Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 11 maart 2021, nr. 2020-0000687420, houdende regels met betrekking tot de verstrekking van een eenmalige specifieke uitkering aan gemeenten in het belang van de verbetering van de woonkwaliteit en de leefomgeving in kwetsbare gebieden (Regeling specifieke uitkering herstructurering volkshuisvesting)
deelgebied: één of meerdere zones op postcode-4-niveau in een kwetsbaar gebied van de gemeente waarbinnen fysieke maatregelen gepland zijn, waarbij een zone slechts in één deelgebied wordt opgenomen;
–
deelplan: zelfstandig onderdeel binnen een programma met fysieke maatregelen binnen een deelgebied, inclusief plan van aanpak voor de herstructurering van dat deelgebied;
–
financieel tekort: negatief saldo van kosten en opbrengsten van fysieke maatregelen in een deelplan, gedurende de looptijd van het programma;
–
fysieke maatregel: op geld waardeerbare concrete maatregel die gericht is op het aanbrengen van een wijziging in een fysiek object en handelingen die daarmee samenhangen;
–
herstructurering: bouwactiviteiten die bestaan uit ten minste één van de volgende onderdelen:
a.
renovatie:activiteiten waarbij de energieprestatie van het gebouw met ten minste 3 energielabelstappen verbetert, of waarbij de energieprestatie tot ten minste label B wordt verbeterd, en die ook kunnen zijn gericht op:
1°.
het aanpakken van achterstallig onderhoud; of
2°.
het aanpakken van schimmelproblematiek;
b.
transformatie: renovatie waarbij de gebruiksfunctie van een gebouw of van een onderdeel van een gebouw wijzigt in een woonfunctie; of
c.
Sloop-nieuwbouw: slopen van een gebouw en vervolgens binnen hetzelfde deelgebied bouwen van een nieuw gebouw met een woonfunctie of een gebouw met onderdelen met een woonfunctie;
–
inponding: het aankopen of verwerven van een woning door een persoon of rechtspersoon ten behoeve van de herstructurering van deze woning, waaronder uitsluitend:
kwetsbaar gebied: wijk of buurt binnen een gemeente die binnen die gemeente op grond van landelijke data ondergemiddeld scoort op de indicator woonkenmerken en ten minste één van de volgende indicatoren:
1°.
Veiligheid;
2°.
Werk en inkomen, of;
3°.
Opleiding en jeugdhulp;
–
minister: Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
–
programma: programma bestaande uit één of meerdere deelplannen gericht op het doel, bedoeld in artikel 2, eerste lid;
Activiteiten waarvoor een uitkering kan worden verstrekt
1
De minister kan op aanvraag van een college een eenmalige specifieke uitkering verstrekken aan de gemeente voor bijdragen aan fysieke maatregelen in een of meer deelplannen ter uitvoering van een programma in kwetsbare gebieden die de herstructurering van kwalitatief slechte woningen tot doel hebben, in het bijzonder particuliere woningen, in het belang van de woonkwaliteit en de leefomgeving in de betreffende gebieden.
2
De eenmalige specifieke uitkering kan tevens worden verstrekt ten behoeve van:
a.
de inponding van woningen, of woningen met hoofdzakelijk een woonfunctie, om te herstructureren;
b.
activiteiten gericht op de inrichting van de openbare ruimte indien deze noodzakelijk zijn voor de herstructurering; en
c.
de voor de uitvoering van het programma door de gemeente te maken noodzakelijke projectkosten, niet zijnde de gebruikelijke kosten van het ambtelijke apparaat, voor ten hoogste 10 procent van de aangevraagde uitkering.
Artikel
3
Toelatingscriteria
1
Een aanvraag wordt niet in behandeling genomen, indien de gemeente eerder een toekennende uitkeringsbeschikking heeft gekregen op grond van deze regeling.
2
Een aanvraag wordt alleen in behandeling genomen, indien uit de bij de aanvraag ingediende gegevens en bescheiden blijkt dat het programma waarvoor een uitkering wordt gevraagd:
a.
een totale omvang heeft van ten minste € 7.500.000 of ten minste 200 woningen herstructureert;
enkel fysieke maatregelen bevat waarbij sprake is van een financieel tekort;
d.
een fysieke maatregel bevat waarvan de uitvoering binnen twee jaar na toekenning van de uitkering opgestart kan worden;
e.
enkel fysieke maatregelen bevat waarvan de uitvoering binnen tien jaar na toekenning van de uitkering afgerond kan worden; en
f.
door de gemeente en andere medeoverheden van een financiële bijdrage wordt voorzien van ten minste 30 procent van het totale financiële tekort van het programma en van elk deelplan.
3
De minister kan op verzoek van het college de in het tweede lid, onderdeel e, genoemde termijn, telkens met ten hoogste één jaar verlengen, indien sprake is van onvoorziene omstandigheden op grond waarvan het aannemelijk is dat het deelplan niet binnen die termijn kan worden afgerond.
Artikel
4
Uitkeringsplafond
1
In totaal is ten hoogste € 385.000.000 beschikbaar voor specifieke uitkeringen.
2
Specifieke uitkeringen worden niet verstrekt voor BTW verschuldigd over kosten voor de uitvoering van programma’s, bedoeld in artikel 2, eerste lid, voor zover het bedrag van de BTW in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds of voor zover de kosten in aanmerking komen voor aftrek op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968.
Artikel
5
De aanvraag
1
Een aanvraag voor een specifieke uitkering kan worden ingediend met ingang van 3 mei 2021 om 9:00 uur tot en met 19 mei 2021 tot 17.00 uur.
2
Een aanvraag bevat ten minste:
a.
een omschrijving van het programma, en de fysieke maatregelen waarin wordt ingegaan op de wijze waarop deze voldoen aan de voorwaarden, gesteld in artikel 3, tweede lid;
b.
een omschrijving van de mate waarin de fysieke maatregelen voldoen aan het doel van deze regeling zoals beschreven in artikel 2, eerste lid;
c.
indien de aanvraag fysieke maatregelen bevat die gericht zijn op activiteiten gericht op de inrichting van de openbare ruimte: een onderbouwing van de mate van toerekenbaarheid, profijt en proportionaliteit conform de PTP-methodiek;
d.
een plan van aanpak voor de uitvoering van het programma en per deelplan de fysieke maatregelen, inclusief fasering van de uitvoering van de fysieke maatregelen;
e.
een begroting van de fysieke maatregelen met kosten en opbrengsten per deelplan gedurende de looptijd van het programma, en de projectkosten voor de gemeente;
f.
een toelichting waarin wordt aangetoond dat het programma en het deelplan of de deelplannen onderdeel uitmaken van een bredere aanpak gericht op het verbeteren van de leefbaarheid in het kwetsbare gebied; en
g.
de verwachte begin- en einddatum van de fysieke maatregelen.
3
De minister beslist binnen 13 weken na het sluiten van het aanvraagtijdvak, bedoeld in het eerste lid, over de toekenning van een specifieke uitkering. De minister beslist niet eerder op een aanvraag, dan nadat advies is ingewonnen van de commissie, bedoeld in artikel 9, eerste lid.
4
Een aanvraag wordt ingediend via een formulier dat beschikbaar wordt gesteld op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
Artikel
6
Wijze van betaling en uitkeringsbeschikking
1
De minister betaalt in het geval van een toekennend uitkeringsbeschikking, de uitkering in één keer uit. De minister kan daarbij een voorschot van 100% verlenen als:
a.
De gemeente uiterlijk 30 juni van het daaropvolgende jaar een overeenkomst sluit met de andere bij de uitvoering van het programma betrokken partijen ter uitvoering van de fysieke maatregelen waarvoor de uitkering is toegekend; of
b.
De gemeente uiterlijk 30 juni van het daaropvolgende jaar voorbereidende werkzaamheden verricht voor de uitvoering van de fysieke maatregelen.
2
De uitkeringsbeschikking vermeldt in elk geval:
a.
welke fysieke maatregelen worden uitgevoerd en hoeveel woningen daarmee worden geherstructureerd;
b.
het bedrag van de uitkering;
c.
de wijze van verantwoording over de besteding van de uitkering;
d.
de periode waarbinnen de fysieke maatregelen moeten zijn uitgevoerd; en
e.
de wijze waarop kan worden aangetoond dat de fysieke maatregelen zijn uitgevoerd.
3
Aan een uitkering kunnen in de uitkeringsbeschikking nadere verplichtingen worden verbonden.
Artikel
7
De beoordeling van de aanvragen
1
De minister stelt een rangschikking op van de aanvragen op basis van een beoordeling van de mate waarin de deelplannen voldoen aan het doel zoals beschreven in artikel 2, eerste lid. De rangschikking wordt bepaald op grond van de behaalde eindscores van de deelplannen bij een gezamenlijke weging van de volgende criteria:
a.
effectiviteit;
b.
doelmatigheid;
c.
hardheid;
d.
urgentie; en
e.
prioriteit.
2
De scores en de weging van de criteria, bedoeld in het eerste lid, worden bepaald conform bijlage I.
3
Indien meerdere aanvragen gelijk scoren bij de weging, en de toekenning van uitkeringen zou leiden tot overschrijding van het in artikel 4, eerste lid, vastgestelde bedrag, worden de aanvragen onderling gerangschikt op grond van de behaalde score van de deelplannen bij het criterium effectiviteit. Indien daarna nog steeds meerdere aanvragen gelijk scoren worden de aanvragen onderling gerangschikt op grond van de behaalde score bij het criterium prioriteit.
4
De minister kan een rangschikking opstellen die afwijkt van de rangschikking, bedoeld in het eerste en derde lid, indien dat in het belang is van het bereiken van het doel van deze regeling zoals beschreven in artikel 2, eerste lid.
5
Specifieke uitkeringen worden toegekend op volgorde van de rangschikking, bedoeld in het eerste en derde lid, of, indien de minister gebruik maakt van de mogelijkheid in het vierde lid, op volgorde van de rangschikking, bedoeld in dat lid.
Artikel
8
Afwijzingsgronden
1
De minister wijst een aanvraag voor een specifieke uitkering geheel of gedeeltelijk af voor zover:
a.
het deelplan of de deelplannen een onvoldoende score behaalt of behalen bij de weging, bedoeld in artikel 7, eerste lid; of
b.
het bedrag van de aangevraagde uitkering bij de toekenning ervan bij de rangschikking, bedoeld in artikel 7, eerste lid, of, indien de minister gebruik maakt van de in artikel 7, vierde lid, geregelde mogelijkheid, de rangschikking bedoeld in dat lid, leidt tot een overschrijding van het in artikel 4, eerste lid, genoemde bedrag.
2
Indien de minister een aanvraag gedeeltelijk afwijst, kan de minister voorwaarden opnemen in de beschikking die afwijken van de voorwaarden in artikel 3, tweede lid, onder a.
Artikel
9
Instelling en taak commissie
1
Er is een Toetsingscommissie herstructurering volkshuisvesting.
De commissie brengt advies uit binnen 8 weken na het sluiten van het in artikel 5, eerste lid, bedoelde aanvraagtijdvak.
3
De commissie verstrekt desgevraagd aan de minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
4
De commissie draagt zo spoedig mogelijk na beëindiging van haar werkzaamheden of, zo de omstandigheden daartoe aanleiding geven, zoveel eerder, de bescheiden betreffende die werkzaamheden over aan het archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Artikel
10
Leden van de commissie
1
De commissie, genoemd in artikel 9, eerste lid, bestaat uit een voorzitter en ten minste twee en ten hoogste vier andere leden.
2
De minister benoemt de leden voor de duur van vier jaar of tot uiterlijk zoveel eerder dat het uitkeringsplafond, genoemd in artikel 4, eerste lid, is uitgeput, en bepaalt de vergoeding van de leden.
3
De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.
4
De voorzitter en de leden worden op eigen aanvraag ontslagen. Zij kunnen voorts worden geschorst en ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden.
Artikel
11
Ondersteuning van de commissie
1
De commissie, genoemd in artikel 9, eerste lid, wordt ondersteund door een secretariaat.
2
In het secretariaat wordt voorzien door de minister.
3
Het secretariaat is voor de inhoudelijke uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de voorzitter van de commissie.
Artikel
12
Toetsing door de commissie
1
De commissie, genoemd in artikel 9, eerste lid, stelt haar eigen werkwijze vast. Dit omvat in ieder geval een protocol omtrent de wijze waarop de commissie voorgelegde aanvragen toetst en weegt. Het protocol wordt opgesteld in overleg met de minister.
2
De commissie kan de indiener van de aanvraag om een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 2, eerste lid, om nadere informatie verzoeken omtrent de in artikel 5, tweede lid, bedoelde gegevens.
Artikel
13
Informatievoorziening na uitkering
1
Het college informeert de minister op verzoek over de voortgang van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is toegekend.
2
Het college verleent op verzoek van de minister medewerking en verstrekt informatie ten behoeve van de voortgang en evaluatie van de doelmatigheid en doeltreffendheid van deze regeling.
Als uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat de uitkering niet volledig is besteed aan de activiteiten waarvoor deze is verstrekt, of onrechtmatig is besteed, kan de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door de minister worden teruggevorderd. De minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan de ontvanger van de specifieke uitkering.
Artikel
15
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel
16
Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering herstructurering volkshuisvesting.
Lasten en bevelen dat deze regeling met de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,K.H.Ollongren
Bijlage
1
behorende bij artikel 7, derde lid, van de Regeling specifieke uitkering herstructurering volkshuisvesting
Beoordelingscriteria en weging
In deze bijlage wordt het beoordelingskader uitgewerkt, hetgeen een uitwerking is van de scores en de weging van de criteria, bedoeld in artikel 7, eerste lid.
Daarbij worden de gehanteerde indicatoren uitgewerkt. Een toelichting op de subcriteria is opgenomen onder de artikelsgewijze toelichting van artikel 7. Het beoordelen van de aanvragen wordt gedaan op deelplanniveau, onderstaande criteria moeten voor iedere deelplan apart worden opgesteld en beoordeeld. Een definitie van het deelplan is opgenomen in artikel 1.
Er wordt eerst een tussenscore per deelplan bepaald op grond van het gewogen gemiddelde van de criteria in artikel 7, eerste lid, onderdelen a, b en c: effectiviteit, doelmatigheid en hardheid.
Vervolgens wordt de eindscore bepaald op grond van het gewogen gemiddelde van de scores op alle criteria uit artikel 7, eerste lid: effectiviteit, doelmatigheid, hardheid, urgentie en prioriteit.
Een deelplan scoort onvoldoende indien de tussenscore of eindscore gemiddeld lager is dan een 5,5 scoort bij de weging.
Om tot een rangschikking te komen van de aanvragen wordt op basis van de eindscores van de deelplannen een programmascore voor de gehele aanvraag bepaald. De programmascore is het gewogen gemiddelde van de eindscores per deelplan. De weging van een deelplan is gelijk aan het aandeel te herstructureren woningen in het deelplan ten opzichte van het totaal aantal te herstructureren woningen in de aanvraag.
A
Effectiviteit
De effectiviteit gaat over de mate waarin een deelplan of deelplannen bijdraagt of bijdragen aan de doelen van het Volkshuisvestingfonds: verbeteren van de woonkwaliteit en leefbaarheid in kwetsbare gebieden. In de weging wordt binnen dit hoofdcriterium naar drie subcriteria gekeken.
Verbeteren woonkwaliteit en -omgeving
•
Gemiddeld aantal kwaliteitsaspecten dat wordt verbeterd; Tot kwaliteitsaspecten van de woningen worden gerekend: constructieve problematiek, achterstallig onderhoud, ongezond binnenmilieu, verduurzaming, toegankelijkheid. In het geval van sloop en nieuwbouw wordt meegewogen hoeveel kwaliteitsaspecten ten grondslag liggen aan het besluit om te slopen.
•
Aandeel te herstructureren woningen; deze indicator geeft aan welk deel van de woningen wordt geherstructureerd ten opzichte van de totale woningvoorraad in een deelgebied.
•
Aandeel particuliere voorraad; Het aandeel particuliere woningen ten opzichte van het totaal aantal woningen dat in het deelplan wordt geherstructureerd.
•
Kwaliteit van het ruimtelijk ontwerp; een adequaat en toekomstbestendig ruimtelijk ontwerp van het plan bijvoorbeeld op het gebied van openbare inrichting en klimaatadaptatie.
•
Afspraken over de betaalbaarheid en bestaande bewoners; Hierbij wordt onder andere gekeken in hoeverre de gemeente afspraken heeft gemaakt of gaat maken met (particuliere) verhuurders die profiteren van het Volkshuisvestingsfonds over de toekomstige huurprijzen en huurverhogingen na renovatie en of welk instrumentarium gemeenten inzetten om nieuwe koopwoningen in het deelgebied meerjarig betaalbaar te houden. Ook wordt het beleid rondom huidige bewoners meegenomen in dit onderdeel.
Balans samenstelling woningvoorraad
•
Aanpassen kwantitatieve samenstelling woningvoorraad; de mate waarin het deelplan bijdraagt aan het in balans brengen van de kwantitatieve mismatch in de woningvoorraad.
•
Aanpassen kwalitatieve samenstelling woningvoorraad; de mate waarin het deelplan bijdraagt aan het in balans brengen van de kwalitatieve mismatch in de woningvoorraad.
Samenhang leefbaarheidsaanpak
•
Integraal leefbaarheidsprogramma; de mate waarin het deelplan onderdeel uitmaakt van integraal programma om de leefbaarheid in het deelgebied te verbeteren, waarbij ook aspecten geadresseerd als veiligheid, arbeidsmarkt, zorg, onderwijs en overige.
•
Flankerend beleid; de mate waarin er gelijktijdig met de fysieke investeringen ook flankerende beleidsmaatregelen en investeringen worden gedaan in het deelgebied. Bijvoorbeeld (sociaal)economisch, zorg, onderwijs en veiligheid.
•
Betrokkenheid andere partijen: De mate van betrokkenheid van bewoners, woningcorporaties, verhuurders en andere relevante partijen bij het opstellen en realisatie van het deelplan. Dit kan blijken uit participatietrajecten, samenwerkingsverbanden, actieagenda’s en intentieverklaringen.
B
Hardheid
Binnen het hoofdcriterium hardheid wordt beoordeeld op de mate van zekerheid van een tijdige realisatie van het programma (indien meerdere deelplannen per aanvraag van elk individueel deelplan). De hardheid wordt beoordeeld aan de hand van drie subcriteria:
•
Tijdige realisatie: de mate waarin aangetoond kan worden dat de gestelde start en einddata gehaald kunnen worden. Dit kan blijken uit de status van het proces en de nog door te lopen planologische procedures rond het project, de mate van zekerheid dat het project bij een positief besluit doorgaat, op tijd start en voldoende snel wordt gerealiseerd
•
Stand van zaken; de stand van zaken in overleg en onderhandelingen tussen gemeente, woningcorporaties, particulieren en/of (markt-)partijen
•
Risico’s voor een tijdige realisatie; organisatorische, financiële en projectrisico’s die de planning van de herstructurering kunnen beïnvloeden.
C
Doelmatigheid
In het hoofdcriterium doelmatigheid wordt gekeken naar een efficiënte besteding van het Volkshuisvestingsfonds. Daartoe wordt naar twee indicatoren met onderliggende sub-indicatoren gekeken:
•
Additionaliteit; het aandeel van het herstructureringsprogramma dat niet gerealiseerd kan worden zonder bijdrage van het Volkshuisvestingsfonds. Gespecificeerd naar activiteit: renovatie, transformatie en sloop/nieuwbouw.
•
Proportionaliteit; de gevraagde bijdrage per additionele geherstructureerde woning gespecificeerd naar activiteit: renovatie, transformatie en sloop/nieuwbouw.
De hoofdcriteria ‘Urgentie’ en ‘Prioriteit’ onderscheiden zich van de andere drie hoofdcriteria omdat de score op dit criterium vaststaan en niet afzonderlijk beoordeeld hoeven te worden door de toetsingscommissie. De score wordt wel meegenomen bij het bepalen van de eindscore door de toetsingscommissie.
D
Urgentie
De urgentie wordt bepaald voor alle deelgebieden waarvoor een aanvraag is ingediend bij het Volkshuisvestingsfonds. Hierbij wordt gekeken naar een drietal dimensies om de kwetsbaarheid van een gebied te bepalen. De drie dimensies zijn: woningvoorraad, huishoudens en inkomen en veiligheid. De score op dit onderdeel is relatief. Dit betekent dat per dimensie het gemiddelde van alle deelplannen wordt bepaald en dat ieder deelplan ten opzichte van dat gemiddelde wordt gescoord. Een deelgebied is bovengemiddeld kwetsbaar als het boven het gemiddelde scoort van alle aanvragen. Een deelgebied:
•
dat op drie dimensies bovengemiddeld kwetsbaar is ontvangt 10 punten.
•
dat op twee van de drie dimensies bovengemiddeld kwetsbaar is ontvangt 6,6 punten.
•
dat op een van de drie dimensies bovengemiddeld kwetsbaar is ontvangt 3,3 punten.
E
Prioriteit
Het Volkshuisvestingsfonds kent twee type prioritaire gebieden: de 16 Stedelijke vernieuwingsgebieden en de 13 grens- en krimpregio’s. Aanvragen uit deze prioritaire gebieden krijgen extra punten in de beoordeling waarbij:
aanvragen uit de 13 grens- en krimpregio’s2Eemsdelta, Oost-Groningen, Het Hogeland, Parkstad Limburg, Midden-Limburg, Maastricht-Mergelland, Westelijke Mijnstreek, Zeeuws-Vlaanderen, Achterhoek, Noordoost Friesland, Zuid- en Oost Drenthe, Twente, Noord-Limburg. 5 punten ontvangen.
•
In gevallen waarin in een aanvraag het programma betrekking heeft op zowel prioritaire als niet prioritaire gebieden, dan worden de bonuspunten relatief toegepast naar aandeel van het aantal woningen dat binnen het prioritaire en niet-prioritaire gebied ligt.
Schematische weergave beoordelingskader
Elk hoofdcriterium krijgt een deelscore op een schaal van 1 tot 10. Vervolgens wordt het gewogen gemiddelde bepaald om de deel-/eindscore te bepalen waarbij de weging als volgt is: