Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 19 september 2016, nr. IENM/BSK-2016/152520, houdende vaststelling van regels voor subsidiëring van initiatieven die bijdragen aan het versterken van de omgevingsveiligheid ten aanzien van industriële activiteiten met gevaarlijke stoffen (Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid BRZO-sector)

Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid BRZO-sector

Artikel

1

Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • branche: een groep ondernemingen in de BRZO-sector die soortgelijke activiteiten verrichten met gevaarlijke stoffen;

  • branchesamenwerkingsverband: samenwerkingsverband bestaande uit twee of meer ondernemingen uit dezelfde branche, waaronder ten minste een BRZO-onderneming;

  • BRZO-onderneming: onderneming waarop het Besluit risico's zware ongevallen 2015 van toepassing is;

  • cluster: groep ondernemingen gevestigd op eenzelfde locatie;

  • clustersamenwerkingsverband: locatiegericht samenwerkingsverband bestaande uit in ieder geval twee of meer ondernemingen binnen een veiligheidsrisicogebied, waaronder ten minste een BRZO-onderneming;

  • grote onderneming: onderneming als bedoeld in artikel 2 onderdeel 24 van de algemene groepsvrijstelling verordening;

  • kaderbesluit: Kaderbesluit subsidies I en M;

  • keten: twee of meer ondernemingen gebonden door een contractuele relatie in een toe- of afleveringsketen binnen de BRZO-sector;

  • ketensamenwerkingsverband: samenwerkingsverband bestaande uit twee of meer ondernemingen in een toeleveringsketen binnen de BRZO-sector, zijnde productieondernemingen, tankopslagondernemingen, logistieke dienstverleners, havenondernemingen en in ieder geval een BRZO-onderneming;

  • Minister: Minister van Infrastructuur en Milieu;

  • onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • project a: project inzake proces- en organisatie-innovatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 96 en 97, en artikel 29, van de algemene groepsvrijstellingsverordening dat leidt tot een toepassing van een nieuwe organisatiemethode danwel een nieuwe of sterk verbeterde productie- of leveringsmethode;

  • project b: project inzake opleiding als bedoeld in artikel 31, van de algemene groepsvrijstellingsverordening dat leidt tot kennisoverdracht;

  • project c: project inzake milieustudies als bedoeld artikel 49, van de algemene groepsvrijstellingsverordening dat leidt tot het in beeld krijgen van de investeringen die nodig zijn om een hoger niveau aan milieubescherming en in dit geval omgevingsveiligheid te bereiken.

Artikel

2

Doel van de regeling

Deze regeling heeft als doel het ondersteunen van initiatieven die voldoende bijdragen aan blijvende versterking van de omgevingsveiligheid in Nederland ten aanzien van industriële activiteiten met gevaarlijke stoffen.

Artikel

3

Verstrekken van subsidie

Artikel

4

Subsidieplafond en wijze van verdelen

Artikel

5

Aanvragers en aanvraagformulier

Artikel

6

Subsidiabele kosten en standaardberekeningswijze uurtarieven

Artikel

7

Berekening subsidiabele kosten bij toepassing integrale kostensystematiek

Artikel

8

Berekening subsidiabele kosten bij toepassing kosten per kostendrager met opslag

Artikel

9

Berekening met forfaitair uurtarief loonkosten

Artikel

10

Hoogte van de subsidie

Artikel

11

Beoordelingscriteria

Artikel

12

Afwijzingsgronden

Een subsidie wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 11 en artikel 12 van het kaderbesluit, in ieder geval afgewezen, indien:

  • a.

    het project strekt ter invulling van een wettelijke verplichting dan wel een voorziene wettelijke verplichting;

  • b.

    de resultaten van het project niet ter beschikking aan de branche, het cluster, of de keten worden gesteld. Indien er kosten zijn verbonden aan het ter beschikking stellen van de resultaten, mogen die kosten worden doorberekend;

  • c.

    reeds een subsidie is verstrekt op grond van deze regeling voor een soortgelijk project;

  • d.

    het project onvoldoende punten scoort op de beoordelingscriteria genoemd in artikel 11;

  • e.

    de uitvoering van een project naar verwachting langer zal duren dan twee jaar; of

  • f.

    de subsidieverstrekking niet in overeenstemming is met het bepaalde in de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel

13

Verplichting

Een onderneming die op het tijdstip van de verlening van de subsidie geen vaste inrichting of dochterondernemingen in Nederland heeft, draagt er zorg voor dat deze onderneming voor de eerste voorschotbetaling een vaste inrichting of dochterondernemingen in Nederland heeft.

Artikel

14

Inwerkingtreding en horizonbepaling

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2016 en vervalt met ingang van 1 oktober 2021, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Artikel

15

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid BRZO-sector.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,S.A.M.Dijksma

Bijlage

1

, behorende bij artikel 11 van Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid BRZO-sector

In gelijke mate bepalend voor de score op het criterium van de versterking van de omgevingsveiligheid zijn:

  • De additionaliteit van het project, blijkend uit een vergelijking met de actuele (inclusief de aangekondigde) wet- en regelgeving waaraan ondernemingen in dit verband zijn onderworpen alsmede uit het aantal projectdeelnemers;

  • De effectiviteit en efficiëntie blijkend uit de omschrijving van het project voor wat betreft inhoud en daaraan gerelateerde kosten;

  • Het specifiek omschreven projectresultaat.

In gelijke mate bepalend voor de score op het criterium van het blijvend effect van de te realiseren versterking van de omgevingsveiligheid zijn:

  • De aantrekkelijkheid van de concrete projectresultaten (na afloop van het project) voor blijvende toepassing, ook buiten de kring van de projectdeelnemers;

  • Het in de projectomschrijving beschreven draagvlak, inclusief eventuele randvoorwaarden, dat voorafgaand aan of tijdens de projectuitvoering onderzocht is of wordt;

  • De gespecificeerde inzet van de projectdeelnemers om na afloop van (een succesvol) project bij te dragen aan brede toepassing ervan in de branche, in de keten of in het cluster

Zowel op bijdrage aan versterking van de omgevingsveiligheid als op het blijvende effect daarvan kunnen projecten scoren op drie niveaus:

Bijdrage versterking omgevingsveiligheid: matig(0), voldoende(1) en hoog(2);

Blijvend effect: laag(0), gemiddeld(1) en hoog(2).