Regeling Cultuureducatie

Het bestuur van stichting Fonds voor Cultuurparticipatie,
met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 augustus 2021;

besluit:

Hoofdstuk

1

Algemene bepalingen

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

1.1

Gebruikte begrippen

Artikel

1.2

Doel van de regeling

Met deze regeling stimuleert het Fonds het ontwikkelen en uitvoeren van eigentijds en vernieuwend cultuureducatief aanbod dat aansluit op de vraag van kinderen en jongeren.

Artikel

1.3

Samenstelling van de regeling

Vanaf hoofdstuk 2 zijn de verbijzonderde bepalingen terug te vinden ten aanzien van de wijze waarop de in artikel 1.2 bedoelde stimulering plaatsvindt.

Artikel

1.4

Weigeringsgronden

Artikel

1.5

Voorwaarden en beperkingen

Artikel

1.6

Bijzondere verplichtingen

Artikel

1.7

Beoordelen aanvragen

Artikel

1.8

Beslistermijn

Indien de aanvraag gedaan wordt voor een subsidiebedrag tot en met € 25.000,– beslist het Fonds binnen 13 weken nadat een aanvraag is ontvangen. Voor aanvragen boven de € 25.000,– beslist het Fonds binnen 22 weken nadat een aanvraag is ontvangen.

Hoofdstuk

2

Cultuureducatie vmbo vso pro

Dit hoofdstuk richt zich op het vmbo, vso en pro. Er kan worden aangevraagd voor cultuureducatieve projecten binnen drie verschillende fases. Deze fases kennen ieder hun eigen subsidieplafond en daaraan gekoppelde periodes. De artikelen in dit hoofdstuk zijn verbijzonderde bepalingen ten aanzien van de artikelen in hoofdstuk 1.

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

2.1

Gebruikte begrippen hoofdstuk 2

In aanvulling op artikel 1.1 worden in hoofdstuk 2 onderstaande begrippen gehanteerd.

  • a.

    Binnenschools: tijdens reguliere schooltijden, onder verantwoordelijkheid van de school.

  • b.

    Buitenschools: voor of na schooltijd, onder verantwoordelijkheid van een andere partij dan de school.

  • c.

    Creatief vermogen: een herhalend proces waarin leerlingen creatieve maak- en denkstrategieën leren toepassen.

  • d.

    Leerling: scholier binnen het vmbo, vso of pro.

  • e.

    Pro: praktijkonderwijs: door het Ministerie van OCW bekostigd praktijkonderwijs, als bedoeld in de wet op het voortgezet onderwijs.

  • f.

    Schooljaar: van 1 augustus tot en met 31 juli.

  • g.

    Vmbo: door het Ministerie van OCW bekostigd voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs; alsook gecombineerde brugklassen vmbo-havo of vmbo-havo-vwo of internationale schakelklassen.

  • h.

    {term} Vso: voortgezet speciaal onderwijs, als bedoeld in de Wet op de expertisecentra.

Paragraaf

2

Fase 1 – kennismaken en uitproberen

Artikel

2.2

Doel

Met fase 1 stimuleert het Fonds dat scholen en culturele instellingen met elkaar kennismaken en samen leren over wat wel en niet werkt bij het vormgeven van cultuureducatieve activiteiten, passend bij de leerling.

Artikel

2.3

Wie kan aanvragen

Subsidie kan uitsluitend worden aangevraagd door een culturele instelling die een samenwerking aangaat met een school of vestiging van een school voor vmbo, vso of pro.

Artikel

2.4

Waarvoor kan worden aangevraagd

Artikel

2.5

Weigeringsgronden

Artikel

2.6

Subsidieplafond

Artikel

2.7

Hoogte van de subsidie

De subsidie voor fase 1 bedraagt minimaal € 10.000,– en maximaal € 25.000,– per project.

Artikel

2.8

Voorwaarden en beperkingen

Naast de in artikel 1.4 genoemde voorwaarden en beperkingen geldt voor fase 1:

  • a.

    er kunnen maximaal drie aanvragen per aanvrager worden gehonoreerd;

  • b.

    de subsidie bedraagt voor het Europees deel van Nederland maximaal 65% van de totale projectkosten die voor de subsidie in aanmerking komen; voor de overige delen van het Koninkrijk der Nederlanden geldt een percentage van maximaal 80%;

  • c.

    de onderwijsinstelling draagt ook bij aan de benodigde financiële middelen voor het project, waarbij deze bijdrage niet alleen uit gekapitaliseerde uren mag bestaan;

  • d.

    maximaal 5% van de totale kosten van het project kan worden besteed aan onvoorziene kosten;

  • e.

    voor het Europees deel van Nederland geldt dat maximaal 5% van de totale kosten van het project besteed kan worden aan vervoer; voor de overige delen van het Koninkrijk der Nederlanden geldt een percentage van maximaal 15%;

  • f.

    maximaal 10% van de totale kosten van het project kan worden besteed aan materiaalkosten; en

  • g.

    maximaal 25% van de totale kosten van het project kan worden besteed aan buitenschoolse cultuureducatieve activiteiten.

Artikel

2.9

Beoordelingscriteria

Paragraaf

3

Fase 2 – samen ontwikkelen

Artikel

2.10

Doel

Met fase 2 stimuleert het Fonds dat scholen en culturele instellingen samen cultuureducatieve activiteiten ontwikkelen en uitvoeren die passen bij leerlingen van vmbo, vso en pro, waarmee het creatief vermogen van de leerlingen bevorderd wordt, en er meer geschikt cultuureducatief aanbod ontstaat voor vmbo, vso en pro.

Artikel

2.11

Wie kan aanvragen

Subsidie kan uitsluitend worden aangevraagd door een culturele instelling die een samenwerking aangaat met een school of vestiging van een school voor vmbo, vso of pro.

Artikel

2.12

Waarvoor kan worden aangevraagd

Artikel

2.13

Subsidieplafond

Artikel

2.14

Hoogte van de subsidie

De subsidie voor fase 2 bedraagt minimaal € 25.000,– en maximaal € 80.000,– per project.

Artikel

2.15

Voorwaarden en beperkingen

Naast de in artikel 1.4 genoemde voorwaarden en beperkingen geldt voor fase 2:

  • a.

    per aanvrager worden maximaal twee aanvragen gehonoreerd;

  • b.

    de subsidie bedraagt voor het Europees deel van Nederland maximaal 65% van de totale projectkosten die voor de subsidie in aanmerking komen; voor de overige delen van het Koninkrijk der Nederlanden geldt een percentage van maximaal 80%;

  • c.

    de onderwijsinstelling draagt ook bij aan de benodigde financiële middelen voor het project, waarbij deze bijdrage niet alleen uit gekapitaliseerde uren mag bestaan;

  • d.

    maximaal 5% van de totale kosten van het project kan worden besteed aan onvoorziene kosten;

  • e.

    voor het Europees deel van Nederland geldt dat maximaal 5% van de totale kosten van het project kan worden besteed aan vervoer; voor de overige delen van het Koninkrijk der Nederlanden geldt een percentage van maximaal 15%;

  • f.

    maximaal 10% van de totale kosten van het project kan worden besteed aan materiaalkosten, zoals aanschaf van apparatuur en instrumenten; en

  • g.

    maximaal 25% van de totale kosten van het project kan worden besteed aan buitenschoolse cultuureducatieve activiteiten.

Artikel

2.16

Beoordelingscriteria

Paragraaf

4

Fase 3 – resultaten verduurzamen

Artikel

2.17

Doel

Met fase 3 stimuleert het Fonds dat culturele instellingen hun cultuureducatieve projecten voor het vmbo, vso en pro kunnen verduurzamen en passend bij leerlingen van een specifieke school kunnen uitvoeren.

Artikel

2.18

Wie kan aanvragen

  • a.

    Subsidie voor fase 3 kan uitsluitend worden aangevraagd door een culturele instelling met aantoonbare ervaring in het vmbo, vso of pro, die een samenwerking aangaat met minstens drie scholen of vestigingen voor vmbo, vso of pro; en

  • b.

    deze instelling beschikt over een reeds ontwikkeld, hedendaags en succesvol project dat inmiddels op één of twee scholen is uitgevoerd en nu klaar is voor de volgende stap: dat project op grotere schaal en voor verschillende niveaus en type scholen binnen vmbo, vso en pro uitvoeren.

Artikel

2.19

Waarvoor kan worden aangevraagd

Artikel

2.20

Weigeringsgronden

Naast de weigeringsgronden van artikel 1.4 zijn scholen waarmee de culturele instelling al in fase 1 en 2 heeft samengewerkt binnen hetzelfde project, uitgesloten van deelname in fase 3.

Artikel

2.21

Subsidieplafond

Artikel

2.22

Hoogte van de subsidie

De subsidie voor fase 3 bedraagt minimaal € 25.000,– en maximaal € 80.000,– per project.

Artikel

2.23

Voorwaarden en beperkingen

Naast de in artikel 1.4 genoemde voorwaarden en beperkingen geldt voor fase 3:

  • a.

    per aanvrager wordt maximaal één aanvraag gehonoreerd;

  • b.

    de subsidie bedraagt voor het Europees deel van Nederland maximaal 50% van de projectkosten die voor de subsidie in aanmerking komen; voor het overige deel van het Koninkrijk der Nederlanden geldt een percentage van maximaal 80%;

  • c.

    de school draagt ook bij aan de benodigde financiële middelen voor het project, waarbij deze bijdrage niet alleen uit gekapitaliseerde uren mag bestaan;

  • d.

    maximaal 5% van de totale kosten van het project kan worden besteed aan onvoorziene kosten;

  • e.

    voor het Europees deel van Nederland kan maximaal 5% van de totale kosten van het project worden besteed aan vervoer; voor het overige deel van het Koninkrijk der Nederlanden geldt een percentage van maximaal 15%;

  • f.

    maximaal 20% van de totale kosten van het project kan worden besteed aan materiaalkosten, zoals aanschaf van apparatuur en instrumenten; en

  • g.

    maximaal 25% van de totale kosten van het project kan worden besteed aan buitenschoolse cultuureducatieve activiteiten.

Artikel

2.24

Beoordelingscriteria

Paragraaf

5

Aanvragen

Artikel

2.25

Indieningstermijnen

Artikel

2.26

Indieningsvereisten

Hoofdstuk

3

Middelbaar beroepsonderwijs

Dit hoofdstuk richt zich op het mbo. De artikelen in dit hoofdstuk zijn verbijzonderde bepalingen ten aanzien van de artikelen in hoofdstuk 1.

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

3.1

Gebruikte begrippen hoofdstuk 2

In aanvulling op artikel 1.1 worden in hoofdstuk 2 onderstaande begrippen gehanteerd.

  • a.

    Co-creatie: een vorm van samenwerking waarbij culturele en mbo-instellingen gezamenlijk verantwoordelijk zijn en beide invloed hebben op het proces en het resultaat, zoals een plan, advies of product, door inbreng van hun eigen expertise.

  • b.

    Creatieve opleidingen: opleidingen die veel aandacht schenken aan kunst en cultuur, gerelateerd aan het toekomstige beroep en werkveld.

  • c.

    Hoofdproject: een co-creatie van een mbo-instelling met een culturele instelling en mbo-studenten.

  • d.

    Mbo-instelling: een instelling voor middelbaar beroepsonderwijs zoals bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals een agrarisch onderwijscentrum, een regionaal opleidingscentrum en een vakschool.

  • e.

    Mbo-opleiding: een beroepsopleiding binnen een mbo-instelling zoals bedoeld in artikel 1.1.1. van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

Paragraaf

2

Doel van de aanvraag

Artikel

3.2

Doel

Met de bepalingen in dit hoofdstuk stimuleert het Fonds lokale samenwerking op het gebied van cultuureducatie tussen culturele instellingen, mbo-instellingen en mbo-studenten, en daaruit voortkomend hedendaags aanbod dat aansluit bij studenten en hun culturele ontwikkeling een impuls geeft.

Artikel

3.3

Wie kan aanvragen

Subsidie op grond van dit hoofdstuk kan uitsluitend worden aangevraagd door een:

  • a.

    in het Koninkrijk der Nederlanden gevestigde mbo-instelling zonder winstoogmerk, of

  • b.

    in het Koninkrijk der Nederland gevestigde culturele instelling, met rechtspersoonlijkheid en zonder winstoogmerk.

Artikel

3.4

Waarvoor kan worden aangevraagd

Artikel

3.5

Weigeringsgronden

Artikel

3.6

Subsidieplafond

Artikel

3.7

Hoogte van de subsidie

De subsidie voor het project bedraagt meer dan € 30.000,– en maximaal € 55.000,– per project.

Artikel

3.8

Voorwaarden en beperkingen

Naast de in artikel 1.4 genoemde voorwaarden en beperkingen gelden voor aanvragen op basis van dit hoofdstuk ook de volgende voorwaarden:

  • a.

    De subsidieaanvraag is alleen bestemd voor een nieuw samenwerkingsverband tussen een mbo-instelling en een lokale culturele instelling; bestaande samenwerkingen komen niet in aanmerking voor subsidie.

  • b.

    Voor het Europees deel van Nederland geldt dat de subsidie maximaal 50% van de totale projectkosten die voor subsidie in aanmerking komen, bedraagt. Voor de overige delen van het Koninkrijk geldt dat de subsidie maximaal 80% van de totale projectkosten die voor subsidie in aanmerking komen, bedraagt.

  • c.

    De overige financiering voor de projectkosten wordt voor maximaal 50% gedekt door gekapitaliseerde uren van de culturele instelling en/of mbo-instelling; en

  • d.

    De post onvoorzien op de begroting bedraagt maximaal 5% van de totale kosten van het project.

Artikel

3.9

Bijzondere verplichtingen

Naast de in artikel 1.6 genoemde bijzondere verplichtingen gelden voor dit hoofdstuk ook de volgende bijzondere verplichtingen:

  • a.

    De aanvrager deelt via een netwerk of platform met andere instellingen kennis over het proces van co-creatie, het ontwikkelen en uitvoeren van aanbod, en de inhoud van het aanbod. Ook bestaande structuren om kennis te delen worden hiervoor benut.

  • b.

    De aanvrager deelt de opgedane kennis met directies en besturen van mbo-instellingen, culturele instellingen en studenten in een publicatie die de subsidieontvangers samen met het Fonds maken.

Paragraaf

3

Aanvraag

Artikel

3.10

Indieningstermijnen

Aanvragen op grond van dit hoofdstuk kunnen worden ingediend vanaf woensdag 15 september 2021 tot en met donderdag 1 februari 2024, uiterlijk 13.00 uur Amsterdamse tijd.

Artikel

3.11

Indieningsvereisten

Artikel

3.12

Beoordelingscriteria

Hoofdstuk

4

Slotbepalingen

Artikel

4.1

Hardheidsclausule

Het Fonds kan afwijken van de rechten en plichten in deze regeling. Dat kan alleen in het voordeel van de aanvrager, in bijzondere gevallen die een onredelijke uitwerking hebben waarmee geen rekening is gehouden bij het opstellen van dit reglement.

Artikel

4.3

Inwerkingtreding en vervaldatum

Artikel

4.4

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Cultuureducatie

Namens het bestuur van stichting Fonds voor Cultuurparticipatie, H. Verhoeven directeur-bestuurder