Artikel
7
Oeso-modelverdrag
In Nederland wordt bij de uitleg van verdragen die zijn afgesloten vóór wijziging van het OESO-commentaar op het betreffende artikel gestreefd naar een uitkomst die zoveel mogelijk aansluit bij de meest recente inzichten in relatie tot het arm’s-lengthbeginsel. Dit leidt ertoe dat wijzigingen die bedoeld zijn als verduidelijking ook van toepassing zijn op verdragen die zijn afgesloten vóór wijziging van het commentaar. De wijzigingen in het commentaar op artikel 7 zoals vastgesteld in juli 2008 zijn dergelijke verduidelijkingen. Deze zijn dan ook van toepassing op bestaande verdragen. Het is echter niet zo dat de wijzigingen in artikel 7 Nieuw en het daarbij horende commentaar automatisch doorwerken naar bestaande verdragen die met een ander artikel 7 tot stand zijn gekomen.
De vraag in hoeverre de wijzigingen in artikel 7 Nieuw en het daarbij horende commentaar invloed hebben op de toepassing van verdragen met de oude tekst is niet eenvoudig te beantwoorden. Voor de uitvoeringspraktijk is het echter ongewenst als hier onduidelijkheid over bestaat. Om deze onzekerheid te voorkomen ben ik bereid om alle beginselen van het PE-Report ook toe te passen bij verdragen waarin de tekst van artikel 7 Oud is opgenomen. Daarom zal de Belastingdienst een arm’s length winsttoerekening aan een vaste inrichting die gebaseerd is op de uitgangspunten van het PE-Report en die als zodanig ook in het andere betrokken land door belastingplichtige consistent is toegepast niet corrigeren. Dit geldt ook bij de vrijstelling van buitenlandse winst onder artikel 15e Wet Vpb 1969 of bij de belastingheffing van buitenlands belastingplichtigen in situaties waarin geen belastingverdrag van toepassing is.
Daarnaast is relevant dat het PE-Report, de relevante artikelen in het OESO-modelverdrag en het daarbij horende commentaar geen directe betekenis hebben voor de toepassing van de nationale belastingwetten en van het Bvdb, maar slechts voor de uitleg van door Nederland afgesloten belastingverdragen. De bepalingen over vaste inrichtingen in de nationale belastingwetten, in het Bvdb en in de bilaterale verdragen hebben echter wel dezelfde uitgangspunten. Dat blijkt ook uit de sterk overeenkomende definities van een vaste inrichting en van de methode waarmee de winst aan een vaste inrichting moet worden toegerekend. Het uiteenlopen van de invulling van deze bepalingen kan leiden tot dubbele belasting of tot dubbele niet-belasting en dat zou in strijd zijn met het doel van deze regelingen.
Dubbele niet-belasting
Het Nederlandse uitgangspunt is dat dubbele niet-belasting als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel bij de winsttoerekening in relatie tot een naar de winst geheven belasting ongewenst is en zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. Indien en voor zover een belastingplichtige bij de winstallocatie in de betrokken landen afwijkende keuzes maakt die ertoe leiden dat een deel van de winst van de vaste inrichting niet in de heffing van een naar de winst geheven belasting wordt betrokken, kan de Belastingdienst afwijken van het beleid zoals beschreven in dit besluit om te komen tot een uitkomst die niet leidt tot dubbele niet-belasting.