Wet van 26 juli 2017, houdende regels met betrekking tot de inlichtingen- en veiligheidsdiensten alsmede wijziging van enkele wetten (Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017)

Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regels te stellen met betrekking de taken en bevoegdheden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in het kader van de nationale veiligheid, de coördinatie van de taakuitvoering van deze diensten, de verwerking van gegevens door deze diensten, de nationale en internationale samenwerking van deze diensten, de uitoefening van het toezicht en de behandeling van klachten en de geheimhouding, alsmede in verband daarmee enkele wetten te wijzigen en de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 te vervangen;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    dienst: de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst of de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst;

  • b.

    coördinator: de functionaris, bedoeld in artikel 4;

  • c.

    Onze betrokken Minister:

    • 1°.

      ten aanzien van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

    • 2°.

      ten aanzien van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst: Onze Minister van Defensie;

    • 3°.

      ten aanzien van de coördinator: Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken;

  • d.

    gegevens: persoonsgegevens en andere gegevens;

  • e.

    persoonsgegevens: gegevens die betrekking hebben op een identificeerbare of geïdentificeerde, individuele natuurlijke persoon;

  • f.

    gegevensverwerking of verwerking van gegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot gegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens;

  • g.

    commissie van toezicht: de commissie, bedoeld in artikel 97;

  • h.

    toetsingscommissie: de commissie, bedoeld in artikel 32.

Artikel

2

De diensten en de coördinator verrichten hun taak in gebondenheid aan de wet en in ondergeschiktheid aan Onze betrokken Minister.

Hoofdstuk

2

De diensten en de coördinatie tussen de diensten

Paragraaf

2.1

De coördinatie van de taakuitvoering door de diensten

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

De hoofden van de diensten alsmede de vertegenwoordigers in de commissie, bedoeld in artikel 5, verlenen de coördinator medewerking voor de uitoefening van zijn taak. Zij verschaffen hem daartoe alle nodige inlichtingen.

Paragraaf

2.2

De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst

Artikel

8

Artikel

9

Paragraaf

2.3

De Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst

Artikel

10

Artikel

11

Paragraaf

2.4

Verslaglegging omtrent de taakuitvoering door de diensten

Artikel

12

Paragraaf

2.5

Bijzondere bepalingen betreffende de functionarissen die ten behoeve van de diensten werkzaam zijn

Artikel

13

Artikel

14

Artikel

15

Paragraaf

2.6

Nadere regels met betrekking tot organisatie, werkwijze en beheer van de diensten

Artikel

16

Onze betrokken Minister kan ten aanzien van de organisatie, de werkwijze en het beheer van een dienst nadere regels stellen.

Hoofdstuk

3

De verwerking van gegevens

Paragraaf

3.1

Algemene bepalingen

Artikel

17

De diensten zijn bevoegd tot het verwerken van gegevens met inachtneming van de eisen die daaraan bij of krachtens deze wet of de Wet veiligheidsonderzoeken zijn gesteld.

Artikel

18

Artikel

19

Artikel

20

Artikel

21

Artikel

22

Artikel

23

De hoofden van de diensten dragen zorg voor:

  • a.

    de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende gegevens;

  • b.

    de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende bronnen waaruit gegevens afkomstig zijn;

  • c.

    de veiligheid van de personen met wier medewerking gegevens worden verzameld.

Artikel

24

Paragraaf

3.2

De verzameling van gegevens

Paragraaf

3.2.1

Algemene bepalingen

Artikel

25

Artikel

26

Artikel

27

Artikel

28

Artikel

29

Artikel

30

Artikel

31

Van de uitoefening van een bevoegdheid wordt aantekening gehouden.

Paragraaf

3.2.2

Toetsingscommissie inzet bevoegdheden

Paragraaf

3.2.2.1

De instelling, taakstelling, samenstelling en andere bijzondere bepalingen met betrekking tot de toetsingscommissie

Artikel

33

Artikel

34

Artikel

35

Paragraaf

3.2.2.2

De toetsing door de toetsingscommissie

Artikel

36

Artikel

37

Paragraaf

3.2.3

Stelselmatig verzamelen van gegevens omtrent personen uit open bronnen

Artikel

38

Paragraaf

3.2.4

Raadpleging van informanten

Artikel

39

Paragraaf

3.2.5

Bijzondere bevoegdheden van de diensten

Paragraaf

3.2.5.1

Observeren en volgen

Artikel

40

Paragraaf

3.2.5.2

Agenten

Artikel

41

Paragraaf

3.2.5.3

Onderzoek van besloten plaatsen, van gesloten voorwerpen, aan voorwerpen en DNA-onderzoek

Artikel

42

Artikel

43

Paragraaf

3.2.5.4

Openen van brieven en andere geadresseerde zendingen

Artikel

44

Paragraaf

3.2.5.5

Verkennen van en binnendringen in geautomatiseerde werken

Artikel

45

Paragraaf

3.2.5.6

Onderzoek van communicatie

Paragraaf

3.2.5.6.1

Algemeen

Artikel

46

In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    aanbieder van een communicatiedienst: de natuurlijke of rechtspersoon die in de uitoefening van een beroep of bedrijf aan de gebruikers van zijn dienst de mogelijkheid biedt te communiceren met behulp van een geautomatiseerd werk, of die gegevens verwerkt of opslaat ten behoeve van een zodanige dienst of de gebruikers van die dienst;

  • b.

    gebruiker: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die met de aanbieder van een communicatiedienst een overeenkomst is aangegaan met betrekking tot het gebruik van die dienst of die feitelijk gebruik maakt van een zodanige dienst;

  • c.

    nummer: een nummer als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet;

  • d.

    technisch kenmerk: ieder kenmerk, niet zijnde een nummer, dat gebruikt wordt bij het overbrengen van communicatie of de verbinding tussen geautomatiseerde werken.

Paragraaf

3.2.5.6.2

Onderzoek van communicatie met betrekking tot specifieke personen, organisaties en nummers dan wel technische kenmerken

Artikel

47

Paragraaf

3.2.5.6.3

Onderzoeksopdrachtgericht onderzoek van communicatie

Artikel

48

Artikel

49

Artikel

50

Paragraaf

3.2.5.6.4

Informatie- en medewerkingsplicht aanbieders van communicatiediensten bij de verwerving van telecommunicatie op grond van artikel 47 en 48

Artikel

52

Artikel

53

Paragraaf

3.2.5.6.5

Informatieverzoeken en medewerkingsplicht met betrekking tot telecommunicatiegegevens

Artikel

54

Artikel

55

Artikel

56

Paragraaf

3.2.5.6.6

Medewerkingsplicht bij ontsleuteling communicatie

Artikel

57

Paragraaf

3.2.5.7

Toegang tot plaatsen

Artikel

58

Paragraaf

3.2.6

Het uitbrengen van verslag omtrent de uitoefening van enkele bijzondere bevoegdheden

Artikel

59

Paragraaf

3.3

Bijzondere bepalingen inzake geautomatiseerde data-analyse

Artikel

60

Paragraaf

3.4

De verstrekking van gegevens

Paragraaf

3.4.1

De interne verstrekking van gegevens

Artikel

61

De verstrekking van door of ten behoeve van een dienst verwerkte gegevens aan een binnen de dienst of ingevolge artikel 91 ten behoeve van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst werkzame ambtenaar onderscheidenlijk ingevolge artikel 92 ten behoeve van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst werkzame ambtenaar vindt slechts plaats, voor zover dat noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de aan de desbetreffende ambtenaar opgedragen taak.

Paragraaf

3.4.2

De externe verstrekking van gegevens

Paragraaf

3.4.2.1

Algemene bepalingen

Artikel

62

Artikel

63

Artikel

64

Artikel

65

Artikel

66

Artikel

67

Paragraaf

3.4.2.2

Bijzondere bepalingen betreffende de externe verstrekking van persoonsgegevens

Artikel

68

Artikel

69

Artikel

70

Van de verstrekking van persoonsgegevens wordt aantekening gehouden.

Hoofdstuk

4

Overige bijzondere bevoegdheden van de diensten

Paragraaf

4.1

Algemeen

Artikel

71

Op de uitoefening van de bijzondere bevoegdheden in dit hoofdstuk zijn de artikelen 28, 29 en 31 van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf

4.2

Oprichten en inzet rechtspersonen

Artikel

72

Paragraaf

4.3

Bevorderen of treffen van maatregelen

Artikel

73

Hoofdstuk

5

Kennisneming van door of ten behoeve van de diensten verwerkte gegevens

Paragraaf

5.1

Algemene bepalingen

Artikel

74

Onverminderd de kennisneming van op grond van paragraaf 3.4 verstrekte gegevens, kan van de gegevens verwerkt door of ten behoeve van een dienst slechts kennis worden genomen overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.

Paragraaf

5.2

Recht op kennisneming van persoonsgegevens

Artikel

76

Artikel

77

Artikel

78

Artikel

79

Paragraaf

5.3

Recht op kennisneming van andere gegevens dan persoonsgegevens

Artikel

80

Paragraaf

5.4

Wijze van kennisneming van gegevens

Artikel

81

Paragraaf

5.5

Weigeringsgronden en beperkingen

Artikel

82

Artikel

83

Artikel 82 is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in artikel 79 met dien verstande dat in artikel 82 voor «de aanvrager» wordt gelezen: de overleden persoon.

Artikel

84

Artikel

85

Hoofdstuk

6

Samenwerking tussen inlichtingen- en veiligheidsdiensten en met andere instanties

Paragraaf

6.1

Samenwerking tussen de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst

Artikel

86

Artikel

87

Paragraaf

6.2

Samenwerking met inlichtingen- en veiligheidsdiensten van andere landen

Artikel

88

Artikel

89

Artikel

90

Paragraaf

6.3

Samenwerking met andere instanties

Artikel

91

Artikel

92

Artikel

93

Artikel

94

Artikel

95

Paragraaf

6.4

Nadere regels inzake samenwerkingsverbanden

Artikel

96

Hoofdstuk

7

Toezicht, klachtbehandeling en de behandeling van meldingen inzake vermoedens van misstanden

Paragraaf

7.1

Instelling, samenstelling en andere bijzondere bepalingen betreffende de commissie van toezicht

Artikel

97

Artikel

98

Artikel

99

Artikel

100

Aan de leden van de commissie van toezicht en de leden van de afdeling klachtbehandeling wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze betrokken Ministers gezamenlijk, ontslag verleend:

  • a.

    op verzoek van de betrokkene;

  • b.

    wanneer de betrokkene uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen;

  • c.

    bij de aanvaarding van een betrekking als bedoeld in artikel 99, achtste lid;

  • d.

    bij het verlies van Nederlanderschap;

  • e.

    wanneer betrokkene bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;

  • f.

    wanneer betrokkene ingevolge onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;

  • g.

    wanneer naar het oordeel van Onze betrokken Ministers gezamenlijk, gehoord de Tweede Kamer der Staten-Generaal, betrokkene door handelen of nalaten ernstig nadeel toebrengt aan het in hem te stellen vertrouwen;

  • h.

    met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op die, waarin betrokkene de leeftijd van zeventig jaar heeft bereikt.

Artikel

101

Artikel

102

Bij algemene maatregel van bestuur worden de bezoldiging, de aanspraken in geval van ziekte, alsmede de overige rechten en plichten die betrekking hebben op de rechtspositie van de leden van de commissie van toezicht en de leden van de afdeling klachtbehandeling geregeld, voor zover daarin niet bij de wet is voorzien.

Artikel

103

Artikel

104

Op de leden van de commissie van toezicht, de leden van de afdeling klachtbehandeling alsmede de tot het secretariaat behorende personen is artikel 14, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de ontheffing, bedoeld in het tweede lid, wordt verleend door Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken.

Artikel

105

De voorzitters van de afdelingen van de commissie van toezicht regelen de werkzaamheden van de afdelingen. De regelingen worden in de Staatscourant bekendgemaakt.

Artikel

106

De vergaderingen van de commissie van toezicht en haar afdelingen zijn niet openbaar.

Paragraaf

7.2

De taakuitvoering door de commissie van toezicht

Paragraaf

7.2.1

Algemene bevoegdheden bij toezicht, klachtbehandeling en de behandeling van meldingen inzake vermoedens van misstanden

Artikel

107

Artikel

108

Artikel

109

Artikel

110

Artikel

111

Een afdeling van de commissie van toezicht dan wel een daartoe door haar aangewezen lid is bevoegd alle plaatsen te betreden, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner, voor zover dat voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig is. De afdeling dan wel het door haar aangewezen lid kan zich daarbij doen vergezellen van door de voorzitter aangewezen personen van het secretariaat, bedoeld in artikel 103.

Paragraaf

7.2.2

De uitoefening van het toezicht door de afdeling toezicht

Artikel

112

Artikel

113

Paragraaf

7.2.3

De behandeling van klachten door de afdeling klachtbehandeling

Artikel

114

Artikel

115

Artikel

116

Aan de behandeling van de klacht wordt niet meegewerkt door een persoon die betrokken is geweest bij het optreden waarop de klacht betrekking heeft.

Artikel

117

Artikel

118

Artikel

119

Artikel

120

De afdeling klachtbehandeling is niet bevoegd een onderzoek in te stellen of voort te zetten indien de klacht betrekking heeft op:

  • a.

    een aangelegenheid die behoort tot het algemeen regeringsbeleid, daaronder begrepen het algemeen beleid ter handhaving van de rechtsorde, of tot het algemeen beleid van het betrokken bestuursorgaan;

  • b.

    een algemeen verbindend voorschrift;

  • c.

    een optreden waartegen beklag kan worden gedaan of beroep kan worden ingesteld, tenzij die gedraging bestaat uit het niet tijdig nemen van een besluit, of waartegen een beklag- of beroepsprocedure aanhangig is;

  • d.

    een optreden ten aanzien waarvan door een bestuursrechter uitspraak is gedaan;

  • e.

    een optreden ten aanzien waarvan een procedure bij een andere rechterlijke instantie dan een bestuursrechter aanhangig is, dan wel beroep openstaat tegen een uitspraak die in een zodanige procedure is gedaan;

  • f.

    een optreden waarop de rechterlijke macht toeziet.

Artikel

121

De afdeling klachtbehandeling is niet verplicht een onderzoek in te stellen of voort te zetten indien:

  • a.

    het klaagschrift niet voldoet aan de vereisten, bedoeld in artikel 115;

  • b.

    de klacht kennelijk ongegrond is;

  • c.

    het belang van de klager bij een onderzoek door de afdeling klachtbehandeling dan wel het gewicht van het optreden kennelijk onvoldoende is;

  • d.

    de klager een ander is dan degene jegens wie het optreden heeft plaatsgevonden;

  • e.

    de klacht betrekking heeft op een optreden waartegen bezwaar kan worden gemaakt, tenzij het optreden bestaat uit het niet tijdig nemen van een besluit, of waartegen een bezwaarprocedure aanhangig is;

  • f.

    de klacht betrekking heeft op een optreden waartegen door de klager bezwaar had kunnen worden gemaakt, beroep had kunnen worden ingesteld of beklag had kunnen worden gedaan;

  • g.

    de klacht betrekking heeft op een optreden ten aanzien waarvan door een andere rechterlijke instantie dan een bestuursrechter uitspraak is gedaan;

  • h.

    niet is voldaan aan het vereiste van artikel 114, tweede lid;

  • i.

    een klacht, hetzelfde optreden betreffende, bij haar in behandeling is of – behoudens indien een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid bekend is geworden en zulks tot een ander oordeel over het bedoelde optreden zou hebben kunnen leiden – door haar is afgedaan;

  • j.

    ten aanzien van optreden dat nauw samenhangt met het onderwerp van het klaagschrift een procedure aanhangig is bij een rechterlijke instantie, dan wel ingevolge bezwaar, administratief beroep of beklag bij een andere instantie;

  • k.

    de klacht betrekking heeft op een optreden dat nauw samenhangt met een onderwerp, dat door het instellen van een procedure aan het oordeel van een andere rechterlijke instantie dan een bestuursrechter onderworpen is;

  • l.

    na tussenkomst van de afdeling klachtbehandeling naar haar oordeel alsnog naar behoren aan de grieven van de klager tegemoet is gekomen.

Artikel

122

Artikel

123

Artikel

124

Paragraaf

7.2.4

De behandeling van meldingen inzake vermoedens van misstanden

Artikel

125

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    melder: een ieder die betrokken is of is geweest bij de uitvoering van deze wet of de Wet veiligheidsonderzoeken;

  • b.

    interne procedure: een door Onze betrokken Minister vastgestelde procedure voor het omgaan met de melding van een vermoeden van een misstand;

  • c.

    vermoeden van een misstand: het vermoeden dat binnen een dienst of bij de coördinator, waarbij de melder werkt of heeft gewerkt of waarmee hij in het kader van de uitvoering van deze wet of de Wet veiligheidsonderzoeken in aanraking is gekomen, sprake is van een misstand voor zover het vermoeden gebaseerd is op redelijke gronden, die voortvloeien uit de kennis die de melder bij de desbetreffende dienst heeft opgedaan of voortvloeien uit de kennis die de melder heeft gekregen in verband met diens betrokkenheid bij de uitvoering van deze wet of de Wet veiligheidsonderzoeken en het maatschappelijk belang in het geding is bij de schending van een wettelijk voorschrift, een gevaar voor de veiligheid van personen, of een gevaar voor het goed functioneren van de openbare dienst als gevolg van een onbehoorlijke wijze van handelen of nalaten.

Artikel

126

Artikel

127

Artikel

128

Artikel

129

Indien de afdeling klachtbehandeling geen onderzoek instelt of dit niet voortzet, deelt zij dit onder vermelding van de redenen zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de melder en, voor zover Onze betrokken Minister op grond van artikel 127, tweede lid, van de melding op de hoogte is gesteld, Onze betrokken Minister mede.

Artikel

130

Met betrekking tot het onderzoek van een melding is artikel 117 van overeenkomstige toepassing.

Artikel

131

Paragraaf

7.3

Verslaglegging door de commissie van toezicht

Artikel

132

Paragraaf

7.4

Overige bepalingen met betrekking tot de commissie van toezicht

Artikel

133

Artikel

134

De artikelen 23 en 24 zijn van overeenkomstige toepassing op de commissie van toezicht.

Hoofdstuk

8

Geheimhouding

Artikel

135

Artikel

136

Artikel

137

Artikel

138

Artikel

139

Indien ten behoeve van de beslissing op een tegen een besluit van Onze betrokken Minister ingediend bezwaarschrift, een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht is ingesteld, komt aan die commissie niet de bevoegdheid, bedoeld in artikel 7:13, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht toe, voor zover deze betrekking heeft op de beslissing over de toepassing van artikel 7:4, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De uitoefening van deze bevoegdheid blijft voorbehouden aan Onze betrokken Minister.

Hoofdstuk

9

Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Artikel

140

Deze wet is mede van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, met inachtneming van het in dit hoofdstuk bepaalde.

Artikel

142

Hoofdstuk

10

Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel

143

Artikel

144

Op gegevens verwerkt door of ten behoeve van inlichtingen- en veiligheidsdiensten die zijn opgeheven, zijn de artikelen 20, 21, 23, 24, 62, 69, 70 alsmede de hoofdstukken 5, 7 en 8 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de desbetreffende bevoegdheden en verplichtingen toekomen aan Onze Minister bij wie de desbetreffende gegevens berusten.

Artikel

145

Artikel

146

Wijzigt de Telecommunicatiewet.

Artikel

147

Wijzigt de Aanpassingswet invoering bachelor-masterstructuur.

Artikel

148

Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel

149

Wijzigt de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement.

Artikel

150

Wijzigt de Wet politiegegevens.

Artikel

151

Wijzigt het Wetboek van Strafrecht.

Artikel

152

Wijzigt de Ambtenarenwet.

Artikel

153

Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000.

Artikel

154

Wijzigt de Wet bescherming persoonsgegevens.

Artikel

155

Wijzigt de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Artikel

156

Wijzigt de Wet Huis voor klokkenluiders.

Artikel

156a

Wijzigt deze wet.

Artikel

157

Wijzigt deze wet.

Artikel

158

Vervallen

Artikel

159

Wijzigt deze wet.

Artikel

160

Wijzigt deze wet.

Artikel

161

Wijzigt deze wet.

Artikel

162

Wijzigt de Comptabiliteitswet 2016.

Artikel

163

Wijzigt de Wet gegevensverwerking en meldplicht cybersecurity.

Artikel

164

Wijzigt de Wijzigingswet Telecommunicatiewet, enz.(aanpassing bewaarplicht telecommunicatiegegevens)(Kst. 34537).

Artikel

165

Artikel 59 is niet van toepassing met betrekking tot door de diensten uitgeoefende bijzondere bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid van dat artikel die hebben plaatsgevonden voor 29 mei 2002.

Artikel

166

Vervallen

Artikel

167

Artikel

169

Na de inwerkingtreding van deze wet berust:

  • 1.

    het Besluit aanwijzing onderwerpen ex artikel 6, tweede lid, onder d, en 7, tweede lid, onder e, Wet op de inlichtingen en veiligheidsdiensten 2002 op artikel 6, eerste lid, van deze wet;

  • 2.

    de Regeling aanwijzing risicolanden op artikel 14 van deze wet;

  • 3.

    het Besluit ex artikel 28 WIV 2002 op artikel 55 van deze wet;

  • 4.

    het Aanwijzingsbesluit artikel 39 WIV 2002 op artikel 67 van deze wet;

  • 5.

    het Besluit van 22 juli 2002 tot vaststelling van de rechtspositie van de voorzitter en leden van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Stb. 2002, 454) op artikel 102 van deze wet;

  • 6.

    het Besluit van 14 mei 2003, houdende regels met betrekking tot benoeming, schorsing en ontslag van tot het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten behorende personen (Stb. 2003, 258), op artikel 103 van deze wet;

  • 7.

    de Aanwijzingsregeling Koninklijke marechaussee ex artikel 60, tweede lid, WIV 2002 op artikel 91 van deze wet.

Artikel

170

Zij die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet lid zijn van de commissie van toezicht, blijven voor de resterende duur van hun benoemingsperiode lid van de commissie van toezicht. Een van de leden, anders dan de voorzitter, wordt door de commissie aangewezen als voorzitter van de afdeling klachtbehandeling.

Artikel

171

Artikel

172

Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin zij zal worden geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te

Hydra
Willem-Alexander
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken, M. Rutte
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk
De Minister van Defensie, J.A. Hennis-Plasschaert
De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok
De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok