Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 28 augustus 2020, nr. VO/5375953, houdende regels voor de voorzieningenplanning bij scholen in het voortgezet onderwijs in Caribisch Nederland (Regeling voorzieningenplanning vo CN 2020)
Regeling voorzieningenplanning vo CN 2020
De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,
naam van het eiland dat de beoogde plaats van vestiging omvat;
k.
gewaarmerkt uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel; en
l.
beschrijving van het onderwijskundig concept in ten hoogste 3.000 tekens.
2
Uit het document, bedoeld in artikel 11.45a, tweede lid, onderdeel c, van de wet, blijkt dat de in dat lid bedoelde partijen zijn gevraagd om te overleggen over de aanvraag, waarbij de voorgestelde datum van het overleg dient te liggen in de periode van 15 september in het kalenderjaar voorafgaand aan de aanvraag en 14 september van het kalenderjaar van de aanvraag.
3
De aanvraag tot bekostiging wordt ingediend met een formulier dat is bekendgemaakt op de website www.duo.nl.
Artikel
6a
Aanvragen tot bekostiging 2022
In afwijking van artikel 6, tweede lid, blijkt voor aanvragen die worden ingediend in 2022 uit het document, bedoeld in artikel 11.45a, tweede lid, onderdeel c, van de wet, dat in de periode van 15 september 2021 en 15 september 2022 de in dat artikel bedoelde partijen zijn uitgenodigd om te overleggen.
De verklaring omtrent het gedrag wordt zowel met het formulier langs digitale weg als bedoeld in artikel 6, derde lid, als in originele vorm aan DUO verstrekt.
vbo, de profielen bouwen, wonen en interieur, produceren, installeren en energie, mobiliteit en transport, media, vormgeving en ICT, maritiem en techniek, dienstverlening en producten: 3,90;
e.
vbo, de profielen economie en ondernemen en horeca, bakkerij en recreatie: 3,80;
f.
vbo, het profiel zorg en welzijn: 4,10;
g.
vbo, het profiel groen: 4,00;
h.
het praktijkonderwijs: 4,80.
2
Het aantal verblijfsjaren voor een nevenvestiging als bedoeld in artikel 11.50 van de wet is voor de schoolsoort:
De ouderverklaring, bedoeld in artikel 11.45b, eerste lid, onder a, van de wet, wordt door de ouder ingediend bij de afdeling OCW Caribisch Gebied, ondergebracht bij de Rijksdienst Caribisch Nederland in de periode van 1 juli tot en met 29 oktober in het kalenderjaar van de aanvraag.
2
Na indiening van de aanvraag kan daarvoor geen ouderverklaring meer worden ingediend.
3
De ouder kan de ouderverklaring uiterlijk op 29 oktober, bedoeld in het eerste lid, intrekken. Deze maakt dan geen onderdeel meer uit van de belangstellingsmeting.
4
Na indiening van de aanvraag kan de ouderverklaring niet meer worden ingetrokken.
5
Indien de aanvrager een melding van een voorgenomen aanvraag intrekt, vervallen de hierbij behorende ingediende ouderverklaringen.
6
De ouder kan in een volgend kalenderjaar opnieuw een ouderverklaring als bedoeld in artikel 145b, eerste lid, van de wet, indienen ten aanzien van hetzelfde kind, indien de aanvraag waarvoor eerder een ouderverklaring is ingediend:
a.
wel is gemeld, maar niet is ingediend; of
b.
is afgewezen.
7
Vanaf 30 oktober in het jaar van de aanvraag stelt DUO aan de aanvrager het aantal geldige ouderverklaringen beschikbaar.
8
Degene die een ouderverklaring indient ontvangt daarvoor geen beloning in enige vorm.
9
Bij overtreding van het achtste lid kan de minister besluiten dat alle ingediende ouderverklaringen geen deel meer uitmaken van de desbetreffende belangstellingsmeting.
op het eiland van de plaats van vestiging een groei van ten minste 19% in het aantal leerlingen in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar wordt verwacht tussen het kalenderjaar waarin het marktonderzoek plaatsvindt en het tiende kalenderjaar daaraanvolgend; of
b.
met een beroep op artikel 4.4 van de wet een aanvraag tot bekostiging van een openbare school of scholengemeenschap wordt ingediend.
2
Bij het aantonen van een groei als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, gebruikt het bevoegd gezag in ieder geval gegevens verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek en een voorspelling ten aanzien van de woningbouw van het eiland.
Per individuele leerling vult de ouder een vragenlijst in.
3
Het marktonderzoek inventariseert de voorkeur van de ondervraagden voor een school en schoolsoort, doordat de ondervraagden een keuze kunnen maken uit het reeds bestaande scholenaanbod binnen het voedingsgebied aangevuld met de school en schoolsoort waarop de aanvraag betrekking heeft. Het reeds bestaande scholenaanbod omvat alleen scholen die de schoolsoort aanbieden waarop de aanvraag betrekking heeft.
4
Het marktonderzoek heeft als hoofdvraag ‘Op welke gepresenteerde school en schoolsoort zou u uw kind inschrijven?’.
5
De vraagstelling en de informatie die voorafgaand en tijdens het marktonderzoek wordt verstrekt door het onderzoeksbureau, is ten aanzien van de scholen, bedoeld in het derde lid, op dezelfde wijze vormgegeven en gepresenteerd, neutraal opgesteld en op geen enkele wijze sturend.
6
De informatie die wordt verstrekt per school, bedoeld in het derde lid, is in ieder geval voorzien van de naam van de school, de naam van het bevoegd gezag, een website van de school, en eiland van vestiging. De informatie voor de school en schoolsoort waarop de aanvraag betrekking heeft omvat tevens een korte omschrijving van het onderwijskundig concept.
7
Voor controle door de minister op de juistheid van de berekeningen, levert het bevoegd gezag een volledig onderzoeksrapport aan, waarin de volgende gegevens zijn opgenomen:
a.
een beschrijving van de gebruikte onderzoeksmethode, met daarin opgenomen op welke wijze tot een aselecte groep van ondervraagden is gekomen, hoe de representativiteit van de ondervraagden is geborgd, hoe de data zijn geanalyseerd, inclusief de berekening van het belangstellingspercentage, het totale aantal ondervraagden, het totale aantal reacties, het totale aantal reacties per school en schoolsoort en de beperkingen van het onderzoek;
b.
een beschrijving van de wijze waarop ondervraagden benaderd zijn, inclusief correspondentie aan ondervraagden;
c.
de vragenlijst zoals voorgelegd aan ondervraagden;
d.
de informatie over de scholen, bedoeld in het derde lid, zoals gepresenteerd aan ondervraagden; en
e.
de periode waarin het onderzoek heeft plaatsgevonden.
Het bevoegd gezag kan een aanvraag voor een omzetting als bedoeld in artikel 4.9, eerste lid, van de wet, indienen voor 1 november voorafgaand aan het kalenderjaar van de omzetting.
2
Het bevoegd gezag vraagt advies aan de Rijksvertegenwoordiger over de voorgenomen omzetting. Indien de Rijksvertegenwoordiger advies geeft, wordt dit advies met de aanvraag voor omzetting meegezonden.
Artikel
14
Omzetting bijzondere school in openbare school
1
Het bevoegd gezag meldt voor 1 april schriftelijk aan DUO het voornemen om per 1 augustus daaraanvolgend over te gaan tot omzetting van een bijzondere school in een openbare school als bedoeld in artikel 4.9, tweede lid, van de wet.
2
Bij de melding voegt het bevoegd gezag een document waaruit blijkt dat het bevoegd gezag over de omzetting overleg heeft gevoerd met de gezaghebber en gedeputeerden van het betreffende openbaar lichaam.
Artikel
15
Verplaatsing vestiging of deel onderwijsaanbod vestiging
1
Het bevoegd gezag doet uiterlijk 17 weken voorafgaand aan de verplaatsing, bedoeld in artikel 11.51 van de wet, een schriftelijke melding aan DUO.
2
De melding gaat vergezeld van een document waaruit blijkt dat de eilandsraad van het openbaar lichaam met ingang van de datum van de feitelijke ingebruikneming de benodigde huisvesting ter beschikking stelt.
Hoofdstuk
2
Startbekostiging en aanvullende bekostiging nieuwe scholen voortgezet onderwijs
Artikel
16
Startbekostiging nieuwe school of scholengemeenschap
De startbekostiging wordt verstrekt nadat het bevoegd gezag van de school de prognose van het aantal leerlingen op 1 oktober van het eerste schooljaar heeft ingediend bij de Minister.
3
De prognose wordt ingediend nadat de goedkeuring voor de start van de nieuwe school is verleend in het kader van de voorzieningenplanning. De Minister verstrekt aan het bevoegd gezag van de school een beschikking waarin de startbekostiging is vermeld.
4
De Minister betaalt de startbekostiging in de maand mei.
Artikel
17
Aanvullende bekostiging nieuwe school eerste schooljaar
1
De Minister verstrekt aan een nieuwe school ambtshalve aanvullende bekostiging over de eerste vijf maanden van het eerste schooljaar. De bekostiging wordt berekend op basis van de prognose van het aantal leerlingen per 1 oktober volgend op de feitelijke start per 1 augustus van het eerste schooljaar.
De Minister betaalt de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, in vijf gelijke termijnen.
4
De aanvullende bekostiging wordt in december van het eerste schooljaar gewijzigd vastgesteld op basis van de voorlopige telling van het werkelijk aantal leerlingen op 1 oktober en uiterlijk in de maand december van het tweede schooljaar nader gewijzigd vastgesteld op basis van het door de accountant goedgekeurde aantal leerlingen dat op 1 oktober in het eerste schooljaar stond ingeschreven bij de school.
Artikel
18
Aanvullende bekostiging nieuwe school vanaf het eerste kalenderjaar na start
De Minister betaalt de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, in de maand augustus.
5
De aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt in december van het lopende schooljaar gewijzigd vastgesteld op basis van de voorlopige telling van het werkelijk aantal leerlingen op 1 oktober en uiterlijk in de maand december van het daaropvolgende schooljaar nader gewijzigd vastgesteld op basis van het door de accountant goedgekeurde aantal leerlingen dat op 1 oktober in het voorafgaande schooljaar stond ingeschreven bij de school.
Artikel
18a
Aanvraag aanvullende bekostiging voor leerlingengroei nieuwe school tweede en volgende schooljaar
1
Een bevoegd gezag van een nieuwe school kan vanaf het tweede schooljaar tot en met het schooljaar waarin de school volgroeid is op grond van artikel 5.10 van de wet een aanvraag indienen voor aanvullende bekostiging vanwege leerlingengroei. De aanvraag wordt ingediend in het kalenderjaar waarin de leerlingengroei zich voordoet.
2
De leerlingengroei wordt vastgesteld door het verschil te berekenen tussen het aantal geprognosticeerde leerlingen in het lopende schooljaar en het aantal leerlingen op 1 oktober van het kalenderjaar t-1.
De aanvullende bekostiging wordt in december van het lopende schooljaar gewijzigd vastgesteld op basis van de voorlopige telling van het werkelijk aantal leerlingen op 1 oktober en uiterlijk in de maand december van het daaropvolgende schooljaar nader gewijzigd vastgesteld op basis van het door de accountant goedgekeurde aantal leerlingen dat op 1 oktober in het voorafgaande schooljaar staat ingeschreven bij de school.