Besluit van 16 april 2015 tot uitvoering van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs)
Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 oktober 2014, nr. 2014-0000153118, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Financiën;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 november 2014, No.WI 2.14.0377/111);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 april 2015; 2015-0000091270, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Financiën,
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk
1
Begrippen
Artikel
1:1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Onder loonkosten, bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel b, van de wet, wordt verstaan het loon, dat diegene die de arbeidskracht ter beschikking stelt aan de arbeidskracht betaalt voor de werkzaamheden verricht tijdens de terbeschikkingstelling, verminderd met vakantiebijslag die als loon is uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd arbeidsvoorwaardenbedrag, en vermeerderd met:
a.
de opbouw van de vakantiebijslag;
b.
de opbouw van het arbeidsvoorwaardenbedrag;
c.
de opbouw van vakantiedagen;
d.
premies werknemersverzekeringen ten laste komend van de werkgever;
de pensioenpremies ten laste komend van de werkgever;
g.
reis- en overige onkostenvergoedingen; en
h.
een kostenvergoeding van maximaal 5% van bovenstaande brutoloonkosten voor de werkzaamheden die verbonden zijn aan het optreden als uitlener.
2
Indien collegiale uitleen plaatsvindt door tussenkomst van een bij collectieve arbeidsovereenkomst aangewezen rechtspersoon of onderneming zonder winstoogmerk, die collegiale uitleen faciliteert, kunnen de loonkosten per arbeidskracht berekend worden op basis van de gemiddelde loonkosten per tijdseenheid voor de functiegroep waartoe die arbeidskracht behoort.
Hoofdstuk
1a
Bepalingen ten aanzien van arbeidskrachten die in het kader van payrolling ter beschikking zijn gesteld
Artikel
1a:1
Adequate pensioenregeling voor arbeidskrachten die in het kader van payrolling ter beschikking zijn gesteld
1
In aanvulling op artikel 8a, vijfde lid, van de wet is er eveneens sprake van een adequate pensioenregeling als bedoeld in artikel 8a, vierde lid, van de wet, indien voor de arbeidskracht die in het kader van payrolling ter beschikking is gesteld een basispensioenregeling geldt:
a.
die ten minste voorziet in ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;
waarbij de totale werkgeverspremie, bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet, ten minste 14,6% per 1 januari 2026: 15,2%.bedraagt van de som van de pensioengrondslag van de arbeidskrachten die door de onderneming in het kader van payrolling ter beschikking worden gesteld en die op grond van artikel 8a, vierde lid, van de wet recht hebben op een pensioenregeling.
Bij de toepassing van het tweede lid wordt geen rekening gehouden met specifieke bepalingen over demotie, ziekte en arbeidsongeschiktheid.
4
Het percentage, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, wordt per 1 januari van elk kalenderjaar bij ministeriële regeling aangepast aan de hand van de ontwikkeling van de gemiddelde werkgeverspremie die wordt afgedragen voor Nederlandse basispensioenregelingen.
5
Indien het voldoen aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, ertoe leidt dat de basispensioenregeling niet blijft binnen de bij of krachtens de hoofdstukken IIB en VIII van de Wet op de loonbelasting 1964 gestelde begrenzingen, kan in afwijking van het eerste lid, onderdeel c, worden volstaan met de maximale werkgeverspremie die is toegestaan om binnen de voornoemde begrenzingen te blijven voor alle arbeidskrachten waar de pensioenregeling voor geldt.
6
De beoordeling of aan het eerste lid, onderdeel c, of het vijfde lid, wordt voldaan, wordt vastgesteld bij het sluiten van de pensioenovereenkomst en de uitvoeringsovereenkomst door degene die de arbeidskracht ter beschikking stelt en de pensioenuitvoerder, en op basis van het eerste tijdvak van het kalenderjaar waarover de premie verschuldigd is, met dien verstande dat dit tijdvak niet langer dan een kwartaal mag zijn.
Artikel
1a:2
Afwijken van het payrollregime voor mensen met een arbeidsbeperking
Bij collectieve arbeidsovereenkomst kan worden afgeweken van artikel 8a van de wet ten aanzien van de arbeidskracht die:
de netto-omzet en overige bedrijfsopbrengsten, zoals opgenomen in een de door een accountant gecontroleerde jaarrekening, indien op de rechtspersoon Afdeling 9 van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, dan wel indien de rechtspersoon of onderneming vrijwillig over een door een accountant gecontroleerde jaarrekening beschikt; of
b.
de omzet, met uitzondering van de omzet privégebruik en de omzet installatie- en afstandsverkopen, zoals opgenomen in de aangifte van de omzetbelasting, indien het bepaalde onder a niet op de onderneming of rechtspersoon van toepassing is.
4
De volgende gegevens worden bij de aanvraag tot verlening van een ontheffing en vervolgens vanaf het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de ontheffing is aangevraagd jaarlijks voor 1 november aan Onze Minister verstrekt:
a.
een verklaring dat de rechtspersoon of onderneming over een periode van twaalf maanden telkens loon heeft uitbetaald;
de omzet van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, zoals opgenomen in de administratie van de rechtspersoon of onderneming;
e.
het percentage van de omzet van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, bedoeld in onderdeel b, van de totale omzet, bedoeld in onderdeel a; en
f.
een beoordelingsverklaring van een accountant betreffende de gegevens, bedoeld in de onderdelen a tot en met e.
5
De gegevens, bedoeld in het vierde lid, met uitzondering van onderdeel b, hebben betrekking op het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de ontheffing is aangevraagd dan wel voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de jaarlijkse gegevensverstrekking plaatsvindt.
6
Voor de behandeling van een aanvraag tot ontheffing en het in stand houden van de ontheffing is de aanvrager een vergoeding verschuldigd aan Onze Minister.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het tweede tot en met zesde lid. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op:
a.
de inrichting en de uitvoering van de beoordeling door de accountant van de gegevens, bedoeld in het vijfde lid;
b.
de maximale hoogte van de vergoeding die de rechtspersoon of onderneming voor de behandeling van een aanvraag om een ontheffing en het behouden van de ontheffing verschuldigd is aan Onze Minister.
Onze Minister kan de geldigheidsduur van de tijdens die aanvraag geldende toelating of voorlopige toelating ambtshalve verlengen, indien Onze Minister niet in staat is om tijdig een besluit te nemen op een opvolgende aanvraag tot verlening van een toelating door redenen die de aanvrager niet te verwijten zijn.
3
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in dit artikel.
Artikel
1b:4
Schorsen van de toelating
Het besluit tot schorsing treedt niet in werking indien de toegelaten uitlener in de periode van uiterlijk vier weken, bedoeld in artikel 12n, eerste lid, van de wet, de overtreding naar het oordeel van Onze Minister heeft hersteld.
Artikel
1b:5
Bezwaar
Het bezwaar tegen een besluit van Onze Minister inzake het niet verlenen, schorsen of intrekken van een toelating of voorlopige toelating kan niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het bezwaar is gericht tegen de feitelijke bevindingen uit het rapport naleving normenkader, bedoeld in artikel 12r, eerste lid, van de wet, van de inspectie-instelling en een geschil daarover kan worden voorgelegd aan de inspectie-instelling of de weg daarvoor heeft opengestaan doch de indiener van het bezwaar van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt.
aantoonbaar arbeidskrachten ter beschikking heeft gesteld; en
c.
arbeidskrachten, de Nederlandse Arbeidsinspectie of de Belastingdienst geen aanvraag, als bedoeld in artikel 1b:7, eerste lid, voor het nemen van verhaal op de financiële zekerheid hebben ingediend.
3
Indien de toegelaten uitlener binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, het ter beschikking stellen van arbeidskrachten rechtmatig beëindigt, kan Onze Minister de waarborgsom vanaf 26 weken na die beëindiging op aanvraag restitueren, met dien verstande dat, indien een aanvraag tot het nemen van verhaal op de financiële zekerheid is ontvangen, de termijn, bedoeld in artikel 1b:7, negende lid, is verstreken.
Een aanvraag voor het nemen van verhaal op de financiële zekerheid kan slechts worden toegewezen indien het te ontvangen bedrag ten minste € 50,– bedraagt en de toegelaten uitlener:
a.
failliet is verklaard;
b.
is beëindigd; of
c.
onvindbaar is en er naar het oordeel van Onze Minister redelijkerwijs geen andere mogelijkheden zijn voor verhaal van die vorderingen.
4
Een vordering, bedoeld in het tweede lid, gaat geheel of ten dele over op Onze Minister, voor zover de vordering geheel of ten dele uit de waarborgsom is betaald.
Een vordering van een arbeidskracht heeft voorrang op vorderingen van de Nederlandse Arbeidsinspectie en de Belastingdienst. Een vordering van de Nederlandse Arbeidsinspectie heeft voorrang op een vordering van de Belastingdienst.
7
Indien de vorderingen van arbeidskrachten gezamenlijk meer bedragen dan het bedrag waarvoor de toegelaten uitlener financiële zekerheid heeft gesteld, wordt ten behoeve van het verhaal op de financiële zekerheid de hoogte van elk van die vorderingen gemaximeerd op een zodanig bedrag dat alle arbeidskrachten hetzelfde percentage van hun vordering ontvangen.
8
In het geval van faillissement van een toegelaten uitlener, is het bepaalde in het zesde en zevende lid van toepassing op aanvragen, als bedoeld in het eerste lid, die uiterlijk 26 weken na het faillissement door Onze Minister zijn ontvangen.
9
In het geval van beëindiging, anders dan faillissement, is het bepaalde in het zesde en zevende lid van toepassing op aanvragen, als bedoeld in het eerste lid, die uiterlijk 26 weken nadat Onze Minister de eerste aanvraag voor het nemen van verhaal op de financiële zekerheid in behandeling heeft genomen zijn ontvangen.
10
Het bedrag, genoemd in het derde lid, wordt per 1 januari van elk kalenderjaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Bedoelde indexering vindt voor het eerst plaats op 1 januari 2028.
Het normenkader kan naast eisen over de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen, bedoeld in artikel 12q, derde lid, van de wet, uitsluitend bestaan uit eisen omtrent:
a.
de identificatie van de aanvrager onderscheidenlijk de toegelaten uitlener;
b.
de vaststelling door de aanvrager onderscheidenlijk de toegelaten uitlener van de identificatie van de ter beschikking gestelde arbeidskracht en het gerechtigd zijn tot het verrichten van arbeid in Nederland;
c.
het verstrekken van inlichtingen en documenten aan de inspectie-instelling;
d.
de loonadministratie;
e.
de afspraken die worden opgenomen in de arbeidsovereenkomst en de taal waarin die overeenkomst beschikbaar wordt gesteld;
f.
de wijze waarop de loonstrook en arbeidsovereenkomst beschikbaar worden gesteld;
g.
de financiële administratie;
h.
de verbandlegging van gewerkte uren;
i.
het gebruik van een geblokkeerde rekening;
j.
het doorlenen van arbeidskrachten;
k.
veiligheid op de werkplek.
3
In het normenkader wordt onderscheid gemaakt naar de ernst van de overtredingen van de eisen, bedoeld in het tweede lid.
§
1b.3
Inspectie-instellingen
Artikel
1b:9
Aanwijzing van inspectie-instellingen
1
Als inspectie-instelling kan worden aangewezen de instelling die voldoet aan de volgende voorwaarden:
a.
zij heeft rechtspersoonlijkheid;
b.
zij is door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd;
c.
zij en haar personeel zijn onafhankelijk van de te beoordelen en beoordeelde organisaties, personen of diensten;
d.
zij en haar intern en extern personeel beschikken over voldoende kennis, deskundigheid en toerusting om de inspecties adequaat en conform het inspectieschema te kunnen uitvoeren;
e.
indien er sprake is van uitbesteding aan of raadpleging van extern personeel wordt dit naar behoren gedocumenteerd en geschiedt dit bij schriftelijke overeenkomst waarin onder meer de vertrouwelijkheid en belangenconflicten worden geregeld;
f.
zij beschikt over een behoorlijke administratie waarin de gegevens die samenhangen met en betrekking hebben op de uitvoering van de bij of krachtens de wet aan haar toegekende taken, op een systematische wijze zijn vastgelegd;
g.
zij waarborgt de geheimhouding van informatie die tijdens de uitvoering van de inspectieactiviteiten wordt verkregen en heeft daartoe geheimhoudingsverplichtingen opgenomen in alle contracten met door haar ingezet personeel;
h.
zij draagt er zorg voor dat de activiteiten van verbonden ondernemingen, onderaannemers, bestuurders en feitelijk leidinggevenden geen afbreuk doen aan de vertrouwelijkheid, integriteit, objectiviteit of onpartijdigheid van de inspectiewerkzaamheden met betrekking tot de wet;
i.
de beloning van haar intern en extern personeel hangt niet af van de resultaten van de uitgevoerde controles;
j.
de beloning van haar intern personeel hangt niet af van de hoeveelheid of duur van de uitgevoerde controles;
k.
zij sluit een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering af; en
l.
zij beschikt over een klachtenprocedure ten behoeve van de behandeling van klachten over de door de instelling aangeboden dienstverlening.
2
Voor de behandeling van een aanvraag tot aanwijzing en het in stand houden van de aanwijzing is de aanvrager een vergoeding verschuldigd aan Onze Minister.
3
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in dit artikel.
Artikel
1b:10
Weigering, schorsing, wijziging of intrekking van een aanwijzing
1
De aanvraag tot verlening van een aanwijzing wordt geweigerd indien de aanvrager niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens artikel 1b:9, eerste lid.
2
Een aanwijzing van een inspectie-instelling kan worden geschorst of worden ingetrokken:
a.
op grond van door de inspectie-instelling verstrekte onjuiste inlichtingen over feiten of omstandigheden, mits de onjuistheid daarvan de inspectie-instelling bekend was of kon zijn en Onze Minister de inspectie-instelling op grond van de juiste inlichtingen niet zou hebben verleend of in stand zou hebben gelaten;
b.
indien de inspectie-instelling de inspecties niet conform het inspectieschema uitvoert;
c.
indien de inspectie-instelling niet deel neemt aan overleggen ten behoeve van kennisuitwisseling en harmonisatie tussen inspectie-instellingen;
d.
indien de inspectie-instelling de afspraken over de uit te voeren controles die zijn gemaakt in de overleggen, bedoeld onder c, niet verwerkt in werkinstructies; of
e.
indien de inspectie-instelling niet langer voldoet aan de bij of krachtens artikel 1b:9 gestelde eisen.
§
1b.4
Openbaar register
Artikel
1b:11
In het register op te nemen gegevens
1
In het openbaar register, genoemd in artikel 12v, van de wet, neemt Onze Minister de volgende gegevens op:
a.
met betrekking tot de rechtspersoon of onderneming die met een ontheffing, toelating, voorlopige toelating of ingevolge het overgangsrecht, bedoeld in artikel 23b, eerste lid, van de wet, arbeidskrachten ter beschikking stelt dan wel tot de rechtspersoon of onderneming die een aanvraag tot verlening van een ontheffing, toelating of een voorlopige toelating heeft ingediend:
1°.
naam en adresgegevens van de onderneming of rechtspersoon;
met betrekking tot de rechtspersoon of onderneming die een aanvraag tot verlening van een ontheffing of toelating heeft ingediend: of er sprake is van een bekendmaking van een besluit tot weigering van de toelating of ontheffing en de datum waarop dat besluit in werking treedt;
c.
met betrekking tot de ontheffing van de rechtspersoon of onderneming:
1°.
de ingangsdatum van de ontheffing;
2°.
of er sprake is van een bekendmaking van een besluit tot intrekking van de ontheffing en de datum waarop de intrekking in werking treedt;
d.
met betrekking tot de rechtspersoon of onderneming die met een toelating, voorlopige toelating of ingevolge het overgangsrecht, bedoeld in artikel 23b, eerste lid, van de wet, arbeidskrachten ter beschikking stelt:
1°.
of er sprake is van een voorlopige toelating;
2°.
de ingangsdatum en verwachte einddatum van de toelating of voorlopige toelating;
3°.
of er sprake is van een bekendmaking van een besluit tot schorsing of intrekking van de toelating of voorlopige toelating en de datum waarop de schorsing of intrekking in werking treedt;
met betrekking tot de rechtspersoon of onderneming die ingevolge het overgangsrecht, bedoeld in artikel 23b, eerste lid, van de wet, arbeidskrachten ter beschikking stelt: het gegeven dat de onderneming of rechtspersoon op grond van overgangsrecht zonder toelating, voorlopige toelating dan wel ontheffing arbeidskrachten ter beschikking mag stellen;
f.
met betrekking tot de financiële zekerheid:
1°.
de hoogte van de waarborgsom;
2°.
de verwachte einddatum waarop de verplichting komt te vervallen;
of er sprake is van een bekendmaking van een besluit tot schorsing of intrekking van de aanwijzing en de datum waarop de schorsing of intrekking in werking treedt.
2
Het openbaar register heeft de vorm van een elektronische databank.
Artikel
1b:12
Aanpassing, verwijdering en bewaartermijn
1
De in artikel 1b:11, eerste lid, bedoelde gegevens worden indien noodzakelijk door Onze Minister, ambtshalve dan wel op verzoek van de rechtspersoon of onderneming dan wel inspectie-instelling, aangepast.
2
Onze Minister verwijdert de in het openbaar register opgenomen gegevens van de rechtspersoon of onderneming definitief, met uitzondering van de in artikel 1b:11, eerste lid, onderdeel f, bedoelde gegevens over de financiële zekerheid:
a.
nadat een besluit tot intrekking van de ontheffing in werking is getreden;
b.
nadat een besluit tot weigering van de toelating in werking is getreden;
c.
na de einddatum van de toelating of voorlopige toelating;
d.
nadat een besluit tot schorsing van de toelating of voorlopige toelating in werking is getreden; en
e.
nadat een besluit tot intrekking van de toelating of voorlopige toelating in werking is getreden.
3
Onze Minister verwijdert de in het openbaar register opgenomen gegevens van een inspectie-instelling definitief:
a.
nadat een besluit tot schorsing van de aanwijzing in werking is getreden;
b.
nadat een besluit tot intrekking van de aanwijzing in werking is getreden.
4
Na het verwijderen van de in het openbaar register opgenomen gegevens bewaart Onze Minister de gegevens maximaal vijf jaar.
5
Een ieder kan zich inschrijven op attenderingen over een in het openbaar register opgenomen rechtspersoon of onderneming dan wel inspectie-instelling.
6
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in dit artikel.
Een rechtspersoon of onderneming maakt voor het verzenden en ontvangen gebruik van een geldige eHerkenning op basis van minimaal betrouwbaarheidsniveau 3 en een Berichtenbox voor bedrijven.
3
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het bepaalde in dit artikel.
Hoofdstuk
2
Gegevensuitwisseling
§
2.1
Gegevensverstrekking ten behoeve van de uitvoering van het toelatingsstelsel
Artikel
2:1
Gegevensverstrekking door de Nederlandse Arbeidsinspectie
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, betreffen:
a.
het aantal overtredingen van het bepaalde bij of krachtens een wet als bedoeld in het eerste lid de omschrijving van iedere overtreding en de datum waarop die is geconstateerd, uitsluitend voor zover deze gegevens zijn gebaseerd op een beschikking tot het opleggen van de bestuursrechtelijke sanctie dan wel een rapport als bedoeld artikel 5:48 van de Algemene wet bestuursrecht, waarop de bestuursrechtelijke sanctie is of wordt gebaseerd;
b.
de datum van dagtekening van de beschikking dan wel het rapport;
c.
indien van toepassing, informatie over de voortgang van bezwaar- en beroepsprocedures over de bestuursrechtelijke sanctie;
d.
indien de overtreding aan een of meer natuurlijke personen werkzaam bij de rechtspersoon of onderneming wordt toegerekend, hun burgerservicenummer.
3
De Nederlandse Arbeidsinspectie verstrekt de gegevens, bedoeld in dit artikel, op verzoek van Onze Minister en kan de inlichtingen uit eigen beweging verstrekken.
Artikel
2:2
Gegevensverstrekking door de Belastingdienst
1
Voor zover noodzakelijk voor de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3a van de wet, verstrekt de Belastingdienst aan Onze Minister op diens verzoek over een rechtspersoon of onderneming gegevens over:
a.
de indicatie of de rechtspersoon of onderneming in hoedanigheid van belastingplichtige voor de omzetbelasting of als inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 dan wel als werkgever in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen optreedt;
b.
het doen van aangifte voor de omzetbelasting, de loonbelasting, de premie voor de volksverzekeringen, de premies voor de werknemersverzekeringen of de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet;
c.
de betaling van de op aangifte verschuldigde omzetbelasting, loonbelasting, premie voor de volksverzekeringen, premies voor de werknemersverzekeringen of inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet;
d.
de betaling van naheffingsaanslagen omzetbelasting, loonbelasting, premie voor de volksverzekeringen, premies voor de werknemersverzekeringen of inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet; en
De gegevens over een boete, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, betreffen:
a.
het aantal verzuimen of vergrijpen, de omschrijving van ieder verzuim of vergrijp en de datum waarop dat is geconstateerd, uitsluitend voor zover deze gegevens zijn gebaseerd op een beschikking tot het opleggen van de boete dan wel een rapport als bedoeld artikel 5:48 van de Algemene wet bestuursrecht, waarop de boete is of wordt gebaseerd;
b.
de datum van dagtekening van de beschikking dan wel het rapport;
c.
indien van toepassing, informatie over bezwaar- en beroepsprocedures over een boete; en
d.
indien het verzuim of vergrijp aan een of meer natuurlijke personen werkzaam bij de rechtspersoon of onderneming wordt toegerekend, hun burgerservicenummer.
3
De door de Belastingdienst verstrekte gegevens zijn de gegevens zoals die in onder diens verantwoordelijkheid gevoerde administraties bekend zijn op het moment waarop die gegevens aan Onze Minister worden verstrekt.
Artikel
2:3
Gegevensverstrekking door de Sociale verzekeringsbank
1
De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden verstrekt voor zover noodzakelijk voor de uitoefening van de bevoegdheden van Onze Minister, bedoeld in paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3a van de wet.
2
Onze Minister levert aan de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen een afschrift van de rechtspersoon of onderneming behorende verklaringen toepasselijke wetgeving als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU 2009, L 284) waarvan wordt vermoed dat deze verklaringen onterecht zijn afgegeven, onjuist zijn of zijn vervalst, het referentienummer van de verklaringen en de motivering van het vermoeden.
3
De Sociale verzekeringsbank verstrekt onverwijld aan de hand van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, het gegeven of de verklaring terecht of onterecht is afgegeven, juist dan wel onjuist is of dat er sprake is van een vervalste verklaring en de motivering van dat gegeven.
Artikel
2:4
Gegevensverstrekking door gemeenten
1
Voor zover noodzakelijk voor de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in paragraaf 3 van hoofdstuk 3a van de wet, verstrekt het college van burgemeester en wethouders aan Onze Minister gegevens en inlichtingen die zijn verkregen bij het toezicht op en de handhaving van de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Huisvestingswet 2014 of de Wet goed verhuurderschap.
2
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, betreffen:
a.
het aantal overtredingen van het bepaalde bij of krachtens een wet als bedoeld in het eerste lid, de omschrijving van iedere overtreding en de datum waarop die is geconstateerd, uitsluitend voor zover deze gegevens zijn gebaseerd op een beschikking tot het opleggen van de bestuursrechtelijke sanctie dan wel een rapport als bedoeld in artikel 5:48 van de Algemene wet bestuursrecht, waarop de bestuursrechtelijke sanctie is of wordt gebaseerd;
b.
de datum van dagtekening van de beschikking dan wel het rapport;
c.
indien van toepassing, informatie over bezwaar- en beroepsprocedures over de bestuursrechtelijke sanctie;
d.
indien de overtreding aan een of meer natuurlijke personen werkzaam bij de rechtspersoon of onderneming wordt toegerekend, hun burgerservicenummer.
3
Het college verstrekt de gegevens en inlichtingen, bedoeld in dit artikel, op verzoek van Onze Minister en kan deze uit eigen beweging verstrekken.
Artikel
2:5
Gegevensverstrekking door inspectie-instellingen
In het geval gerede twijfel bestaat over de juistheid van de bevindingen van een rapport als bedoeld in artikel 12r, eerste lid, van de wet verstrekt de inspectie-instelling die het rapport heeft opgesteld op verzoek van Onze Minister onverwijld alle aan die bevindingen ten grondslag liggende gegevens en inlichtingen die zijn verkregen bij de totstandkoming van het rapport.
Artikel
2:6
Gegevensverstrekking door andere instanties
1
De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden verstrekt voor zover noodzakelijk voor de uitoefening van de bevoegdheden van Onze Minister, bedoeld in paragraaf 3 van hoofdstuk 3a van de wet.
2
Voor zover de gegevens niet in een openbaar register zijn opgenomen, verstrekt een instelling als bedoeld in artikel 12b, onderdeel b, van de wet aan Onze Minister gegevens over rechtspersonen of ondernemingen van wie het certificaat is geschorst of ingetrokken, waaronder zijn begrepen:
a.
het identificatienummer van de rechtspersoon of onderneming; en
b.
de datum waarop het certificaat is geschorst of ingetrokken en de duur van de schorsing.
3
Een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die door de organisaties van werkgevers en werknemers is belast of mede is belast met het toezicht op de naleving van collectieve arbeidsovereenkomsten verstrekt aan Onze Minister gegevens over rechtspersonen of ondernemingen die in gebreke zijn gesteld inzake het niet naleven van een of meer verplichtingen van een collectieve arbeidsovereenkomst met betrekking tot het loon van ter beschikking gestelde arbeidskrachten; waaronder zijn begrepen:
a.
de gronden waarop de ingebrekestelling is gebaseerd,
b.
de datum waarop het niet naleven van de verplichtingen van een collectieve arbeidsovereenkomst is geconstateerd; en
c.
de datum van dagtekening van de ingebrekestelling.
4
De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden op verzoek van Onze Minister verstrekt en kunnen uit eigen beweging worden verstrekt.
§
2.2
Gegevensverstrekking ten behoeve van het toezicht op de naleving
Artikel
2:7
Gegevensverstrekking aan de Nederlandse Arbeidsinspectie
1
Voor zover noodzakelijk voor het toezicht op en de handhaving van de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet worden aan de Nederlandse Arbeidsinspectie de volgende gegevens en inlichtingen over rechtspersonen of ondernemingen, verstrekt door:
a.
Onze Minister: gegevens en inlichtingen die zijn verkregen bij de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3a van de wet, alsmede gegevens die zijn verkregen bij het toezicht op en de handhaving van de naleving van de meewerkplicht, bedoeld in artikel 12u van de wet;
het college van burgemeester en wethouders: gegevens en inlichtingen die zijn verkregen bij het toezicht op en de handhaving van de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Huisvestingswet 2014 of de Wet goed verhuurderschap.
Op de verstrekking van gegevens door de Belastingdienst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is artikel 2:2, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
4
De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, gaan niet verder terug dan vier jaar voorafgaand aan de datum waarop de gegevens aan de Nederlandse Arbeidsinspectie worden verstrekt.
5
De gegevens en inlichtingen, bedoeld in dit artikel, worden op verzoek van de Arbeidsinspectie verstrekt. Onze Minister en het college van burgemeester en wethouders kunnen de gegevens en inlichtingen uit eigen beweging verstrekken. In afwijking van de eerste zin, verstrekt de Belastingdienst de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 3, uitsluitend uit eigen beweging.
§
2.3
Gegevensverstrekking ten behoeve van samenwerkingsverbanden
Artikel
2:8
Gegevensverstrekking aan de Belastingdienst
1
Voor zover noodzakelijk voor het toezicht op de naleving van de verplichtingen met betrekking tot de voldoening of afdracht van de omzetbelasting, de loonbelasting, de premie voor de volksverzekeringen, de premies voor de werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet, worden ten behoeve van een samenwerkingsverband tussen de Belastingdienst en een instantie als bedoeld in onderdelen a of b, de volgende gegevens en inlichtingen over rechtspersonen of ondernemingen aan de Belastingdienst verstrekt door:
a.
Onze Minister: gegevens en inlichtingen die zijn verkregen bij de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3a van de wet, alsmede gegevens en inlichtingen die zijn verkregen bij het toezicht op de naleving van de meewerkplicht, bedoeld in artikel 12u, van de wet;
b.
de Nederlandse Arbeidsinspectie: gegevens en inlichtingen die zijn verkregen bij het toezicht op en de handhaving van de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.
2
De gegevens en inlichtingen gaan niet verder terug dan vier jaar voorafgaand aan de datum waarop de gegevens aan de Belastingdienst worden verstrekt.
3
De gegevens worden op verzoek van de Belastingdienst verstrekt en de inlichtingen kunnen uit eigen beweging worden verstrekt.
Artikel
2:9
Gegevensverstrekking aan gemeenten
1
Voor zover noodzakelijk voor het toezicht op en de handhaving van de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Huisvestingswet 2014 en de Wet goed verhuurderschap worden ten behoeve van een samenwerkingsverband tussen het college van burgemeester en wethouders en een instantie als bedoeld in onderdelen a of b, de volgende gegevens en inlichtingen over rechtspersonen of ondernemingen aan het college verstrekt door:
de Nederlandse Arbeidsinspectie: gegevens en inlichtingen die zijn verkregen bij het toezicht op en de handhaving van de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.
2
De gegevens en inlichtingen gaan niet verder terug dan vier jaar voorafgaand aan de datum waarop de gegevens aan het college worden verstrekt.
3
De gegevens worden op verzoek van het college verstrekt en de inlichtingen kunnen uit eigen beweging worden verstrekt.
§
2.4
Gegevensverstrekking aan andere instanties
Artikel
2:10
Gegevensverstrekking over huisvesting
1
Voor zover noodzakelijk voor de verlening van certificaten voor de kwaliteit van huisvesting van arbeidskrachten verleent Onze Minister aan instellingen als bedoeld in artikel 12b, onderdeel b, van de wet gegevens en inlichtingen over de door of namens rechtspersonen of ondernemingen aan arbeidskrachten aangeboden huisvesting als bedoeld in artikel 12b van de wet, waarvan een redelijk vermoeden bestaat dat deze huisvesting niet voldoet aan het door een instelling verstrekte certificaat voor de kwaliteit van huisvesting voor arbeidskrachten.
2
De gegevens en inlichtingen gaan niet verder terug dan vier jaar voorafgaand aan de datum waarop de gegevens aan een instelling als bedoeld in artikel 12b, onderdeel b, van de wet worden verstrekt.
3
De gegevens en inlichtingen worden op verzoek van een instelling als bedoeld in artikel 12b, onderdeel b, van de wet verstrekt en kunnen uit eigen beweging worden verstrekt.
Artikel
2:11
Gegevensverstrekking ten behoeve van het toezicht op de naleving van collectieve arbeidsovereenkomsten
1
De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden door Onze Minister of de Nederlandse Arbeidsinspectie verstrekt aan een rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die door een of meer verenigingen van werkgevers of van werknemers is belast of mede is belast met het toezicht op de naleving van algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van uit collectieve arbeidsovereenkomsten voortvloeiende verplichtingen met betrekking tot het loon van ter beschikking gestelde arbeidskrachten.
2
Onze Minister verstrekt aan een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid gegevens over de verlening, weigering, schorsing, intrekking of verlenging van de geldigheidsduur van toelatingen of voorlopige toelatingen, doch slechts voor zover die gegevens betrekking hebben op het niet naleven van de artikelen 8, 8a en 12q, derde lid, onderdeel b, van de wet.
3
De Nederlandse Arbeidsinspectie verstrekt aan een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid, de volgende gegevens:
a.
het aantal overtredingen van het bepaalde bij of krachtens de wet, de omschrijving van iedere overtreding en de datum waarop die is geconstateerd, uitsluitend voor zover deze gegevens zijn gebaseerd op een beschikking tot het opleggen van de bestuursrechtelijke sanctie dan wel een rapport als bedoeld in artikel 5:48 van de Algemene wet bestuursrecht, waarop de bestuursrechtelijke sanctie is of wordt gebaseerd;
b.
de datum van dagtekening van de beschikking dan wel het rapport;
c.
indien van toepassing, informatie over de voortgang van bezwaar- en beroepsprocedures over de bestuursrechtelijke sanctie;
d.
gegevens verkregen van de bevoegde autoriteiten uit andere landen van de Europese Unie, van de Europese economische ruimte en uit Zwitserland.
4
De verstrekte gegevens, bedoeld in dit artikel, gaan niet verder terug dan vier jaar voorafgaand aan de datum waarop de gegevens aan de rechtspersoon worden verstrekt.
5
De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden op verzoek van de rechtspersoon versterkt, en kunnen uit eigen beweging worden verstrekt.
§
2.5
Bewaartermijnen
Artikel
2:12
Bewaartermijn
Een instantie die ingevolge een artikel in dit hoofdstuk gegevens en inlichtingen ontvangt, bewaart die gegevens en inlichtingen niet langer dan noodzakelijk is voor het doel van het verwerken maar niet langer dan maximaal vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst.
Hoofdstuk
3
Preventieve stillegging van werk in verband met recidive
Overtredingen voor preventieve stillegging
Artikel
3:1
1
Na een herhaling van een overtreding wordt een waarschuwing gegeven als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de wet en indien een herhaling van die overtreding is geconstateerd als bedoeld in dat artikel van de wet, wordt een bevel opgelegd door de daartoe aangewezen ambtenaar dat de door hem aangewezen werkzaamheden voor een daarbij aangegeven periode worden stilgelegd dan wel niet mogen aanvangen.
2
Indien een ernstige overtreding is geconstateerd, wordt in afwijking van het eerste lid, een waarschuwing als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de wet gegeven bij de eerste overtreding en wordt, indien opnieuw een ernstige overtreding is geconstateerd, een bevel opgelegd door de daartoe aangewezen ambtenaar dat de door hem aangewezen werkzaamheden voor een daarbij aangegeven periode worden stilgelegd dan wel niet mogen aanvangen.
3
Als ernstige overtreding als bedoeld in het tweede lid wordt aangemerkt de overtreding waarbij ten minste 20 ter beschikking gestelde arbeidskrachten zijn betrokken.
4
Indien de aard van de overtreding of de met de overtreding samenhangende omstandigheden dan wel de gevolgen van een stillegging van de werkzaamheden daartoe aanleiding geven, kan worden afgezien van een waarschuwing als bedoeld in het eerste en tweede lid en kan worden afgezien van een bevel als bedoeld in het eerste en tweede lid.
Aanpassing aantal werknemers
Artikel
3:2
Bij ministeriële regeling kan het aantal werknemers, bedoeld in artikel 3:1, derde lid, worden aangepast.
De gegevens, bedoeld in artikel 15b van de wet, worden door de toezichthouder of de door Onze Minister aangewezen ambtenaren geplaatst op een website met informatie van de toezichthouder of de door Onze Minister aangewezen ambtenaren, bedoeld in artikel 15b, eerste lid, van de wet.
2
De gegevens, bedoeld in artikel 15b, eerste lid, van de wet, blijven uiterlijk drie jaar na de datum van bekendmaking van het besluit, bedoeld in artikel 15b, eerste lid, dan wel na verzending van een brief met de mededeling dat er geen overtreding is geconstateerd, beschikbaar op de website.
de punten waarop is gecontroleerd en de wet of wetten die de grondslag daarvoor bieden;
b.
de locatie waar het onderzoek heeft plaatsgevonden;
c.
de datum of periode waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden;
d.
de naam en vestigingsplaats van de betreffende normadressaat;
e.
het nummer waaronder de betreffende normadressaat is ingeschreven in een register van het land van vestiging, dan wel de unieke code die naar de betreffende normadressaat te herleiden is; en
f.
de sector of branche waarin deze normadressaat zijn economische activiteiten verricht.
2
Indien na afronding van een onderzoek geen overtreding is geconstateerd die leidt tot de besluiten, genoemd in artikel 3a:3, wordt bij de gegevens, genoemd in het eerste lid, de opmerking geplaatst dat geen overtreding is geconstateerd.
Artikel
3a:3
Openbare gegevens omtrent opgelegde boetes en stilleggingen
1
In aanvulling op artikel 3a:2, eerste lid, worden indien een onderzoek door de toezichthouder of de door Onze Minister aangewezen ambtenaren, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet, wordt gevolgd door een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18 van de wet of door een besluit tot bevel tot staken van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de wet, de volgende gegevens met betrekking tot dat besluit openbaar gemaakt:
a.
welk besluit is genomen, de artikelen van de wet die de grondslag daarvoor bieden en de datum van dat besluit; en
b.
welke rechtsmiddelen tegen het besluit zijn of kunnen worden aangewend en wat hiervan de uitkomst was, of dat het besluit onherroepelijk is geworden.
2
Indien het besluit geheel of gedeeltelijk bestaat uit een besluit tot bevel tot staken van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de wet, bevat de openbaarmaking tevens de periode waarin de werkzaamheden zijn gestaakt.
Artikel
3a:4
Termijn waarbinnen openbaarmaking geschiedt
1
De openbaarmaking van de gegevens, bedoeld in de artikelen 3a:2 en 3a:3, geschiedt niet eerder dan tien werkdagen, doch uiterlijk dertig werkdagen na de datum waarop het besluit tot openbaarmaking van deze gegevens aan belanghebbende bekend is gemaakt.
2
Indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 15b, zevende lid, van de wet, wordt de termijn van dertig werkdagen, bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig opgeschort.
Artikel
3a:5
Reactie van belanghebbende
1
Op verzoek van de belanghebbende kan een schriftelijke reactie over de openbaarmaking van de gegevens, bedoeld in de artikelen 3a:2 en 3a:3, van ten hoogste 2.000 leestekens worden gegeven, die zal worden gevoegd bij de openbaar te maken gegevens op de website met informatie van de toezichthouder of de door Onze Minister aangewezen ambtenaren.
2
Onderdelen van de schriftelijke reactie die persoonsgegevens, bedrijfsnamen of bedrijfsgegevens van derden dan wel strafbare of aanstootgevende uitlatingen bevatten, worden niet op de website gepubliceerd.
Artikel
3a:6
Rectificatie
Indien in verband met een beslissing op bezwaar, beroep of hoger beroep wordt vastgesteld dat de gegevens, die op grond van artikel 15b van de wet, en de artikelen 3a:1 en 3a:2 openbaar zijn gemaakt, niet meer juist of volledig zijn, worden deze gegevens aangepast, binnen tien werkdagen na ontvangst van de desbetreffende beslissing door Onze Minister.
Indien een rechtspersoon of onderneming de aanvraag tot verlening van een ontheffing binnen zes kalendermaanden na de inwerkingtreding van de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten heeft ingediend en hierbij niet de beoordelingsverklaring, bedoeld in artikel 1b:2, vierde lid, onderdeel d, kan verstrekken, verstrekt de rechtspersoon of onderneming in afwijking van dat artikel de beoordelingsverklaring uiterlijk vier maanden na de indiening van de aanvraag.
Inwerkingtreding
Artikel
5:2
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2015.
Citeertitel
Artikel
5:3
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Wassenaar
Willem-Alexander
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,L.F.Asscher
De Staatssecretaris van Financiën,E.D.Wiebes
De Minister van Veiligheid en Justitie,G.A. van derSteur