Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 16 oktober 2017, nr. IENM/BSK-2017/164339, houdende vaststelling van regels voor subsidies ter bevordering van de totstandkoming van klimaattechnologieën en – innovaties in transport (Subsidieregeling Demonstratie Klimaattechnologieën en – innovaties in transport)

Subsidieregeling Demonstratie Klimaattechnologieën en – innovaties in transport

Artikel

1

Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • alternatieve brandstoffen: brandstoffen of energiebronnen die, althans gedeeltelijk, dienen als vervanging van fossiele bronnen in de energievoorziening voor vervoer en die ertoe kunnen bijdragen dat de energievoorziening koolstofvrij wordt en de milieuprestaties van de vervoersector verbeteren, waarbij biobrandstoffen voldoen aan artikel 29 van de Richtlijn hernieuwbare energie;

  • eerste inschrijving en tenaamstelling: eerste inschrijving en tenaamstelling als bedoeld in artikel 25 van het Kentekenreglement;

  • emissiearme mobiele machine voor gebruik op luchthaventerreinen: gemotoriseerd voertuig, bestemd voor het verrichten van werkzaamheden op land en in de open lucht met uitzondering van landbouwwerkzaamheden, niet zijnde het vervoer van personen of goederen over het spoor of de openbare weg, dat is voorzien van een meerijdende bestuurdersplaats, en alleen op luchthaventerreinen wordt gebruikt, dat:

    • a.

      beschikt over een elektrische aandrijflijn;

    • b.

      beschikt over een hybride aandrijflijn, of

    • c.

      geschikt is voor het rijden op een brandstofmengsel dat voor ten minste 30 procent bestaat uit een alternatieve brandstof, die volledig is gemaakt met behulp van hernieuwbare energiebronnen;

  • emissiearm vaartuig: binnenschip als bedoeld in artikel 1 van de Binnenvaartwet, en vallend binnen de CEMT-klasse I tot en met V, niet zijnde een schip bestemd voor het vervoer van personen, of zeeschip, bestemd voor het vervoer van goederen, dat wordt ingezet voor short sea shipping, met een tonnage van minder dan 5000 GT en een lengte van minder dan 80 meter, dat:

    • a.

      beschikt over een elektrische aandrijflijn;

    • b.

      beschikt over een hybride aandrijflijn, of

    • c.

      geschikt is voor het varen op een brandstofmengsel dat voor ten minste 30 procent bestaat uit een alternatieve brandstof, die volledig is gemaakt met behulp van hernieuwbare energiebronnen;

  • emissiearm vervoermiddel voor vervoer over de weg:

    • bestelbussen, met voertuigkwalificatie N, die beschikken over een elektrische aandrijflijn of een hybride aandrijflijn of geschikt zijn voor het rijden op een brandstofmengsel dat voor ten minste 30 procent bestaat uit een alternatieve brandstof die volledig is gemaakt met behulp van hernieuwbare energiebronnen en die voldoen aan de emissienormen van Euro 6d als bedoeld in Verordening (EG) nr. 715/2007 en Verordening (EG) nr. 692/2008, gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 2016/646, en

    • vrachtauto’s met voertuigkwalificatie N, die beschikken over een elektrische aandrijflijn, een hybride aandrijflijn, of geschikt zijn voor het rijden op een brandstofmengsel dat voor ten minste 30 procent bestaat uit een alternatieve brandstof die volledig is gemaakt met behulp van hernieuwbare energiebronnen, en voldoen aan de emissienormen van Euro VI als bedoeld in Verordening (EG) nr. 595/2009, en

    • personenbussen met voertuigkwalificatie M bestemd voor openbaar vervoer, die beschikken over een elektrische aandrijflijn of een hybride aandrijflijn, en

    • twee- en driewielige voertuigen, met voertuigkwalificatie L, die voorzien zijn van een elektrische hoofdaandrijving;

  • emissiearm vliegtuig: vliegtuig of een subsysteem voor een vliegtuig dat beschikt over een volledig elektrische aandrijflijn of hybride aandrijflijn of geschikt is voor een brandstofmengsel dat voor ten minste 30 procent bestaat uit een alternatieve brandstof die volledig is gemaakt met behulp van hernieuwbare energiebronnen en dat ingezet wordt voor bemand goederen- of personenvervoer in de burgerluchtvaart;

  • emissiearm vervoermiddel: emissiearm vaartuig, emissiearm vervoermiddel voor vervoer over de weg en zero-emissie mobiele machine;

  • groep: een economische eenheid, waarin twee of meer natuurlijke of privaatrechtelijke rechtspersonen financieel of organisatorisch zijn verbonden en waarbij een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon, direct of indirect:

    • a.

      meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan,

    • b.

      volledig aansprakelijk vennoot is voor, of

    • c.

      overwegende zeggenschap heeft over,

    de gezamenlijke natuurlijke of rechtspersonen in de groep;

  • grote onderneming: onderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 24, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • haveninfrastructuur: infrastructuur en faciliteiten, als bedoeld in artikel 2, onderdeel 157 van de algemene groepsvrijstellingverordening, voor het verrichten van vervoer gerelateerde havendiensten, zoals ligplaatsen die voor het afmeren van schepen worden gebruikt, kademuren, aanlegsteigers en drijvende pontons in getijdegebieden, dokken, gedempte gronden en landaanwinningen, infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en ontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen;

  • hernieuwbare energiebronnen: energie uit hernieuwbare, niet-fossiele bronnen, te weten wind- en zonne-energie, aerothermische, geothermische en hydrothermische energie en energie uit de oceanen, waterkracht, biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogas;

  • investering haveninfrastructuurvoorziening: een investering in haveninfrastructuurvoorzieningen als bedoeld in de artikelen 56 ter en 56 quater van de algemene groepsvrijstellingsverordening, waarbij sprake is van bouwen, vervangen of moderniseren van haveninfrastructuur of toegangsinfrastructuur;

  • investering lokale infrastructuurvoorziening: een investering in lokale infrastructuurvoorzieningen als bedoeld in artikel 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, waarbij sprake is van het bouwen of upgraden van lokale infrastructuurvoorzieningen voor infrastructuur die op het lokale niveau bijdraagt tot het verbeteren van het ondernemings- en consumentenklimaat en het moderniseren en ontwikkelen van de industriële basis;

  • investering milieubescherming: een project inhoudende een investering in milieubescherming als bedoeld in artikel 36 en artikel 2, onderdeel 101, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, waarbij sprake is van een maatregel die is gericht op preventie of herstel van aantastingen van de natuurlijke omgeving of de natuurlijke hulpbronnen door de eigen activiteiten van een begunstigde, op beperking van het risico op dergelijke aantastingen, dan wel op aanmoediging van een rationeler gebruik van die hulpbronnen, daaronder begrepen energiebesparende maatregelen en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen;

  • Kaderbesluit: Kaderbesluit subsidies I en M;

  • kleine of middelgrote onderneming: kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • lbu: learning by using;

  • lbu-samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste twee niet in een groep verbonden deelnemers, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van activiteiten;

  • luchthaveninfrastructuur: infrastructuur en uitrusting als bedoeld in artikel 2, onderdeel 144, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor het verrichten van luchthavendiensten door de luchthaven voor luchtvaartmaatschappijen en de diverse dienstverrichters, met inbegrip van start- en landingsbanen, terminals, platforms, taxibanen, gecentraliseerde grondafhandelingsinfrastructuur en alle andere voorzieningen die de luchthavendiensten rechtstreeks ondersteunen, evenwel met uitsluiting van infrastructuur en uitrusting die in hoofdzaak noodzakelijk is voor het uitoefenen van niet-luchtvaart gebonden activiteiten;

  • Minister: Minister van Infrastructuur en Milieu;

  • niet-gouvernementele organisatie: een niet op winst gerichte organisatie die onafhankelijk is van de overheid en beschikt over rechtspersoonlijkheid;

  • onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, die voldoet aan een van de volgende voorwaarden:

    • a.

      de organisatie is onder a, b, g of h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemd als instelling voor hoger onderwijs;

    • b.

      de organisatie is een andere dan de onder a bedoelde geheel of gedeeltelijk door de rijksoverheid gefinancierde onderzoeksorganisatie die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;

    • c.

      de organisatie is een geheel of gedeeltelijk door een andere staat gefinancierde openbare instelling voor hoger onderwijs gelijkwaardig aan een instelling als bedoeld onder a, of

    • d.

      de organisatie is een geheel of gedeeltelijk door een andere staat gefinancierde onderzoeksinstelling die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;

  • project cofinanciering: een investering in lokale infrastructuurvoorzieningen of een investering in haveninfrastructuurvoorzieningen die valt binnen het niet gesubsidieerde deel van een plan waarvoor ten dele subsidie vanuit een Europees subsidieprogramma van de Europese Unie is toegekend;

  • project experimentele ontwikkeling: een project inhoudende experimentele ontwikkeling, bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening waarbij sprake is van het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten;

  • project haalbaarheidsstudie: een project inhoudende een haalbaarheidsstudie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 87, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, waarbij sprake is van een onderzoek of analyse van het potentieel van een project, met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en de zwakke punten van een project, de kansen en risico’s in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat de uiteindelijke slaagkansen zijn;

  • project innovatiecluster: het organiseren van een innovatiecluster als bedoeld in artikel 2, onderdeel 92, en artikel 27 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, waarbij sprake is van een structuur of georganiseerde groepering van onafhankelijke partijen die tot doel hebben innovatieve activiteiten te stimuleren door het delen van faciliteiten en de uitwisseling van kennis en deskundigheid te bevorderen, en door daadwerkelijk bij te dragen aan technologieoverdracht, netwerking, informatieverspreiding en samenwerking tussen de ondernemingen en andere organisaties binnen het cluster;

  • project learning by using: een project experimentele ontwikkeling, dat bestaat uit het ontwikkelen van een nieuw of verbeterd procedé dat wordt gecombineerd met een investering milieubescherming of dat wordt gecombineerd met een investering milieubescherming en een investering lokale infrastructuur;

  • project proeftuin: een project experimentele ontwikkeling, dat bestaat uit het ontwikkelen van een nieuw of verbeterd product of nieuwe of vernieuwde dienst dat wordt gecombineerd met een investering lokale infrastructuur, een investering haveninfrastructuur, een investering milieubescherming of een combinatie hiervan;

  • Richtlijn hernieuwbare energie: Richtlijn 2018/2001/EU van het Europees parlement en de raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) (PbEU 2018, L 328);

  • Verordening (EG) nr. 715/2007 en Verordening (EG) nr. 692/2008, gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 2016/646: Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PbEU 2007, L 171) en Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie van 18 juli 2008 tot uitvoering en wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PbEU 2008, L 199), als gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 2016/646 van de Commissie van 20 april 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 692/2008 wat de emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 6) betreft (PbEU 2016, L 109);

  • Verordening (EG) 595/2009: Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG (PbEU 2009, L 188);

  • voertuigkwalificaties L, L1 en L2: voertuigkwalificatie L als bedoeld in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2013, L 60);

  • Voertuigkwalificaties M, M2, M3, N, N1, N2 en N3: de voertuigkwalificaties M en N als bedoeld in bijlage II, onderdeel A, van de Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn)(PbEU 2007, L 263);

  • voertuig voor gebruik op luchthaventerreinen: emissiearme mobiele machine, die alleen op luchthaventerreinen wordt gebruikt;

  • zero-emissie mobiele machine: voer- of vaartuig, dat door ten minste een persoon in, op of naast het voertuig wordt bestuurd:

    • a.

      waarvoor geldt dat het voer- of vaartuig, bestemd is voor het verrichten van bouwwerkzaamheden op land, op water en in de open lucht met uitzondering van landbouwwerkzaamheden;

    • b.

      waarvoor geldt dat het voer- of vaartuig niet bestemd is voor het vervoer van personen of goederen over spoor, water of openbare weg;

    • c.

      waarvoor geldt dat het voer- of vaartuig voorzien is van een of meer aandrijfmotoren, maar geen uitstoot heeft van verontreinigende gassen of deeltjes, zoals gedefinieerd in verordening 2016/1628 EU, waarbij de vergelijkbare gangbare modellen wel onder de werkingssfeer van deze verordening vallen en wel deze uitstoot hebben, en

    • d.

      ook zijn inbegrepen voertuigen, die bestaan uit een of meer mobiele machines, die zijn gemonteerd op het chassis van voertuigen bestemd voor goederenvervoer over de weg in de voertuigcategorieën N2 of N3, waarbij voor de opbouw het onder c bepaalde van toepassing is en ook het chassisvoertuig geen schadelijke stoffen uitstoot.

Artikel

3

Doel van de regeling

Deze regeling heeft als doel het ondersteunen van projecten gericht op technologie-, innovatie- en kennisontwikkeling in de pre-commerciële fase, die een bijdrage leveren aan het bereiken van een reductie van met name de emissie van CO2, alsmede de emissies van NOx, fijn stof en geluid, in de sectoren bouw, mobiliteit en transport door het gebruik van mobiele machines en vervoermiddelen die in hun energiebehoefte worden voorzien door alternatieve brandstoffen.

Artikel

4

Verstrekken van subsidie voor een project cofinanciering

Onze Minister kan subsidie verstrekken voor een project cofinanciering dat:

  • a.

    bijdraagt aan het realiseren van de doelstelling van deze regeling;

  • b.

    gericht is op de uitrol van:

    • 1°.

      een lokale infrastructuurvoorziening die gebruikt wordt voor alternatieve brandstoffen, of

    • 2°.

      een haveninfrastructuurvoorziening die gebruikt wordt voor alternatieve brandstoffen;

  • c.

    de gerealiseerde lokale infrastructuurvoorziening of haveninfrastructuurvoorziening op open, transparante en niet-discriminerende basis beschikbaar stelt als bedoeld in artikel 56, derde lid, 56 ter, achtste lid, of 56 quater, zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • d.

    geen investering in luchthaveninfrastructuur betreft;

  • e.

    er in voorziet dat iedere vorm van toewijzing aan een derde om de lokale infrastructuurvoorzieningen of haveninfrastructuurvoorzieningen te exploiteren op open, transparante en niet-discriminerende basis plaatsvindt als bedoeld in artikel 56, vierde lid, 56 ter, zevende lid, of 56 quater, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en

  • f.

    in Nederland wordt uitgevoerd.

Artikel

5

Verstrekken van subsidie voor een project innovatiecluster

Onze Minister kan subsidie verstrekken voor een project innovatiecluster dat:

  • a.

    bijdraagt aan het realiseren van de doelstelling van deze regeling;

  • b.

    zich richt op de alternatieve brandstoffen waterstof, biobrandstof of elektriciteit in de sector transport en mobiliteit;

  • c.

    er in voorziet dat toegang tot de panden, faciliteiten en activiteiten van het cluster openstaat voor meerdere gebruikers en op transparante en niet-discriminerende basis wordt verleend als bedoeld in artikel 27, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • d.

    er in voorziet dat de vergoedingen die voor het gebruik van de faciliteiten van het cluster en voor deelname aan de activiteiten van het cluster worden berekend, overeenstemmen met de marktprijs of de kosten ervan weerspiegelen, als bedoeld in artikel 27, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en

  • e.

    in Nederland wordt uitgevoerd.

Artikel

6

Verstrekken van subsidie voor een project experimentele ontwikkeling

Onze Minister kan subsidie verstrekken voor een project experimentele ontwikkeling dat in Nederland wordt uitgevoerd en bijdraagt aan:

  • a.

    het realiseren van de doelstelling van deze regeling;

  • b.

    het versnellen van de ontwikkeling van:

    • 1°.

      emissiearme vervoermiddelen voor vervoer over de weg van goederen met voertuigkwalificaties N1, N2, N3, L1 of L2;

    • 2°.

      emissiearme vervoermiddelen voor vervoer over de weg van personen met voertuigkwalificaties M2 of M3;

    • 3°.

      emissiearme mobiele machines voor gebruik op luchthaventerreinen;

    • 4°.

      zero-emissie mobiele machines, of

    • 5°.

      emissiearme vaartuigen, en

  • c.

    de uitrol of het gebruik van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen uit hernieuwbare bronnen.

Artikel

7

Verstrekken van subsidie voor een project haalbaarheidsstudie

Onze Minister kan subsidie verstrekken voor een project haalbaarheidsstudie dat:

  • a.

    bijdraagt aan het realiseren de doelstelling van deze regeling;

  • b.

    bijdraagt aan het versnellen van de ontwikkeling van emissiearme vervoermiddelen en emissiearme vliegtuigen;

  • c.

    zich richt op de alternatieve brandstoffen waterstof, biobrandstof of elektriciteit in de sectoren bouw, transport en mobiliteit;

  • d.

    bijdraagt aan de uitrol of het gebruik van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen uit hernieuwbare bronnen;

  • e.

    inhoudt een onderzoek of analyse van het potentieel van een project experimentele ontwikkeling, en

  • f.

    in Nederland wordt uitgevoerd.

Artikel

8

Verstrekken van subsidie voor een project proeftuin

Artikel

8a

Verstrekken van subsidie voor een project learning by using

Artikel

9

Verstrekken van subsidie voor een investering lokale infrastructuurvoorziening als onderdeel van een project proeftuin

Vervallen

Artikel

10

Verstrekken van subsidie voor een investering milieubescherming als onderdeel van een project proeftuin of een project learning by using

Onze Minister kan subsidie verstrekken voor een investering milieubescherming als onderdeel van een project proeftuin of een project learning by using die:

  • a.

    de aanvrager in staat stelt het uit zijn activiteiten voortvloeiende niveau van milieubescherming te verhogen door verder te gaan dan de geldende normen van de Europese Unie, ongeacht of er nationale normen bestaan die strenger zijn dan de normen van de Europese Unie, of de aanvrager, bij ontstentenis van normen van de Europese Unie, in staat stelt het uit zijn activiteiten voortvloeiende niveau van milieubescherming te verhogen, en

  • b.

    geen investering bevat die wordt uitgevoerd om te voldoen aan reeds vastgestelde en nog niet in werking getreden normen van de Europese Unie, met uitzondering van:

    • 1°.

      de aanschaf van nieuwe vervoermiddelen voor vervoer per spoor, over de weg, over de binnenwateren en over zee die aan vastgestelde normen van de Europese Unie voldoen, mits deze aanschaf plaatsvindt vóór de inwerkingtreding van die normen en, wanneer die normen bindend worden, deze niet op reeds vóór die datum aangeschafte vervoermiddelen van toepassing zijn, of

    • 2°.

      het retrofitten van bestaande vervoermiddelen voor vervoer per spoor, over de weg, over de binnenwateren en over zee, mits de normen van de Europese Unie nog niet van kracht waren op het tijdstip dat die vervoermiddelen in bedrijf werden genomen, en die normen, zodra deze bindend worden, niet met terugwerkende kracht op die vervoermiddelen van toepassing zijn.

Artikel

11

Maximale projectduur

De maximale duur van projecten waarvoor subsidie kan worden verstrekt is:

  • a.

    bij een project cofinanciering: de duur van het project waar het project cofinanciering deel van uitmaakt en waarvoor subsidie vanuit een Europees subsidieprogramma is toegekend;

  • b.

    bij een project innovatiecluster: 1 jaar;

  • c.

    bij een project experimentele ontwikkeling: 2 jaar;

  • d.

    bij een project haalbaarheidsstudie: 6 maanden;

  • e.

    bij een project proeftuin: 3 jaar;

  • f.

    bij een project learning by using: 3 jaar.

Artikel

12

Subsidieplafonds

Artikel

13

Aanvraagperiode

Artikel

14

Aanvragers

Artikel

15

Aanvraagvereisten

Artikel

16

Wijze van verdelen

Artikel

17

Beoordelingscriteria

Artikel

18

Weigeringsgronden

Een subsidieaanvraag wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 11 en 12 van het Kaderbesluit, in ieder geval afgewezen indien:

  • a.

    er al een subsidie is verstrekt op grond van deze regeling voor hetzelfde project;

  • b.

    er sprake is van ongeoorloofde cumulatie van steun als bedoeld in artikel 8 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • c.

    er sprake is van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • d.

    indien de werkzaamheden aan het project reeds zijn aangevangen voordat de aanvraag voor dat project is ingediend en het stimulerend effect als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening daardoor ontbreekt;

  • e.

    de subsidieverstrekking niet in overeenstemming is met enige andere bepaling in de algemene groepsvrijstellingsverordening, of

  • f.

    een project minder dan 70 punten heeft behaald in de rangschikking.

Artikel

19

Hoogte van de subsidie

Artikel

20

Subsidiabele kosten

Artikel

21

Berekening subsidiabele kosten bij toepassing integrale kostensystematiek

Artikel

22

Berekening subsidiabele kosten bij toepassing kosten per kostendrager met opslag

Artikel

23

Berekening met forfaitair uurtarief loonkosten

Artikel

23a

Bevoorschotting

Artikel

24

Verplichtingen

Artikel

24a

Wijziging subsidieverlening project learning by using

Artikel

25

Adviescommissie

Artikel

26

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 oktober 2021, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor 1 oktober 2021 zijn aangevraagd.

Artikel

27

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Demonstratie Klimaattechnologieën en – innovaties in transport.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma

Bijlage

1

Beoordelingscriteria projecten innovatiecluster

Excellentie

• De kwaliteit en duidelijkheid van de doelstellingen van het innovatiecluster in relatie tot het bepaalde in de artikelen 3 en 5 van de regeling

• De kwaliteit van de voorgestelde aanpak van het innovatiecluster: de mate waarin het project bijdraagt aan het stimuleren van innovatieve activiteiten door:

• het delen van faciliteiten en de uitwisseling van kennis en deskundigheid te bevorderen,

• daadwerkelijk bij te dragen aan technologieoverdracht, netwerking, informatieverspreiding en samenwerking tussen de ondernemingen en andere organisaties binnen het innovatiecluster

40

Impact

• Effectiviteit van de voorgestelde activiteiten van het innovatiecluster: de manier waarop het innovatiecluster gaat bijdragen aan het bepaalde in de artikel 3 en 5 van de regeling

• Kennisoverdracht en communicatie: de mate waarin het project bijdraagt aan publieke kennis en publieke inzichten, en de mate waarin het innovatiecluster een positieve bijdrage levert aan de acceptatiegraad van het onderwerp dat het innovatiecluster vertegenwoordigt

40

Uitvoering

• Projectmanagement: de kwaliteit en efficiëntie van de uitvoering van het project en het projectmanagement in het licht van de samenwerking tussen de bij het project betrokken partijen, opvolging en rapportage, risicobeheer, financieel management en stakeholder-management

• Begroting: is de begroting voldoende duidelijk uitgewerkt, staan de opgevoerde kosten in redelijke verhouding tot de omschreven activiteiten en is het voldoende onderbouwd dat de deelnemers hun eigen aandeel in het project kunnen financieren

• Samenwerking: kwaliteit van de samenwerking tussen de verschillende (keten-) partners en de mate waarin de partners een representatieve afspiegeling zijn van de markt van het betreffende onderwerp

20

Bijlage

2

Beoordelingscriteria projecten experimentele ontwikkeling en proeftuin

Excellentie

TOTAAL:

30

40

De kwaliteit en duidelijkheid van de doelstellingen van het project in relatie tot het bepaalde in artikelen 3, 6 en 8 van de regeling

8

10

De kwaliteit van de voorgestelde aanpak van het project en de mate waarin de samenhang tussen technologie en andere aspecten zoals gedrag en regelgeving in het project worden geadresseerd, zowel ten aanzien van de inhoudelijke projectaanpak als de samenwerking tussen relevante partijen

12

10

De mate waarin technologische vernieuwing wordt gerealiseerd of wezenlijke nieuwe toepassingen worden gerealiseerd van een bestaande technologie

10

20

Impact

TOTAAL:

50

40

Vervolgpotentieel: De manier waarop het project gaat bijdragen aan het bepaalde in artikelen 3, 6 en 8 van de regeling, en hoe het projectresultaat zelf een vervolg krijgt, op basis van o.a. een exploitatie- of businessplan, bijdragen aan de ontwikkeling van wet- en regelgeving, normen en standaarden

20

10

Verdienpotentieel: de mate waarin het project kansen creëert voor de Nederlandse economie, o.a. groei van omzet en werkgelegenheid en exportkansen

10

20

Kennisoverdracht en communicatie: de mate waarin het project bijdraagt aan publieke kennis en publieke inzichten, de wijze waarop resultaten worden gecommuniceerd en de mate waarin het project een positieve bijdrage levert aan de acceptatiegraad van de voorgestelde innovatie

15

5

Neveneffecten: de effecten van het project op niet klimaat-gerelateerde uitlaatgasemissies en geluid

5

5

Uitvoering

TOTAAL:

20

20

Projectmanagement: de kwaliteit en efficiëntie van de uitvoering van het project, opvolging en rapportage, risicobeheer, financieel management en stakeholder-management

8

8

Begroting: is de begroting voldoende duidelijk uitgewerkt, staan de opgevoerde kosten in redelijke verhouding tot de omschreven activiteiten en is voldoende onderbouwd dat de deelnemers hun eigen aandeel in het project kunnen financieren

6

6

Samenwerking: kwaliteit van de samenwerking tussen de verschillende (keten-)partners

6

6

TOTAAL

100

100