Artikel
1
Met deze beleidsregel wordt nadere invulling gegeven aan de begrippen “constructie” en “gebruikt of zal worden gebruikt”, als bedoeld in artikel 1, onderdelen j en k, van het Loodsplichtbesluit 1995. Bij beoordeling door de regionale autoriteit van aanvragen als bedoeld in artikel 6, derde lid, van het Loodsplichtbesluit 1995 om als lage kruiplijn-coaster of binnen/buiten-schip te worden ingeschreven in het Register loodsplicht kleine zeeschepen worden bij toetsing de navolgende criteria aangehouden:
Binnen/buiten-schip (Loodsplichtbesluit 1995, artikel 1, onder j):
-
1.
Lengte over alles van minder dan 115 meter;
-
2.
Blijkens zijn constructie vergelijkbaar is met een binnenschip;
-
a.
geringe diepgang: zomerdiepgang van minder dan of gelijk aan 5,5 meter;
-
b.
lage opbouw (airdraft): hoogte van minder of gelijk aan 18 meter, gemeten van de kiel tot het hoogste vaste punt van het schip;
-
c.
relatief lang en slank schip: verhouding lengte/breedte is groter of gelijk aan 6,0.
-
a.
-
3.
Aangetoond wordt dat het schip gebruikt wordt of zal worden gebruikt voor de vaart op de binnenwateren die niet zijn opgenomen in de bijlage bij de Scheepvaartverkeerswet (dus op niet-loodsplichtige binnenwateren) en in een beperkt vaargebied op zee, in het bijzonder de kustwateren (binnen 200 nautische mijlen uit de kust).
Lage kruiplijn-coaster (Loodsplichtbesluit 1995, artikel 1, onder k):
-
1.
Lengte over alles van minder dan 115 meter;
-
2.
een zodanige vorm of constructie heeft dat het geschikt is voor de vaart op niet-loodsplichtige binnenwateren en daarvoor wordt gebruikt of zal worden gebruikt:
-
a.
geringe diepgang: zomerdiepgang van minder dan of gelijk aan 5,5 meter;
-
b.
lage opbouw (airdraft): hoogte van minder of gelijk aan 9,1 meter, gemeten van de kiel tot het hoogste vaste punt van het schip.
-
a.