Artikel
1
De volgende vergunningen worden, op grond van artikel 3.17, tweede lid, onder b, van de Telecommunicatiewet, vanwege hun gebruik aangewezen als vergunningen die niet van rechtswege verlengd worden:
-
a.
vergunningen, gekoppeld aan een vergunning bestemd voor analoge commerciële radio-omroep, die bestemd zijn voor het gebruik van frequentieruimte ten behoeve van digitale commerciële radio-omroep;
-
b.
vergunningen die bestemd zijn voor het gebruik van frequentieruimte voor een bedrijfsondersteunende dienst met een zendbereik dat beperkt is tot de locatie waarop het bedrijf zijn activiteiten uitoefent;
-
c.
vergunningen die bestemd zijn voor laagvermogen middengolfomroep;
-
d.
vergunningen als bedoeld in artikel 3.12 van de Telecommunicatiewet;
-
e.
vergunningen die bestemd zijn voor onbemand frequentiegebruik door radiozendamateurs;
-
f.
vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte door radiozendamateurs die tijdelijk zijn verleend aan niet-ingezetenen en
-
g.
vergunningen voor VHF en UHF-radiotelefonen voor vast opgestelde hijs- en torenkranen die ten behoeve van de communicatie op een bouwplaats zijn verleend.