Artikel
1
In deze regeling wordt verstaan onder:
-
a.
ARAR: het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
-
b.
BBRA ‘84: het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984;
-
c.
de minister: de Minister van Economische Zaken;
-
d.
NVWA: de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit;
-
e.
Regeling vaartoelage: Regeling vaartoelage, afbouw verlofaanspraken en enige andere vaste vergoedingen en toeslagen NVWA;
-
f.
oude toelage inconveniënten: de inconveniëntentoelage, waarop de medewerker op grond van de Inconveniëntenregeling AID 1995 over de maand december 2011 aanspraak had, bestaande uit de toelage voor onregelmatige dienst, de vergoeding voor overwerk en de vergoeding voor bereikbaarheid- en beschikbaarheid, als bedoeld in de artikelen 17, 23 en 18a van het BBRA ‘84;
-
g.
nieuwe toelage inconveniënten: de som van de volgende toelagen en vergoedingen, als bedoeld in het BBRA ’84:
-
1°.
de toelage voor onregelmatige dienst op grond van artikel 17, eerste lid, van het BBRA ‘84,
-
2°.
de toelage voor bereikbaarheids- en beschikbaarheidsdiensten op grond van artikel 18a, eerste lid, van het BBRA ‘84,
-
3°.
de vergoeding voor overwerk anders dan in geval van crisis op grond van artikel 23, eerste lid, van het BBRA ‘84 en
-
4°.
de vaste toelage voor onregelmatige dienst op grond van artikel 17, vierde lid, van het BBRA ’84,
-
5°.
de vaartoelage op grond artikel 2 van de regeling Vaartoelage, waarop de medewerker in een kalendermaand aanspraak heeft;
-
1°.
-
h.
oude ploegendiensttoeslag: de som van:
-
1°
de ploegendiensttoeslag die de medewerker gemiddeld per maand heeft genoten over de periode van 36 kalendermaanden voorafgaand aan 31 december 2011 op grond van de Regeling 2-ploegendienst RVV en de bijlage van 3 juli 2002, en
-
2°.
de toelage voor onregelmatige dienst op grond van artikel 17 van het BBRA ‘84 die de medewerker gemiddeld per maand heeft genoten over de periode van 36 kalendermaanden voorafgaand aan 31 december 2011;
-
1°
-
i.
nieuwe ploegendiensttoeslag: de maandelijkse toelage voor onregelmatige dienst op grond van artikel 17, eerste en vierde lid, van het BBRA ’84;
-
j.
medewerker: de medewerker van de NVWA die op grond van het ARAR in vaste dienst is aangesteld en die ofwel de oude toelage inconveniënten ofwel de oude ploegendiensttoeslag heeft genoten;
-
k.
medewerker categorie 1: de medewerker die op 31 december 2011 55 jaar of ouder was;
-
l.
medewerker categorie 2: de medewerker die op 31 december 2011 45 jaar of ouder was, maar nog geen 55 jaar;
-
m.
medewerker categorie 3: de medewerker die op 31 december 2011 jonger was dan 45 jaar;
-
n.
crisis: een situatie als bedoeld in de Vergoedingsregeling opschaling bij crises ;
-
o.
salaris: hetgeen daaronder wordt verstaan in het BBRA ‘84;
-
p.
oude salaris: het voor de medewerker op 31 december 2011 geldende salaris,
-
–
indien van toepassing vermeerderd met periodieke verhogingen van het salaris op grond van artikel 7 van het BBRA ’84, waarop de medewerker in de op 31 december 2011 voor hem geldende salarisschaal uitzicht heeft, een algemene (sectorale) salarisverhoging, een verhoging van het salaris op grond van artikel 8 van het BBRA ’84 en een periodieke toeslag op grond van artikel 22a van het BBRA ’84;
-
–
indien van toepassing vermeerderd met periodieke verhogingen van het salaris op grond van artikel 7 van het BBRA ’84, gevolgd op een bevordering van de medewerker op grond van artikel 5 van het BBRA ’84, voor zover daarmee het maximum van de op 31 december 2011 geldende salarisschaal niet wordt overschreden;
-
–
-
q.
nieuwe salaris: het voor de medewerker geldende salaris op het moment van de maandelijkse berekening van de hoogte van de aflopende of aansluitende toelage;
-
r.
salarisschaal: hetgeen daaronder wordt verstaan in het BBRA ‘84;
-
s.
maximumsalaris: hetgeen daaronder wordt verstaan in het BBRA ‘84.