Regeling van de Minister van Economische Zaken van 14 oktober 2016, nr. WJZ / 14161241, houdende regels omtrent de eisen waaraan statische vloeistofhoeveelheidmeters, massameters, vloeistofhoogtemeters, discontinue brandstofmeters, CG-dispensers en dynamische weegbruggen moeten voldoen (Regeling nationaal autonoom geregelde meetinstrumenten)

Regeling nationaal autonoom geregelde meetinstrumenten

De Minister van Economische Zaken,

Besluit:

Hoofdstuk

1

Begripsbepalingen

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • CG-dispenser: meetinstrument voor het bepalen van een hoeveelheid gecomprimeerd gas bij het tanken van motorvoertuigen en kleine vaartuigen;

  • dipplaat: in een meetreservoir gefixeerde horizontale plaat, op de verticale as onder het bovenste referentiepunt, waar vanuit handmatig vloeistofniveaumetingen worden gedaan;

  • discontinue brandstofmeter: meetinstrument voor de discontinue bepaling van het volume van in tweetaktmotoren gebruikte brandstoffen, bestaande uit meetkamers en voorzien van bijzondere inrichtingen voor het vullen en legen van de meetkamers;

  • dynamische weegbrug: meetinstrument voor het bepalen van de massa van een bewegend motorvoertuig, op grond van de werking van de zwaartekracht op dat voertuig, zonder tussenkomst van een bedienaar en volgens een vooraf bepaald programma van automatische processen;

  • eerste conformiteitsbeoordeling: conformiteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 6 van de wet;

  • kritische veranderingswaarde: waarde waarbij de verandering in het meetresultaat ongewenst wordt geacht;

  • massameter: meetinstrument voor het statisch bepalen van de massa van de vloeistof of de massa van de verplaatste hoeveelheid vloeistof in een meetreservoir;

  • meetkamer: voor meting dienende ruimte die in één of meer volumedelen is verdeeld;

  • meetreservoir: reservoir bestemd voor de bewaring of aflevering van vloeistoffen, niet zijnde een scheepstank, dat specifiek is ingericht om de hoeveelheid vloeistof die het bevat of de hoeveelheid erin geplaatste of eruit verplaatste vloeistof te bepalen;

  • peilstok: deel van de statische vloeistofhoeveelheidmeter voor het peilen van de vloeistofhoogte met een schaalverdeling met de afstanden in lengte- of volume-eenheden;

  • statische vloeistofhoeveelheidmeter: meetinstrument voor het bepalen van de hoeveelheid vloeistof in een meetreservoir of de hoeveelheid in of uit een meetreservoir verplaatste vloeistof;

  • vloeistofhoogtemeter: meetinstrument voor het bepalen van de hoogte van de vloeistofspiegel in een meetreservoir en dat bestaat uit een meetwaardeopnemer en ten minste één aanwijsinrichting.

Hoofdstuk

2

Algemene bepalingen

Artikel

2

Artikel

3

Meetinstrumenten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, voldoen na ingebruikneming voorts aan de volgende eisen:

  • a.

    zij verkeren in goede staat van onderhoud;

  • b.

    zij zijn overeenkomstig de instructies van de fabrikant geïnstalleerd en worden dienovereenkomstig gebruikt;

  • c.

    zij worden uitsluitend gebruikt voor metingen overeenkomstig hun bestemming;

  • d.

    zij worden zodanig gejusteerd en gecorrigeerd dat aanwijzingsfouten zo dicht mogelijk bij nul liggen.

Artikel

4

Indien een meetinstrument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt aangesloten op onder de werking van de IJkwet toegelaten andere apparatuur en deze apparatuur eveneens het meetresultaat vastlegt en weergeeft, voldoet deze apparatuur wat betreft het vastleggen en weergeven van het meetresultaat aan de eisen van deze regeling en mag de weergave van het meetresultaat op die andere apparatuur niet afwijken van het door het meetinstrument vastgestelde meetresultaat.

Artikel

5

Hoofdstuk

3

Statische vloeistofhoeveelheidmeter

§

3.1

Algemene eisen

Artikel

6

Een statische vloeistofhoeveelheidmeter bestaat uit een meetreservoir en:

  • a.

    een peilstok ingedeeld in eenheden van volume;

  • b.

    een peilstok ingedeeld in eenheden van lengte;

  • c.

    een vloeistofhoogtemeter; of

  • d.

    een massameter.

Artikel

7

De fabrikant specificeert de nominale bedrijfsomstandigheden van de statische vloeistofhoeveelheidmeter wat betreft:

  • a.

    het meetbereik;

  • b.

    de aard en karakteristieken van de te meten vloeistof.

Artikel

8

Het meetreservoir van de statische vloeistofhoeveelheidmeter is voorzien van de volgende opschriften:

  • a.

    het nummer van het meetreservoir;

  • b.

    de minimum te meten hoeveelheid of het minimum te meten verschil;

  • c.

    indien van toepassing, het serienummer van de toegepaste peilstok;

  • d.

    indien van toepassing, het nummer van het certificaat van meting, bedoeld in artikel 11; en

  • e.

    indien een meetreservoir is voorzien van meerdere meetopeningen, een aanduiding, door middel van het serienummer, welke meetwaardeopnemer bij welke meetopening hoort.

Artikel

9

De minimum te meten hoeveelheid van een statische vloeistofhoeveelheidmeter is gelijk aan of groter dan de grootste waarde van de minimum te meten hoeveelheid van het meetreservoir dan wel van de peilstok in eenheden van volume, de peilstok in eenheden van lengte, de vloeistofhoogtemeter of de massameter.

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

Artikel

14

Artikel

15

Artikel

16

Artikel

17

De maximaal toelaatbare fout van de gemeten of herleide hoeveelheid bedraagt:

  • a.

    bij de eerste conformiteitsbeoordeling: plus of min 0,8%;

  • b.

    na ingebruikneming: plus of min 1,0%.

Artikel

18

Het schaalinterval van een statische vloeistofhoeveelheidmeter is niet groter dan 0,625 maal de maximaal toelaatbare fout van de minimum te meten hoeveelheid van de statische vloeistofhoeveelheidmeter bij de eerste conformiteitsbeoordeling.

Artikel

19

De kritische veranderingswaarde van een statische vloeistofhoeveelheidmeter is gelijk aan 0,625 maal de absolute waarde van de maximaal toelaatbare fout van de minimum te meten hoeveelheid van de statische vloeistofhoeveelheidmeter bij de eerste conformiteitsbeoordeling.

Artikel

20

Een peilstok is voorzien van een opschrift met het serienummer van de peilstok.

Artikel

21

De materialen die worden gebruikt voor een peilstok zijn van dien aard dat variaties in lengte, ten gevolge van temperatuurschommelingen van min 8 °C tot plus 8 °C ten opzichte van de referentietemperatuur, de maximaal toelaatbare fout niet overschrijden.

Artikel

22

Artikel

23

Artikel

24

Een peilstok in eenheden van lengte die is voorzien van een CE-markering en de aanvullende metrologische markering wordt beschouwd als een peilstok in eenheden van lengte die voldoet aan de toepasselijke eisen in deze regeling.

§

3.2

Bijzondere voorschriften voor vloeistofhoogtemeters

Artikel

25

De fabrikant specificeert de nominale bedrijfsomstandigheden van de vloeistofhoogtemeter wat betreft:

  • a.

    het meetbereik; en

  • b.

    de aard en de karakteristieken van de te meten vloeistof.

Artikel

26

Een vloeistofhoogtemeter is voorzien van de volgende opschriften:

  • a.

    de referentiehoogte;

  • b.

    het opschrift ‘het nulpunt van de vloeistofhoogtemeter ligt ... mm beneden het referentiepunt’; en

  • c.

    de aard en de karakteristieken van de te meten vloeistof.

Artikel

27

Het schaalinterval van de aanwijsinrichting van een vloeistofhoogtemeter is niet groter dan 1 mm.

Artikel

28

De maximaal toelaatbare fout van de aanwijzing van de gemeten vloeistofhoogte bedraagt:

  • a.

    bij de eerste conformiteitsbeoordeling, voor installatie op de tank: plus of min 1 mm;

  • b.

    bij de eerste conformiteitsbeoordeling, na installatie op de tank, en na ingebruikneming: plus of min 4 mm.

Artikel

29

De kritische veranderingswaarde van een vloeistofhoogtemeter is gelijk aan de absolute waarde van de maximaal toelaatbare fout van de minimum te meten hoeveelheid van de vloeistofhoogtemeter bij de eerste conformiteitsbeoordeling.

§

3.3

Bijzondere voorschriften voor massameters

Artikel

30

De fabrikant specificeert de nominale bedrijfsomstandigheden van de massameter wat betreft:

  • a.

    het meetbereik; en

  • b.

    de aard en de karakteristieken van de te meten vloeistof.

Artikel

31

Een massameter is voorzien van een opschrift over de positie van de meetwaardeopnemers ten opzichte van de dipplaat.

Artikel

32

De meetwaardeopnemer van een massameter is voorzien van een referentiekenmerk welke een vaste positie heeft ten opzichte van een referentiepunt van het meetreservoir en met behulp waarvan:

  • a.

    de verticale afstand tussen de dipplaat en het referentiekenmerk van de onderste meetwaardeopnemer binnen 2 mm van de in de verwerkingseenheid vast ingestelde lengte kan worden bepaald en gecontroleerd;

  • b.

    de verticale afstand tussen de referentiekenmerken van de onderste meetwaardeopnemer en een eventuele tweede meetwaardeopnemer die wordt gebruikt om de vloeistofdichtheid te meten binnen 0,1% van de in de verwerkingseenheid vast ingestelde lengte kan worden bepaald en gecontroleerd.

Artikel

33

Artikel

34

Indien een massameter is voorzien van een nulstelling om de aanwijzing te corrigeren, kan de correctie alleen plaatsvinden wanneer de meetwaardeopnemer geen hoeveelheid meer meet of wanneer de meetwaardeopnemer is te isoleren van het meetreservoir.

Artikel

35

Het schaalinterval van een massameter is niet groter dan de maximaal toelaatbare fout van de minimum te meten hoeveelheid van de massameter.

Artikel

36

De maximaal toelaatbare fout van een massameter bedraagt onder normale bedrijfsomstandigheden en binnen de geldende gebruiksgrenzen plus of min 0,5%.

Artikel

37

Artikel

38

De kritische veranderingswaarde van een massameter is gelijk aan de absolute waarde van de maximaal toelaatbare fout van de minimum te meten hoeveelheid van de massameter bij de eerste conformiteitsbeoordeling.

Hoofdstuk

4

Discontinue brandstofmeter

Artikel

39

Artikel

40

Artikel

41

Vloeistofspiegels ter hoogte van de afzonderlijke deelstrepen kunnen parallaxvrij afgelezen worden.

Artikel

42

Indien de meetkamer aan de boven- en de onderzijde door een met de hand te bedienen afsluitinrichting wordt begrensd, is de discontinue brandstofmeter voorzien van een inrichting die waarborgt dat de afvoerleiding pas kan worden geopend na volledige vulling van de meetkamer en pas kan worden gesloten na volledige leging.

Artikel

43

Bij een discontinue brandstofmeter die bestemd is voor het meten van verschillende vloeistoffen in wisselende mengverhoudingen kunnen deze mengsels zich bij het wisselen slechts in geringe mate met elkaar vermengen.

Artikel

44

Een discontinue brandstofmeter is zodanig ingericht dat bij de levering geen lucht of gassen meegevoerd kunnen worden of is voorzien van een inrichting voor ontluchting of ontgassing.

Artikel

45

Artikel

46

Artikel

47

De kritische veranderingswaarde van een discontinue brandstofmeter is gelijk aan de absolute waarde van de maximaal toelaatbare fout van de minimum te meten hoeveelheid van de discontinue brandstofmeter bij de eerste conformiteitsbeoordeling.

Hoofdstuk

5

CG-dispenser

Artikel

48

De gasstroom uit een CG-dispenser kan gemakkelijk en snel worden stop gezet.

Artikel

49

Artikel

50

Artikel

51

Een CG-dispenser is uitgerust met:

  • a.

    een noodstroomvoorziening die ervoor zorgt dat alle meetfuncties worden verricht gedurende een storing in de hoofdstroombron; of

  • b.

    een voorziening om de op het moment van een storing van de hoofdstroombron aanwezige gegevens op te slaan en aan te wijzen opdat de lopende transactie kan worden afgesloten en van een voorziening om de gasstroom bij storing te stoppen.

Artikel

52

De fabrikant specificeert de nominale bedrijfsomstandigheden van de CG-dispenser wat betreft:

  • a.

    de kleinste afleveringshoeveelheid;

  • b.

    het debiet-, druk- en temperatuurbereik; en

  • c.

    de aard en de karakteristieken van het te meten gas.

Artikel

53

Artikel

54

Artikel

55

Artikel

56

Artikel

57

Artikel

58

Aanwijzingen van een vooringestelde hoeveelheid of prijs:

  • a.

    zijn duidelijk te onderscheiden van de gemeten hoeveelheid respectievelijk het te betalen bedrag;

  • b.

    hebben dezelfde schaalinterval als de gemeten hoeveelheid respectievelijk het te betalen bedrag;

  • c.

    zijn voor aanvang van de meting zichtbaar; en

  • d.

    blijven, wanneer zij zichtbaar zijn gedurende de meting, ongewijzigd of tellen, in geval van een vooringestelde hoeveelheid, terug naar nul.

Artikel

59

Het verschil tussen de vooringestelde hoeveelheid en de geleverde hoeveelheid bedraagt niet meer dan driemaal de kleinste afleveringshoeveelheid gedeeld door 100.

Artikel

60

Het verschil tussen de vooringestelde prijs en de uiteindelijke prijs bedraagt niet meer dan de prijs voor driemaal de kleinste afleveringshoeveelheid gedeeld door 100.

Artikel

61

Bij rechtstreekse verkoop kan de hoeveelheid waarop de transactie is gebaseerd permanent worden afgelezen totdat alle partijen bij de transactie het meetresultaat hebben aanvaard.

Artikel

62

Artikel

63

Het schaalinterval van een CG-dispenser is niet groter dan anderhalf maal de kleinste afleveringshoeveelheid gedeeld door 100.

Artikel

64

Artikel

65

De kritische veranderingswaarde van een CG-dispenser is de grootste van de volgende twee waarden:

  • a.

    0,15%; of

  • b.

    driemaal de kleinste afleveringshoeveelheid gedeeld door 100.

Hoofdstuk

6

Dynamische weegbruggen

Artikel

66

Een dynamische weegbrug is voorzien van de volgende opschriften:

  • a.

    de maximale doorvoersnelheid van motorvoertuigen in km/h;

  • b.

    de maximale afmetingen van het motorvoertuig in meters;

  • c.

    indien van toepassing, de richting waarin het motorvoertuig beweegt;

  • d.

    indien van toepassing, een melding dat er met een constante snelheid over de lastdrager moet worden gereden of dat het verboden is te remmen; en

  • e.

    indien van toepassing, een lijst van producten of voertuigen die niet kunnen worden gewogen met de weegbrug.

Artikel

67

Gedurende de opwarmtijd van een dynamische weegbrug kan er niet worden gemeten.

Artikel

68

Indien de spanning op een dynamische weegbrug die wordt gevoed door batterijen of een accu onder het gespecificeerde niveau komt, zal de weegbrug:

  • a.

    correct blijven functioneren waarbij een meetfout binnen de maximaal toelaatbare fout, bedoeld in artikel 77, tweede lid, blijft; of

  • b.

    automatisch uitgeschakeld worden, waarna het niet meer mogelijk is om metingen te verrichten.

Artikel

69

Artikel

70

Artikel

71

Een dynamische weegbrug heeft een voorziening om de partijen, betrokken bij de meting, te informeren indien het aanwijzen, opslaan of afdrukken van het meetresultaat niet mogelijk is.

Artikel

72

Artikel

73

Indien de dynamische weegbrug is voorzien van een totalisatie-inrichting wordt iedere weging betrokken in de totalisatie opgeslagen of afgedrukt.

Artikel

74

Dynamische weegbruggen worden verdeeld in de onderstaande nauwkeurigheidsklassen:

0,2

0,5

1

Artikel

75

Een dynamische weegbrug met nauwkeurigheidsklasse 0,5 of nauwkeurigheidsklasse 1 mag slechts worden gebruikt voor:

  • a.

    het bepalen van de vervoerskosten van postpakketten;

  • b.

    het bepalen, op terreinen van ondernemingen tot exploitatie van middelen van openbaar vervoer, van de vervoerskosten van goederen;

  • c.

    voor het wegen in mortelfabrieken van asfaltbeton, betonmortel, metselspecie en soortgelijke producten, alsmede voor het in die fabrieken bij de vervaardiging van die producten wegen van materialen, waaruit die producten worden samengesteld;

  • d.

    het wegen van afvalstoffen en van zand, grind en aarde; of

  • e.

    het wegen van beladen containers, bedoeld in hoofdstuk VI, deel A, voorschrift 2, vierde lid, onderdeel 1, van de bijlage van het SOLAS-verdrag.

Artikel

76

Artikel

77

Artikel

78

De kritische veranderingswaarde van een dynamische weegbrug is één schaalinterval.

Hoofdstuk

7

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

79

Meetreservoirs, vloeistofhoogtemeters, discontinue brandstofmeters en peilstokken waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling een verklaring van toelating als bedoeld in artikel 34 van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers, dan wel een certificaat van overeenstemming als bedoeld in bijlage G van Richtlijn 2004/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende meetinstrumenten (PbEU 2004, L 135) of een conformiteitscertificaat als bedoeld in bijlage I, module G, van de richtlijn meetinstrumenten, is afgegeven worden beschouwd te voldoen aan de relevante eisen in deze regeling wanneer:

Artikel

80

De in deze regeling gestelde eisen aan CG-dispensers zijn, met uitzondering van artikel 64 en de essentiële eis in artikel 7.1 uit bijlage 1 van de richtlijn meetinstrumenten, niet van toepassing op CG-dispensers die in gebruik zijn genomen voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling.

Artikel

82

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2016.

Artikel

83

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling nationaal autonoom geregelde meetinstrumenten.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage
De Minister van Economische Zaken,H.G.J.Kamp