Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 12 juli 2019, nr. 9161960, houdende regels voor het verstrekken van subsidie ten behoeve van opleidingsscholen (Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen 2019)

Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen 2019

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

Besluiten:

Hoofdstuk

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Hoofdstuk

2

Subsidie voor opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen

§

2.1

Algemeen

Artikel

3

Te subsidiëren activiteiten

De Minister kan subsidie verstrekken aan een bevoegd gezag als bedoeld in artikel 4 als tegemoetkoming in de kosten van de begeleiding van studenten en de inrichting en instandhouding van een opleidingsinfrastructuur.

Artikel

4

Penvoerderschap

Artikel

5

Subsidieplafonds

Artikel

6

Verantwoording

Artikel

7

Besteding subsidie

Als de activiteiten zijn uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

§

2.2

Bijzondere bepalingen subsidie opleidingsscholen

Artikel

8

Subsidieaanvraag

Artikel

9

Subsidiebedrag en verdeling subsidie

Artikel

10

Subsidieverplichtingen

Artikel

11

Vaststelling en betaling

Artikel

12

Weigeringsgronden

§

2.3

Bijzondere bepalingen subsidie aspirant-opleidingsscholen

Artikel

13

Criterium doelgroep aspirant-opleidingsschool

Een aspirant-opleidingsschool komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking, indien van de opleidingsplaatsen binnen de aspirant-opleidingsschool:

  • a.

    ten minste 60% zich bevindt op scholen in het po;

  • b.

    ten minste 60% zich bevindt op scholen in het vo; of

  • c.

    ten minste 60% zich bevindt op scholen in het bve.

Artikel

14

Hoogte subsidiebedrag eerste twee schooljaren

Aan een aspirant-opleidingsschool wordt voor de eerste twee schooljaren eenmaal een vast subsidiebedrag verstrekt van € 500.000.

Artikel

15

Subsidieaanvraag eerste twee schooljaren

Artikel

16

Beoordeling subsidieaanvragen en verdeling beschikbare middelen

Artikel

17

Vaststelling en betaling subsidie eerste twee schooljaren

Artikel

17a

Subsidieverstrekking schooljaar 2023-2024 en verder

In het schooljaar 2023-2024 of in de daaropvolgende schooljaren kan op grond van deze regeling geen subsidie worden aangevraagd of verstrekt voor aspirant-opleidingsscholen in het eerste of tweede schooljaar. De artikelen 15, 16 en 17, eerste lid, zijn niet van toepassing op het schooljaar 2023-2024 of daaropvolgende schooljaren.

Artikel

18

Subsidieverstrekking voor een derde of vierde schooljaar

Artikel

18a

Beoordeling basiskwaliteit aspirant-opleidingsschool

Artikel

18b

Verlenging aspirantfase

Artikel

19

Subsidieverplichtingen

Artikel

20

Weigeringsgronden

§

2.4

Commissie beoordelingsgerichte peer review

Artikel

20a

Samenstelling en taken commissie beoordelingsgerichte peer review

Artikel

20b

Ondersteuning commissie beoordelingsgerichte peer review

DUS-I voert het secretariaat van de commissie beoordelingsgerichte peer review.

Artikel

20c

Werkwijze commissie beoordelingsgerichte peer review

Hoofdstuk

3

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

21a

Overgangsbepaling

Artikel

21b

Aanvullende subsidie schooljaar 2021–2022

Elke opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool in het derde en vierde leerjaar die in schooljaar 2021–2022 in aanmerking komt voor subsidie als bedoeld in artikel 9, ontvangt in aanvulling op die subsidie een bedrag van € 30.000,-. Dit aanvullende bedrag is bestemd voor het stimuleren van de groei van de studentaantallen binnen de opleidingsschool, onderscheidenlijk de aspirant-opleidingsschool in het derde en vierde schooljaar.

Artikel

22

Inwerkingtreding en vervaldatum

Deze regeling treedt in werking met ingang van 29 juli 2019 en vervalt met ingang van 29 juli 2024.

Artikel

23

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen 2019.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven
De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob

Bijlage

1

behorende bij artikel 19, eerste lid, van de Regeling tegemoetkoming opleidingsscholen 2019

Hieronder zijn de criteria opgenomen aan de hand waarvan een opleidingsschool aan het eind van de aspirantfase beoordeeld wordt. Onder een opleidingsschool wordt verstaan, conform de omschrijving in het kwaliteitskader Samen Opleiden & Inductie en in navolging van de eerdere omschrijving van NVAO (2009), een partnerschap tussen één of meer scholen voor po, vo of bve en één of meer lerarenopleidingen die in gezamenlijkheid toekomstige leraren op de werkplek opleiden’. De criteria zijn gebaseerd op de vier waarborgen uit het Kwaliteitskader Samen Opleiden & Inductie van december 2021:

https://www.platformsamenopleiden.nl/wp-content/uploads/2022/01/Kwaliteitskader-Samen-Opleiden-en-Inductie-en-werkwijze-peer-review-2.pdf

Een aspirant opleidingsschool heeft gedurende vier jaar toegewerkt naar de in het kwaliteitskader geformuleerde basiskwaliteit voor Samen Opleiden. Bij de beoordelingsgerichte peer review wordt aan de hand van een kritische reflectie beoordeeld of deze basiskwaliteit gerealiseerd en geborgd is bij de vier waarborgen:

  • Lerende leraar

  • Leeromgeving

  • Organisatie

  • Kwaliteitscultuur

Lerende leraar

Het partnerschap heeft een gezamenlijk en gedragen beeld van het beroep van leraar en heeft dat vertaald in een visie op het leren en opleiden van leraren.

• Het partnerschap heeft een geëxpliciteerde visie op het opleiden van aankomende leraren. Hierin is in ieder geval (ook) een gedeelde visie opgenomen op de wijze waarop leraren zich ontwikkelen tijdens hun loopbaan.

• De visie op het opleiden van aankomende leraren sluit aan bij het beroepsbeeld dat het partnerschap heeft van de leraar.

Leeromgeving

Het partnerschap heeft op basis van de visie op het leren van de leraar, een samenhangende en consistente leeromgeving gerealiseerd. Deze leeromgeving ondersteunt (aankomende) leraren in hun leer- en ontwikkelproces als professional. Er is sprake van een gezamenlijke verantwoordelijkheid, verbinding tussen theorie en praktijk, en samenhang en verbinding tussen het leren op het opleidingsinstituut en op de werkplek.

• Er is een gezamenlijk opleidingsprogramma voor verschillende groepen aankomende leraren.

• Het is transparant hoe dit programma gezamenlijk wordt uitgevoerd in de praktijk.

• Doelstellingen, programma’s en beoordelingswijzen zijn vastgelegd.

• De werkplek is een professionele leeromgeving waarin aankomende en startende leraren zich optimaal kunnen ontwikkelen.

Organisatie

Het partnerschap heeft verantwoordelijkheden en benodigde competenties van de verschillende actoren vastgelegd, afgestemd en ingebed in de organisatiestructuur/HRM. Zo is deze structuur een adequate basis voor het realiseren van de gezamenlijke visie en de daarmee samenhangende leeromgeving.

• Het partnerschap heeft een overleg- en afsprakenstructuur voor de verschillende actoren, waarin de gezamenlijkheid tot uitdrukking komt.

• De verantwoordelijkheden en benodigde competenties van de verschillende actoren binnen het partnerschap zijn vastgesteld en ingebed in de organisatiestructuur.

• Voor de verschillende actoren in het partnerschap is een aanpak uitgewerkt op professionele ontwikkeling.

Kwaliteitscultuur

Bij een kwaliteitscultuur wordt vanuit een gedeelde visie in een open dialoog met alle actoren gewerkt aan het oog hebben voor kwaliteit én de verbetering daarvan binnen het partnerschap. Uitgangspunt bij het creëren van een kwaliteitscultuur is dat het partnerschap ‘het goede, zoals geformuleerd bij waarborg 1, 2 en 3, concreet uitvoert en daarin goed wil zijn’. Dit betekent dat regelmatig een open gesprek wordt gevoerd over aandachtspunten, zoals: Is wat we willen bereiken (waarborg 1) nog actueel en relevant? Bereiken we daadwerkelijk wat we willen bereiken? Doen we wat we willen doen en is dat effectief (waarborg 2)? Is dat op de goede manier georganiseerd (waarborg 3)? En doen we dit voldoende in gezamenlijkheid? Aan dat gesprek, waarin het geven en ontvangen van feedback centraal staat, nemen diverse actoren (ook aankomende leraren) deel. Er wordt in de gesprekken gebruikgemaakt van gegevens die door middel van verschillende kwantitatieve en kwalitatieve onderzoeksmethodieken zijn verzameld.

• Het partnerschap gebruikt een systematiek om de basiskwaliteit te bewaken én de continue ontwikkeling van het partnerschap te borgen.

• Om dit te bereiken worden regelmatig de volgende vragen besproken:

– Doen we het goede? Hoe weten we dat?

– Vinden anderen dat ook (bijvoorbeeld via audits met externen, ontwikkelingsgerichte peer review)?

– Wat doen we met die wetenschap?

• Om deze vragen te beantwoorden wordt gebruikgemaakt van onderzoeksuitkomsten.

• Op basis van de antwoorden worden vervolgstappen afgesproken, uitgevoerd, geëvalueerd en bijgesteld.

Beoordelingscriteria

Voor de beoordeling van basiskwaliteit kijkt de commissie naar:

  • 1.

    De concrete beschrijving van basiskwaliteit per waarborg;

  • 2.

    de samenhang tussen de waarborgen;

  • 3.

    de uitvoering in de praktijk van wat is beschreven;

  • 4.

    de gezamenlijkheid in die uitvoering.

Weging:

De commissie adviseert over de basiskwaliteit bij alle waarborgen aan de hand van de bovengenoemde vier criteria. De beoordeling van elk waarborg dient voldoende te zijn. Een nadere uitwerking van de wijze waarop de basiskwaliteit per waarborg wordt beoordeeld, is te vinden op dus-i.nl via https://www.dus-i.nl/subsidies/t/tegemoetkoming-opleidingsscholen.

Bijlage

2

behorende bij de artikelen 9 en 21a, eerste en tweede lid, van de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen 2019

Rekenregel financieringsmodel 2020

  • 1.

    Formule, behorende bij artikel 9, eerste en tweede lid

    Als Qt≤ Bt, dan geldt:

    x1,t (st)=€ 100.000+(€ 955*st)

  • 2.

    Formule, behorende bij artikel 9, vijfde lid

    Als Qt> Bt, dan geldt:

    XB1,t (Nt, STt, st Bt) = € 100.000+(((Bt-(€ 100.000* Nt ))/STt)*st)

  • 3.

    Formule, behorende bij artikel 9, vierde lid

    Als t=2020, dan geldt:

    XB1,2020 (N2020, ST2020, s2020, B2020, OR2020) = € 100.000+(((B2020-(€ 100.000* N2020-OR2020))/ST2020)*s2020)

    Als t=2021, dan geldt:

    XB1,2021 (N2021, ST2021, s2021, B2021, OR2021) = € 100.000+(((B2021-(€ 100.000* N2021-OR2021))/ST2021)*s2021)

  • 4.

    Formule, behorende bij artikel 21a, eerste lid

    Als t=2020, dan geldt:

    x2,2020 = x1,2020+((x0,2020- x1,2020)*0,85)

    Als t=2020 en Qt> Bt dan geldt:

    x2,2020 = XB1,2020+((x0,2020- x1,2020)*0,85)

  • 5.

    Formule, behorende bij artikel 21a, tweede lid

    Als t=2021, dan geldt:

    x2,2021 = x1,2021+((x0,2020- x1,2020)*0,60)

    Als t=2021 en Qt> Bt dan geldt:

    x2,2021 = XB1,2021+((x0,2020- x1,2020)*0,60)

Toelichting

Qt = totaalbedrag van de subsidie naar opleidingsscholen in het schooljaar (t/ t+1), berekend volgens artikel 9 eerste en tweede lid, en artikel 21A. Dit is de som van alle x2,t (voor 2020 en 2021), x1,t (na 2021 en als het subsidieplafond niet wordt overschreden) of XB1,t (na 2021 en als het subsidieplafond wordt overschreden).

ORt: totaalbedrag overgangsregeling. Dit is de som van de individuele bedragen op basis van de overgangsregeling. Voor 2020 is dit de som van de volgende formule: (x0,2020- x1,2020)*0,85. Voor 2021 is dit de som van de volgende formule: (x0,2020- x1,2020)*0,60.

STt = totaal aantal studenten op de opleidingsscholen in het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd en wordt toegekend (studentenaantal totaal in schooljaar t-1/t).

st = studentaantal van de opleidingsschool in het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd en wordt toegekend (studentenaantal in schooljaar t-1/t).

Nt = aantal opleidingsscholen in het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd en wordt toegekend (aantal opleidingsscholen in schooljaar t-1/t).

x0,2020 = bedrag per opleidingsschool op basis van de staffelsystematiek (oude financieringssystematiek) in schooljaar 2020/2021.

XB1,t = bedrag per opleidingsschool op basis van de nieuwe financieringssystematiek in schooljaar (t/ t+1) indien het subsidieplafond wordt overschreden.

x1,t = bedrag per opleidingsschool op basis van de nieuwe financieringssystematiek in schooljaar (t/ t+1).

x2,t = bedrag per opleidingsschool op basis van de nieuwe financieringssystematiek in schooljaar (t/ t+1) + overgangsregeling.

Als Qt≤ Bt

x1 is afhankelijk van:

  • st: het aantal studenten op een opleidingsschool in schooljaar (t-1/t).

Als Qt> Bt

XB1 is afhankelijk van:

  • Nt: het aantal opleidingsscholen in schooljaar (t-1/t)

  • STt: het totaal aantal studenten van alle opleidingsscholen in schooljaar (t-1/t)

  • st: het aantal studenten op een opleidingsschool in schooljaar (t-1/t)

  • Bt: het subsidieplafond op tijdstip t

  • ORt: totaalbedrag overgangsregeling (de som van de individuele bedragen op basis van de overgangsregeling).

Oude financieringsmodel

60-139

€  200.000

140-179

€  280.000

180-219

€  320.000

220-259

€  340.000

260-299

€  380.000

300-339

€  420.000

340-379

€  460.000

380 en meer

€  500.000

Bijlage

3

behorende bij artikel 16, eerste lid, van de Regeling tegemoetkoming opleidingsscholen 2019

Beoordelingscriteria aspirant-opleidingsscholen

Deze tabel bevat een samenvatting van de criteria. Elk van de criteria wordt uitgewerkt op drie onderdelen:

  • de vertaling van de te realiseren basiskwaliteit (zoals opgenomen in het kwaliteitskader) naar het partnerschap;

  • de huidige stand van zaken;

  • het ontwikkelpad van de huidige stand van zaken naar de basiskwaliteit (zoals opgenomen in het kwaliteitskader).

I

Lerende leraar

  • a.

    Vertaling van de te realiseren basiskwaliteit ten aanzien van de lerende leraar naar het partnerschap.

  • b.

    beschrijving van de stand van zaken ten aanzien van de lerende leraar binnen het partnerschap.

  • c.

    Beschrijving hoe het partnerschap de basiskwaliteit ten aanzien van de lerende leraar tijdens de subsidieperiode wil realiseren.

II

Leeromgeving

  • a.

    Beschrijving van de stand van zaken ten aanzien van de huidige leeromgeving binnen het partnerschap.

  • b.

    Vertaling van de te realiseren basiskwaliteit ten aanzien van de leeromgeving naar het partnerschap

  • c.

    Beschrijving hoe het partnerschap de basiskwaliteit ten aanzien van de leeromgeving tijdens de subsidieperiode wil realiseren.

III

Organisatie

  • a.

    Beschrijving van de stand van zaken van de huidige organisatie binnen het partnerschap.

  • b.

    Vertaling van de te realiseren basiskwaliteit ten aanzien van de organisatie naar het eigen partnerschap

  • c.

    Beschrijving hoe het partnerschap de basiskwaliteit ten aanzien van de organisatie tijdens de subsidieperiode wil realiseren.

IV

Kwaliteitscultuur

  • a.

    Beschrijving van de stand van zaken van de huidige kwaliteitscultuur binnen het partnerschap.

  • b.

    Vertaling van de te realiseren basiskwaliteit ten aanzien van de kwaliteitscultuur naar het eigen partnerschap

  • c.

    Beschrijving hoe het partnerschap de basiskwaliteit (zoals opgenomen in het Kwaliteitskader) voor de kwaliteitscultuur tijdens de subsidieperiode wil realiseren.

Weging:

De Minister toetst alle aanvragen aan de bovengenoemde vier criteria. De gemiddelde beoordeling van deze criteria dient voldoende te zijn. Een nadere uitwerking van bovenstaande criteria en de wijze waarop wordt beoordeeld, is te vinden op dus-i.nl via https://www.dus-i.nl/subsidies/t/tegemoetkoming-opleidingsscholen.

Bijlage

4

behorende bij artikel 15, tweede lid, onderdeel b, van de Regeling tegemoetkoming opleidingsscholen 2019

Het ontwikkelplan van de aspirant-opleidingsschool bevat in ieder geval:

  • 1.

    een lijst van deelnemende opleidingen, besturen en scholen (inclusief status accreditatie, laatste inspectieoordeel);

  • 2.

    een opgave van de beoogde studentenaantallen (per onderwijssector) aan het einde van de ontwikkelperiode;

  • 3.

    een (concept)beschrijving van de beoogde structuur van de opleidingsschool (inclusief rollen schoolopleider en werkplekbegeleider*);

  • 4.

    een beschrijving waarin wordt aangegeven op welke onderdelen de aspirant-opleidingsschool al denkt te voldoen aan de kaders genoemd in bijlage 1 bij deze regeling en op welke onderdelen de aspirant-opleidingsschool zich nog gaat ontwikkelen in de ontwikkelperiode (inclusief hiervoor benodigde activiteiten en planning).

Bij de beschrijving van punt 4 worden in ieder geval de volgende producten uit het kader, genoemd in bijlage 1 bij deze regeling, benoemd:

  • opleidingsplan (standaard 1)

  • gezamenlijke visie op professionalisering (standaard 2)

  • gezamenlijke visie op HR-beleid

  • kwaliteitszorgplan (standaard 4)

Specifiek wordt hierbij aangegeven hoe gewerkt wordt aan de benodigde kwalificatie van het personeel.

Het ontwikkelplan is maximaal 20 A4 groot

* De schoolopleider is de algemeen begeleider van studenten en coördinator van de praktijkopleiding op de school die ook verantwoordelijk is voor de kwaliteit van begeleiding en beoordeling.

De werkplekbegeleider is de begeleider van studenten tijdens het werkplekleren in de praktijk.