

Artikel

XXXVIII

Artikel

XXXIX

Artikel

XL

De kosten van de vereffening van het vermogen van een bedrijfslichaam komen ten laste van het vermogen van het desbetreffende bedrijfslichaam.

Artikel

XLI

Artikel

XLII

§

2

Verloop van de vereffening

Artikel

XLIII

Artikel

XLIV

Terstond na de in artikel XLIII bedoelde vaststelling van de rekening der inkomsten en uitgaven stelt Onze Minister een boedelbeschrijving op van het desbetreffende bedrijfslichaam. Onze Minister legt de boedelbeschrijving ter inzage op het Ministerie van Economische Zaken en doet daarvan mededeling in de Staatscourant.

Artikel

XLV

Artikel

XLVI

Artikel

XLVII

Indien na de beëindiging van de vereffening van het vermogen van een bedrijfslichaam een batig saldo resteert, draagt Onze Minister er zorg voor dat het saldo een bestemming krijgt die ten nutte komt van het deel van het bedrijfsleven dat betrokken was bij het desbetreffende bedrijfslichaam.

Hoofdstuk

5

Overgangsrecht

Artikel

XLVIII

Artikel

XLIX

Artikel

L

Indien door een bedrijfslichaam voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel D, van deze wet een beschikking tot subsidieverlening is gegeven en voor de desbetreffende subsidie nog geen beschikking tot subsidievaststelling is gegeven, is Onze Minister bevoegd de beschikking tot subsidievaststelling te geven.

Artikel

LI

Dwangsommen als bedoeld in artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht, waarvoor Onze Minister binnen zes weken na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel D, van deze wet een ingebrekestelling ontvangt, komen ten laste van het vermogen van het bedrijfslichaam indien op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel D, van deze wet de beschikking door het bedrijfslichaam niet tijdig was gegeven en het verbeuren van de dwangsom aan het bedrijfslichaam te wijten is.

Artikel

LIII

De artikelen 126, zevende lid, 128, 133 en 134 van de Wet op de bedrijfsorganisatie zoals die luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel D, van deze wet blijven van toepassing op door de bedrijfslichamen voorafgaand aan dat tijdstip vastgestelde verordeningen met betrekking tot het vaststellen en opleggen van heffingen.

Artikel

LIV

In artikel XVIII wordt tot 1 januari 2018 voor «benoemd door de daartoe bij reglement aangewezen organisaties» gelezen: benoemd door de daartoe bij reglement aangewezen organisaties of, voor zover daarin bij reglement nog niet is voorzien, een door Onze Minister aangewezen organisatie.

Hoofdstuk

6

Samenloop- en slotbepalingen

Artikel

LV

Artikel

LVI

Wijzigt deze wet.

Artikel

LVII

Wijzigt de Wet natuurbescherming.

Artikel

LVIII

Wijzigt de Waterschapswet.

Artikel

LVIIIa

Onze Minister van Economische Zaken zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van artikel II, onderdeel D, van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel

LIX

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel

LX

Deze wet wordt aangehaald als: Wet opheffing bedrijfslichamen.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te

Wassenaar
Willem-Alexander
De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp
De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten