Regeling van Onze Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 5 september 2022, nr. 2022-0000033803, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een specifieke uitkering ten behoeve van het ontzorgen van kleine maatschappelijk vastgoedeigenaren bij de verduurzaming van de gebouwde onroerende zaken die zij in eigendom hebben, tweede tranche (Regeling specifieke uitkering ontzorgingsprogramma maatschappelijk vastgoed tweede tranche)

Regeling specifieke uitkering ontzorgingsprogramma maatschappelijk vastgoed tweede tranche

De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,

Besluit:

Artikel

1

Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • gebouwde onroerende zaak: gebouwde onroerende zaak of gebouwde onroerende zaken of gedeelten daarvan die staan ingeschreven in de basisregistratie kadaster op één adres of één gebouwde onroerende zaak die staat ingeschreven in de basisregistratie kadaster op meerdere adressen;

  • eigendom: eigendom, erfpacht of recht van opstal op een gebouwde onroerende zaak;

  • kleine maatschappelijk vastgoedeigenaar:

    • a.

      gemeente met minder dan 50.000 inwoners op 1 oktober 2022;

    • b.

      schoolbestuur van een door het Rijk bekostigde school in het primair onderwijs met maximaal vijftien gebouwde onroerende zaken in eigendom;

    • c.

      schoolbestuur van een door het Rijk bekostigde school in het voortgezet onderwijs met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom;

    • d.

      zorgaanbieder, met uitzondering van academische en algemene ziekenhuizen, met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom;

    • e.

      culturele instelling met een door de Belastingdienst aangewezen status als culturele algemeen nut beogende instelling of gelieerd aan een instelling met een door de Belastingdienst aangewezen status als culturele algemeen nut beogende instelling, met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom;

    • f.

      stichting, vereniging of coöperatie ter exploitatie en beheer van gebouwen met een publieksfunctie, waaronder in ieder geval behoort een buurthuis, dorpshuis, wijkcentrum of gemeenschapscentrum, met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom;

    • g.

      religieuze of levensbeschouwelijke instelling met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom;

    • h.

      kinderopvangorganisatie met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom;

  • de minister: de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.

Artikel

2

Activiteiten waarvoor een uitkering kan worden verstrekt

Artikel

3

Hoogte van de uitkering en uitkeringsplafond

Artikel

4

Aanvraagperiode en wijze van indienen

Artikel

5

In aanmerking komende kosten

Artikel

6

Beoordeling en weigeringsgronden

Een aanvraag voor een specifieke uitkering wordt afgewezen, indien:

  • a.

    de activiteiten in de aanvraag niet vallen onder de activiteiten, bedoeld in artikel 2, eerste lid;

  • b.

    de aanvraag minder dan 60 punten scoort bij de beoordeling op basis van de beoordelingscriteria, genoemd in bijlage II;

  • c.

    niet aannemelijk is dat de activiteiten in de aanvraag voor 1 januari 2025 zijn afgerond; of

  • d.

    de aanvraag onvoldoende informatie bevat om te beoordelen op basis van de beoordelingscriteria, genoemd in bijlage II.

Artikel

7

Verplichtingen ontvanger specifieke uitkering

Artikel

8

Bestemming niet-gebruikte middelen

Artikel

9

Verantwoording en terugvordering

Artikel

10

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2022 en vervalt met ingang van 1 januari 2025, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op specifieke uitkeringen die op grond van deze regeling vóór laatstgenoemde datum zijn verstrekt.

Artikel

11

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering ontzorgingsprogramma maatschappelijk vastgoed tweede tranche.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, H.M. de Jonge

Bijlage

I

Verdeling middelen

Bijlage bij artikel 3, eerste lid

Nederland

17.475.415

5.100.000

€ 11.900.000

€ 17.000.000

1.000

Groningen

586.937

425.000

€ 399.679

€ 824.679

48

Fryslân

651.435

425.000

€ 443.599

€ 868.599

51

Drenthe

494.771

425.000

€ 336.918

€ 761.918

45

Overijssel

1.166.533

425.000

€ 794.358

€ 1.219.358

72

Flevoland

428.226

425.000

€ 291.603

€ 716.603

42

Gelderland

2.096.603

425.000

€ 1.427.696

€ 1.852.696

109

Utrecht

1.361.153

425.000

€ 926.886

€ 1.351.886

80

Noord-Holland

2.888.486

425.000

€ 1.966.934

€ 2.391.934

141

Zuid-Holland

3.726.050

425.000

€ 2.537.279

€ 2.962.279

174

Zeeland

385.400

425.000

€ 262.441

€ 687.441

40

Noord-Brabant

2.573.949

425.000

€ 1.752.748

€ 2.177.748

128

Limburg

1.115.872

425.000

€ 759.860

€ 1.184.860

70

Bijlage

II

Beoordelingscriteria

Bijlage bij artikel 6, onderdelen b en d

Het beoogde bereik van de doelgroep(en).

20

Uitwerking van de aanpak om te komen tot verduurzamende maatregelen bij de beoogde doelgroep.

25

De uitvoerbaarheid van de activiteiten binnen de gestelde looptijd.

25

De mate waarin de activiteiten zijn ingebed in het beleid van de provincie en aansluiten bij regionale netwerken en structuren.

10

De omschrijving van de borging en deling van opgedane kennis en ervaring (met behulp van praktijkvoorbeelden) binnen de provincie maar ook daar buiten, waaronder in elk geval via het Kennis- en Innovatieplatform Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed.

20

Totaal

100 punten