Beleidsregel ontheffingverlening voertuigen met geautomatiseerde functies 2022

§

1

Algemeen

Artikel

1

Definities

§

2

Aanvragen ontheffingen algemeen

Artikel

3

Aanvraag

Artikel

4

Wijze van indienen van de aanvraag

Indiening van aanvragen kan uitsluitend schriftelijk plaatsvinden.

Artikel

5

Intrekken van de aanvraag

Een ontheffingsaanvraag kan uitsluitend schriftelijk door de indiener worden ingetrokken.

§

3

Beoordeling aanvraag

Artikel

6

Schriftelijke stukken

Artikel

7

Intake

Na ontvangst van het volledig ingevuld aanvraagformulier en bijbehorende documenten als bedoeld in artikel 6 wordt er binnen 6 weken een intake georganiseerd. Van de intake wordt een verslag opgemaakt.

Artikel

8

Startbijeenkomst

Artikel

9

Beoordeling door middel van testen

Na de beoordeling van de documenten als bedoeld in artikel 6, eerste lid, en de adviezen voorkomend uit de startbijeenkomst, wordt voor een of meerdere voertuigen dan wel de verbonden voertuigen op een door de RDW aangewezen locatie(s) een nominale system safety test en een functional safetytest uitgevoerd.

Artikel

10

Advisering door derden

De Dienst Wegverkeer kan advies vragen aan deskundigen ten behoeve van de testen en de uitvoering van de proef.

§

4

De Ontheffing

Artikel

11

Soorten ontheffingen

Artikel

12

Ontheffingsdocument met bijlagen

Artikel

13

Beperkingen en voorschriften verbonden aan de ontheffing

§

5

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

15

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na uitgifte van de Staatscourant waarin zij is geplaatst. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel

16

Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel ontheffingverlening voertuigen met geautomatiseerde functies 2022.

De directie van de Dienst Wegverkeer, J. Woudstra Algemeen Directeur

Bijlage

I

als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder b

Bijlage

II

bij artikel 6, tweede lid, onder f. EMC statement

In aanvulling op de EMC testen zoals beschreven in ECE R10 annex 4-22, volgt de RDW de volgende procedure vóór en tijdens de initiële EMC testen voor een ontheffing:

  • 1.

    Bij een EMC test aan een autonoom voertuig of een voertuig met geautomatiseerde functies, moeten alle geautomatiseerde functies zijn ingeschakeld en in de actieve modus functioneren.

    In het bijzonder:

    De geautomatiseerde functies moeten actief zijn en gemonitord op het correct en continu functioneren van deze functies. Het rapport van het EMC-lab moet verklaren en bewijzen dat alle bovengenoemde systemen actief waren tijdens de test, b.v. gps, heartbeat tussen ego-voertuig en ghost-voertuig of controlekamer of basisstation. In het EMC-rapport moet bevestiging worden gegeven van continue heartbeat/ logging tijdens de hele test.

    Een rapport zonder logging van de essentiële autonome/geautomatiseerde functionaliteiten wordt niet geaccepteerd door de RDW.

  • 2.

    Indien één voertuig van een serie wordt getest, worden de overige voertuigen uit de serie eveneens geïnspecteerd op overeenstemming met het geteste voertuig. Hierbij wordt in ieder geval gecontroleerd op de elektrische en elektronische componenten, de kabelgeleiding en de softwarenummers.

    Deze vereenvoudigde manier van testen van het tweede of volgende voertuig wordt alléén toegepast als:

    • a.

      het eerste voertuig de EMC- tests heeft doorstaan zonder het gebruik van ferrietblokken of – tijdelijk – aangebracht aluminiumfolie;

    • b.

      de RDW tijdig is voorzien van voldoende informatie over de EMC test van het eerste voertuig;

    • c.

      het testrapport van het EMC-lab voldoende gedetailleerde informatie, zoals foto’s, bevat om vast te stellen dat het tweede en volgende voertuig gelijk is aan het eerste geteste voertuig.

  • 3.

    Alvorens de EMC-test uit te voeren wordt de RDW geraadpleegd over het testprogramma om overeenstemming te bereiken over het door het EMC-lab opgestelde Pass/Fail-criteriavoorstel volgens ECE R10 paragraaf 6.1.2.

  • 4.

    De voertuig- of ESA-fabrikant vult de informatie in volgens ECE R10 bijlage 2A of 2B. Het EMC-lab voegt dit toe als bijlage bij het testrapport.

  • 5.

    Indien een RPS (Remote Pilot System) wordt gebruikt en dit het gedrag van het voertuig kan beïnvloeden, moet de RPS deel uitmaken van het EMC-testplan.

  • 6.

    Indien bij de EMC test gebruik is gemaakt van ferrietblokken of aluminiumfolie op verschillende elementen in het systeem om de EMC-tests te doorstaan, kan het EMC-rapport niet gebruikt worden voor:

    • a.

      verdere revisie of extensie;

    • b.

      andere voertuigen;

    • c.

      het toevoegen/wijzigen van ESA's aan het geteste voertuig.

  • 7.

    Het EMC-lab moet door de RDW als Technische Dienst geaccrediteerd zijn.

Bijlage

III

als bedoeld in artikel 13, tweede lid

A

Beperking bestuurder

  • 1.

    Het voertuig mag uitsluitend worden bestuurd door personen van wie de naam in deze ontheffing is vermeld

  • 2.

    De bestuurder is uitsluitend bezig met zijn bestuurderstaak en onthoudt zich van gedragingen als bedoeld in artikel 5 en 5a van de Wegenverkeerswet 1994.

  • 3.

    De bestuurder moet bekend zijn met de meest actuele geldende operationele protocol

  • 4.

    Het operationele protocol is inzichtelijk voor de bestuurder en bevindt zich in de voertuigen.

  • 5.

    De bestuurders moeten bekend zijn met de geautomatiseerde functies, de noodprocedure en welke handmatige taken door de systemen worden overgenomen.

  • 6.

    De bestuurder moet in het bezit zijn van een geldig rijbewijs

B

Beperking voertuigen

De voertuigen mogen gedurende de looptijd van de ontheffing niet zonder goedkeuring van de RDW worden aangepast. Aanpassing van de voertuigen zonder goedkeuring van de RDW leidt tot onmiddellijke intrekking van de ontheffing.

C

Beperking verantwoordelijkheden

  • 1.

    De houder van de ontheffing is er verantwoordelijk voor dat de voertuigen aantoonbaar verzekerd zijn.

  • 2.

    De houder van de ontheffing is verantwoordelijk en aansprakelijk voor de gebreken aan de voertuigen en de eventuele gevolgen daarvan. Hieronder vallen ook de technische/ digitale aspecten die worden gebruikt in het kader van deze ontheffing.

  • 3.

    De houder van de ontheffing vrijwaart de RDW van aansprakelijkheid.

D

Beperking overdraagbaarheid

De ontheffing is niet overdraagbaar.

E

Beperking buitengewone weersomstandigheden

  • 1.

    Van de ontheffing mag geen gebruik worden gemaakt bij gladheid van het wegdek.

  • 2.

    Van de ontheffing mag geen gebruik worden gemaakt bij weersomstandigheden die het zicht beperken tot minder dan 200 m. waarbij deze afstand is vastgesteld is zonder het gebruik van verlichting.

  • 3.

    Indien zich dergelijke omstandigheden voordoen moet zo spoedig mogelijk het gebruik van de ontheffing worden beëindigd.

F

Beperking buitengewone omstandigheden

  • 1.

    Bij een aanrijding met (lichte) materiële schade of (licht) persoonlijk letsel, in of buiten het voertuig wordt het rijden met de ontheffing met directe ingang opgeschort

  • 2.

    Er dient direct contact worden opgenomen met de RDW en de wegbeheerder zoals in de ontheffing vermeld.

  • 3.

    Het gebruik van de ontheffing mag uitsluitend hervat worden na toestemming van de RDW en de wegbeheerder.

  • 4.

    In het voertuig opgeslagen data moet op verzoek ter beschikking te worden gesteld aan de ontheffingsverlener of de handhaver.

G

Beperking combinatieverbod andere ontheffingen

De ontheffing mag niet worden gebruikt in combinatie met enig andere ontheffing.

H

Beperking verbod vervoer gevaarlijke stoffen

Een ontheffing mag niet gebruikt worden voor vervoer van gevaarlijke stoffen als bedoeld in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Bijlage

IV

als bedoeld in artikel 13, derde lid

A

Voorschrift gebruik van de ontheffing op de route

  • 1.

    De houder van de ontheffing stelt zeker dat het rijden van de route en het uitvoeren van de beoogde testen veilig kan plaatsvinden.

  • 2.

    De houder van de ontheffing stelt zeker dat er niet gereden wordt als er op de aangewezen route wegwerkzaamheden plaatsvinden.

  • 3.

    De houder van de ontheffing meldt iedere voorgenomen rit of ritten tenminste 4 werkdagen voor aanvang van de rit aan bij de ontheffingsverlener en de wegbeheerder(s)

B

Voorschrift gegevensverzameling en verstrekking gebruik ontheffing

  • 1.

    De houder van de ontheffing houdt van de ritten een logboek bij en stuurt hiervan maandelijks een afschrift aan de RDW.

  • 2.

    Het logboek bevat in ieder geval de volgende items:

    • a.

      begin en eindtijd gebruik ontheffing;

    • b.

      de tijdsblokken van rijden in combinatie met de naam van de bestuurder;

    • c.

      bijzonderheden (zoals weersomstandigheden, verkeersdrukte).

    • d.

      eventuele schades;

    • e.

      uitgevoerde manoeuvres.

    • f.

      waargenomen fouten, inconsistenties en onvolledige terugmeldingen.

    • g.

      gebruik noodknop, met locatie en tijdstip

C

Voorschrift noodprocedure

Voor het gebruik van de ontheffing is een noodprocedure aanwezig, die gevolgd wordt als de geautomatiseerde functies niet of gebrekkig functioneren