Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 29 juni 2023, nr. WJZ/ 27870366, houdende regels ter uitvoering van de Tijdelijke wet Groningen en het Besluit Tijdelijke wet Groningen (Regeling Tijdelijke wet Groningen)

Regeling Tijdelijke wet Groningen

§

1

Algemene bepalingen

Artikel

1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

§

2

Verrijking risicoprofielen

Artikel

2.1

§

3

Vergoeding beoordeling in eigen beheer

Artikel

3.1

Artikel

3.2

De opdrachtnemer, bedoeld in artikel 3.1, heeft blijkens een opgave van referentieprojecten aantoonbare ervaring met het uitvoeren van seismische en constructieve berekeningen van gebouwen overeenkomstig de krachtens artikel 13h van de wet gestelde regels over de beoordeling van gebouwen en beschikt over een ISO 9001:2015 of daarmee vergelijkbaar certificaat.

Artikel

3.3

Artikel

3.4

§

4

Vergoeding ontwerp versterkingsmaatregelen in eigen beheer

Artikel

4.1

Artikel

4.2

De vergoeding omvat, voor zover de eigenaar de te vergoeden activiteiten in eigen beheer uitvoert:

  • a.

    de kosten voor:

    • 1°.

      het laten maken van een definitief ontwerp;

    • 2°.

      het laten maken van een technisch ontwerp;

    • 3°.

      het natuurvrij laten maken van een gebouw;

  • b.

    de vereiste leges en heffingen voor de versterking of de sloop en nieuwbouw;

  • c.

    andere kosten waarvan de Minister op verzoek van de eigenaar voorafgaand aan het maken van die kosten heeft geoordeeld dat deze noodzakelijk zijn voor de voorbereiding van de versterkingsmaatregelen.

Artikel

4.3

Artikel

4.4

§

5

Vergoeding versterking in eigen beheer

Artikel

5.1

Artikel

5.2

Artikel

5.3

Artikel

5.4

De Minister kan bepalen dat het budget mag worden overschreden met een in het versterkingsbesluit genoemd percentage dat maximaal tien procent bedraagt van dat budget.

Artikel

5.5

§

6

Aanvraag voor het versterkingsbesluit wanneer voorbereiding is uitgevoerd in eigen beheer

Artikel

6.1

§

7

Vergoeding schade ten gevolge van de versterking

Artikel

7.1

Artikel

7.2

Artikel

7.3

Indien de schade, bedoeld in artikel 7.1, niet kwantificeerbaar is op het tijdstip waarop het versterkingsbesluit genomen wordt, kan de Minister de hoogte van de vergoeding voor de schade opnemen in een apart besluit dat wordt genomen nadat het versterkingsbesluit is vastgesteld.

Artikel

7.4

De Minister kan de schadevergoeding geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien blijkt dat de vergoeding is verleend op grond van door de eigenaar of rechtmatige gebruiker, niet zijnde de eigenaar, verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren.

§

8

Verkorte termijn voor het nemen van een versterkingsbesluit

Artikel

8.1

Als gevallen als bedoeld in artikel 13j, derde lid, van de wet waarvoor de redelijke termijn voor het nemen van een versterkingsbesluit maximaal zes maanden bedraagt na de dagtekening van de beoordeling en waarvoor de verlenging van die termijn maximaal zes maanden bedraagt, worden aangewezen gevallen waarin uit de beoordeling, uitgevoerd op basis van een typologie, blijkt dat de soort maatregelen die nodig zijn om een gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen, ertoe leiden dat de uitvoering van de versterking naar verwachting ten hoogste vier maanden in beslag zal nemen.

§

9

Herbeoordeling

Artikel

9.2

Artikel

9.3

§

10

Beoordeling veiligheid en bepalen maatregelen versterking

Artikel

10.1

De opname op locatie van een mogelijk aan een typologie toe te delen gebouw vindt plaats aan de hand van de in bijlage 3 opgenomen checklist.

Artikel

10.2

Als typologieën worden de in bijlage 4 opgenomen typologieën vastgesteld.

Artikel

10.3

Een gebouw wordt niet toegedeeld aan een typologie als bedoeld in artikel 10f, eerste lid, onderdeel a of b, van het Besluit, indien:

  • a.

    de bouwkundige staat van het gebouw zodanig is dat deze de constructieve samenhang negatief beïnvloedt;

  • b.

    het gebouw een hellend dakvlak heeft en het dakvlak onvoldoende in staat is de seismische krachten over te dragen naar de stabiliteitselementen van de constructie;

  • c.

    een aan- of opbouw aan het gebouw is aangebracht die niet als ondergeschikt kan worden beschouwd;

  • d.

    een wijziging aan de draagconstructie van het gebouw is aangebracht ten opzichte van de oorspronkelijke draagconstructie die een significant effect kan hebben op het seismisch gedrag van het gebouw;

  • e.

    het gebouw weliswaar niet constructief is verbonden met een ander gebouw maar de onderlinge afstand tussen de gebouwen zo klein is dat bij een seismische belasting het gedrag van het ene gebouw het gedrag van het andere gebouw kan beïnvloeden, waarbij een ondergeschikte aanbouw van een gebouw buiten beschouwing blijft;

  • f.

    ten minste vijf vierkante meter van de oppervlakte van de vloer van de tweede bouwlaag of in het geval van Metselwerk-D ten minste vijf vierkante meter van de oppervlakte van de vloer van de tweede of hogere bouwlagen ontbreekt ten behoeve van een vide;

  • g.

    sprake is van verschillende vloerniveaus van de tweede bouwlaag of in het geval van Metselwerk-D de tweede of hogere bouwlagen, waarbij het niveauverschil meer dan twintig centimeter bedraagt en geen van de vloerniveaus ten minste 90 procent van het vloeroppervlak van de beschouwde bouwlaag bedraagt.

Artikel

10.4

De beoordeling van een aan een typologie toegedeeld gebouw aan de hand van de typologie, de ontwerpdatum, locatie en afmetingen van het gebouw en de NPR 9998, bedoeld in artikel 10f, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit, vindt plaats met de in bijlage 5 opgenomen vlekkentabel die bij die typologie hoort, met inachtneming van de in bijlage 7 opgenomen voorwaarden.

Artikel

10.7

§

11

Hoogte financiële middelen duurzaam herstel

Artikel

11.1

De hoogte van de financiële middelen voor de uitgaven van het Instituut inzake tegemoetkomingen in het kader van duurzaam herstel als bedoeld in artikel 2, tiende lid, van de wet is het bedrag opgenomen voor Duurzaam herstel in de tabel behorende bij de artikelsgewijze toelichting op beleidsartikel 5 in onderdeel B van de memorie van toelichting van de wet tot vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat voor het desbetreffende jaar.

§

12

Overgangsrecht en slotbepalingen

Artikel

12.1

Artikel

12.2

Indien een subsidie, vergoeding of tegemoetkoming is verstrekt op basis van een in artikel 12.4 genoemde ministeriële regeling of beleidsregel, wordt voor dezelfde activiteit geen vergoeding verstrekt op basis van deze regeling.

Artikel

12.3

Met de beroepseisen ter zake van een opdrachtnemer die de beoordeling, het ontwerp van maatregelen of de uitvoering van de versterkingsmaatregelen als bedoeld in deze regeling uitvoert worden gelijkgesteld beroepseisen die worden gesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die een beroepsniveau waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Artikel

12.5

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2023.

Artikel

12.6

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Tijdelijke wet Groningen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage
De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, J.A. Vijlbrief

Bijlage

1

Modelbepalingen beoordelingsfase, ontwerpfase en uitvoeringsfase, behorende bij de artikelen 3.1, eerste lid, 4.1, eerste lid, en 5.1, eerste lid

A

Modelbepalingen beoordelingsfase, behorende bij artikel 3.1, eerste lid

Modelbepalingen voor de opdracht tot beoordeling en de uitvoering daarvan

Voor de opdracht tot beoordeling en de uitvoering daarvan worden in ieder geval de volgende voorwaarde opgenomen in de overeenkomst tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer:

  • De opdrachtnemer werkt aardbevingsbestendig conform de NEN-EN 1998 en NPR 9998:2020. Er wordt daarnaast gebruik gemaakt van Eurocode 8, Ontwerp en berekening van aardbevingsbestendige constructies als daar in NEN-EN 1998 en NPR 9998:2020 naar wordt verwezen.

  • De kostenraming wordt op basis van NEN 2699:2017 opgesteld, waarin alle kosten en verwachte risico’s zijn opgenomen en zijn afgeprijsd volgens marktconforme bedragen met een uitwerking op ten minste detailniveau 4 van NEN 2699:2017.

  • Bij het uitvoeren van de kostenraming hanteert de opdrachtnemer het niveau van de bestaande toestand van het gebouw, zoals vastgelegd in opnamerapportages. Indien de bestaande toestand van het gebouw onvoldoende is onderbouwd in de opnamerapportages, wordt het verbouwniveau van NEN 8700:2011 aangehouden en wordt dit expliciet vermeld in de rapportage.

  • Indien de opdrachtnemer een acuut onveilige situatie constateert meldt hij deze aan de opdrachtgever en de Minister.

Modelbepalingen voor aansprakelijkheid en verzekering

De volgende voorwaarden, betreffende aansprakelijkheid en verzekering, worden ten minste opgenomen in de overeenkomst tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer:

  • De opdrachtnemer is op passende wijze verzekerd voor de aangenomen opdracht en beschikt over een toereikende beroeps- en bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering.

  • De opdrachtnemer treft voor eigen rekening die maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verwacht om kostenverhogende effecten en vertragende gevolgen te minimaliseren.

B

Modelbepalingen ontwerpfase, behorende bij artikel 4.1, eerste lid

Modelbepaling voor het rechtskarakter van de overeenkomst en de toepasselijke voorwaarden

De volgende voorwaarde, betreffende het rechtskarakter van de overeenkomst en de toepasselijke voorwaarden wordt ten minste opgenomen in de overeenkomst tussen opdrachtgever en opdrachtnemer:

  • Door de opdrachtnemer zelf van toepassing verklaarde voorwaarden worden met de overeenkomst uitdrukkelijk uitgesloten.

Modelbepalingen voor de opdracht tot het opstellen van een definitief ontwerp of uitvoeringsgereed ontwerp

De volgende voorwaarden, betreffende de opdracht tot het opstellen van een definitief ontwerp of uitvoeringsgereed ontwerp, worden ten minste opgenomen in de overeenkomst tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer:

  • De opdrachtgever draagt aan de opdrachtnemer op om ontwerpwerkzaamheden van het versterkingsadvies uit te werken tot een definitief ontwerp of uitvoeringsgereed ontwerp, en wel op zodanige wijze dat na realisatie van het ontwerp het gebouw voldoet aan de veiligheidsnorm van 10-5. bedoeld in artikel 52d, tweede lid, onderdeel a, van de Mijnbouwwet.

  • De opdrachtnemer voert eventuele seismische berekeningen uit volgens NPR 9998:2020.

  • Het ontwerp wordt ‘natuurinclusief’ ontworpen volgens de Generieke Ontheffing NCG 2021.

Modelbepalingen voor het honorarium ontwerpwerkzaamheden

De volgende voorwaarden, betreffende het honorarium ontwerpwerkzaamheden, worden ten minste opgenomen in de overeenkomst tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer:

  • De door opdrachtnemer te verrichten ontwerpwerkzaamheden, voor de ontwerpwerkzaamheden benodigde onderzoeken en overige voorbereidende werkzaamheden worden gehonoreerd als een vast honorariumbedrag dat in vaste deelbedragen is verdeeld per ontwerpfase.

  • Het vaste honorariumbedrag van € ..... excl. BTW (€ .....incl. BTW) inclusief verschotten, kantoorkosten en overige voorbereidingskosten wordt als volgt per fase verdeeld:

    • Fase

    • Definitief ontwerp ..... €

    • Uitvoeringsgereed ontwerp ..... €

Modelbepaling voor de contractdocumenten

De volgende voorwaarde, betreffende de contractdocumenten, wordt ten minste opgenomen in de overeenkomst tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer:

  • De volgende contractdocumenten omschrijven in onderlinge samenhang de rechten en verplichtingen van partijen evenals de eisen waaraan de door de opdrachtnemer te verrichten werkzaamheden moeten voldoen:

    • a.

      Overeenkomst;

    • b.

      Versterkingsadvies met eventueel verificatierapport;

    • c.

      Offerte.

Modelbepalingen voor de ontwerpwerkzaamheden

De volgende voorwaarden, betreffende de ontwerpwerkzaamheden, worden ten minste opgenomen in de overeenkomst tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer:

  • De te ontwerpen versterkingsmaatregelen worden gebaseerd op de Groninger Maatregelencatalogus.

  • De opdrachtnemer voert de ontwerpwerkzaamheden in overeenstemming met de bepalingen uit de Generieke ontheffing NCG 2021 uit. Hiertoe neemt de opdrachtnemer contact op met de bij NCG ter beschikking staande supervisor Flora en Fauna.

  • De bij iedere opvolgende ontwerpfase behorende ramingen worden door de opdrachtnemer op basis van de Groninger Maatregelencatalogus opgesteld en vormen uiteindelijk de basis voor definitieve prijsvorming op technisch ontwerpniveau. De ramingen zijn ingericht volgens detailniveau 6 van de NEN 2699:2017 en volgens het format dat in de Groninger Maatregelencatalogus is opgenomen.

Modelbepaling voor aansprakelijkheid en verzekering

De volgende voorwaarde, betreffende de aansprakelijkheid en verzekering, wordt ten minste opgenomen in de overeenkomst tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer:

  • De door de opdrachtnemer te vergoeden schade is per opdracht beperkt tot een bedrag gelijk aan driemaal de advieskosten, met een minimum van € 75.000 per jaar en met een maximum van € 2.500.000 per jaar.

Modelbepaling voor geschilbeslechting

De volgende voorwaarde, betreffende de geschilbeslechting, wordt ten minste opgenomen in de overeenkomst tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer:

  • Geschillen tussen partijen die gaan over een verschil van mening of verschil van inzicht over de door opdrachtnemer te leveren kwaliteit in relatie tot de gestelde contractvoorwaarden, worden voorgelegd aan door de burgerlijk rechter.

C

Modelbepalingen uitvoeringsfase, behorende bij artikel 5.1, eerste lid

Modelbepalingen voor het rechtskarakter van de overeenkomst en de toepasselijke voorwaarden

De volgende voorwaarden, betreffende het rechtskarakter van de overeenkomst en de toepasselijke voorwaarden, worden ten minste opgenomen in de overeenkomst tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer:

Modelbepalingen voor de opdracht tot het realiseren van de versterkingswerkzaamheden en daaraan gerelateerde werkzaamheden

De volgende voorwaarden, betreffende de opdracht tot het realiseren van de versterkingswerkzaamheden en daaraan gerelateerde werkzaamheden worden ten minste opgenomen in de overeenkomst tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer:

  • De opdrachtnemer is verantwoordelijk voor de planningscoördinatie in het kader van tijdelijke huisvesting en informeert opdrachtgever over het moment van de (terug)verhuizing van de bewoner(s), uit te voeren door een door opdrachtgever zelf in te schakelen verhuizer. Kostenverhogende omstandigheden in het verhuizingsproces als gevolg van aan opdrachtnemer toe te rekenen wijzigingen in de uitvoerings- en daarmee verhuisplanning komen voor rekening van de opdrachtnemer.

  • De aansprakelijkheid van de opdrachtnemer is beperkt tot een maximum van € 2.500.000,- per gebeurtenis en per jaar, waarbij samenhangende gebeurtenissen als één gebeurtenis worden gezien.

  • In aanvulling op paragraaf 2, onderdeel 4, van de UAV 2012 worden bij onderlinge tegenstrijdigheden of onduidelijkheden in de verschillende contractdocumenten gehanteerd, in die volgorde:

    • a.

      de UAV 2012;

    • b.

      de overeenkomst tussen opdrachtgever en opdrachtnemer;

    • c.

      het uitvoeringsgereed ontwerp;

    • d.

      de aanbieding.

Modelbepalingen voor kwaliteitsborging

De volgende voorwaarden, betreffende kwaliteitsborging, worden ten minste opgenomen in de overeenkomst tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer:

  • De opdrachtnemer voert de werkzaamheden uit onder een eigen kwaliteitsmanagementsysteem. Vanuit de opdrachtgever is geen sprake van nauwlettend toezicht tijdens de werkzaamheden. Het belangrijkste element van het kwaliteitsmanagement van de opdrachtnemer is dat deze zelf zijn productieprocessen en werkzaamheden in een door de opdrachtnemer op te stellen kwaliteitsplan beschrijft, risico’s identificeert en beheerst, tijdig afwijkingen signaleert en passende (correctieve of corrigerende) maatregelen neemt en dit hele proces regelmatig evalueert op doeltreffendheid. De hiermee gepaard gaande werkzaamheden en kosten zijn begrepen in de aanneemsom.

  • De opdrachtnemer geeft voor aanvang van de werkzaamheden in een keuringsplan aan voor welke onderdelen van het werk fotomateriaal, verificaties en keuringen zullen worden vastgelegd en uitgevoerd. De opdrachtgever heeft het recht aan te geven bij welke van deze momenten deze zelf of een vertegenwoordiger namens de opdrachtgever aanwezig zal zijn.

  • Van de uitgevoerde werkzaamheden legt de opdrachtnemer de gerealiseerde kwaliteit en werkwijze met fotomateriaal, verificaties en keuringen vast zodat daaruit tijdens en na realisatie op navolgbare wijze valt af te leiden dat de werkzaamheden volgens de eisen zijn uitgevoerd. De opdrachtnemer neemt deze informatie op in een rapport dat onderdeel is van het opleverdossier, zolang de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen nog niet (helemaal) in werking is getreden.

  • Er is geen sprake van directievoering door de opdrachtgever zoals bepaald in paragraaf 3 van de UAV 2012.

  • De opdrachtgever of een door hem aangewezen partij mag altijd werkzaamheden van de opdrachtnemer en/of haar onderaannemer(s) inspecteren en/of keuren.

  • De opdrachtnemer verleent altijd medewerking aan de opdrachtgever voor het verrichten van een systeem-, proces- of producttoets. De opdrachtnemer levert hiervoor desgevraagd aan opdrachtgever de daartoe benodigde documenten en overige informatie. Indien sprake is van een onevenredige inspanning voor opdrachtnemer, dan kan deze eventuele gevolgen voor de planning en/of de aanneemsom inzichtelijk maken en komen deze kosten voor rekening van de opdrachtgever.

  • Inspecties, daaruit voortvloeiende of anderszins door de opdrachtgever afgegeven (goed)keuringen en/of termijnbetalingen ontslaan de opdrachtnemer op geen enkele wijze van zijn verplichtingen en/of aansprakelijkheid uit hoofde van de overeenkomst.

Modelbepaling voor garanties

De volgende voorwaarde voor de garanties wordt ten minste opgenomen in de overeenkomst tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer:

  • De opdrachtnemer verleent de opdrachtgever de garanties volgens de gestelde garantietermijnen, die zijn opgenomen in tabel 1.1.

Tabel 1.1 Garantietermijnen

Algemeen:

– Standaard garantietermijn, tenzij anders vermeld

6 jaar

Fundering:

– Paalfunderingen

10 jaar

– Funderingsconstructie m.b.t. het optrekken van vocht tot bovenzijde beganegrondvloer.

10 jaar

– Vloerisolatie 2 jaar volledig en 5 jaar aflopend

2 jaar

Gevels/extern:

– Elementen t.b.v. constructieve versterking

10 jaar

– Vooraf vervaardigde betonnen onderdelen

10 jaar

– Metselwerk

6 jaar

– Fabrieksmatig aangebrachte oppervlakte behandelingen/poeder coatings/ moffelwerk op alle onderdelen

5 jaar

– Kunststof dakbedekking (waaronder EPDM en PVC)

20 jaar

– Bitumineuze dakbedekking

10 jaar

– Gevel, dak en bergingen (incl. isolatie)

10 jaar

– Timmerwerk

6 jaar

– Kunststof kozijnen / ramen / deuren / beglazing

10 jaar

– Hang en sluitwerk

1 jaar

– Houten buitendeuren

6 jaar

– Garagedeuren, trap-, balkonhek­ken en soortgelijke materialen

2 jaar

– Zonwerende en/of isolerende beglazing

– Fabrieksgarantie op zonwerende en/of isolerende beglazing

3 jaar

10 jaar

– Coating Dakplaten

– Fabrieksgarantie op coating dakplaten

10 jaar

20 jaar

– Dakgoten en hemelwaterafvoeren:

• Kunststof

• Zink/ verzinkt

– Indien niet aantoonbaar het voorgeschreven onderhoud is uitgevoerd

6 jaar

6 jaar

3 jaar

– Geïsoleerde kantplanken

6 jaar

– Bestrating op verzakking

6 maand

Intern:

– Dagkant betimmeringen en vensterbanken

5 jaar

– Kromtrekken bewegende delen in binnen- en buitenkozijnen meer dan 10mm t.o.v. de loodlijn

1 jaar

– Schilderwerk (op hechting)

1 jaar

– Behangwerk (op hechting)

1 jaar

– Tegelwerk

5 jaar

– Voegwerk

5 jaar

– Kitwerk

3 jaar

– Wand-, vloer-, trap- en plafondafwerkingen welke geen constructieve functie hebben, indien en voor zover niet uitgezonderd in de garantie-uitsluitingen dan wel zoveel korter als geldt in gevolge van de garantietermijnen

2 jaar

– Meer dan normale verkleuring van stuc- en spuitwerk

6 maand

– Natuur- en kunststeen onderdelen

5 jaar

– Aanrechtbladen

1 jaar

E-Installatie:

– Installatie zonnepanelen en omvormer

2 jaar

– Fabrieksgarantie op de zonnepanelen en de omvormer, gegeven een vermogensgarantie van 90% na 10 jaar

10 jaar

– Elektrotechnische installaties

2 jaar

– Meet- en regeltechniek

2 jaar

W-installatie:

– Installatie mechanische ventilatie

2 jaar

– Fabrieksgarantie op de mechanische ventilatie componenten

2 jaar

– Installatie warm- en koud tapwater installaties

2 jaar

– Installatie verwarmingsinstallaties

2 jaar

– Fabrieksgarantie op boiler en verwarmingsinstallaties

– Indien fabrikant langere termijnen aanhoud worden deze beschikbaar gesteld en aangehouden.

2 jaar

– Sanitair

1 jaar

– Buitenriolering + drainage

2 jaar

– Binnenriolering

5 jaar

Overig:

– Zonwering

2 jaar

Modelbepalingen voor opleververplichtingen

De volgende voorwaarden voor de opleververplichtingen worden ten minste opgenomen in de overeenkomst tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer:

  • Het werk wordt alleen dan overeenkomstig paragraaf 10, onderdeel 1, van de UAV 2012 door de opdrachtgever geaccepteerd en als opgeleverd beschouwd indien de opdrachtnemer heeft voldaan aan alle onderstaande verplichtingen:

    • a.

      Het werk door de opdrachtnemer volledig is gerealiseerd conform het uitvoeringsgereed ontwerp en in overeenstemming met de eisen zoals vastgelegd in de contractdocumenten, de vergunningen en alle overige toepasselijke publiek- en privaatrechtelijke voorschriften en richtlijnen, een en ander in goede en volledige werking, gereed en geschikt voor ingebruikname. Voldoet het werk niet aan die eisen dan is er sprake van een gebrek. Een gebrek wordt door de opdrachtnemer onverwijld hersteld en kan tot die tijd oplevering in de weg staan.

    • b.

      Alle aanpassingen aan tot het werk behorende technische installaties zijn bij de oplevering ingeregeld en getest en werken naar behoren conform de daaraan volgens de overeenkomst gestelde eisen, waarbij geldt dat voor zover deze technische installaties nog niet volledig ingeregeld kunnen zijn, deze, zodra zij ingeregeld kunnen worden, door de opdrachtnemer binnen de onderhoudsperiode worden ingeregeld.

    • c.

      Alle tot het werk behorende, zowel openbare als niet openbare, infrastructuur is gerealiseerd en alle tot het werk behorende voorzieningen functioneren deugdelijk.

    • d.

      De opdrachtnemer coördineert de aansluiting van het werk op stadsverwarming, waterleiding, riolering, gas en elektriciteit en ook op het telefoon- en internet/Wi-Fi netwerk zodanig, dat die voltooid (en werkend) zijn bij oplevering. Indien er al sprake is van een voltooide en werkende aansluiting, dan draagt opdrachtnemer zorg dat deze aansluiting werkend is bij oplevering.

    • e.

      De opdrachtgever ondertekent een proces-verbaal van oplevering en keurt het werk goed.

    • f.

      De opdrachtnemer overlegt aan de opdrachtgever een volledig opleverdossier dat aan de daaraan gestelde eisen voldoet, waaronder in ieder geval begrepen de gegevens en bescheiden die volledig inzicht geven in de nakoming van de overeenkomst en daarvoor uitgevoerde werkzaamheden zoals keuringsrapporten, (revisie)tekeningen en berekeningen betreffende de tot stand gebrachte werkzaamheden en eventueel bijbehorende installaties, een beschrijving van de toegepaste materialen en installaties, en gebruikshandleidingen en/of onderhoudsinstructies en garantieverklaring(en) van de opdrachtnemer en leveranciers en/of onderaannemers.

  • Ingebruikneming van het gebouw door de opdrachtgever betekent geen aanvaarding van het werk en ook niet dat het werk als opgeleverd kan worden beschouwd.

  • De opdrachtnemer draagt zorg voor een verklaring dat de woning bij oplevering voldoet aan de veiligheidsnorm van 10-5, bedoeld in artikel 52d, tweede lid, onderdeel a, van de Mijnbouwwet, volgens de NPR 9998:2021.

Modelbepaling voor aansprakelijkheid voor gebreken na oplevering

De volgende voorwaarde voor de aansprakelijkheid voor gebreken wordt ten minste opgenomen in de overeenkomst tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer:

  • Paragraaf 12, onderdelen 1 en 2 van de UAV 2012 zijn niet van toepassing. De opdrachtnemer is aansprakelijk voor gebreken die bij de oplevering van het werk niet zijn ontdekt, tenzij deze gebreken niet aan de opdrachtnemer zijn toe te rekenen.

Modelbepaling voor verzekering

De volgende voorwaarde voor de verzekering wordt ten minste opgenomen in de overeenkomst tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer:

  • In aanvulling op de in paragraaf 43b van de UAV 2012 genoemde personen worden ook onderaannemers, neven-opdrachtnemers en overige bij de uitvoering van de werkzaamheden betrokken partijen als verzekerden aangemerkt.

Modelbepalingen voor geschilbeslechting

De volgende voorwaarden voor de geschilbeslechting worden ten minste opgenomen in de overeenkomst tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer:

  • Paragraaf 49 van de UAV 2012 is niet van toepassing.

  • Geschillen tussen partijen die gaan over een verschil van mening en verschil van inzicht over de door opdrachtnemer te leveren kwaliteit in relatie tot de gestelde contractvoorwaarden en andere uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, worden voorgelegd aan de burgerlijk rechter.

Bijlage

2

Standaardbedragen vergoeding uitvoering beoordelingsfase in eigen beheer en vergoeding schade, behorende bij de artikelen 3.3, eerste lid, onderdelen a en b, en 7.2, eerste lid

Tabel 2.1 Standaardbedragen vergoeding uitvoering opname en beoordeling in eigen beheer

Twee-onder-één-kap

€ 10.000

€ 22.000

€ 30.000

Vrijstaand

€ 20.000

€ 37.000

€ 42.000

Agrarisch bedrijf

€ 45.000

€ 60.000

€ 85.000

1 MRS: Modale-responsspectrumberekening als bedoeld in de NPR 9998:2020

2 NLPO: Niet-lineaire push-over-berekening als bedoeld in de NPR 9998:2020

3 NLTH: Niet-lineair(e) tijdsdomein(berekening als bedoeld in de NPR 9998:2020

Tabel 2.2 Standaardbedragen vergoeding schade

Compensatie voor ongemak voor de tijd die een eigenaar of bewoner moet vrijmaken voor de opname en beoordeling van zijn gebouw en de uitvoering van de versterkingsmaatregelen aan dat gebouw

Voor overlast door de opname en beoordeling van een gebouw:

€ 29,55, voor overlast wanneer een bureaustudie nodig is;

€ 295,45, voor overlast door de opname op locatie;

€ 413,65, voor overlast door een opname waarbij extra werkzaamheden nodig zijn om deze uit te voeren.

Voor overlast door de uitvoering van de versterkingsmaatregelen:

€ 709,15

Vergoeding voor externe opslag voor goederen indien noodzakelijk tijdens versterking

€ 47,10

Vergoeding voor het verlies van zelf aangebrachte voorzieningendoor een rechtmatige gebruiker

€ 3.000,00

Vergoeding voor externe overnachting

€ 115,00

Vergoeding voor het zelf regelen van tijdelijke huisvesting

€ 3.000,00

Vergoeding voor de kosten voor het verbruik van gas, water en elektra door de aannemer, als deze kosten niet vergoed worden via het versterkingsbudget

€ 21,20 per week

Vergoeding voor de schoonmaak bij oplevering na versterking

€ 175,00

Vergoeding voor extra af te leggen kilometers woon-werkverkeer vergeleken met de huidige reisafstand

€ 0,28 per kilometer

Bijlage

3

Checklist voor opname van een mogelijk aan een typologie toe te delen gebouw, behorende bij artikel 10.1 van deze regeling

Onderstaande checklist is de basis voor de opname van een gebouw dat mogelijk onder een typologie valt. De checklist bestaat uit zes onderdelen. Tabel 3.1 betreft aspecten die in de opname altijd aan bod moeten komen, voor alle gebouwen die naar verwachting aan een typologie kunnen worden toegedeeld. Tabel 3.2 ziet op aspecten in de opname van gebouwen die naar verwachting in de typologie STAAL-A vallen. Tabel 3.3 gaat over aspecten in de opname van gebouwen met metselwerk als materiaal van de constructie. De tabellen 3.4 en 3.5 zien op het vaststellen van scheurvorming voor gebouwen met metselwerk als materiaal van de constructie. Tot slot ziet tabel 3.6 op de onderdelen die mogelijk een uitsluitingsgrond kunnen vormen zodat het gebouw niet aan de betreffende typologie kan worden toegedeeld.

Tabel 3.1 Vast te stellen aspecten voor alle gebouwen

Materiaal constructie

(richting X)

○ Staal

○ Metselwerk

○ Beton (ter plaatse gestort)

○ Beton (geprefabriceerd)

○ Hout

○ Anders of onbekend

Definieer in inspectierapport X en Y richting (in plattegrond schets)

Constructiesysteem

(richting X en richting Y)

○ Kolom-Balk

○ Raamwerk momentvast

○ Raamwerk met schoren

○ Portaalconstructie Hybride

○ Schijfwerking wanden

○ Doorgaande betonnen vloeren

○ Anders

Voor beide hoofddraagrichtingen afzonderlijk bepalen

Aantal bouwlagen, plus eventueel een zolder

Noteer aantal:

Indien van toepassing: noteer de gootlijn (ter hoogte van welk niveau vloer)

Vrijstaand of (seriematig) geschakeld

○ Vrijstaand

○ Seriematig geschakeld

○ Niet-seriematig geschakeld

○ Anders

1 De kolom Opmerkingen is met name bedoeld voor die gevallen waarbij ‘anders’ of ‘onbekend’ is geconstateerd

Tabel 3.2 Vast te stellen aspecten voor gebouwen met typologie STAAL-A

Maximale breedte van de hal

Noteer de maximale breedte van de hal in meters

Maximale lengte van de hal

Noteer de maximale lengte van de hal in meters

Maximale hoogte van de hal

Noteer de maximale hoogte van de hal in meters

Dakvorm

○ Plat dak

○ Lessenaarsdak

○ Zadeldak

○ Dak met kilgoot

○ Anders

Gevelinvulling

○ Stalen beplating

○ Sandwichpanelen

○ Gevel met binnendoos

○ Metselwerk borstwering (tot 1,2 meter)

○ Anders

Gewicht van de gevel

Noteer het gewicht van de gevel in kN/m2

Gewicht van het dakpakket

Noteer het gewicht van de gevel in kN/m2

Tabel 3.3 Aspecten vast te stellen voor gebouwen met metselwerk als materiaal van de constructie

Materiaal vloeren tweede (en hogere) bouwlaag (ten minste 80%)

○ Beton

○ Hout

○ Anders

Bij laagbouw is het materiaal van de vloer van de tweede bouwlaag (de eerste verdiepingsvloer) van belang. Een zoldervloer wordt niet beschouwd.

Opbouw metselwerk in gevel

○ Steensmuur, geen spouw

○ Spouwmuur met steensbuitenblad

○ Betonnen buitenblad

○ Anders of onbekend

Percentage openingenlangsgevel (indien van toepassing)

Waarde:

Maatgevende doorsnede is die horizontale doorsnede waarin het aandeel metselwerk het kleinst is. Kozijnen, ramen, puien behoren alle tot de openingen.

Tabel 3.4 Aanwezigheid scheurvorming vast te stellen voor gebouwen met metselwerk als materiaal van de constructie

Aanwezigheid scheurvorming in draagconstructie

Ja/nee

Indien ja, geef schadeklasse op basis van tabel 3.4.

Tabel 3.5 Overzicht van schadeklasses, behorende bij tabel 3.4

0

Verwaarloosbaar

< 0,1 mm

Haarscheurtjes

< 1:16.00 – 1:500

De schade is geen uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 10.3, onderdeel a

Esthetisch

1

Zeer licht

0,1 tot 1 mm

Enige scheurvorming in metselwerk. Kleine scheuren, meestal beperkt tot pleisterwerk, die eenvoudig kunnen worden weggewerkt

1:1.600 – 1:300

2

Licht

1 tot 5 mm

Scheuren kunnen aan de buitenzijde zichtbaar zijn en kunnen tot vochtdoorslag leiden. Deuren en ramen klemmen dicht, geringe scheurvorming, kan eenvoudig hersteld worden.

1:1.600 – 1:300

Functioneel

3

Matig

5 tot 15 mm, of meerdere scheuren >3 mm

Deuren en ramen klemmen. Mogelijke schade aan nutsaansluitingen. Vochtdoorslag mogelijk. Scheuren zijn zodanig dat metselwerk dient te worden hersteld.

1:1.600 – 1:100

De schade is geen uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 10.3, onderdeel a.

Het gebouw kan niet typologisch worden beoordeeld.

4

Ernstig

15 tot 25 mm, ook afhankelijk van het aantal scheuren

Bruikbaarheid en toegankelijkheid ernstig aangetast. Voelbare scheefstand. Herstel vergt vervanging van muurdelen en andere constructieve elementen.

1:1.600 – 1:100

Constructief

5

Zeer ernstig

>25 mm, hangt van aantal af

Instortingsgevaar. Volledige renovatie noodzakelijk

>1:300

Tabel 3.6 Vastelling van eventuele uitsluitingsgronden

Combinatie van aspecten uit de tabellen 3.1 en 3.2 leidt niet tot typologietoedeling

Combinatie van aspecten benoemen

Er is sprake van één of meer uitsluitingsgronden zoals omschreven in artikel 10.3

Uitsluitingsgrond benoemen

Bij enkele uitsluitingsgronden is wegnemen van deze grond voldoende om alsnog tot toedeling te komen

Bijlage

4

Vaststelling typologieën, behorende bij artikel 10.2 van deze regeling

Tabel 4.1 Typologie Staal-A

Materiaal constructie (richting X)

Staal

Draagsysteem (richting X)

Momentvast raamwerk met regelmatige tussenafstanden of raamwerk met windverbanden, of portaalconstructie

Materiaal constructie (richting Y)

Staal

Draagsysteem (richting Y)

Momentvast raamwerk met regelmatige tussenafstanden of raamwerk met windverbanden

Aantal bouwlagen

Eén bouwlaag, geen zolder

Vrijstaand of (seriematig) geschakeld

Vrijstaand of geschakelde, seriematige bouw

Maximale breedte van de hal (B)

10 m ≤ B ≤ 40 m

Maximale lengte van de hal (L)

10 m ≤ L ≤ 160 m

Maximale hoogte van de hal (H)

4 m ≤ H ≤ 10 m

Dakvorm

Vlak of geknikt

Gevelinvulling

Staal of lichtgewicht invulling, geen metselwerk

Gewicht van de gevel

Maximaal 0,30 kN/m2 (inclusief gewicht van stalen kolommen),

geen significante constructies of massa’s verbonden aan gevel

Gewicht van het dakpakket

Maximaal 0,50 kN/m2 (inclusief gewicht van stalen dakliggers), geen significante constructies of massa’s verbonden aan dak

Tabel 4.2 Typologie Metselwerk1

Materiaal constructie (richting X)

Metselwerk (stapelbouw)

Constructiesysteem (richting X)

Schijfwerking wanden (woningscheidend en kopgevels)

Materiaal constructie (richting Y)

Metselwerk (stapelbouw)

Constructiesysteem (richting Y)

Schijfwerking wanden (door langsgevel en stabiliserende binnenwanden)

Aantal bouwlagen

Eén of twee bouwlagen, plus eventueel een zolder; gootlijn op niveau vloer tweede bouwlaag of zolder

Vrijstaand of (seriematig) geschakeld

Geschakelde, seriematige bouw

Materiaal vloer tweede bouwlaag (ten minste 80%)

Beton

Opbouw metselwerk in gevel

Spouwmuur

Percentage openingen langsgevel

Kleiner dan 85%

Tabel 4.3 Typologie Metselwerk2

Materiaal constructie (richting X)

Metselwerk (stapelbouw)

Constructiesysteem (richting X)

Schijfwerking wanden (woningscheidend en kopgevels)

Materiaal constructie (richting Y)

Metselwerk (stapelbouw)

Constructiesysteem (richting Y)

Schijfwerking wanden (door langsgevel en stabiliserende binnenwanden, dan wel stabiliteit ontleend aan een doorgaande betonnen vloer)

Aantal bouwlagen

Eén of twee bouwlagen, plus eventueel een zolder; gootlijn op niveau vloer tweede bouwlaag of zolder

Vrijstaand of (seriematig) geschakeld

Geschakelde, seriematige bouw

Materiaal vloer tweede bouwlaag (ten minste 80%)

Beton

Opbouw metselwerk in gevel

Spouwmuur

Percentage openingen langsgevel

Gelijk aan of groter dan 85%

Tabel 4.4 Typologie Metselwerk5

Materiaal constructie (richting X)

Metselwerk (stapelbouw)

Constructiesysteem (richting X)

Schijfwerking wanden

Materiaal constructie (richting Y)

Metselwerk (stapelbouw)

Constructiesysteem (richting Y)

Schijfwerking wanden

Aantal bouwlagen

Eén of twee bouwlagen, plus eventueel een zolder; gootlijn op niveau vloer tweede bouwlaag

Vrijstaand of (seriematig) geschakeld

Vrijstaand

Materiaal vloer tweede bouwlaag (ten minste 80%)

Hout

Opbouw metselwerk in gevel

Steensmuur, geen spouw

Tabel 4.5 Typologie Metselwerk6

Materiaal constructie (richting X)

Metselwerk (stapelbouw)

Constructiesysteem (richting X)

Schijfwerking wanden

Materiaal constructie (richting Y)

Metselwerk (stapelbouw)

Constructiesysteem (richting Y)

Schijfwerking wanden

Aantal bouwlagen

Eén of twee bouwlagen, plus eventueel een zolder; gootlijn op niveau vloer tweede bouwlaag

Vrijstaand of (seriematig) geschakeld

Vrijstaand

Materiaal vloer tweede bouwlaag (ten minste 80%)

Beton

Opbouw metselwerk in gevel

Eén of meer gevels als spouwmuur

Tabel 4.6 Typologie Metselwerk7

Materiaal constructie (richting X)

Metselwerk (stapelbouw)

Constructiesysteem (richting X)

Schijfwerking wanden

Materiaal constructie (richting Y)

Metselwerk (stapelbouw)

Constructiesysteem (richting Y)

Schijfwerking wanden

Aantal bouwlagen

Eén of twee bouwlagen, plus eventueel een zolder; gootlijn op niveau vloer tweede bouwlaag

Vrijstaand of (seriematig) geschakeld

Vrijstaand

Materiaal vloer tweede bouwlaag (ten minste 80%)

Hout

Opbouw metselwerk in gevel

Eén of meer gevels als spouwmuur

Tabel 4.7 Typologie Metselwerk-D

Materiaal constructie (richting X)

Metselwerk (stapelbouw)

Constructiesysteem (richting X)

Schijfwerking wanden

Materiaal constructie (richting Y)

Metselwerk (stapelbouw)

Constructiesysteem (richting Y)

Schijfwerking wanden (gevel en eventuele stabiliserende binnenwanden) met eventueel doorlopende gekoppelde betonnen vloeren

Aantal bouwlagen

Drie tot vijf bouwlagen, plus eventueel een zolder

Vrijstaand of (seriematig) geschakeld

Geschakelde, seriematige bouw

Materiaal vloer tweede en hogere bouwlagen (ten minste 80%)

Beton

Opbouw metselwerk in gevel

Spouwmuur

Tabel 4.8 Typologie Beton1a

Materiaal constructie (richting X)

Beton (ter plaatse gestort)

Constructiesysteem (richting X)

Schijfwerking met massieve betonnen wanden

Materiaal constructie (richting Y)

Beton (ter plaatse gestort)

Constructiesysteem (richting Y)

Raamwerk (met gewapende vloer-wand verbinding)

Aantal bouwlagen

Eén of twee bouwlagen, plus eventueel een zolder

Vrijstaand of (seriematig) geschakeld

Geschakelde, seriematige bouw

Tabel 4.9 Typologie Beton1b

Materiaal constructie (richting X)

Beton (ter plaatse gestort)

Constructiesysteem (richting X)

Schijfwerking met massieve betonnen wanden

Materiaal constructie (richting Y)

Beton (ter plaatse gestort)

Constructiesysteem (richting Y)

Schijfwerking (geen gewapende vloer-wand verbinding)

Aantal bouwlagen

Eén of twee bouwlagen, plus eventueel een zolder

Vrijstaand of (seriematig) geschakeld

Geschakelde, seriematige bouw

Tabel 4.10 Typologie Beton1c

Materiaal constructie (richting X)

Beton (ter plaatse gestort)

Constructiesysteem (richting X)

Schijfwerking met massieve betonnen wanden

Materiaal constructie (richting Y)

Beton (ter plaatse gestort)

Constructiesysteem (richting Y)

Schijfwerking (geen gewapende vloer-wand verbinding)

Aantal bouwlagen

Eén of twee bouwlagen, plus eventueel een zolder

Vrijstaand of (seriematig) geschakeld

Vrijstaand

Tabel 4.11 Typologie Prefab1

Materiaal constructie (richting X)

Beton (geprefabriceerd)

Constructiesysteem (richting X)

Schijfwerking

Materiaal constructie (richting Y)

Beton (geprefabriceerd)

Constructiesysteem (richting Y)

Schijfwerking in geprefabriceerde betonnen wanden

Aantal bouwlagen

Een of twee bouwlagen, plus eventueel een zolder

Vrijstaand of (seriematig) geschakeld

Vrijstaand of geschakelde, seriematige bouw

Bijlage

5

Vlekkentabellen, behorende bij artikel 10.4

Deze bijlage ziet op de beoordeling of wordt voldaan aan de veiligheidsnorm voor een aan een typologie toegedeeld gebouw aan de hand van de typologie, de ontwerpdatum, locatie en afmetingen van het gebouw, de toegepaste ontwerpnorm – indien bekend – en de NPR 9998, bedoeld in artikel 10f, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit. Deze bijlage bevat daartoe vlekkentabellen (onderdeel 5b van deze bijlage) en een toelichting daarop in de vorm van een aantal te doorlopen stappen (onderdeel 5a van deze bijlage).

Concreet moet deze bijlage worden toegepast bij gebouwen die vallen onder de typologie Staal-A, opgenomen in bijlage 4, onderdeel A, bij deze regeling. Dit betreft gebouwen met een draagconstructie van staal, één bouwlaag en een rechthoekige plattegrond.

Onderdeel

5a

Stappen bij toepassen vlekkentabellen

Stap 1 Bepaal of er sprake is van een bebouwde of onbebouwde omgeving

Stel vast of het te beoordelen gebouw zich bevindt in een bebouwde of in een onbebouwde omgeving. Er is sprake van een bebouwde omgeving als in een straal van 500 meter rondom het gebouw 10% of meer van de oppervlakte bebouwd is met gebouwen met een hoogte van 7 meter of meer. Wanneer dit niet het geval is, dan spreekt men van een onbebouwde omgeving.

Als er sprake is van een bebouwde omgeving, ga verder met stap 1A.

Als er sprake is van een onbebouwde omgeving, ga verder met stap 2.

Stap 1A Pas de uitkomst ‘bebouwde omgeving’ zo nodig aan de hand van ontwerpberekeningen aan

Kijk of er constructieve ontwerpberekeningen beschikbaar zijn voor het gebouw.

Als uit de constructieve ontwerpberekeningen blijkt dat er in de ontwerpberekeningen rekening is gehouden met een onbebouwde omgeving, dan wordt van onbebouwde omgeving uitgegaan. Mochten er geen constructieve ontwerpberekeningen beschikbaar zijn, dan wordt de uitkomst bebouwde omgeving uit stap 1, niet bijgesteld. Ga verder met stap 2.

Stap 2 Bepaal de afmetingen van het gebouw

Stel eerst de maximale breedte van het gebouw vast om te bepalen welke vlekkentabel gehanteerd moet worden. Bepaal vervolgens de maximale lengte en maximale hoogte van het gebouw.

Stap 3 Bepaal welke vlekkentabel van toepassing is

Om te bepalen welke vlekkentabel van toepassing is, wordt gekeken of het gebouw in een bebouwde (stap 3A) of in een onbebouwde omgeving (stap 3B) ligt.

Stap 3A Bebouwde omgeving

Als sprake is van een gebouw in een bebouwde omgeving, dan is tabel 5.1, 5.2, 5.3 of 5.4 van toepassing. Bepaal met de vastgestelde breedte van het gebouw welke van deze vlekkentabellen moet worden gebruikt:

  • tabel 5.1 ziet op een gebouw met een breedte van 10 meter;

  • tabel 5.2 ziet op een gebouw met een breedte van 20 meter;

  • tabel 5.3 ziet op een gebouw met een breedte van 30 meter;

  • tabel 5.4 ziet op een gebouw met een breedte van 40 meter.

Ligt de breedte van een gebouw tussen de genoemde breedtes van 10, 20, 30 en 40 meter in (een gebouw is bijvoorbeeld 15 meter breed), dan moet tussen de twee vlekkentabellen moet worden geïnterpoleerd. Dit komt aan de orde in stap 4.

Stap 3B Onbebouwde omgeving

Als sprake is van een gebouw in een onbebouwde omgeving, dan is tabel 5.5, 5.6, 5.7 of 5.8 van toepassing. Bepaal met de vastgestelde breedte van de gebouw welke van deze vlekkentabellen moet worden gebruikt:

  • tabel 5.5 ziet op een gebouw met een breedte van 10 meter;

  • tabel 5.6 ziet op een gebouw met een breedte van 20 meter;

  • tabel 5.7 ziet op een gebouw met een breedte van 30 meter;

  • tabel 5.8 ziet op een gebouw met een breedte van 40 meter.

Optioneel: gebouw ontworpen met TGB 1972 of later

De tabellen 5.5 tot en met 5.8 zijn van toepassing op gebouwen in de ongebouwde omgeving, ongeacht met welke windbelastingsnormen het gebouw is ontworpen.

Maar: wanneer een gebouw is ontworpen met de windbelastingsnorm Technische Grondslagen voor de berekening van bouwconstructies – TGB 1972 (hierna: TGB 1972) of een opvolger daarvan, dan mag tabel 5.9, 5.10, 5.11 of 5.12 worden gehanteerd. Deze tabellen zijn minder conservatief dan de tabellen 5.5 tot en met 5.8.

Als bekend is dat het gebouw is ontworpen met de TGB 1972 of een opvolger daarvan, dan kan aan de hand van de vastgestelde breedte van de bedrijfshal te tabel worden bepaald:

- tabel 5.9 ziet op een gebouw met een breedte van 10 meter;

- tabel 5.10 ziet op een gebouw met een breedte van 20 meter;

- tabel 5.11 ziet op een gebouw met een breedte van 30 meter;

- tabel 5.12 ziet op een gebouw met een breedte van 40 meter.

Ligt de breedte van een gebouw tussen de genoemde breedtes van 10, 20, 30 en 40 meter in (een gebouw is bijvoorbeeld 15 meter breed), dan moet tussen de twee vlekkentabellen moet worden geïnterpoleerd. Dit komt aan de orde in stap 4.

De vlekkentabellen zien op gebouwen met een breedte van minimaal 10 meter en maximaal 40 meter, een lengte van minimaal 10 meter en maximaal 160 meter en een hoogte van minimaal 4 en maximaal 10 meter. Bij gebouwen te smal of te breed, te laag of te hoog of te kort of te lang zijn om onder deze typologie te vallen, mogen de tabellen niet worden gebruikt door de waarden daarin te extrapoleren. Voor die gebouwen geldt dat ze niet onder deze typologie vallen en individueel met de NPR 9998 moeten worden beoordeeld. Extrapolatie van de waarden in de vlekkentabellen is voor deze gebouwen dus niet toegestaan.

Ga verder met stap 4.

Stap 4 Lees de vlekkentabel af voor het gebouw

Zoek de vlekkentabel op die van toepassing op het gebouw aan de hand van de vastgestelde breedte van het gebouw, of het gebouw in een bebouwde of onbebouwde omgeving ligt en eventueel of TGB 1972 of een latere windbelastingsnorm is toegepast bij het ontwerp.

Kijk in de van toepassing zijnde tabel aan de hand van de vastgestelde hoogte en de vastgestelde lengte van het gebouw welke cel van de tabel van toepassing is.

De cellen bevatten getallen. Het getal in de cel geeft de seismische weerstand aan die het gebouw ten minste moet hebben, vergeleken met de aardbevingsbelasting op dat gebouw, wil het gebouw voldoen aan de veiligheidsnorm.

Is het getal in de cel in normaal lettertype, dan voldoet het gebouw aan de veiligheidsnorm, ongeacht het getal in de desbetreffende cel. De seismische weerstand is vergeleken met de aardbevingsbelasting hoog genoeg. De aardbevingsbelasting hoeft niet te worden berekend. Er zijn geen maatregelen nodig.

  • Is het getal in de cel vet en cursief weergegeven, dan moet worden bekeken of het gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet. Dit wordt gedaan door bekijken of het betreffende getal (de waarde van de seismische weerstand van het gebouw) gelijk is aan of hoger is dan de berekende aardbevingsbelasting op het gebouw; zo ja, dan voldoet het gebouw aan de veiligheidsnorm.

  • is het in vet en cursief weergegeven getal lager dan (de waarde van de seismische weerstand van het gebouw) lager dan de berekende aardbevingsbelasting op dat gebouw, dan voldoet het gebouw niet aan de veiligheidsnorm. Dan moeten alle soorten maatregelen in ogenschouw worden genomen om het gebouw alsnog te laten voldoen aan de veiligheidsnorm.

Als sprake is van een getal in de cel in normaal lettertype, kan het voorkomen dat een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet maar dat desondanks het zogenoemde ‘uit-het-vlak’-bezwijken van gemetselde, niet-dragende binnenwanden een risico vormt. In dit geval worden voor deze elementen separate uit-het-vlak maatregelen getroffen. Globaal blijft het tot typologie Staal-A behorende gebouw wel aan de veiligheidsnorm voldoen.

Zoals bij stap 3 is aangegeven, wordt voor de betreffende waarden geïnterpoleerd tussen de tabellen als de breedte van een gebouw tussen de genoemde breedtes van 10, 20, 30 en 40 meter in ligt. Zo wordt bij een hal van 15 meter breed in een bebouwde omgeving geïnterpoleerd tussen de tabellen 5.1 en 5.2 voor de betreffende waarden. Hierbij is het lettertype van de cellen niet relevant; het gaat alleen om de waarden in de cellen (de getallen).

Als de geïnterpoleerde waarde groter is dan of gelijk is aan 0,50, dan voldoet het gebouw aan de veiligheidsnorm.

Als de geïnterpoleerde waarde kleiner is dan 0,50, dan moet de waarde worden vergeleken met de te berekenen aardbevingsbelasting op dat gebouw.

Berekening van de aardbevingsbelasting

Als sprake is van een getal getal in een cel in vet en cursief, dan wordt zoals gezegd dat getal (de waarde van de seismische weerstand van het gebouw) vergeleken met de te berekenen aardbevingsbelasting op dat gebouw. De aardbevingsbelasting op het gebouw wordt berekend aan de hand van de locatie van het gebouw en de NPR:9998. De berekening gaat volgens de formule:

p * ag;s * 1,1

waarbij p en ag;s achtereenvolgens staan voor:

p: de verhouding tussen de piekgrondversnelling en de plateauwaarde van de aardbevingsbelasting;

ag;s: de rekenwaarde van de piekgrondversnelling.

De waarden van p en ag;s voor de locatie van het gebouw zijn af te lezen uit de NPR-webtool, die behoort bij de NPR 9998. De NPR-webtool is te raadplegen op de http://seismischekrachten.nen.nl. Bij het invullen van de gegevens in de NPR-webtool moet worden uitgegaan van tijdvak 5 en een herhalingstijd van 2.475 jaar. Daarnaast moet een horizontale richting worden gehanteerd.

Onderdeel

5b

Vlekkentabellen

Overzicht vlekkentabellen

10

tabel 5.1

tabel 5.5 (optioneel tabel 5.9, bij TGB 1972 of later)

20

tabel 5.2

tabel 5.6 (optioneel tabel 5.10, bij TGB 1972 of later)

30

tabel 5.3

tabel 5.7 (optioneel tabel 5.11, bij TGB 1972 of later)

40

tabel 5.4

tabel 5.8 (optioneel tabel 5.12, bij TGB 1972 of later)

Vlekkentabellen 5.1 t/m 5.4 – bebouwde omgeving

Tabel 5.1 Gebouw breedte van 10 meter, ligt in bebouwde omgeving

≥ 4 en < 5

0,46

0,33

0,27

0,23

0,21

0,17

≥ 5 en < 6

0,52

0,38

0,30

0,26

0,23

0,19

≥ 6 en < 7

0,58

0,43

0,34

0,29

0,26

0,21

≥ 7 en < 8

0,62

0,47

0,37

0,32

0,28

0,23

≥ 8 en < 9

0,67

0,50

0,41

0,34

0,30

0,25

≥ 9 en < 10

0,70

0,53

0,43

0,37

0,32

0,26

= 10

0,80

0,61

0,49

0,42

0,37

0,30

Tabel 5.2 Gebouw breedte van 20 meter, ligt in bebouwde omgeving

≥ 4 en < 5

0,28

0,22

0,18

0,16

0,14

0,12

≥ 5 en < 6

0,33

0,25

0,21

0,18

0,16

0,13

≥ 6 en < 7

0,38

0,27

0,23

0,20

0,18

0,15

≥ 7 en < 8

0,42

0,30

0,25

0,22

0,19

0,16

≥ 8 en < 9

0,46

0,34

0,28

0,23

0,21

0,17

≥ 9 en < 10

0,49

0,36

0,30

0,25

0,22

0,18

= 10

0,57

0,42

0,34

0,29

0,26

0,21

Tabel 5.3 Gebouw breedte van 30 meter, ligt in bebouwde omgeving

≥ 4 en < 5

0,22

0,17

0,14

0,12

0,11

0,10

≥ 5 en < 6

0,24

0,20

0,16

0,14

0,13

0,11

≥ 6 en < 7

0,28

0,22

0,18

0,16

0,14

0,12

≥ 7 en < 8

0,32

0,24

0,20

0,17

0,15

0,13

≥ 8 en < 9

0,36

0,26

0,21

0,18

0,16

0,14

≥ 9 en < 10

0,38

0,28

0,23

0,20

0,18

0,15

= 10

0,45

0,33

0,27

0,23

0,20

0,17

Tabel 5.4 Gebouw breedte van 40 meter, ligt in bebouwde omgeving

≥ 4 en < 5

0,19

0,14

0,12

0,11

0,10

0,09

≥ 5 en < 6

0,21

0,16

0,14

0,12

0,11

0,10

≥ 6 en < 7

0,24

0,18

0,15

0,13

0,12

0,10

≥ 7 en < 8

0,25

0,20

0,17

0,14

0,13

0,11

≥ 8 en < 9

0,29

0,22

0,18

0,16

0,14

0,12

≥ 9 en < 10

0,32

0,24

0,19

0,17

0,15

0,13

= 10

0,37

0,28

0,23

0,19

0,17

0,15

Vlekkentabellen 5.5 t/m 5.8 – onbebouwde omgeving

Tabel 5.5 Gebouw breedte van 10 meter, ligt in onbebouwde omgeving

≥ 4 en < 5

0,48

0,34

0,28

0,24

0,21

0,18

≥ 5 en < 6

0,62

0,44

0,34

0,29

0,26

0,21

≥ 6 en < 7

0,74

0,53

0,41

0,35

0,31

0,24

≥ 7 en < 8

0,85

0,61

0,48

0,41

0,35

0,27

≥ 8 en < 9

0,95

0,69

0,54

0,44

0,38

0,29

≥ 9 en < 10

1,00

0,73

0,58

0,48

0,40

0,31

= 10

1,05

0,77

0,61

0,50

0,43

0,33

Tabel 5.6 Gebouw breedte van 20 meter, ligt in onbebouwde omgeving

≥ 4 en < 5

0,29

0,23

0,19

0,16

0,13

0,10

≥ 5 en < 6

0,38

0,29

0,24

0,19

0,16

0,12

≥ 6 en < 7

0,47

0,33

0,27

0,22

0,19

0,14

≥ 7 en < 8

0,55

0,39

0,31

0,25

0,21

0,16

≥ 8 en < 9

0,63

0,44

0,34

0,28

0,23

0,28

≥ 9 en < 10

0,68

0,48

0,37

0,30

0,26

0,20

= 10

0,73

0,52

0,40

0,33

0,28

0,21

Tabel 5.7 Gebouw breedte van 30 meter, ligt in onbebouwde omgeving

≥ 4 en < 5

0,24

0,18

0,14

0,11

0,09

0,07

≥ 5 en < 6

0,27

0,22

0,17

0,14

0,11

0,09

≥ 6 en < 7

0,34

0,26

0,20

0,16

0,13

0,10

≥ 7 en < 8

0,41

0,29

0,22

0,18

0,15

0,12

≥ 8 en < 9

0,47

0,33

0,25

0,20

0,17

0,13

≥ 9 en < 10

0,51

0,36

0,27

0,22

0,19

0,14

= 10

0,55

0,39

0,30

0,24

0,20

0,15

Tabel 5.8 Gebouw breedte van 40 meter, ligt in onbebouwde omgeving

≥ 4 en < 5

0,20

0,14

0,11

0,09

0,07

0,05

≥ 5 en < 6

0,25

0,17

0,13

0,11

0,09

0,07

≥ 6 en < 7

0,29

0,20

0,15

0,12

0,10

0,08

≥ 7 en < 8

0,32

0,23

0,18

0,14

0,12

0,09

≥ 8 en < 9

0,37

0,26

0,20

0,16

0,13

0,10

≥ 9 en < 10

0,41

0,28

0,22

0,18

0,15

0,11

= 10

0,45

0,31

0,24

0,19

0,16

0,12

Vlekkentabellen 5.9 t/m 5.12 – onbebouwde omgeving, optioneel voor een gebouw ontworpen met TGB 1972 of later

Tabel 5.9 Gebouw breedte van 10 meter, ligt in onbebouwde omgeving, optioneel voor gebouw ontworpen met TGB 1972 of later

≥ 4 en < 5

0,48

0,34

0,28

0,24

0,21

0,18

≥ 5 en < 6

0,62

0,44

0,34

0,29

0,26

0,22

≥ 6 en < 7

0,74

0,53

0,41

0,35

0,31

0,26

≥ 7 en < 8

0,85

0,61

0,48

0,41

0,36

0,30

≥ 8 en < 9

0,96

0,70

0,55

0,47

0,41

0,34

≥ 9 en < 10

1,06

0,77

0,61

0,50

0,46

0,38

= 10

1,15

0,85

0,67

0,55

0,50

0,41

Tabel 5.10 Gebouw breedte van 20 meter, ligt in onbebouwde omgeving, optioneel voor gebouw ontworpen met TGB 1972 of later

≥ 4 en < 5

0,29

0,23

0,19

0,17

0,15

0,13

≥ 5 en < 6

0,38

0,29

0,24

0,21

0,19

0,16

≥ 6 en < 7

0,47

0,33

0,28

0,24

0,22

0,19

≥ 7 en < 8

0,55

0,39

0,32

0,28

0,25

0,21

≥ 8 en < 9

0,64

0,45

0,36

0,31

0,28

0,24

≥ 9 en < 10

0,71

0,51

0,40

0,35

0,31

0,26

= 10

0,79

0,56

0,44

0,38

0,33

0,28

Tabel 5.11 Gebouw breedte van 30 meter, ligt in onbebouwde omgeving, optioneel voor gebouw ontworpen met TGB 1972 of later

≥ 4 en < 5

0,24

0,18

0,15

0,14

0,13

0,11

≥ 5 en < 6

0,27

0,23

0,19

0,17

0,15

0,13

≥ 6 en < 7

0,34

0,27

0,23

0,20

0,18

0,16

≥ 7 en < 8

0,41

0,31

0,26

0,23

0,20

0,18

≥ 8 en < 9

0,48

0,36

0,29

0,26

0,23

0,20

≥ 9 en < 10

0,54

0,38

0,33

0,28

0,25

0,22

= 10

0,60

0,42

0,36

0,31

0,28

0,23

Tabel 5.12 Gebouw breedte van 40 meter, ligt in onbebouwde omgeving, optioneel voor gebouw ontworpen met TGB 1972 of later

≥ 4 en < 5

0,20

0,16

0,13

0,12

0,11

0,10

≥ 5 en < 6

0,25

0,19

0,16

0,15

0,14

0,12

≥ 6 en < 7

0,30

0,23

0,19

0,17

0,16

0,14

≥ 7 en < 8

0,32

0,27

0,22

0,20

0,18

0,16

≥ 8 en < 9

0,38

0,30

0,25

0,22

0,20

0,17

≥ 9 en < 10

0,43

0,33

0,28

0,24

0,22

0,19

= 10

0,49

0,37

0,31

0,27

0,24

0,21

Bijlage

6

Vlekkenkaarten, behorende bij de artikelen 10.5 en 10.7, tweede lid, van deze regeling

A

Vlekkenkaart, behorende bij typologie Metselwerk1

B

Vlekkenkaart, behorende bij typologie Metselwerk2

C

Vlekkenkaart, behorende bij typologie Metselwerk5

D

Vlekkenkaart, behorende bij typologie Metselwerk6

E

Vlekkenkaart, behorende bij typologie Metselwerk7

F

Vlekkenkaart, behorende bij typologie Metselwerk-D

G

Vlekkenkaart, behorende bij typologie Beton1a

H

Vlekkenkaart, behorende bij typologie Beton1b

I

Vlekkenkaart, behorende bij typologie Beton1c

J

Vlekkenkaart, behorende bij typologie Prefab1

Bijlage

7

Voorwaarden voor individuele beoordeling van een gebouw volgens de NPR 9998, behorende bij artikel 10.6 van deze regeling

De individuele beoordeling (inclusief de opname op locatie, bedoeld in artikel 10f, vijfde lid, van het besluit) van een gebouw volgens de NPR 9998 vindt plaats met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • 1.

    Indien voor de locatie van het gebouw onvoldoende relevante grondgegevens beschikbaar zijn, wordt aanvullend grondonderzoek uitgevoerd.

  • 2.

    Indien dit nodig is voor het beoordelen of een gebouw voldoet aan de veiligheidsnorm vindt uitgebreid onderzoek naar en beoordeling van de fundering plaats conform de NEN 8707+C1:2020. Hierbij moet de scheefstand / de relatieve rotatie van het gebouw ten opzichte van het maaiveld in acht worden genomen. Hierbij kan waarbij gebruik worden gemaakt van onderstaande tabel:

    Tabel 7.1 Situaties met noodzaak tot onderzoek en beoordeling fundering

    Fundering na 1985 en geen constructieve schade bovengronds of scheefstand/relatieve rotatie >1:75

    Geen beoordeling NEN 8707+C1:2020 nodig

    Fundering na 1985 en wel constructieve schade bovengronds of scheefstand/relatieve rotatie >1:75

    Beoordeling volgens NEN 8707 +C1:2020 nodig (berekening)

    Fundering voor 1985 en wel constructieve schade bovengronds of scheefstand/relatieve rotatie >1:75

    Beoordeling volgens NEN8707 +C1:2020 nodig (berekening)

    Fundering voor 1985 en geen constructieve schade bovengronds:

    – Meting scheefstand/relatieve rotatie < 10 mm/m (1/100) en geen aanzienlijke toename te verwachten

    – Meting scheefstand/relatieve rotatie >10 maar < 13 mm/m en/of enige toename te verwachten

    – Meting scheefstand/relatieve rotatie > 13 mm/m en/of aanzienlijke toename te verwachten

    Geen beoordeling NEN 8707+C1:2020 nodig

    Onder voorbehoud geen beoordeling NEN 8707 +C1:2020 nodig; vaststellen met zakkingsmeting

    Beoordeling volgens NEN 8707 +C1:2020 nodig (berekening)

  • 3.

    In geval van scheuren in metselwerk wordt voor het bepalen of sprake is van constructieve schade gebruik gemaakt van de schadeklasse, opgenomen in de tabel met overzicht van schadeklassen, opgenomen in bijlage 3, waarbij schades vanaf schadeklasse 3 (scheuren met een wijdte tussen 5 en 15 mm of meerdere scheuren met een wijdte van 3 mm of groter) in ieder geval gezien worden als constructieve schade.

  • 4.

    Bij het bepalen van de aanwezigheid van constructieve schade bovengronds wordt de schade beoordeeld met inachtneming van het totaalbeeld van scheuren en verzakkingen het gehele scheur- en zakkingspatroon en de mogelijke onderliggende oorzaken (bijvoorbeeld de staat van de fundering).

  • 5.

    Delen van gebouwen die niet voor verblijf van mensen zijn bedoeld (zoals bijgebouwen, schuren en garages) worden in de beoordeling meegenomen, indien deze gebouwdelen in gevolgklasse CC1b, bedoeld in tabel 2.1, van de NPR 9998 vallen.

  • 6.

    Indien dit nodig is om te beoordelen of een gebouw voldoet aan de veiligheidsnorm worden niet-seismische, constructieve elementen van het gebouw in de beoordeling meegenomen.

  • 7.

    Verzwakte delen van de constructie (boven- en ondergronds) worden in de beoordeling meegenomen, in de tijdens opname vastgestelde technische staat, en vervolgens op de voor seismische beoordeling benodigde wijze gemodelleerd.

  • 8.

    Er wordt gebruik gemaakt van die rekenmethode die past bij het gebouw, waarbij voldoende toename van detail van analyse plaatsvindt om daadwerkelijk te kunnen bepalen dat een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet. Indien uit de meest gedetailleerde berekening blijkt dat een gebouw niet aan de veiligheidsnorm voldoet, worden maatregelen bepaald.

  • 9.

    Voor het opstellen van het versterkingsadvies wordt gebruik gemaakt van een model dat door de Minister beschikbaar is gesteld op www.nationaalcoordinatorgroningen.nl.

Bijlage

8

Voorwaarden bepaling maatregelen, behorende bij artikel 10.7 van deze regeling

De bepaling welke soort maatregelen nodig is, bedoeld in artikel 10.7, vindt plaats met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • 1.

    Er wordt gebruik gemaakt van de standaardmaatregelen met, voor zover mogelijk de bijbehorende kostenramingen, die zijn opgenomen in de Groninger Maatregelen catalogus die als webtool beschikbaar is gesteld op www.maatregelencatalogus.nl.

  • 2.

    Details van maatregelen worden aangevuld met een detailberekening die is gebaseerd op de maximale op te nemen kracht om te kunnen voldoen aan de veiligheidsnorm.

  • 3.

    Er wordt rekening mee gehouden of een gebouw is aangewezen als:

  • 4.

    Alleen herstel van verzwakte delen van de constructie dat nodig is om ervoor te zorgen dat het gebouw kan voldoen aan de veiligheidsnorm, wordt meegenomen als onderdeel van de versterkingsmaatregelen.

  • 5.

    In het versterkingsadvies wordt duidelijk aangeven welke maatregelen nodig zijn voor herstel van verzwakte constructies en welke versterkingsmaatregelen nodig zijn voor het voldoen aan de veiligheidsnorm. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de Groninger Maatregelencatalogus.

  • 6.

    Er wordt gebruik gemaakt van die rekenmethode die past bij het gebouw, waarbij een toename van detail van analyse plaatsvindt in die mate waarin dat nodig is om tot efficiënte versterkingsmaatregelen te komen.