Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister voor Rechtsbescherming, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 mei 2022, nummer 3952250, tot besteding van de gelden uit het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, van het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (Subsidieregeling AMIF, ISF en BMVI 2021–2027)

Subsidieregeling AMIF, ISF en BMVI 2021–2027

De Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister voor Rechtsbescherming, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Gelet op de Verordening (EU) Nr. 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231);
Gelet op de Verordening (EU) 2021/1147 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Fonds voor asiel, migratie en integratie (PbEU 2021, L 251);
Gelet op de Verordening (EU) 2021/1149 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 ter oprichting van het Fonds voor interne veiligheid (PbEU 2021, L 251);
Gelet op de Verordening (EU) 2021/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 ter oprichting, in het kader van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, van het instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 251);

Besluiten:

Artikel

1

Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • actie: een door of onder verantwoordelijkheid van de voor het betrokken nationaal programma verantwoordelijke beheerautoriteit gekozen project of groep projecten, bedoeld in artikel 4, die bijdragen aan de verwezenlijking van de algemene of specifieke doelstellingen van de specifieke verordeningen;

  • brutoloon: bruto salaris, inclusief eindejaarsuitkering of een beloning in de vorm van een dertiende maand, zijnde een vast bedrag of vastgesteld percentage van het salaris, dat werknemers als extra loon ontvangen, voor zover dit is geregeld in de geldende collectieve arbeidsovereenkomst of arbeidsovereenkomst, exclusief vakantiegeld, exclusief vergoedingen, bijzondere beloningen, winst- of prestatieafhankelijke uitkeringen en aanvullende werkgeverslasten;

  • cofinanciering: deel van het financieringsplan dat niet door de Subsidieregeling AMIF, ISF en BMVI 2021–2027 wordt gefinancierd;

  • deelnemer: een natuurlijke persoon die rechtstreeks profiteert van, of deelneemt aan, het project van de subsidieontvanger zonder dat hij belast is met het opzetten of met zowel het opzetten als het uitvoeren van de actie;

  • directe loonkosten: loonkosten van personeel, waarbij sprake is van direct aan deelnemers van het project bestede uren, dan wel loonkosten welke direct te relateren zijn aan de uitvoering van subsidiabele activiteiten als bedoeld in bijlagen A tot en met J of die betrekking hebben op de projectleiding en administratieve werkzaamheden;

  • indirecte kosten: kosten die, met inachtneming van de subsidiabiliteitsvereisten, bedoeld in artikel 63 van de Verordening gemeenschappelijke bepalingen, niet kunnen worden aangewezen als specifieke kosten van het project, en niet rechtstreeks verband houden met de uitvoering ervan;

  • internationale organisatie: internationale organisatie of het agentschap als bedoeld in artikel 62, eerste lid, onderdeel, c, sub 2, van het Financieel Reglement waarvan de systemen, regels en procedures door de Europese Commissie positief zijn beoordeeld overeenkomstig artikel 154, leden 4 en 7, van die verordening voor de indirecte uitvoering van uit de begroting van de Unie gefinancierde subsidies;

  • Financieel Reglement: Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PbEU 2018, L 193);

  • minister: De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor zover het betreft subsidiëring van projecten inzake integratie, de Minister voor Rechtsbescherming voor zover het betreft subsidiëring van projecten inzake rechtspleging, rechtshandhaving en georganiseerde en ondermijnende criminaliteit en de Minister van Justitie en Veiligheid voor zover het overige te subsidiëren projecten betreft;

  • nationaal programma AMIF 2021–2027: het programma, bedoeld in artikel 16 van de Verordening AMIF;

  • nationaal programma ISF 2021–2027: het programma, bedoeld in artikel 13 van de Verordening ISF;

  • nationaal programma BMVI 2021–2027: het programma, bedoeld in artikel 13 van de Verordening BMVI

  • onderdaan van een derde land: een persoon, met inbegrip van een staatloze persoon of een persoon met niet-vastgestelde nationaliteit, die geen burger van de Europese Unie is in de zin van artikel 20, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

  • opbrengsten: betalingen door derden voor tijdens de uitvoering van het project gegenereerde en geleverde producten en diensten.

  • penvoerder: de subsidieaanvrager, die zorgdraagt en verantwoordelijk is voor de projectadministratie, aanvragen, verzoeken en voortgangsrapportages indien er sprake is van twee of meer aanvragers van subsidie die samenwerken;

  • project: het specifieke, praktische middel waarmee een subsidieontvanger een actie geheel of gedeeltelijk uitvoert;

  • projectperiode: periode tussen het tijdstip waarop activiteiten starten en worden beëindigd;

  • rechtstreekse subsidietoekenning: het door de beheerautoriteit rechtstreeks toekennen van subsidie indien er door de specifieke aard van het project of de deskundigheid dan wel administratieve bevoegdheid van de betrokken organen geen andere keus is;

  • samenwerkingsverband: verband dat geen rechtspersoonlijkheid bezit, niet zijnde een vennootschap, bestaand uit ten minste twee niet in een groep verbonden rechtspersonen, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van activiteiten;

  • subsidieaanvrager: de aanvrager van een subsidie op grond van deze regeling;

  • subsidieontvanger: de subsidieaanvrager aan wie krachtens deze regeling subsidie is verleend;

  • uitgezonden medewerker: de ambtenaar die valt onder de Aanvullende CAO Rijk Uitzendingen 2020–2024, het Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel of de Regeling dienstreizen defensie;

  • Verordening AMIF: Verordening (EU) 2021/1147 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Fonds voor asiel, migratie en integratie (PbEU 2021, L 251);

  • Verordening BMVI: Verordening (EU) 2021/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting, in het kader van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, van het instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 251);

  • Verordening gemeenschappelijke bepalingen: Verordening (EU) Nr. 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231);

  • Verordening ISF: Verordening (EU) 2021/1149 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Fonds voor interne veiligheid (PbEU 2021, L 251);

  • vreemdeling: ieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld.

Artikel

2

Inleidende bepaling

Artikel

3

Aanwijzing instanties

Artikel

4

Aard van de projecten

De minister kan met inachtneming van deze regeling en onder het voorbehoud, bedoeld in artikel 63 van de Verordening gemeenschappelijke bepalingen, subsidie verlenen ten behoeve van projecten zonder winstoogmerk op het gebied van:

  • a.

    het versterken en ontwikkelen van alle aspecten van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, met inbegrip van de externe dimensie ervan om bij te dragen aan het bewerkstelligen van een toekomstbestendige migratieketen, nader uitgewerkt in bijlagen A en B, behorende bij deze regeling;

  • b.

    het versterken van de economische positie van Nederland door het realiseren van een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor kennismigranten en werkgevers, nader uitgewerkt in bijlage C, behorende bij deze regeling;

  • c.

    het leveren van een bijdrage aan het maatschappelijke doel van inburgering, te weten alle inburgeringsplichtigen doen snel en volwaardig mee in de Nederlandse maatschappij, nader uitgewerkt in bijlage D, behorende bij deze regeling;

  • d.

    de bevordering van zelfstandig dan wel gedwongen vertrek van vreemdelingen die geen recht op verblijf in Nederland hebben, dan wel van vreemdelingen die in afwachting zijn van een beslissing op hun aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bezwaarschrift of beroep, dan wel van vreemdelingen met een tijdelijk verblijfsrecht, nader uitgewerkt in bijlage E, behorende bij deze regeling;

  • e.

    het verbeteren en vergemakkelijken van de uitwisseling van informatie tussen en binnen de bevoegde autoriteiten en relevante organen en instanties van de Europese Unie, en in voorkomend geval met derde landen en internationale organisaties, nader uitgewerkt in bijlage F, behorende bij deze regeling;

  • f.

    het verbeteren en intensiveren van de grensoverschrijdende coördinatie en samenwerking, met inbegrip van gezamenlijke operaties tussen bevoegde autoriteiten, met betrekking tot terrorisme en zware en georganiseerde criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie, nader uitgewerkt in bijlage G, behorende bij deze regeling;

  • g.

    het ondersteunen van de versterking van de capaciteiten van de lidstaten voor het voorkomen en bestrijden van criminaliteit, terrorisme en radicalisering en het beheersen van veiligheid gerelateerde incidenten, risico's en crises, onder meer door nauwere samenwerking tussen overheidsdiensten, de relevante organen en instanties van de Unie, het maatschappelijk middenveld en particuliere partners in verschillende lidstaten, nader uitgewerkt in bijlage H, behorende bij deze regeling;

  • h.

    het versterken en ondersteunen van het Europees geïntegreerd grensbeheer, om legale grensoverschrijdingen te faciliteren, illegale immigratie en grensoverschrijdende criminaliteit te voorkomen en op te sporen en migratiestromen te beheren, nader uitgewerkt in bijlage I, behorende bij deze regeling;

  • i.

    het ondersteunen van het gemeenschappelijk visumbeleid om een geharmoniseerde aanpak wat de uitgifte van visa betreft te waarborgen en legaal reizen te vergemakkelijken, en tegelijkertijd risico's uit migratie- en veiligheidsoogpunt te helpen voorkomen, nader uitgewerkt in bijlage J, behorende bij deze regeling.

Artikel

5

Aanvraagtijdvakken en subsidieplafond

De mogelijkheid tot het indienen van aanvragen om subsidie bestaat slechts gedurende door de minister vastgestelde aanvraagtijdvakken. De minister maakt de aanvraagtijdvakken vooraf bekend in de Nederlandse Staatscourant, waarbij tevens het maximaal beschikbare bedrag per actie per aanvraagtijdvak wordt vastgesteld.

Artikel

6

Subsidieaanvrager

Artikel

7

De subsidieaanvraag

Artikel

8

Rangschikking

Artikel

9

Subsidieverlening

Artikel

10

Weigering van de subsidie

Een aanvraag tot verlening van subsidie kan in ieder geval door de minister geheel of gedeeltelijk worden afgewezen, indien:

  • a.

    de subsidieaanvraag niet voldoet aan de daaraan bij en krachtens deze regeling gestelde eisen;

  • b.

    de kosten van het project niet in een redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten resultaten;

  • c.

    onvoldoende zekerheid bestaat over de financiering van de totale noodzakelijkerwijs ten behoeve van de voorbereiding en de uitvoering van het project te maken kosten;

  • d.

    onvoldoende zekerheid bestaat dat de administratie van de subsidieaanvrager zal voldoen aan de daaraan gestelde eisen;

  • e.

    onaannemelijk is dat met de door de subsidieaanvrager toegepaste werkwijze de met de subsidie beoogde doelstelling wordt bereikt;

  • f.

    onaannemelijk is dat de voorgenomen subsidiabele activiteiten en subsidiabele kosten eenvoudig te verantwoorden en te controleren zijn;

  • g.

    de bijdrage uit de Uniebegroting meer bedraagt dan het maximum als bedoeld in de specifieke verordeningen;

  • h.

    de overheidssteun voor het project hoger is dan het totale bedrag aan subsidiabele kosten;

  • i.

    onaannemelijk is dat subsidieaanvrager beschikt over operationele en financiële capaciteit voor de uitvoering van de voorgenomen activiteiten;

  • j.

    anderszins op grond van diens eerdere subsidieverleningen voor vergelijkbare activiteiten niet aannemelijk is dat de subsidieaanvrager de activiteiten goed zal uitvoeren en aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen zal voldoen;

  • k.

    de subsidiabele kosten minder dan € 400.000 bedragen;

  • l.

    voor een subsidieaanvraag met betrekking tot een actie als bedoeld in bijlagen B en D, op grond van artikel 8, eerste lid, minder dan 60 punten worden toegekend.

Artikel

11

Hoogte van de subsidie

De subsidie ten behoeve van projecten als bedoeld in artikel 4 bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag.

Artikel

12

Subsidiabele kosten

Artikel

13

Berekening kosten van arbeid

Artikel

14

Berekening reiskosten en verblijfskosten van medewerkers en kosten van langdurig verblijf van uitgezonden medewerkers

Artikel

15

Berekening specifieke uitgaven in verband met doelgroepen

Artikel

16

Berekening kosten van materieel

Artikel

17

Berekening kosten van onroerende zaken

Artikel

18

Berekening overige externe kosten

Overige externe kosten zijn subsidiabel als deze betrekking hebben op directe kosten die in het kader van het project moeten worden uitbesteed en die niet vallen onder een van de in artikel 12, derde lid, onderdelen a tot en met e, genoemde kostensoorten. Overige externe kosten kunnen bestaan uit kosten van diensten of producten.

Artikel

19

Berekening indirecte kosten

De indirecte kosten worden berekend door:

Artikel

20

Berekening overige subsidiabele kosten anders dan de kosten van arbeid

Indien artikel 13, tweede lid, niet wordt toegepast kunnen alle andere subsidiabele kosten, inclusief de indirecte kosten, worden berekend door de kosten van arbeid te vermenigvuldigen met 40%.

Artikel

21

Kosten van internationale organisaties

Artikel

22

Niet subsidiabele kosten

Niet voor subsidiëring komen in aanmerking:

  • a.

    kosten als bedoeld in artikel 64 van de Verordening gemeenschappelijke bepalingen;

  • b.

    onredelijk of niet noodzakelijk gemaakte kosten voor uitvoering van het project of een onderdeel daarvan;

  • c.

    kosten van het project die qua prijsniveau niet in een redelijke verhouding staan tot de overeengekomen prestaties of hetgeen gebruikelijk is;

  • d.

    fooien en geschenken;

  • e.

    representatiekosten en representatievergoedingen;

  • f.

    kosten van ontspanningsactiviteiten ten behoeve van personeelsleden van het project;

  • g.

    schulden en kosten van schulden, rente op schulden, commissies voor het wisselen van geld, wisselkoersverliezen, dubieuze vorderingen, boetes, financiële sancties, gerechtskosten en buitensporige of roekeloze uitgaven;

  • h.

    kosten gemaakt buiten de projectperiode, die benoemd is in de beschikking tot subsidieverlening, met uitzondering van de kosten voor projectcoördinatie en -administratie ten behoeve van het opstellen van het verzoek tot vaststelling tot aan het moment van indienen van dit verzoek;

  • i.

    bijdragen in natura ten behoeve van de cofinanciering van het project, met uitzondering van de kosten, bedoeld in artikel 13, vierde lid;

  • j.

    belasting over de toegevoegde waarde indien deze krachtens het nationale recht inzake belasting over de toegevoegde waarde terugvorderbaar is;

  • k.

    Kosten die reeds uit andere nationale of Europese middelen worden gefinancierd zodanig dat de totale financiering van de subsidiabele kosten meer dan 100% bedraagt;

  • l.

    kosten van minder dan € 200, tenzij de minister met een lager bedrag instemt;

  • m.

    kosten als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van de Verordening ISF;

  • n.

    kosten van activiteiten als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Verordening BMVI.

Artikel

23

Bevoorschotting

Artikel

24

Administratievoorschriften

Artikel

25

Beschikbaarheid van bescheiden

Artikel

26

Rapportageverplichtingen

Artikel

27

Subsidievaststelling

Artikel

28

Publiciteit

Artikel

29

Openbaar maken subsidiedossier

Artikel

30

Intrekking en terugvordering

Artikel

31

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling AMIF, ISF en BMVI 2021–2027.

Artikel

32

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat deze regeling terugwerkt tot en met 1 januari 2021.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage
De Minister van Justitie en Veiligheid, D. Yeşilgöz-Zegerius
De Minister voor Rechtsbescherming, F.M. Weerwind
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, E. van der Burg
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, C.E.G. van Gennip

Bijlage

A

behorende bij artikel 4, onderdeel a

Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel a: het versterken en ontwikkelen van alle aspecten van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, met inbegrip van de externe dimensie ervan om bij te dragen aan het bewerkstelligen van een toekomstbestendige migratieketen

Artikel

A1

Subsidieaanvrager

De subsidie wordt aangevraagd door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers of de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Artikel

A2

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 16 mei 2022, 09.00 uur, tot en met 31 december 2028, 17.00 uur.

Artikel

A3

Subsidieplafond

  • 1.

    Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel A2, € 39.036.425.

  • 2.

    Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel A2, € 35.132.782.

Artikel

A4

Doel en doelgroepen

  • 1.

    Een project heeft tot doel het versterken en door ontwikkelen van de kwaliteit van het opvang- en asielstelsel voor onderdanen van een derde land.

  • 2.

    De projecten richten zich op de volgende doelgroep:

Artikel

A5

Subsidiabele activiteiten

Projecten zijn uitsluitend gericht op een of meer van de volgende activiteiten:

  • a.

    het opzetten van administratieve structuren, instrumenten en systemen, waaronder ICT-systemen, en het opleiden van personeel, waaronder het personeel van lokale autoriteiten en van andere relevante belanghebbenden, waar passend in samenwerking met de relevante organen en instanties van de Unie;

  • b.

    het ontwikkelen, monitoren en evalueren van beleid en procedures, onder meer op het gebied van de verzameling, uitwisseling en analyse van informatie en gegevens; het verspreiden van kwalitatieve en kwantitatieve gegevens en statistieken over migratie en internationale bescherming; alsmede het ontwikkelen en toepassen van gemeenschappelijke statistische instrumenten, methodes en indicatoren voor het meten van vooruitgang en het beoordelen van beleidsontwikkelingen;

  • c.

    het uitwisselen van informatie, beste praktijken en strategieën; onderling leren, studies en onderzoek; het ontwikkelen en uitvoeren van gezamenlijke acties en gezamenlijk optreden; en het oprichten van transnationale netwerken voor samenwerking;

  • d.

    bijstand en ondersteunende diensten die op genderbewuste wijze en in overeenstemming met de status en de behoeften van de betrokken persoon worden verstrekt, met name waar het gaat om kwetsbare personen;

  • e.

    acties gericht op de doeltreffende bescherming van migrerende kinderen, met inbegrip van de uitvoering van beoordelingen van het belang van het kind, de verbetering van voogdijstelsels en de ontwikkeling, monitoring en evaluatie van beleid en procedures ter bescherming van kinderen;

  • f.

    het uitvoeren van asielprocedures in overeenstemming met het asielacquis, waaronder het verstrekken van ondersteunende diensten zoals vertaling en vertolking, rechtsbijstand, opsporing van familieleden en andere diensten die stroken met de status van de betrokken persoon;

  • g.

    het identificeren van verzoekers die speciale behoeften hebben op het gebied van procedures of opvang, met inbegrip van de vroegtijdige identificatie van slachtoffers van mensenhandel, met het oog op hun doorverwijzing naar gespecialiseerde diensten zoals psychosociale diensten en rehabilitatiediensten;

  • h.

    het verstrekken van gespecialiseerde diensten, zoals gekwalificeerde psychosociale diensten en rehabilitatiediensten, aan verzoekers die speciale behoeften hebben op het gebied van procedures of opvang;

  • i.

    het realiseren of verbeteren van infrastructuur inzake opvangaccommodatie, zoals kleinschalige opvangfaciliteiten om tegemoet te komen aan de behoeften van gezinnen met minderjarigen, met inbegrip van faciliteiten die door lokale en regionale autoriteiten worden aangeboden en het eventuele gebruik van de betreffende faciliteiten door meer dan één lidstaat;

  • j.

    het verbeteren van de capaciteit van de lidstaten om informatie over het land van herkomst te verzamelen, te analyseren en met hun bevoegde autoriteiten te delen;

  • k.

    het versterken van de capaciteit van derde landen om de bescherming van personen die bescherming behoeven te verbeteren, onder meer door de ontwikkeling van stelsels voor de bescherming van migrerende kinderen te ondersteunen;

  • l.

    het vaststellen, ontwikkelen en verbeteren van doeltreffende alternatieven voor detentie, met name met betrekking tot niet-begeleide minderjarigen en gezinnen, met inbegrip van, waar passend, niet-geïnstitutionaliseerde zorg die in de nationale kinderbeschermingsstelsels is geïntegreerd.

Artikel

A6

Specifieke eisen aan het project

  • 1.

    Een project komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien:

    • a.

      het project past binnen het doel, omschreven in artikel A4;

    • b.

      het project een duur van ten hoogste 48 maanden heeft, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige aanvraag tot maximaal een maand na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan door de minister in de beschikking tot subsidieverlening een andere startdatum van het project worden vermeld.

Artikel

A7

Hoogte van de subsidie

  • 1.

    In afwijking van artikel 11 bedraagt de subsidie maximaal 90% van de subsidiabele kosten voor maatregelen die zijn gericht op kwetsbare personen en verzoekers om internationale bescherming met bijzondere behoeften inzake opvang of procedures, waaronder maatregelen die de doeltreffende bescherming van minderjarigen waarborgen, met name niet-begeleide minderjarigen, onder meer door middel van alternatieve, niet-geïnstitutionaliseerde zorgsystemen.

  • 2.

    In afwijking van artikel 11 bedraagt de subsidie maximaal 100% van de subsidiabele kosten voor operationele steun als bedoeld in artikel 21 van de Verordening AMIF.

  • 3.

    Projecten gericht op activiteiten omgeschreven in het tweede lid worden altijd met de beheerautoriteit afgestemd.

Bijlage

B

behorende bij artikel 4, onderdeel a

Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel a: het versterken en ontwikkelen van alle aspecten van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, met inbegrip van de externe dimensie ervan om bij te dragen aan het bewerkstelligen van een toekomstbestendige migratieketen

Artikel

B1

Subsidieaanvrager

De subsidie wordt aangevraagd door:

  • onderwijs- en onderzoeksinstellingen;

  • opleidingsorganisaties;

  • sociale partners;

  • internationale gouvernementele- en niet-gouvernementele organisaties;

  • niet-gouvernementele organisaties;

  • privaatrechtelijke ondernemingen;

  • publiekrechtelijke ondernemingen.

Artikel

B2

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 20 juni 2022, 09.00 uur, tot en met 29 juli 2022, 17.00 uur.

Artikel

B3

Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel B2, € 11.710.927,58.

Artikel

B4

Doel en doelgroepen

  • 1.

    Een project heeft tot doel het versterken en doorontwikkelen van de kwaliteit van het opvang- en asielstelsel voor onderdanen van een derde land.

  • 2.

    De projecten richten zich op de volgende doelgroep:

Artikel

B5

Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Projecten zijn uitsluitend gericht op een of meer van de volgende activiteiten:

    • a.

      het uitwisselen van informatie, beste praktijken en strategieën, onderling leren, studies en onderzoek, het ontwikkelen en uitvoeren van gezamenlijke acties en gezamenlijk optreden en het oprichten van transnationale netwerken voor samenwerking;

    • b.

      bijstand en ondersteunende diensten die op genderbewuste wijze en in overeenstemming met de status en de behoeften van de betrokken persoon worden verstrekt, met name waar het gaat om kwetsbare personen;

    • c.

      het identificeren van verzoekers die speciale behoeften hebben op het gebied van procedures of opvang, met inbegrip van de vroegtijdige identificatie van slachtoffers van mensenhandel, met het oog op hun doorverwijzing naar gespecialiseerde diensten zoals psychosociale diensten en rehabilitatiediensten;

    • d.

      het verstrekken van gespecialiseerde diensten, zoals gekwalificeerde psychosociale diensten en rehabilitatiediensten, aan verzoekers die speciale behoeften hebben op het gebied van procedures of opvang;

  • 2.

    Projecten mogen niet strijdig zijn met het nationaal asiel- en opvangbeleid.

Artikel

B6

Aanvullende eisen aanvraag

  • 1.

    Projecten gericht op het opvangstelsel respectievelijk het asielstelsel, worden altijd uitgevoerd in samenwerking met of na afstemming met het Centraal Orgaan opvang asielzoekers respectievelijk de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Een bewijs hiervan wordt bijgevoegd bij de aanvraag.

  • 2.

    Projecten in de opvang richten zich bij voorkeur op alleenstaande minderjarige vreemdelingen, vreemdelingen met medische problematiek, alleenstaande vrouwen en kinderen.

  • 3.

    Projecten dragen bij voorkeur bij aan het draagvlak voor asielopvang.

Artikel

B7

Specifieke eisen aan het project

  • 1.

    Een project komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien:

    • a.

      het project past binnen het doel, omschreven in artikel B4;

    • b.

      het project een duur van ten hoogste 36 maanden heeft, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige aanvraag tot maximaal een maand na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan door de minister in de beschikking tot subsidieverlening een andere startdatum van het project worden vermeld.

Artikel

B8

Hoogte van de subsidie

In afwijking van artikel 11 bedraagt de subsidie maximaal 90% van de subsidiabele kosten voor maatregelen die zijn gericht op kwetsbare personen en verzoekers om internationale bescherming met bijzondere behoeften inzake opvang of procedures, waaronder maatregelen die de doeltreffende bescherming van minderjarigen waarborgen, met name niet-begeleide minderjarigen, onder meer door middel van alternatieve, niet-geïnstitutionaliseerde zorgsystemen.

Bijlage

C

behorende bij artikel 4, onderdeel b

Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel b: het versterken van de economische positie van Nederland door het realiseren van een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor kennismigranten en werkgevers

Artikel

C1

Subsidieaanvrager

De subsidie wordt aangevraagd door de Immigratie-en Naturalisatiedienst.

Artikel

C2

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 18 juli 2022, 09.00 uur, tot en met 31 december 2028, 17.00 uur.

Artikel

C3

Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel C2, € 3.903.642,53.

Artikel

C4

Doel en doelgroep

Artikel

C5

Subsidiabele activiteiten:

  • 1.

    Projecten zijn uitsluitend gericht op een of meer van de volgende activiteiten:

    • a.

      samenwerking te bewerkstelligen tussen gouvernementele en niet-gouvernementele instanties op een geïntegreerde manier, onder meer door gecoördineerde integratieondersteunende centra, zoals éénloketsystemen;

    • b.

      de ontwikkeling, monitoring en evaluatie van beleid en procedures.

  • 2.

    Activiteiten die rechtstreeks worden uitgevoerd in het kader van inburgering op grond van de Wet inburgering, de Vreemdelingenwet 2000 of de Rijkswet op het Nederlanderschap komen niet voor subsidie in aanmerking.

  • 3.

    Projecten mogen niet strijdig zijn met het nationaal integratiebeleid.

Artikel

C6

Specifieke eisen aan het project

  • 1.

    Een project komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien:

    • a.

      het project past binnen het doel, omschreven in artikel C4;

    • b.

      het project een duur van ten hoogste 48 maanden heeft, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige aanvraag tot maximaal een maand na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan door de minister in de beschikking tot subsidieverlening een andere startdatum van het project worden vermeld.

Artikel

C7

Hoogte van de subsidie

In afwijking van artikel 11 bedraagt de subsidie maximaal 90% van de subsidiabele kosten voor integratiemaatregelen die worden uitgevoerd door lokale en regionale autoriteiten en door maatschappelijke organisaties, waaronder vluchtelingenorganisaties en door migranten geleide organisaties;

Bijlage

D

behorende bij artikel 4, onderdeel c

Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel c: het leveren van een bijdrage aan het maatschappelijke doel van inburgering, te weten alle inburgeringsplichtigen doen snel en volwaardig mee in de Nederlandse maatschappij.

Artikel

D1

Subsidieaanvrager

De subsidie wordt aangevraagd door:

  • nationale, regionale of lokale overheidsorganisaties;

  • niet-gouvernementele organisaties.

Artikel

D2

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 september 2022, 09.00 uur, tot en met 30 september 2022, 17.00 uur.

Artikel

D3

Subsidieplafond

  • 1.

    Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie voor activiteiten omschreven in artikel D5, eerste lid, onder a, bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel D2, € 10.539.834,83.

  • 2.

    Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie voor activiteiten omschreven in artikel D5, eerste lid, onder b, bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel D2, € 3.513.278,28.

  • 3.

    Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie voor activiteiten omschreven in artikel D5, eerste lid, onder c, bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel D2, € 9.368.742,07.

Artikel

D4

Doel en doelgroepen

  • 1.

    Een project heeft tot doel om een bijdrage te leveren aan het maatschappelijke doel van inburgering: alle inburgeringsplichtigen doen snel en volwaardig mee in de Nederlandse maatschappij.

  • 2.

    De doelgroep van een project bestaat uit personen die op grond van de Wet inburgering 2021 of de Wet Inburgering in de periodes van 2007 tot en met 2021 inburgeringsplichtig zijn of zijn geweest.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid bestaat de doelgroep voor projecten als bedoeld in artikel D5, eerste lid, onderdeel b, uit personen die op grond van de Wet Inburgering in de periode 2007 tot en met 2021 inburgeringsplichtig zijn of zijn geweest.

Artikel

D5

Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Projecten zijn uitsluitend gericht op een of meer van de volgende activiteiten:

    • a.

      duale trajecten waarin betaald en onbetaald werken of het versterken van beroepsvaardigheden gecombineerd wordt met het leren van de Nederlandse taal.

    • b.

      contextgericht leren, gericht op het leren van de taal in een praktijkgerichte leeromgeving, waarbij de focus ligt op het leren van de taal in praktijksituaties buiten het leslokaal, welke aansluiten op de leefwereld van de deelnemer.

    • c.

      specifieke ondersteuning richting maatschappelijke activatie en participatie voor de doelgroep waarbij onder meer een of meer van de volgende activiteiten onderdeel zijn van die ondersteuning:

      • 1°.

        netwerkversterking van de deelnemers in Nederland;

      • 2°.

        het versterken van digitale vaardigheden, die benodigd zijn voor zelfredzaamheid en participatie in Nederland;

      • 3°.

        ondersteuning door de inzet van rolmodellen om ervaren verschillen tussen Nederland en het land van herkomst te overbruggen die voor de deelnemers participatie in Nederland belemmeren;

      • 4°.

        het versterken van gezondheidsvaardigheden.

  • 2.

    Bij aanvragen voor projecten gericht op de onder lid 1, onderdeel a en b genoemde activiteiten zijn uitsluitend regionale of lokale overheidsorganisaties aanvrager.

  • 3.

    Projecten mogen niet strijdig zijn met het nationaal inburgeringsbeleid.

Artikel

D6

Aanvullende eisen aanvraag

In aanvulling op artikel 7 bevat de projectbeschrijving:

  • a.

    een beschrijving van de partijen met wie wordt samengewerkt om het project te realiseren, van de rolverdeling en welke taken en werkzaamheden deze partijen ieder gaan uitvoeren;

  • b.

    een beschrijving van de wijze waarop het project wordt geëvalueerd;

  • c.

    een beschrijving van de wijze waarop bij de werving en selectie van deelnemers gezorgd wordt voor een evenredige vertegenwoordiging van vrouwen en hoe de verwachte specifieke obstakels voor vrouwelijke deelnemers aan de hand van de projectaanpak worden ondervangen;

  • d.

    een beschrijving van de wijze waarop de doelgroep van inburgeraars betrokken wordt bij de voorbereiding en uitvoering van het project;

  • e.

    een beschrijving van de wijze waarop in het project aandacht is voor het omgaan met belemmeringen voor arbeidsparticipatie, waaronder gezondheid en schulden;

  • f.

    in het geval van subsidiabele activiteiten als bedoeld artikel D5, eerste lid, onderdeel a, een beschrijving van de wijze waarop wordt gezorgd voor een goede samenwerking met werkgevers, de wijze waarop voor voldoende taalrijke werkplekken bij werkgevers wordt gezorgd en de wijze waarop de taalactiviteiten en werkactiviteiten op elkaar worden afgestemd;

  • g.

    in het geval van subsidiabele activiteiten als bedoeld in artikel D5, eerste lid, onderdeel b, een beschrijving van de soorten praktijksituaties buiten het klaslokaal die binnen het project worden ingezet, de wijze waarop voor aansluiting bij de belevingswereld van de deelnemers wordt gezorgd en met welke organisaties wordt samengewerkt om de praktijksituaties te organiseren;

  • h.

    in het geval van subsidiabele activiteiten als bedoeld in artikel D5, eerste lid, onderdeel c, een beschrijving van de wijze waarop de deelnemers in een taalrijke omgeving geactiveerd worden en meer gaan participeren in de Nederlandse samenleving.

Artikel

D7

Specifieke eisen aan het project

  • 1.

    Een project komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien:

    • a.

      het project past binnen het doel, omschreven in artikel D4;

    • b.

      binnen het project een onafhankelijk inhoudelijk evaluatieonderzoek over het project wordt uitgevoerd door een extern onderzoeksbureau. Dit evaluatieonderzoek bestaat in ieder geval uit een procesevaluatie en een uitkomst- en effectevaluatie. De definitieve rapportage waarin verslag wordt gedaan van de evaluatie wordt tegelijk met het verzoek om subsidievaststelling opgeleverd;

    • c.

      het project een duur van ten hoogste 36 maanden heeft, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige aanvraag tot maximaal een maand na de datum van de beschikking tot subsidieverlening;

    • d.

      er in het project praktijkervaring met de deelnemers wordt opgedaan.

  • 2.

    Voor projecten in het kader van artikel D5, eerste 1, onderdeel a, bedraagt de maximale omvang van de subsidiabele kosten € 1.500.000.

  • 3.

    Voor projecten in het kader van artikel D5, eerste 1, onderdeel b, bedraagt de maximale omvang van de subsidiabele kosten € 1.000.000.

  • 4.

    Voor projecten in het kader van artikel D5, eerste 1, onderdeel c, bedraagt de maximale omvang van de subsidiabele kosten € 2.000.000.

  • 5.

    In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, kan door de minister in de beschikking tot subsidieverlening een andere startdatum van het project worden vermeld.

Artikel

D8

Hoogte van de subsidie

In afwijking van artikel 11 bedraagt de subsidie maximaal 90% van de subsidiabele kosten voor integratiemaatregelen die worden uitgevoerd door lokale en regionale autoriteiten en door maatschappelijke organisaties, waaronder vluchtelingenorganisaties en door migranten geleide organisaties.

Bijlage

E

behorende bij artikel 4, onderdeel d

Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel d: De bevordering van zelfstandig dan wel gedwongen vertrek van vreemdelingen die geen recht op verblijf in Nederland hebben, dan wel van vreemdelingen die in afwachting zijn van een beslissing op hun aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bezwaarschrift of beroep, dan wel van vreemdelingen met een tijdelijk verblijfsrecht.

Artikel

E1

Subsidieaanvrager

De subsidie wordt aangevraagd door de Dienst Terugkeer en Vertrek of de Internationale Organisatie voor Migratie.

Artikel

E2

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 16 mei 2022, 09.00 uur, tot en met 31 december 2028, 17.00 uur.

Artikel

E3

Subsidieplafond

  • 1.

    Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie aan de Dienst Terugkeer en Vertrek bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel E2, € 39.036.425,28.

  • 2.

    Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie aan de Internationale Organisatie voor Migratie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel E2, € 19.518.212,64.

Artikel

E4

Doel en doelgroepen

  • 1.

    Een project heeft tot doel de bevordering van zelfstandig of gedwongen vertrek van vreemdelingen die geen recht op verblijf in Nederland hebben, of van vreemdelingen die in afwachting zijn van een beslissing op hun aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bezwaarschrift of beroep, of van vreemdelingen met een tijdelijk verblijfsrecht.

  • 2.

    Indien de projecten zich richten op de activiteiten, bedoeld in artikel E5, eerste lid, onderdelen a, b en c, dient de doelgroep primair te bestaan uit:

    • a.

      onderdanen van derde landen die nog geen definitieve negatieve beslissing hebben ontvangen met betrekking tot hun verzoek om in een lidstaat te mogen verblijven, hun verzoek om een verblijfsvergunning en/of hun verzoek om internationale bescherming te genieten, en die ervoor kunnen kiezen gebruik te maken van de mogelijkheid om vrijwillig terug te keren; of

    • b.

      onderdanen van derde landen die in een lidstaat een verblijfsrecht, verblijfsvergunning hebben en/of internationale bescherming genieten in de zin van Richtlijn 2011/95/EU, of tijdelijke bescherming genieten in de zin van Richtlijn 2001/55/EG, en die ervoor hebben gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid om vrijwillig terug te keren; of

    • c.

      onderdanen van derde landen die zich op het grondgebied van een lidstaat bevinden en niet of niet langer voldoen aan de voorwaarden voor toegang en/of verblijf in een lidstaat, onder meer de onderdanen van derde landen voor wie de verwijdering overeenkomstig artikel 9 en artikel 14, eerste lid, van de Richtlijn 2008/115/EG, is uitgesteld.

Artikel

E5

Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Projecten zijn uitsluitend gericht op een of meer van de onderstaande activiteiten:

    • a.

      innovatie om kwetsbare groepen en overlastgevers beschikbaar te houden voor terugkeer wanneer vreemdelingenbewaring als ultimo remedium niet aan de orde is;

    • b.

      versterking van de doeltreffendheid van systemen voor het toezicht op gedwongen terugkeer;

    • c.

      directe kosten van terugkeer waaronder de begeleiding van de vreemdeling voor het vertrek, de inzet van tolken, het vervoer van vreemdelingen, het verkrijgen van reisdocumenten, escorteren van vreemdelingen, de inzet van reïntegratiepakketten;

    • d.

      capaciteitsopbouw en relatiebeheer, waaronder strategisch relatiebeheer, in derde landen;

    • e.

      brede ondersteuning aan terugkeeractiviteiten en terugkeerprojecten in nationaal en Europees kader;

    • f.

      het plaatsen van Experts Nationals Detachés bij Europese instellingen;

    • g.

      activiteiten in lijn met begeleide vrijwillige terugkeer en re-integratie;

    • h.

      activiteiten met betrekking tot gedwongen terugkeer;

    • i.

      activiteiten in het kader van herintegratie in het land ven herkomst;

    • j.

      ondersteunende diensten in lijn met begeleide vrijwillige terugkeer en re-integratie;

    • k.

      activiteiten in het kader van het verstrekken van zorg of medicatie na terugkeer in het land van herkomst;

    • l.

      het verbeteren van primaire uitvoeringsprocessen waaronder innovatie op het primaire proces zoals ketenbrede casemanagement en het moderniseren van het terugkeerproces;

    • m.

      het opleiden van personeel;

    • n.

      investeren in ICT en duurzame technologie;

    • o.

      het vergroten van het inzicht in rechtmatig en onrechtmatig verblijf;

    • p.

      samenwerking met de Immigratie en Naturalisatiedienst op het gebied van het reguliere beleidsterrein;

    • q.

      communicatie en informatie over terugkeer;

Artikel

E6

Specifieke eisen aan het project

  • 1.

    Een project komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien:

    • a.

      het project past binnen het doel, omschreven in artikel E4;

    • b.

      het project een duur van ten hoogste 48 maanden heeft, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige aanvraag tot maximaal een maand na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

Artikel

E7

Hoogte van de subsidie

  • 1.

    In afwijking van artikel 11 bedraagt de subsidie maximaal 90% van de subsidiabele kosten voor maatregelen die zijn gericht op programma’s voor gefaciliteerde vrijwillige terugkeer en re-integratie en daarmee verband houdende activiteiten;

  • 2.

    In afwijking van artikel 11 bedraagt de subsidie maximaal 100% van de subsidiabele kosten voor operationele steun als bedoeld in artikel 21 van de Verordening AMIF.

  • 3.

    Projecten gericht op activiteiten omgeschreven in het tweede lid worden altijd met de beheerautoriteit afgestemd.

Bijlage

F

behorende bij artikel 4, onderdeel e

Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel e: het verbeteren en vergemakkelijken van de uitwisseling van informatie tussen en binnen de bevoegde autoriteiten en relevante organen en instanties van de Europese Unie, en in voorkomend geval met derde landen en internationale organisaties.

Artikel

F1

Subsidieaanvrager

De subsidie wordt aangevraagd door het directoraat-generaal Straffen en Beschermen, het directoraat-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving, het directoraat-generaal Politie en Veiligheidsregio’s, het directoraat-generaal Georganiseerde en Ondermijnende Criminaliteit, de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de politie.

Artikel

F2

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 18 juli 2022, 09.00 uur, tot en met 31 december 2028, 17.00 uur.

Artikel

F3

Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel F2, € 8.014.612.

Artikel

F4

Doel

Een project heeft tot doel het verbeteren en vergemakkelijken van de uitwisseling van informatie tussen en binnen de bevoegde autoriteiten en relevante organen en instanties van de Unie, en in voorkomend geval met derde landen en internationale organisaties.

Artikel

F5

Subsidiabele activiteiten

Projecten zijn uitsluitend gericht op een of meer van de volgende activiteiten:

  • a.

    het verkrijgen, organiseren en bruikbaar maken van informatie omtrent onherroepelijke veroordelingen van onderdanen van de Europese Unie in derde landen wegens kindermisbruik, om deze informatie te kunnen gebruiken in de VOG-screening voor het werken met kinderen.

  • b.

    de versterking van de ICT-systemen van en voor het rechtshulpproces gericht op het automatiseren van handelingen, efficiëntie, gebruiksvriendelijkheid, verbeteren van de interoperabiliteit en verrijken van informatie.

  • c.

    de voorbereiding van de Schengenevaluatie en het implementeren van de daaruit voortvloeiende aanbevelingen.

  • d.

    het doorontwikkelen, verbeteren, of uitbreiden van, of bevorderen van de interoperabiliteit van het systeem ‘verwijzingsportaal bankgegevens’ ter voorkoming van misbruik van het financiële stelsel door witwassen en terrorismefinanciering conform of gerelateerd aan de Wet verwijzingsportaal bankgegevens en richtlijn 2015/849/EU.

Artikel

F6

Specifieke eisen aan het project

  • 1.

    Een project komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien:

    • a.

      het project past binnen het doel, omschreven in artikel F4;

    • b.

      het project een duur van ten hoogste 60 maanden heeft, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige aanvraag tot maximaal een maand na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan door de minister in de beschikking tot subsidieverlening een andere startdatum van het project worden vermeld.

Artikel

F7

Hoogte van de subsidie

  • 1.

    In afwijking van artikel 11, eerste lid, kan de subsidie verhoogd worden tot 90% van de totale subsidiabele uitgaven voor projecten in het kader van de in bijlage IV van de Verordening ISF genoemde acties.

  • 2.

    In afwijking van artikel 11, eerste lid, kan de bijdrage verhoogd worden tot 100% van de totale subsidiabele uitgaven voor operationele steun als bedoeld in artikel 12, vierde lid, van de Verordening ISF.

Bijlage

G

behorende bij artikel 4, onderdeel f

Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel f: het verbeteren en intensiveren van de grensoverschrijdende coördinatie en samenwerking, met inbegrip van gezamenlijke operaties tussen bevoegde autoriteiten, met betrekking tot terrorisme en zware en georganiseerde criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie

Artikel

G1

Subsidieaanvrager

De subsidie wordt aangevraagd door het directoraat-generaal Straffen en Beschermen, het directoraat-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving, het directoraat-generaal Politie en Veiligheidsregio’s, het directoraat-generaal Georganiseerde en Ondermijnende Criminaliteit, de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de politie.

Artikel

G2

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 augustus 2022, 09.00 uur, tot en met 31 december 2028, 17.00 uur.

Artikel

G3

Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel G2, € 5.218.191.

Artikel

G4

Doel en doelgroepen

Een project heeft tot doel het verbeteren en intensiveren van de grensoverschrijdende coördinatie en samenwerking, met inbegrip van gezamenlijke operaties tussen bevoegde autoriteiten, met betrekking tot terrorisme en zware en georganiseerde criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie.

Artikel

G5

Subsidiabele activiteiten

Projecten zijn uitsluitend gericht op een of meer van de volgende activiteiten:

  • a.

    het verbeteren en intensiveren van informatie-uitwisseling en versterken van de internationale samenwerking door middel van het uitbreiden van operationele inzet in het buitenland.

  • b.

    het verbeteren en intensiveren van informatie-uitwisseling en versterken van de internationale samenwerking door middel van de inzet van experts.

  • c.

    het verbeteren en intensiveren van informatie-uitwisseling en versterken van de internationale samenwerking door middel van het ontwikkelen en inzetten van ondersteunende instrumenten en software.

  • d.

    ondersteuning in Nederland van samenwerkingsverbeterende en intensiverende projecten.

  • e.

    de voorbereiding van de Schengenevaluatie en het implementeren van de daaruit voortvloeiende aanbevelingen.

Artikel

G6

Specifieke eisen aan het project

  • 1.

    Een project komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien:

    • a.

      het project past binnen het doel, omschreven in artikel F4;

    • b.

      het project een duur van ten hoogste 60 maanden heeft, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige aanvraag tot maximaal een maand na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan door de minister in de beschikking tot subsidieverlening een andere startdatum van het project worden vermeld.

Artikel

G7

Hoogte van de subsidie

  • 1.

    In afwijking van artikel 11, eerste lid, kan de subsidie verhoogd worden tot 90% van de totale subsidiabele uitgaven voor projecten in het kader van de in bijlage IV van de Verordening ISF genoemde acties.

  • 2.

    In afwijking van artikel 11, eerste lid, kan de bijdrage verhoogd worden tot 100% van de totale subsidiabele uitgaven voor operationele steun als bedoeld in artikel 12, vierde lid, van de Verordening ISF.

Bijlage

H

behorende bij artikel 4, onderdeel g

Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel g: het ondersteunen van de versterking van de capaciteiten van de lidstaten voor het voorkomen en bestrijden van criminaliteit, terrorisme en radicalisering en het beheersen van veiligheid gerelateerde incidenten, risico's en crises, onder meer door nauwere samenwerking tussen overheidsdiensten, de relevante organen en instanties van de Unie, het maatschappelijk middenveld en particuliere partners in verschillende lidstaten.

Artikel

H1

Subsidieaanvrager

De subsidie wordt aangevraagd door het directoraat-generaal Straffen en Beschermen, het directoraat-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving, het directoraat-generaal Politie en Veiligheidsregio’s, het directoraat-generaal Georganiseerde en Ondermijnende Criminaliteit, de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de politie.

Artikel

H2

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 16 mei 2022, 09.00 uur, tot en met 31 december 2028, 17.00 uur.

Artikel

H3

Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel H2, € 19.587.599.

Artikel

H4

Doel en doelgroepen

Een project heeft tot doel het ondersteunen van de versterking van de capaciteiten van de lidstaten voor het voorkomen en bestrijden van criminaliteit, terrorisme en radicalisering en het beheersen van veiligheid gerelateerde incidenten, risico’s en crises, onder meer door nauwere samenwerking tussen overheidsdiensten, de relevante organen en instanties van de Unie, het maatschappelijk middenveld en particuliere partners in verschillende lidstaten.

Artikel

H5

Subsidiabele activiteiten

Projecten zijn uitsluitend gericht op een of meer van de volgende activiteiten:

  • a.

    omtrent het ontwrichten en tegengaan van activiteiten rondom terrorisme, radicaliteit, georganiseerde criminaliteit en kinderporno online.

  • b.

    het ontwikkelen, pilots, en inzetten van nieuwe opsporingstechnieken in het kader van Artificiële Intelligentie

  • c.

    het voorkomen van daderschap.

  • d.

    activiteiten met betrekking tot het beschermen van kritieke infrastructuur.

Artikel

H6

Specifieke eisen aan het project

  • 1.

    Een project komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien:

    • a.

      het project past binnen het doel, omschreven in artikel H4;

    • b.

      het project een duur van ten hoogste 60 maanden heeft, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige aanvraag tot maximaal een maand na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan door de minister in de beschikking tot subsidieverlening een andere startdatum van het project worden vermeld.

Artikel

H7

Hoogte van de subsidie

  • 1.

    In afwijking van artikel 11, eerste lid, kan de subsidie verhoogd worden tot 90% van de totale subsidiabele uitgaven voor projecten in het kader van de in bijlage IV van de Verordening ISF genoemde acties.

  • 2.

    In afwijking van artikel 11, eerste lid, kan de bijdrage verhoogd worden tot 100% van de totale subsidiabele uitgaven voor operationele steun als bedoeld in artikel 12, vierde lid, van de Verordening ISF.

Bijlage

I

behorende bij artikel 4, onderdeel h

Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel h: het versterken en ondersteunen van het Europees geïntegreerd grensbeheer, om legale grensoverschrijdingen te faciliteren, illegale immigratie en grensoverschrijdende criminaliteit te voorkomen en op te sporen en migratiestromen te beheren.

Artikel

I1

Subsidieaanvrager

De subsidie wordt aangevraagd door het directoraat-generaal Migratie van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de politie, de Immigratie- en Naturalisatiedienst en de Koninklijke Marechaussee.

Artikel

I2

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 20 juni 2022, 09.00 uur, tot en met 31 december 2028, 17.00 uur.

Artikel

I3

Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel I2, € 60.569.517 waarbij de volgende onderverdeling geldt voor activiteiten die zien op:

  • a.

    artikel I4, onderdeel a: maximaal € 48.099.322;

  • b.

    artikel I4, onderdeel b: maximaal € 5.344.370;

  • c.

    artikel I4, onderdeel c: maximaal € 7.125.825.

Artikel

I4

Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Voor subsidie komen uitsluitend in aanmerking activiteiten die het management van de buitengrenzen van de Europese Unie ondersteunen, en zien op:

  • 2.

    De uitzonderingen op subsidiabele kosten genoemd in de verordeningen, bedoeld in het eerste lid, blijven gelden.

Artikel

I5

Specifieke eisen aan het project

  • 1.

    Een project duurt maximaal 60 maanden, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige aanvraag tot maximaal een maand na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

  • 2.

    In plaats van de datum van ontvangst van de volledige aanvraag kan door de minister in de beschikking tot subsidieverlening een andere startdatum van het project worden vermeld.

Artikel

I6

Hoogte van de subsidie

  • 1.

    In afwijking van artikel 11 bedraagt de subsidie maximaal 90% van de subsidiabele kosten voor projecten in het kader van de in bijlage IV van de Verordening BMVI genoemde acties.

  • 2.

    In afwijking van artikel 11 bedraagt de subsidie maximaal 100% van de subsidiabele kosten voor:

    • a.

      operationele steun als bedoeld in artikel 16 van Verordening BMVI;

    • b.

      uitgaven overeenkomstig artikel 85, tweede en derde lid, van de Verordening (EU) nr. 2018/1240.

Bijlage

J

behorende bij artikel 4, onderdeel i

Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel i: het ondersteunen van het gemeenschappelijk visumbeleid om een geharmoniseerde aanpak wat de uitgifte van visa betreft te waarborgen en legaal reizen te vergemakkelijken, en tegelijkertijd risico's uit migratie- en veiligheidsoogpunt te helpen voorkomen.

Artikel

J1

Subsidieaanvrager

De subsidie wordt aangevraagd door het directoraat-generaal Europese Samenwerking van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Artikel

J2

Aanvraag tijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 augustus 2022, 09.00 uur, tot en met 31 december 2028, 17.00 uur.

Artikel

J3

Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel J2, € 10.688.738 waarbij de volgende onderverdeling geldt voor activiteiten die zien op:

  • a.

    artikel J4, onderdeel a: maximaal € 3.562.913;

  • b.

    artikel J4, onderdeel b: maximaal € 3.562.913;

  • c.

    artikel J4, onderdeel c: maximaal € 3.562.912.

Artikel

J4

Subsidiabele activiteiten

Voor subsidie komen uitsluitend in aanmerking activiteiten die het gemeenschappelijk visumbeleid ondersteunen, en zien op:

Artikel

J5

Specifieke eisen aan het project

  • 1.

    Een project duurt maximaal 60 maanden, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige aanvraag tot maximaal een maand na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

  • 2.

    In plaats van de datum van ontvangst van de volledige aanvraag kan door de minister in de beschikking tot subsidieverlening een andere startdatum van het project worden vermeld.

Artikel

J6

Hoogte van de subsidie

  • 1.

    In afwijking van artikel 11 bedraagt de subsidie maximaal 90% van de subsidiabele kosten voor projecten in het kader van de in bijlage IV van de Verordening BMVI genoemde acties.

  • 2.

    In afwijking van artikel 11 bedraagt de subsidie maximaal 100% van de subsidiabele kosten voor:

    • a.

      operationele steun als bedoeld in artikel 16 van Verordening BMVI;

    • b.

      uitgaven overeenkomstig artikel 85, tweede en derde lid, van de Verordening (EU) nr. 2018/1240.

Bijlage

K

behorende bij artikel 8, eerste lid

1. Relevantie

(maximaal 15 punten)

a. In welke mate draagt het project bij aan de gekozen subsidiabele activiteit zoals vermeld in de Bijlagen B en D van deze subsidieregeling?

4

b. Blijkt uit het projectvoorstel wat de concrete uitdaging/het probleem is waar het projectvoorstel zich op richt?

4

c. Dragen de verwachte projectresultaten bij aan de oplossing

3

d. Zijn de geplande activiteiten direct noodzakelijk voor het behalen van de in het aanvraagformulier onder stap ‘Streefwaarden’ ingevulde beoogde te behalen streefwaarden? Deze streefwaarden zijn rechtstreeks gelinkt aan de beoogde in Nederland te behalen streefwaarden uit het Nationaal Programma AMIF.

4

2. Doeltreffendheid en kwaliteit van het projectvoorstel

(maximaal 15 punten)

a. Is het projectvoorstel op alle onderdelen duidelijk en concreet?

4

b. Zijn de voorziene activiteiten en de te behalen resultaten kwantificeerbaar en meetbaar?

4

c. Is er sprake van een realistische tijdsplanning met duidelijke en concrete mijlpalen en (eventueel) tussenproducten?

4

d. Is er sprake van de ontwikkeling van een nieuwe, creatieve of onconventionele aanpak?

3

3. Doelmatigheid

(maximaal 15 punten)

a. Lijken de begrote kosten duidelijk omschreven, onderbouwd en noodzakelijk voor het behalen van de doelstellingen en resultaten van het project?

7

b. Lijkt de prijs/prestatieverhouding redelijk?

8

4. Organisatie

(maximaal 15 punten)

a. Heeft de aanvragende organisatie voldoende capaciteit, ervaring, expertise en financiële armslag om het projectvoorstel met succes uit te voeren?

4

b. Blijkt uit het projectvoorstel dat de aanvrager kan voldoen aan de vereisten die aan de projectadministratie worden gesteld?

2

c. Is aannemelijk op basis van eerdere subsidieverleningen voor vergelijkbare activiteiten dat de aanvrager het projectvoorstel met succes kan uitvoeren en aan de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen kan voldoen?

4

d. Heeft de aanvragende organisatie ervaring met EU subsidieregels?

2

e. Heeft de aanvragende organisatie kennis van het beleidsterrein asiel en opvang of integratie?

3

5. Monitoring en evaluatie

(maximaal 10 punten)

a. Blijkt uit de inhoud van de subsidieaanvraag dat het projectvoorstel voorziet in duidelijke procedures om de te behalen streefwaarden en/of andere resultaten te meten en vast te leggen?

5

b. Blijkt uit de inhoud van de subsidieaanvraag dat het projectvoorstel voorziet in duidelijke criteria om aan te tonen dat er sprake is van succes of falen van de activiteiten die ondernomen worden om het projectdoel te bereiken en de streefwaarden te behalen?

5

6. Duurzaamheid

(maximaal 10 punten)

a. Blijkt uit het projectvoorstel dat er kans is op een structurele inbedding van positieve projectresultaten en/of blijvende samenwerking na afloop van de projectperiode?

3

b. Blijkt uit het projectvoorstel dat er sprake zal zijn van actieve kennisdeling en brede deling van de resultaten, zowel nationaal als Europees/internationaal, gedurende de looptijd?

3

c. Blijkt uit het projectvoorstel dat er adequaat gebruik gemaakt wordt van de kennis, capaciteiten en ervaringen van de (deelnemende) onderdanen uit derde landen waarop het doel van het project zich richt?

1

d. Blijkt uit het projectvoorstel dat de aanpak van het project bij succes op grotere schaal kan worden toegepast?

3

7. Asiel en opvang

(maximaal 20 punten)

a. In welke mate bestaat de doelgroep van een opvangproject uit kwetsbare groepen (kwetsbare groepen in de opvang zijn alleenstaande minderjarige vreemdelingen, vreemdelingen met medische problematiek, alleenstaande vrouwen en kinderen)?

12

b. In welke mate wordt in het project gezorgd voor draagvlak bij omwonenden voor asielopvang (communicatie richting omwonenden, betrekken omwonenden bij het project)?

4

c. In welke mate wordt in het project gezorgd voor draagvlak bij de bredere gemeenschap, zoals andere gemeenten, Provincie, Nederlandse bevolking voor asielopvang (bijvoorbeeld in de vorm van brede communicatie)?

4

8. Integratie

(maximaal 20 punten)

a. Is in het projectvoorstel voorzien in samenwerking met relevante partijen? Is duidelijk beargumenteerd welke partijen participeren en waarom?

3

b. In hoeverre zijn de voorgestelde acties om bij de werving en selectie van deelnemers te zorgen voor minimaal een evenredige vertegenwoordiging van vrouwen of meer, en de voorgestelde acties om de verwachte specifieke obstakels voor vrouwelijke deelnemers te ondervangen realistisch en overtuigend uitgewerkt?

3

c. In hoeverre wordt in het projectvoorstel voorzien in het betrekken van de doelgroep van inburgeraars bij de voorbereiding en uitvoering van het project?

2

d. In hoeverre zijn de voorgestelde acties om de belemmeringen voor arbeidsparticipatie (zoals (psychische) gezondheid en schulden) te ondervangen realistisch en overtuigend uitgewerkt?

4

e. 1°. Voor projecten gericht op de onder artikel D5, eerste lid, onderdeel a, genoemde activiteiten: In hoeverre is de samenwerking met werkgevers, de voorgestelde acties om te zorgen voor voldoende taalrijke werkplekken bij werkgevers en de voorgestelde acties om de taalactiviteiten en de werkactiviteiten op elkaar af te stemmen realistisch en overtuigend uitgewerkt?

8

2°. Voor projecten gericht op de onder artikel D5, eerste lid, onderdeel b, genoemde activiteiten: In hoeverre zijn de praktijksituaties (buiten het klaslokaal) die binnen het project worden ingezet, de voorgestelde acties om te zorgen voor een goede aansluiting bij de belevingswereld van de deelnemers en de wijze waarop met verschillende organisaties wordt samengewerkt om de praktijksituaties te organiseren realistisch en overtuigend uitgewerkt?

3°. Voor projecten gericht op de onder artikel D5, lid 1, onderdeel c genoemde activiteiten: In hoeverre zijn de voorgestelde acties om ervoor te zorgen dat de deelnemers (in taalrijke omgevingen) geactiveerd worden en de voorgestelde acties om ervoor te zorgen dat de deelnemers meer gaan participeren in de Nederlandse samenleving realistisch en overtuigend uitgewerkt?

Bijlage

L

behorende bij artikel 25, tweede lid

Procedure betreffende gebruik geconverteerde documenten of gegevensdragers en digitale bewijsstukken

In het kader van de verantwoording onderbouwt de subsidieontvanger of de penvoerder de kosten met originele bewijsstukken. De Verordening maakt het mogelijk kopieën of volledig digitale documenten te accepteren als bewijsstuk. Hiertoe moet door de lidstaat een procedure voor de vaststelling van de authenticiteit worden opgesteld. In deze bijlage worden de door Nederland vastgestelde procedures weergegeven.

De volgende documenten worden als bewijsstukken geaccepteerd:

  • a.

    fotokopieën van originelen;

  • b.

    elektronische versies van originelen;

  • c.

    documenten die uitsluitend in elektronische versie bestaan, mits de gebruikte computersystemen voldoen aan aanvaarde beveiligingsnormen die waarborgen dat de bewaarde documenten voldoen aan de eraan te stellen wettelijke eisen en dat bij controles op deze documenten kan worden gesteund.

Hieronder staan de procedures om deze stukken te kunnen gebruiken als geaccepteerde bewijsstukken in het kader van de projectadministratie.

Procedure voor het gebruik van de documenten, genoemd in de onderdelen a en b.

De hierboven genoemde bewijsstukken a en b zijn geconverteerde documenten of gegevensdragers. Bij conversie van het origineel naar het geconverteerde document of gegevensdrager wordt aan de hieronder vermelde voorwaarden voldaan:

  • Alle gegevens worden overgezet;

  • Alle gegevens worden inhoudelijk juist overgezet;

  • Er wordt voor gezorgd dat de nieuwe gegevensdrager tijdens de gehele bewaartermijn beschikbaar is;

  • De geconverteerde gegevens kunnen binnen redelijke tijd ge(re)produceerd worden en leesbaar worden gemaakt;

  • Er wordt zorg voor gedragen dat de controle van de geconverteerde gegevens binnen redelijke tijd kan worden uitgevoerd;

  • De subsidieaanvrager of penvoerder borgt tevens de authenticiteit van de geconverteerde bewijsstukken door onder andere een relatie te leggen met de overige bewijsstukken in het betreffende projectdossier. Bij een factuur bijvoorbeeld behoort ook een betaalbewijs, een bewijs van deelname of een bewijsstuk met betrekking tot de inkoopprocedure.

Het in samenhang bezien van de verschillende bewijsstukken strekt er mede toe de authenticiteit van het geconverteerde document of de gegevensdrager te waarborgen en dat hierop voor controledoeleinden kan worden vertrouwd.

Als de conversie op de juiste wijze gebeurt, is het in het kader van de verantwoording, niet meer noodzakelijk de bewijsstukken op de originele gegevensdrager te bewaren. Het geconverteerde bewijsstuk mag na conversie niet meer gewijzigd kunnen worden.

De subsidieaanvrager of de penvoerder verklaart door middel van het aanvraagformulier en voortgangsrapportageformulier dat de geconverteerde documenten of de nieuwe gegevensdragers die onderdeel zijn van de projectadministratie, voldoen aan de vereisten uit artikel 25 en daarmee aan deze bijlage.

Procedure voor het bewaren van stukken die uitsluitend in elektronische versie bestaan (onderdeel c)

Indien een subsidieontvanger of de penvoerder gebruik maakt van elektronische documenten waarbij uitsluitend een elektronische versie bestaat, worden de geautomatiseerde systemen voorzien van beheers- en beveiligingsmaatregelen die de betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens gedurende de gehele vereiste bewaartermijn waarborgen. Het is aan de subsidieontvanger of penvoerder om dit aan te tonen. Voor een tweetal veel voorkomende situaties zijn de voorschriften hieronder uitgewerkt.

  • 1.

    Digitale urenadministratie:

    Om aan de eisen van betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens te kunnen voldoen moet de subsidieontvanger of de penvoerder kunnen aantonen dat:

    • a.

      De functiescheiding binnen het systeem wordt gewaarborgd;

    • b.

      De tijdigheid binnen het systeem wordt gewaarborgd;

    • c.

      Vaststellingen na accorderen door de leidinggevende niet meer te wijzigen zijn.

    Het is aan de subsidieontvanger of penvoerder om dit aan te tonen.

  • 2.

    Facturen die digitaal worden verzonden:

    Om aan de eisen van betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens te kunnen voldoen kan de subsidieaanvrager via de onderlinge relatie met andere documenten (zoals een betaalbewijs) aantonen dat voor de controle kan worden gesteund op de digitale factuur.

    De in deze bijlage omschreven procedures gelden voor alle bewijsstukken die getoond moeten worden in het kader van de verantwoording. Artikel 25 is onverminderd van toepassing.