Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 24 september 2018, kenmerk 1418368-180788-Z, houdende bepalingen omtrent de in de Zorgverzekeringswet bedoelde vereveningsbijdrage voor het jaar 2019 (Regeling risicoverevening 2019)
Bij de indeling van verzekerden bij de klassen van het vereveningscriterium MHK laat het Zorginstituut de kosten van verpleging en verzorging buiten beschouwing.
3
Bij de indeling van verzekerden bij de klassen van het vereveningscriterium GGZ-MHK laat het Zorginstituut de kosten van het tweede en derde jaar intramurale geestelijke gezondheidszorg buiten beschouwing.
Artikel
6
In afwijking van artikel 5 en bijlage 1, tabellen 1.2, 1.3, 1.4, 1.5 en 1.11, en bijlage 2, tabellen 2.2 en 2.3, wordt een verzekerde die in het buitenland woont ingedeeld in de klassen ‘Geen FKG’, ‘Geen primaire DKG’, ‘Geen secundaire DKG’, ‘Geen HKG’, ’Geen FDG’, ‘Geen FKG psychische aandoeningen’ en ‘Geen DKG psychische aandoeningen’, waarbij voor hem het gewicht van die klassen door het Zorginstituut wordt vastgesteld op een percentage van de gewichten van de desbetreffende klassen zoals deze op grond van de genoemde tabellen voor in Nederland wonende verzekerden gelden.
Artikel
7
1
De nominale rekenpremie per jaar bedraagt € 1.380 per zorgverzekering waarvoor premie moet worden betaald.
2
Het Zorginstituut raamt de opbrengst van de nominale rekenpremie per zorgverzekeraar, bedoeld in artikel 3.10, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering, door het geraamde aantal zorgverzekeringen waarvoor premie moet worden betaald te vermenigvuldigen met de nominale rekenpremie.
3
Het Zorginstituut raamt het aantal zorgverzekeringen waarvoor premie moet worden betaald, bedoeld in het tweede lid, door het geraamde aantal zorgverzekeringen van verzekerden van achttien jaar en ouder bij een zorgverzekeraar, te verminderen met het geraamde aantal zorgverzekeringen van verzekerden, bedoeld in artikel 24 van de wet.
Artikel
8
1
Het Zorginstituut raamt de opbrengst van het verplicht eigen risico per zorgverzekeraar, bedoeld in artikel 3.10, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering, door het geraamde aantal verzekerden van achttien jaar en ouder, te verminderen met het geraamde aantal verzekerden, bedoeld in artikel 24 van de wet, en het resultaat te vermenigvuldigen met de geraamde opbrengst van het verplicht eigen risico per verzekerde.
2
Het Zorginstituut gaat voor de bepaling van de geraamde opbrengst per verzekerde, bedoeld in het eerste lid, voor verzekerden van achttien jaar of ouder die zowel onder de klasse ‘Geen FKG’, als onder de klassen ‘Geen primaire DKG’, ‘Geen secundaire DKG’, ‘Geen HKG’, ‘Geen MVV’ en ‘Geen FDG’ vallen en niet worden ingedeeld bij MHK-klasse ‘2 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 10 procent’ of hoger, uit van verzekerdenaantallen onderverdeeld in klassen naar leeftijd en geslacht, AVI, regio en MHK en de in bijlage 3 genoemde gewichten. Hierbij wordt de in de bijlage 3 aangegeven klassenindeling van de criteria aangehouden.
3
De geraamde opbrengst per verzekerde, bedoeld in het eerste lid, bedraagt € 353,16 voor verzekerden van achttien jaar of ouder waarop het tweede lid niet van toepassing is.
Artikel
9
1
Het Zorginstituut wijst bij samenloop van klassen van een vereveningscriterium alleen de hoogste klasse van dat criterium toe.
2
In afwijking van het eerste lid wijst het Zorginstituut alle toepasselijke klassen van het vereveningscriterium FKG’s toe met inachtneming van de volgende uitzonderingen:
a.
In geval van samenloop bij de klassen ‘Diabetes type I met hypertensie’, ‘Diabetes type I zonder hypertensie’, ‘Diabetes type II met hypertensie’ en ‘Diabetes type II zonder hypertensie’, deelt het Zorginstituut een verzekerde in bij eerstgenoemde klasse die voor de betreffende verzekerde van toepassing is en niet bij de andere genoemde klassen;
b.
Indien een verzekerde is ingedeeld bij de klasse ’Psychose en verslaving’, deelt het Zorginstituut deze verzekerde niet in bij de klasse ‘Depressie’;
c.
Indien een verzekerde is ingedeeld bij de klasse ‘Neuropathische pijn’, deelt het Zorginstituut deze verzekerde niet in bij de klasse ‘Chronische pijn exclusief opioïden’;
d.
In geval van samenloop bij de klassen ‘COPD/Zware astma o.b.v. add-on’, ‘COPD/Zware astma’ en ‘Astma’, deelt het Zorginstituut een verzekerde in bij eerstgenoemde klasse die voor de betreffende verzekerde van toepassing is en niet bij de andere genoemde klassen;
e.
Indien een verzekerde is ingedeeld bij de klasse ‘Auto-immuunziekten o.b.v. add-on’, deelt het Zorginstituut deze verzekerde niet in bij de klasse ‘Reuma’ en niet bij de klasse ‘Psoriasis’ en niet bij de klasse ‘Ziekte van Crohn/Colitis Ulcerosa’;
f.
Indien een verzekerde is ingedeeld bij de klasse ‘Aandoeningen van hersenen/ruggenmerg: multiple sclerose’, deelt het Zorginstituut deze verzekerde niet in bij de klasse ‘Aandoeningen van hersenen/ruggenmerg: overig’;
g.
In geval van samenloop bij de klassen ‘Kanker o.b.v. add-on’, ‘Kanker’ en ‘Hormoongevoelige tumoren’, deelt het Zorginstituut een verzekerde in bij eerstgenoemde klasse die voor de betreffende verzekerde van toepassing is en niet bij de andere genoemde klassen;
h.
Indien een verzekerde is ingedeeld bij de klasse ‘COPD/Zware astma o.b.v. add-on’, ‘COPD/Zware astma’, ‘Hartaandoeningen’ en/of ‘Pulmonale arteriële hypertensie’, deelt het Zorginstituut deze verzekerde niet in bij de klasse ‘Chronische antistolling’.
3
Het Zorginstituut deelt bij het vereveningscriterium FKG’s een verzekerde niet in op basis van het gebruik van geneesmiddelen die in het voorgaande kalenderjaar zijn opgehouden dure intramurale geneesmiddelen te zijn.
4
In afwijking van het eerste lid deelt het Zorginstituut een verzekerde die in meerdere klassen van het vereveningscriterium AVI is in te delen, in op basis van de volgende trechtering:
a.
als eerste: 0 tot en met 17 jaar of 65 jaar en ouder;
b.
als tweede: duurzaam en volledig arbeidsongeschikten (IVA);
c.
als derde: arbeidsongeschikten;
d.
als vierde: bijstandsgerechtigden;
e.
als vijfde: studenten;
f.
als zesde: werklozen en loontrekkers, behalve als zij hoogopgeleid en 18 tot en met 44 jaar zijn;
g.
als zevende: zelfstandigen;
h.
als achtste: hoogopgeleiden van 18 tot en met 44 jaar;
i.
als negende: alle verzekerden die niet zijn ingedeeld onder a tot en met h. Zij vormen samen met de verzekerden onder f de referentiegroep.
5
In afwijking van het eerste lid wijst het Zorginstituut alle toepasselijke klassen van het vereveningscriterium FKG’s psychische aandoeningen toe met inachtneming van de volgende uitzondering: In geval van samenloop bij de klassen ‘Psychose depot’, ‘Chronische stemmingsstoornissen complex’, ‘Psychose’, ‘Bipolaire stoornissen complex’, ‘Bipolaire stoornissen regulier’ en ‘Chronische stemmingsstoornissen’, deelt het Zorginstituut een verzekerde in bij eerstgenoemde klasse die voor de betreffende verzekerde van toepassing is en niet bij de andere genoemde klassen.
6
Het Zorginstituut deelt verzekerden in een Wlz-instelling bij het vereveningscriterium SES in in de klasse ‘1 (zeer laag)’ en bij het vereveningscriterium MVV in de klasse ‘Geen MVV’.
7
Het Zorginstituut deelt bij het vereveningscriterium GGZ-MHK verzekerden met kosten op de percentielgrens ’98,5 procent met kosten >10 euro’ naar rato in bij de betreffende klassen.
8
Het Zorginstituut deelt bij het vereveningscriterium MVV verzekerden met kosten op de percentielgrens naar rato in bij de betreffende klassen.
9
Indien een percentielgrens als bedoeld in het achtste lid, gelijk is aan nul euro, deelt het Zorginstituut, in afwijking van het achtste lid, verzekerden met kosten op die percentielgrens in bij de klasse ‘Geen MVV’.
10
Het Zorginstituut stelt als bijlage bij de beleidsregels, bedoeld in artikel 32, vijfde lid, van de Zorgverzekeringswet, referentiebestanden vast voor de vereveningscriteria FKG’s, primaire DKG’s, secundaire DKG’s, HKG’s, AVI, PPA, regio, FDG, FKG’s psychische aandoeningen, DKG’s psychische aandoeningen en GGZ-regio ter onderbouwing van de indeling van verzekerden in de klassen van het betreffende vereveningscriterium.
Hoofdstuk
3
Regels ten behoeve van de vaststelling van de vereveningsbijdrage (ex post) ten behoeve van een zorgverzekeraar
Artikel
10
1
Een verzekerde die slechts gedurende een deel van het vereveningsjaar bij een zorgverzekeraar verzekerd was, telt voor het vaststellen van de vereveningsbijdrage voor die zorgverzekeraar mee in een mate die bepaald wordt door het aantal dagen dat hij in dat jaar bij die zorgverzekeraar verzekerd was te delen door het aantal dagen in dat jaar.
2
Indien een verzekerde gedurende een aantal dagen van het vereveningsjaar bij meer dan één zorgverzekeraar verzekerd was, telt hij voor het vaststellen van de vereveningsbijdrage over die periode mee in een mate die bepaald wordt door het getal 1 te delen door het aantal zorgverzekeraars waarbij hij in die periode verzekerd was.
Artikel
11
1
Nadat het Zorginstituut de gerealiseerde kosten op de in de artikelen 12 tot en met 15 beschreven wijze heeft toegedeeld, herberekent het Zorginstituut voor de clusters ‘variabele zorgkosten’ en ‘kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg’ de relevante deelbedragen.
2
Het Zorginstituut gaat bij de herberekening, bedoeld in het eerste lid, uit van de gerealiseerde kosten voor elk van de in het eerste lid genoemde clusters van prestaties en van gerealiseerde aantallen verzekerden per klasse van ieder vereveningscriterium. Voor de herberekening van de vereveningsbijdrage voor het cluster ‘variabele zorgkosten’ past het Zorginstituut de gewichten in de tabellen van bijlage 1 toe. Voor de herberekening van de vereveningsbijdrage voor het cluster ‘kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg’ past het Zorginstituut de gewichten in de tabellen van bijlage 2 toe.
3
De gerealiseerde aantallen verzekerden per klasse van ieder vereveningscriterium worden voor de hiernavolgende criteria aan de hand van realisatiecijfers over de volgende jaren berekend:
a.
leeftijd en geslacht: 2019;
b.
FKG’s: 2018;
c.
primaire DKG’s: 2017 en 2018;
d.
secundaire DKG’s: 2017 en 2018;
e.
HKG’s: 2018;
f.
AVI: 2019;
g.
regio: 2019;
h.
SES: 2018 en 2019;
i.
MHK: 2016, 2017 en 2018;
j.
GGZ-regio: 2019;
k.
FKG’s psychische aandoeningen: 2018;
l.
DKG’s psychische aandoeningen: 2016, 2017 en 2018;
m.
PPA: 2018 en 2019;
n.
GGZ-MHK: 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018;
o.
FDG: 2018;
p.
MVV: 2016, 2017 en 2018.
4
In afwijking van het tweede lid herberekent het Zorginstituut het gewicht van de klasse ‘Geen FKG’ zodanig dat het voor de klassen ‘Auto-immuunziekten o.b.v. add-on’, ‘Kanker o.b.v. add-on’, ‘Groeistoornissen o.b.v. add-on’, ‘Immunoglobuline o.b.v. add-on’, ‘COPD/Zware astma o.b.v. add-on’, ‘Extreem hoge kosten cluster 1’, ‘Extreem hoge kosten cluster 2’ en ‘Extreem hoge kosten cluster 3’ gesommeerde verschil tussen de vermenigvuldiging van het gerealiseerde aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.2 en de vermenigvuldiging van het bij toekenning van de vereveningsbijdrage verwachte aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.2, teniet wordt gedaan. Het Zorginstituut rondt het herberekende gewicht af op twee decimalen.
5
In afwijking van het tweede lid herberekent het Zorginstituut het gewicht voor elke klasse van de vereveningscriteria primaire DKG’s en secundaire DKG’s zodanig dat per klasse het resultaat van de vermenigvuldiging van het herberekende gewicht met het gerealiseerde aantal verzekerden gelijk is aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het gewicht in tabel 1.3 respectievelijk tabel 1.4 met het bij toekenning van de vereveningsbijdragen verwachte aantal verzekerden. Het Zorginstituut rondt de herberekende gewichten af op twee decimalen.
6
In afwijking van het tweede lid herberekent het Zorginstituut het gewicht voor de klasse ‘Geen MHK’ zodanig dat het voor de klassen ‘3 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 1,5 procent’ en ‘3 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 0,5 procent’ gesommeerde verschil tussen de vermenigvuldiging van het gerealiseerde aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.10 en de vermenigvuldiging van het bij toekenning van de vereveningsbijdrage verwachte aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.10, teniet wordt gedaan. Het Zorginstituut rondt het herberekende gewicht af op twee decimalen.
7
In afwijking van het tweede lid, herberekent het Zorginstituut het gewicht van de klasse ‘Geen MVV’ zodanig dat voor het criterium MVV de gesommeerde resultaten van de vermenigvuldiging van de gewichten met het gerealiseerde aantal verzekerden, nul bedragen. Het Zorginstituut rondt het herberekende gewicht af op twee decimalen.
8
In afwijking van het tweede lid, herberekent het Zorginstituut het gewicht van de klasse ‘Geen DKG psychische aandoeningen’ zodanig dat voor het criterium DKG’s psychische aandoeningen de gesommeerde resultaten van de vermenigvuldiging van de gewichten met het gerealiseerde aantal verzekerden, nul bedragen. Het Zorginstituut rondt het herberekende gewicht af op twee decimalen.
9
Het Zorginstituut gebruikt bij de herberekening, bedoeld in het eerste lid, de referentiebestanden, bedoeld in artikel 9, tiende lid.
uit de specificatie blijkt dat zij ofwel gelden als kosten van geneeskundige zorg zoals medisch specialisten die plegen te bieden als bedoeld in artikel 2.4 van het Besluit Zorgverzekering – met uitzondering van de kosten, bedoeld in subonderdeel b – ofwel als kosten van verblijf als bedoeld in artikel 2.12 van het Besluit zorgverzekering – met uitzondering van de kosten, bedoeld in subonderdeel b – ofwel als kosten van geneeskundige zorg zoals verpleegkundigen die plegen te bieden als bedoeld in artikel 2.10 van het Besluit zorgverzekering en, voor zover die zorg daarmee gepaard gaat, kosten van verblijf, aan als kosten van het cluster ‘variabele zorgkosten’;
b.
uit de specificatie blijkt dat zij gelden als kosten van geneeskundige zorg zoals klinisch psychologen en psychiaters die plegen te bieden die gericht is op het herstel van een psychische aandoening alsmede het daarmee gepaard gaande verblijf gedurende een onafgebroken periode van niet meer dan 1095 dagen, aan als kosten van het cluster ‘kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg’;
c.
uit de specificatie niet blijkt dat zij gelden als kosten als bedoeld onder a of b aan als kosten van het cluster ‘variabele zorgkosten’.
2
Het Zorginstituut merkt kosten voor prestaties van grensoverschrijdende zorg die gemaakt zijn met toepassing van internationale regelingen inzake sociale zekerheid, aan als kosten van het cluster ‘variabele zorgkosten’.
Artikel
13
1
Met uitzondering van betalingen uit hoofde van een verplicht of vrijwillig eigen risico, deelt het Zorginstituut zorgkosten die voor rekening komen van de verzekerden niet toe aan een cluster van prestaties.
2
Het Zorginstituut deelt renteheffingskosten niet toe aan een cluster van prestaties.
Artikel
14
1
Het Zorginstituut merkt de kosten van prestaties, geleverd door instellingen die meedoen aan experimenten in de zin van de Wet marktordening gezondheidszorg, voor een door hem per instelling vast te stellen percentage aan als kosten van het cluster ‘variabele zorgkosten’.
2
Het Zorginstituut merkt de kosten van de Stichting Kinderoncologie Nederland en van de Nederlandse Transplantatiestichting voor 75 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele zorgkosten’.
Artikel
15
1
Het Zorginstituut merkt de kosten van prestaties, geleverd door instellingen die meedoen aan experimenten in de zin van de Wet marktordening gezondheidszorg, per instelling voor medisch-specialistisch zorg voor 100 procent minus het door hem op basis van artikel 14, eerste lid, vastgestelde percentage, aan als kosten van het cluster ‘vaste zorgkosten’.
2
Het Zorginstituut merkt de kosten van de Stichting Kinderoncologie Nederland en van de Nederlandse Transplantatiestichting voor 25 procent aan als kosten van het cluster ‘vaste zorgkosten’.
3
Het Zorginstituut merkt de kosten voor de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten en de patiëntenparticipatie voor de Patiëntenfederatie Nederland zoals benoemd in het bestuurlijk akkoord MSZ 2019 tot en met 2022 (onder 3.2 a), de Agenda gepast gebruik en transparantie in de GGZ zoals benoemd in het bestuurlijk akkoord GGZ 2019 tot en met 2022 (onder 6.2 a) en de Project- en kwaliteitsgelden zoals sinds 2016 beschikbaar en zoals benoemd in het Bestuurlijk akkoord huisartsenzorg 2019 tot en met 2022 (onder 3.1b iii punt 7) aan als kosten van het cluster ‘vaste zorgkosten’.
4
Het Zorginstituut merkt de kosten van geneesmiddelen met ingang van het tijdstip waarop ze ophouden dure intramurale geneesmiddelen te zijn tot en met 31 december van het daaropvolgende kalenderjaar aan als kosten van het cluster ‘vaste zorgkosten’.
5
Het Zorginstituut calculeert 100 procent na op het verschil tussen de kosten van het cluster ‘vaste zorgkosten’, vastgesteld ingevolge het eerste tot en met vijfde lid enerzijds, en het herberekende deelbedrag ‘vaste zorgkosten’ na toepassing van artikel 3.15, tweede lid van het Besluit zorgverzekering.
Artikel
16
1
De opbrengst van de nominale rekenpremie, bedoeld in artikel 3.19, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering, wordt berekend overeenkomstig artikel 7, met dien verstande, dat wordt uitgegaan van het gerealiseerde aantal zorgverzekeringen waarvoor premie moest worden betaald.
De artikelen 5, tweede en derde lid, 6 en 9 zijn van overeenkomstige toepassing bij de vaststelling van de vereveningsbijdrage ten behoeve van een zorgverzekeraar.
Hoofdstuk
4
Aanvullingen op de vereveningsbijdrage aan een zorgverzekeraar
Betaling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraar door het Zorginstituut
Artikel
19
De betaling van de bijdrage geschiedt overeenkomstig door het Zorginstituut te stellen beleidsregels, waarin een betaalschema is opgenomen dat rekening houdt met declaratiepatronen van zorgaanbieders.
Hoofdstuk
6
Slotbepalingen
Artikel
20
Deze regeling treedt in werking met ingang van 30 september 2018. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 29 september 2018, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 30 september 2018.
Artikel
21
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling risicoverevening 2019.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
(behorende bij artikel 5 van de Regeling risicoverevening 2019)
De bijlage betreft kosten van zorg behorende tot het cluster ‘variabele zorgkosten’. De in deze bijlage genoemde gewichten zijn bedoeld voor de ex ante berekening van het normatieve bedrag ten behoeve van een zorgverzekeraar (artikel 5) en vormen de basis voor de ex post berekening van het normatieve bedrag ten behoeve van een zorgverzekeraar (artikel 11, tweede lid).
Tabel 1.1. Gewichten voor het vereveningscriterium leeftijd en geslacht (in euro’s per verzekerde)
Mannen
0 jaar, geboren in het vereveningsjaar
9.320.25
0 jaar, geboren in het voorafgaande jaar
2.814.85
1–4 jaar
2.181.48
5–9 jaar
2.001.07
10–14 jaar
2.001.70
15–17 jaar
2.084.57
18–24 jaar
1.858.44
25–29 jaar
1.859.81
30–34 jaar
1.859.44
35–39 jaar
1.938.25
40–44 jaar
2.007.80
45–49 jaar
2.142.81
50–54 jaar
2.302.10
55–59 jaar
2.586.41
60–64 jaar
2.876.98
65–69 jaar
3.275.53
70–74 jaar
3.728.88
75–79 jaar
4.112.85
80–84 jaar
4.474.99
85–89 jaar
5.091.72
90+ jaar
5.806.62
Vrouwen
0 jaar, geboren in het vereveningsjaar
8.081.17
0 jaar, geboren in het voorafgaande jaar
2.518.61
1–4 jaar
1.913.15
5–9 jaar
1.972.22
10–14 jaar
2.027.96
15–17 jaar
2.202.45
18–24 jaar
2.099.48
25–29 jaar
2.567.77
30–34 jaar
2.712.83
35–39 jaar
2.372.63
40–44 jaar
2.174.58
45–49 jaar
2.242.82
50–54 jaar
2.330.92
55–59 jaar
2.448.20
60–64 jaar
2.588.35
65–69 jaar
2.884.24
70–74 jaar
3.191.73
75–79 jaar
3.481.86
80–84 jaar
3.953.61
85–89 jaar
4.490.13
90+ jaar
5.122.20
Tabel 1.2. Gewichten voor het vereveningscriterium FKG’s (in euro’s per verzekerde)
Geen FKG
– 304.98
Schildklieraandoeningen
60.70
Glaucoom
253.50
Depressie
157.07
Psychose en verslaving
537.59
Epilepsie
562.65
Chronische antistolling
835.15
Transplantaties
1.280.02
Parkinson
2.346.19
Hartaandoeningen
1.803.11
Chronische pijn exclusief opioïden
932.64
Neuropatische pijn
1.733.88
Diabetes type II zonder hypertensie
387.58
Diabetes type II met hypertensie
827.11
Diabetes type I zonder hypertensie
1.833.68
Diabetes type I met hypertensie
2.088.89
Cystic fibrosis/pancreasenzymen
3.410.90
Groeistoornissen o.b.v. add-on
2.515.46
Aandoeningen van hersenen/ruggenmerg: overig
2.297.37
Aandoeningen van hersenen/ruggenmerg: multiple sclerose
5.433.38
HIV/AIDS
6.301.70
Psoriasis
707.63
Ziekte van Crohn/Colitis Ulcerosa
717.57
Reuma
670.40
Auto-immuunziekten o.b.v. add-on
5.602.18
Nieraandoeningen
7.788.79
Acromegalie
12.734.42
Immunoglobuline o.b.v. add-on
13.777.54
Astma
451.73
COPD/Zware astma
1.705.06
COPD/Zware astma o.b.v. add-on
12.671.23
Hormoongevoelige tumoren
919.57
Kanker
1.277.70
Kanker o.b.v. add-on
11.560.92
Pulmonale arteriële hypertensie
22.724.83
Extreem hoge kosten cluster 1
117.200.82
Extreem hoge kosten cluster 2
243.003.89
Extreem hoge kosten cluster 3
395.119.17
Tabel 1.3. Gewichten voor het vereveningscriterium primaire DKG’s (in euro’s per verzekerde)
Geen primaire DKG
– 222.95
1
655.60
2
1.409.39
3
1.358.90
4
1.586.29
5
2.778.97
6
2.484.10
7
4.478.37
8
6.225.54
9
7.415.23
10
7.161.87
11
11.859.12
12
15.192.18
13
12.727.44
14
67.546.91
15
49.059.05
Tabel 1.4. Gewichten voor het vereveningscriterium secundaire DKG’s (in euro’s per verzekerde)
Geen secundaire DKG
– 100.69
1
1.034.53
2
2.672.59
3
4.263.71
4
8.316.82
5
15.529.77
6
19.138.16
7
71.000.14
Tabel 1.5. Gewichten voor het vereveningscriterium HKG’s (in euro’s per verzekerde)
Geen HKG
– 52.92
CPAP apparatuur
219.18
Therapeutische elastische kousen
423.70
Voorzieningen voor stomapatiënten
1.171.92
Vernevelaar met toebehoren
1.936.39
Middelen voor urine-opvang
1.966.37
Injectiespuiten met toebehoren (excl. diabetes)
2.370.91
Zuurstofapparaten met toebehoren
4.181.33
Voedingshulpmiddelen (excl. zuigelingen)
8.169.70
Slijmuitzuigapparatuur
19.978.41
Draagbare infuuspompen
10.196.30
Tabel 1.6. Gewichten voor het vereveningscriterium AVI (in euro’s per verzekerde)
0-17 jaar
0.00
65+ jaar
0.00
Duurzaam en volledig arbeidsongeschikten (IVA)
18–34 jaar
2.416.64
35–44 jaar
1.328.18
45–54 jaar
1.175.46
55–64 jaar
894.82
Arbeidsongeschikten excl. IVA
18–34 jaar
239.77
35–44 jaar
472.55
45–54 jaar
524.41
55–64 jaar
447.67
Bijstandsgerechtigden
18–34 jaar
282.82
35–44 jaar
265.59
45–54 jaar
380.79
55–64 jaar
373.20
Studenten
18–34 jaar
– 171.04
Zelfstandigen
18–34 jaar
– 91.24
35–44 jaar
– 130.89
45–54 jaar
– 183.92
55–64 jaar
– 256.52
Hoogopgeleiden
18–34 jaar
– 10.55
35–44 jaar
– 73.12
Referentiegroep
18–34 jaar
20.91
35–44 jaar
– 19.96
45–54 jaar
– 62.13
55–64 jaar
– 89.15
Tabel 1.7. Gewichten voor het vereveningscriterium regio (in euro’s per verzekerde)
1
61.52
2
38.45
3
28.56
4
8.97
5
– 6.19
6
– 17.21
7
– 19.02
8
– 29.20
9
– 37.43
10
– 29.03
Tabel 1.8. Gewichten voor het vereveningscriterium SES (in euro’s per verzekerde)
1 (zeer laag)
0–17 jaar
95.57
18–64 jaar
21.12
65+ jaar
423.46
2 (laag)
0–17 jaar
19.89
18–64 jaar
30.96
65+ jaar
5.06
3 (midden)
0–17 jaar
– 12.95
18–64 jaar
10.65
65+ jaar
– 97.32
4 (hoog)
0–17 jaar
– 64.52
18–64 jaar
– 45.85
65+ jaar
– 254.85
Tabel 1.9. Gewichten voor het vereveningscriterium PPA (in euro’s per verzekerde)
0–17 jaar
0.00
Wlz-instelling, blijvend
18–64 jaar
– 409.34
65–79 jaar
– 2.185.89
80+ jaar
– 3.635.99
Wlz-instelling, instromend
18–64 jaar
6.943.54
65–79 jaar
12.840.46
80+ jaar
10.240.00
Eenpersoonshuishouden
18–64 jaar
– 43.96
65–79 jaar
– 35.59
80+ jaar
– 1.76
Overig
18–64 jaar
5.91
65–79 jaar
– 17.69
80+ jaar
– 28.98
Tabel 1.10. Gewichten voor het vereveningscriterium MHK (in euro’s per verzekerde)
Geen MHK
– 614.28
Ten minste 1 van de 3 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 30 procent
140.62
2 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 10 procent
2.644.31
3 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 15 procent
2.314.77
3 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 10 procent
3.680.45
3 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 7 procent
5.640.12
3 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 4 procent
8.814.22
3 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 1,5 procent
18.070.99
3 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 0,5 procent
45.981.27
Tabel 1.11. Gewichten voor het vereveningscriterium FDG (in euro’s per verzekerde)
Geen FDG
– 23.99
1
688.20
2
2.074.29
3
1.487.76
4
12.338.97
Tabel 1.12. Gewichten voor het vereveningscriterium MVV (in euro’s per verzekerde)
Geen MVV
– 194.17
Gesommeerde kosten V&V 3 voorafgaande jaren in top 3,5 procent
1.084.88
Gesommeerde kosten V&V 3 voorafgaande jaren in top 3 procent
1.711.95
Gesommeerde kosten V&V 3 voorafgaande jaren in top 2,5 procent
3.156.44
Gesommeerde kosten V&V 3 voorafgaande jaren in top 2 procent
5.805.57
Gesommeerde kosten V&V 3 voorafgaande jaren in top 1,5 procent
8.742.75
Gesommeerde kosten V&V 3 voorafgaande jaren in top 1 procent
11.882.64
Gesommeerde kosten V&V 3 voorafgaande jaren in top 0,5 procent
16.837.19
Gesommeerde kosten V&V 3 voorafgaande jaren in top 0,25 procent
30.851.12
Kosten V&V voorafgaand jaar in top 0,25%; 0–17 jaar
62.692.04
Bijlage
2
Normbedragen vereveningsmodel GGZ
(behorende bij artikel 5 van de Regeling risicoverevening 2019)
De bijlage betreft de kosten van zorg behorende tot het cluster ‘kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg’. De in deze bijlage genoemde vereveningscriteria zijn van toepassing voor verzekerden van achttien jaar en ouder; de gewichten zijn bedoeld voor de ex ante berekening van het normatieve bedrag ten behoeve van een zorgverzekeraar (artikel 5) en vormen de basis voor de ex post berekening van het normatieve bedrag ten behoeve van een zorgverzekeraar (artikel 11, tweede lid).
Tabel 2.1. Gewichten voor het vereveningscriterium leeftijd en geslacht (in euro’s per verzekerde)
Mannen
18–24 jaar
337.53
25–29 jaar
332.84
30–34 jaar
322.79
35–39 jaar
307.24
40–44 jaar
291.77
45–49 jaar
266.17
50–54 jaar
263.11
55–59 jaar
248.97
60–64 jaar
248.97
65–69 jaar
242.96
70–74 jaar
242.96
75–79 jaar
242.96
80–84 jaar
241.78
85–89 jaar
241.78
90+ jaar
241.78
Vrouwen
18–24 jaar
381.63
25–29 jaar
354.58
30–34 jaar
324.29
35–39 jaar
319.99
40–44 jaar
291.77
45–49 jaar
285.86
50–54 jaar
263.11
55–59 jaar
248.97
60–64 jaar
248.97
65–69 jaar
242.96
70–74 jaar
245.34
75–79 jaar
242.96
80–84 jaar
241.78
85–89 jaar
241.78
90+ jaar
241.78
Tabel 2.2. Gewichten voor het vereveningscriterium FKG’s psychische aandoeningen (in euro’s per verzekerde)
Geen FKG psychische aandoeningen
– 24.94
ADHD
146.81
Verslaving
186.04
Angststoornissen
804.34
Chronische stemmingsstoornissen
221.20
Bipolaire stoornissen regulier
508.99
Bipolaire stoornissen complex
1.547.19
Psychose
1.186.54
Chronische stemmingsstoornissen complex
1.858.73
Psychose depot
3.955.15
Tabel 2.3. Gewichten voor het vereveningscriterium DKG’s psychische aandoeningen (in euro’s per verzekerde)
Geen DKG psychische aandoeningen
– 112.71
1
427.49
2
953.93
3
1.706.40
4
3.781.56
5
4.444.05
6
4.851.13
7
8.574.11
8
10.498.00
9
10.772.75
10
18.088.17
11
20.245.57
12
31.962.24
13
37.384.73
14
51.077.60
15
49.229.35
16
119.883.52
17
61.143.01
Tabel 2.4. Gewichten voor het vereveningscriterium AVI (in euro’s per verzekerde)
65+ jaar
0.00
Duurzaam en volledig arbeidsongeschikten (IVA)
18–34 jaar
– 18.27
35–44 jaar
– 49.54
45–54 jaar
– 20.87
55–64 jaar
– 6.73
Arbeidsongeschikten excl. IVA
18–34 jaar
451.38
35–44 jaar
394.27
45–54 jaar
150.26
55–64 jaar
36.17
Bijstandsgerechtigden
18–34 jaar
349.14
35–44 jaar
193.91
45–54 jaar
125.40
55–64 jaar
42.42
Studenten
18–34 jaar
– 65.81
Zelfstandigen
18–34 jaar
– 72.01
35–44 jaar
– 49.54
45–54 jaar
– 20.87
55–64 jaar
– 6.73
Hoogopgeleiden
18–34 jaar
– 71.39
35–44 jaar
– 49.54
Referentiegroep
18–34 jaar
– 8.77
35–44 jaar
– 20.28
45–54 jaar
– 17.88
55–64 jaar
– 6.73
Tabel 2.5. Gewichten voor het vereveningscriterium GGZ-regio (in euro’s per verzekerde)
1
101.44
2
2.35
3
– 0.63
4
– 13.82
5
– 14.94
6
– 14.94
7
– 14.94
8
– 14.94
9
– 14.94
10
– 14.94
Tabel 2.6. Gewichten voor het vereveningscriterium SES (in euro’s per verzekerde)
1 (zeer laag)
18–64 jaar
– 4.25
65+ jaar
15.48
2 (laag)
18–64 jaar
– 13.20
65+ jaar
– 3.38
3 (midden)
18–64 jaar
– 13.20
65+ jaar
– 7.75
4 (hoog)
18–64 jaar
24.93
65+ jaar
– 2.75
Tabel 2.7. Gewichten voor het vereveningscriterium PPA (in euro’s per verzekerde)
Wlz-instelling, blijvend
18–64 jaar
– 19.10
65–79 jaar
– 39.56
80+ jaar
– 38.38
Wlz-instelling, instromend
18–64 jaar
– 19.10
65–79 jaar
650.41
80+ jaar
145.12
Eenpersoonshuishouden
18–64 jaar
68.02
65–79 jaar
29.42
80+ jaar
– 1.40
Overig
18–64 jaar
– 10.16
65–79 jaar
– 11.58
80+ jaar
– 2.02
Tabel 2.8. Gewichten voor het vereveningscriterium GGZ-MHK (in euro’s per verzekerde)
Geen GGZ-MHK
– 66.29
Ten minste 1 van de 3 voorafgaande jaren kosten GGZ in top 98,5 procent met kosten GGZ >10 euro
234.61
Ten minste 2 van de 5 voorafgaande jaren kosten GGZ in top 10 promille1
1.324.18
Ten minste 2 van de 5 voorafgaande jaren kosten GGZ in top 5 promille1
2.844.28
Ten minste 2 van de 5 voorafgaande jaren kosten GGZ in top 2,5 promille1
4.962.25
Ten minste 2 van de 5 voorafgaande jaren kosten GGZ in top 1 promille1
11.724.57
5 voorafgaande jaren kosten GGZ in top 5 promille
13.683.23
5 voorafgaande jaren kosten GGZ in top 2,5 promille
28.724.45
1 Voor verzekerden jonger dan 24 jaar: ten minste 1 van de 5 voorafgaande jaren.
Bijlage
3
Normbedragen vereveningsmodel voor de eigen betalingen onder het verplicht eigen risico
Alleen volwassenen zonder FKG/primaire DKG/secundaire DKG/ HKG/FDG/MVV en niet ingedeeld bij MHK-klasse “2 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 10 procent” of hoger
(behorende bij artikel 8, tweede lid van de Regeling risicoverevening 2019)
De bijlage betreft het eigen risico.
De in deze bijlage genoemde gewichten zijn bedoeld voor de berekening van de specifiek voor een zorgverzekeraar geraamde opbrengst van het verplicht eigen risico (artikel 8, tweede lid) en vormen de basis voor de herberekening van de opbrengst van het verplicht eigen risico ten behoeve van de vaststelling van de vereveningsbijdrage van een zorgverzekeraar (artikel 16, tweede lid).
Tabel 3.1. Gewichten voor het vereveningscriterium leeftijd en geslacht (in euro’s per verzekerde)
Mannen
18–24 jaar
128.72
25–29 jaar
126.59
30–34 jaar
128.80
35–39 jaar
133.73
40–44 jaar
138.65
45–49 jaar
147.50
50–54 jaar
159.69
55–59 jaar
181.36
60–64 jaar
200.42
65–69 jaar
218.44
70–74 jaar
239.66
75–79 jaar
256.15
80–84 jaar
259.31
85–89 jaar
263.66
90+ jaar
251.04
Vrouwen
18–24 jaar
176.61
25–29 jaar
174.21
30–34 jaar
170.68
35–39 jaar
168.58
40–44 jaar
175.45
45–49 jaar
183.43
50–54 jaar
191.94
55–59 jaar
201.20
60–64 jaar
210.53
65–69 jaar
225.30
70–74 jaar
243.90
75–79 jaar
258.35
80–84 jaar
258.62
85–89 jaar
249.92
90+ jaar
220.79
Tabel 3.2. Gewichten voor het vereveningscriterium AVI (in euro’s per verzekerde)
65+ jaar
0.00
Duurzaam en volledig arbeidsongeschikten (IVA)
18–34 jaar
78.90
35–44 jaar
68.89
45–54 jaar
60.85
55–64 jaar
44.13
Arbeidsongeschikten excl. IVA
18–34 jaar
56.19
35–44 jaar
64.70
45–54 jaar
51.71
55–64 jaar
33.73
Bijstandsgerechtigden
18–34 jaar
44.19
35–44 jaar
46.40
45–54 jaar
37.27
55–64 jaar
16.98
Studenten
18–34 jaar
– 8.85
Zelfstandigen
18–34 jaar
– 5.34
35–44 jaar
– 8.01
45–54 jaar
– 10.25
55–64 jaar
– 13.59
Hoogopgeleiden
18–34 jaar
– 10.10
35–44 jaar
– 12.58
Referentiegroep
18–34 jaar
0.44
35–44 jaar
– 0.55
45–54 jaar
– 3.08
55–64 jaar
– 2.26
Tabel 3.3. Gewichten voor het vereveningscriterium regio (in euro’s per verzekerde)
1
6.00
2
3.06
3
2.23
4
0.20
5
0.22
6
– 1.65
7
– 2.17
8
– 2.60
9
– 2.49
10
– 3.05
Tabel 3.4. Gewichten voor het vereveningscriterium MHK (in euro’s per verzekerde)
Geen MHK
– 31.53
Ten minste 1 van de 3 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 30 procent