Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 6 juli 2023, nummer 4718821, houdende regels voor de subsidiëring van projecten ter ondersteuning van zelfstandig vertrek van vreemdelingen en gemeenschapsonderdanen uit Nederland (Subsidieregeling ondersteuning zelfstandig vertrek 2023)

Subsidieregeling ondersteuning zelfstandig vertrek 2023

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Besluit:

Hoofdstuk

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • brutoloon: brutosalaris, inclusief vakantiegeld, een beloning in de vorm van een dertiende maand en eindejaarsuitkering, voor zover dit is geregeld in de geldende CAO of arbeidsovereenkomst;

  • CAO: een collectieve arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst;

  • directe loonkosten: loonkosten van personeel, waarbij de gerealiseerde uren direct betrekking hebben op deelnemers aan het project dan wel loonkosten van personeel die direct te relateren zijn aan de uitvoering van subsidiabele activiteiten;

  • DT&V: Dienst Terugkeer en Vertrek;

  • financieringsplan: een beschrijving van de benodigde en beschikbare financiële capaciteit voor de uitvoering van de voorgenomen activiteiten, waaronder in ieder geval een liquiditeitsplan waaruit blijkt op welke wijze de projectkosten gefinancierd worden;

  • FX EURP: Frontex EU Reintegration Programma;

  • gemeenschapsonderdaan: onderdaan van de lidstaten van de Europese Unie, of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992, of van de Zwitserse Bondsstaat, alsmede hun familieleden als bedoeld in artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000;

  • handleiding: Handleiding Projectadministratie Subsidieregeling ondersteuning zelfstandig vertrek 2023, zoals beschikbaar op www.dienstterugkeerenvertrek.nl;

  • indirecte kosten: kosten die niet kunnen worden aangewezen als specifieke kosten van het project, en niet rechtstreeks verband houden met de uitvoering ervan;

  • IOM: Internationale Organisatie voor Migratie;

  • minister: Minister van Asiel en Migratie;

  • onderdaan van een derde land: eenieder die geen gemeenschapsonderdanen zijn;

  • penvoerder: door het samenwerkingsverband aangewezen penvoerende persoon of organisatie die deelneemt aan het samenwerkingsverband;

  • post-arrival ondersteuning: een bijdrage aan de terugkeerder in contanten of in natura om de eerste dagen na terugkeer te vergemakkelijken;

  • project: het specifieke praktische middel waarmee een subsidieontvanger een activiteit of meerdere activiteiten in het geheel of gedeeltelijk uitvoert;

  • projectperiode: periode tussen het tijdstip waarop activiteiten starten en worden afgerond;

  • REAN-programma: het programma ‘Return and Emigration Assistance from The Netherlands’ van de Internationale Organisatie voor Migratie;

  • samenwerkingsverband: samenwerking tussen twee of meer in Nederland gevestigde, niet-gouvernementele organisaties met rechtspersoonlijkheid naar Nederlands recht;

  • specifieke kosten: kosten voor goederen, diensten en financiële bijdragen die rechtstreeks aan de deelnemer ten goede komen om perspectief te bieden op herintegratie in het land van herkomst of bestemming na vertrek;

  • terugkeerondersteuning: ondersteuning in de vorm van geld of in natura die rechtstreeks ten goede komt aan de terugkeerder;

  • vreemdeling: eenieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld.

Artikel

2

Aard en doel van de projecten

De minister kan een subsidie verstrekken voor projecten zonder winstoogmerk op het gebied van het bevorderen van het zelfstandig vertrek en het bieden van ondersteuning bij het zelfstandig vertrek uit Nederland van doelgroep A, vreemdelingen, en doelgroep B, gemeenschapsonderdanen.

Artikel

3

Doelgroep A – Vreemdelingen

Artikel

4

Doelgroep B – Gemeenschapsonderdanen

Doelgroep B zijn gemeenschapsonderdanen die de intentie hadden om zich voor langere duur in Nederland te vestigen, die het niet gelukt is om in Nederland voldoende inkomsten te genereren om in hun eigen levensonderhoud te voorzien, die niet over voldoende financiële middelen beschikken om op eigen gelegenheid uit Nederland te vertrekken en die sociaal maatschappelijke begeleiding nodig hebben bij hun terugkeer of herintegratie.

Artikel

5

Subsidiabele activiteiten

Artikel

6

De subsidieaanvrager

De subsidie wordt aangevraagd door een in Nederland gevestigde, niet-gouvernementele organisatie met rechtspersoonlijkheid naar Nederlands recht.

Artikel

7

Aanvraagtijdvakken, subsidieplafond en verdeling bij overschrijding subsidieplafond

Artikel

8

De subsidieaanvraag

Artikel

9

Verplichtingen subsidieontvanger

Artikel

10

Beslissing op de aanvraag

Artikel

11

Weigering van de subsidie

De minister kan een subsidie weigeren wanneer:

  • a.

    de kosten van het project niet in een redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten resultaten. Van een onredelijke verhouding is in ieder geval sprake indien de kosten van het project niet in een redelijke verhouding staan tot de uit te voeren activiteiten, onderbouwd met een sluitende begroting;

  • b.

    onaannemelijk is dat subsidieaanvrager beschikt over operationele en financiële capaciteit voor de uitvoering van de voorgenomen activiteiten;

  • c.

    onvoldoende zekerheid bestaat dat de administratie van de subsidieaanvrager zal voldoen aan de daaraan gestelde eisen;

  • d.

    onaannemelijk is dat met de uitvoering van het projectplan de met de subsidie beoogde doelstelling wordt bereikt. Bij deze beoordeling worden de behaalde resultaten van eerdere projecten betrokken;

  • e.

    onaannemelijk is dat de voorgenomen subsidiabele activiteiten en subsidiabele kosten eenvoudig te verantwoorden en te controleren zijn;

  • f.

    de voorgenomen subsidiabele kosten reeds uit hoofde van nationale of Europese subsidieprogramma’s worden gefinancierd zodanig dat de totale financiering van de subsidiabele kosten meer dan 100% bedraagt;

  • g.

    het onaannemelijk is dat de subsidieaanvrager beschikt over kwalitatieve en kwantitatieve operationele capaciteit voor de uitvoering van de voorgenomen activiteiten;

  • h.

    anderszins op grond van diens eerdere subsidieverleningen voor vergelijkbare activiteiten niet aannemelijk is dat de subsidieaanvrager de activiteiten goed zal uitvoeren en aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen zal voldoen; of

  • i.

    een projectaanvraag leidt tot een onevenwichtige regionale spreiding van terugkeerprojecten of er al een ander terugkeerproject wordt uitgevoerd dat zich richt op dezelfde of een vergelijkbare doelgroep.

Artikel

12

Subsidiabele kosten

Artikel

13

Niet subsidiabel

Niet voor subsidiëring komen in aanmerking:

  • a.

    onredelijk of niet noodzakelijke kosten voor uitvoering van het project of een onderdeel daarvan;

  • b.

    kosten van het project die qua prijsniveau niet in een redelijke verhouding staan tot de overeengekomen prestaties of hetgeen gebruikelijk is;

  • c.

    de aankoop, bouw of renovatie van onroerend goed;

  • d.

    belasting over de toegevoegde waarde, behalve indien deze krachtens het nationale recht inzake belasting over de toegevoegde waarde niet terugvorderbaar is;

  • e.

    fooien en geschenken;

  • f.

    representatiekosten en representatievergoedingen;

  • g.

    kosten van ontspanningsactiviteiten ten behoeve van personeelsleden van het project;

  • h.

    kapitaalopbrengsten, schulden en kosten van schulden, rente op schulden, voorzieningen voor eventuele toekomstige verliezen of schulden, verschuldigde rente, dubieuze vorderingen, boetes, financiële sancties, gerechtskosten en buitensporige of roekeloze uitgaven;

  • i.

    kosten van de inrichting van een kantoor;

  • j.

    kosten gemaakt buiten de projectperiode, met uitzondering van kosten die na afloop van de projectperiode zijn gemaakt voor:

    • 1°.

      de directe loonkosten voor de projectcoördinatie en -administratie ten behoeve van het opstellen van de einddeclaratie;

    • 2°.

      de kosten voor onderaanneming ten behoeve van het opstellen van de einddeclaratie;

    • 3°.

      de directe loonkosten of de kosten van onderaanneming ten behoeve van de loonadministratie tot 13 weken na afloop van de projectperiode; en

    • 4°.

      de kosten van specifieke uitgaven in verband met doelgroepen tot 4 weken na afloop van de projectperiode;

  • k.

    bijdragen in natura, met uitzondering van de kosten, bedoeld in artikel 12, eerste lid;

  • l.

    kosten voor woon-werkverkeer, tenzij een cao van toepassing is waarin staat dat medewerkers recht hebben op vergoeding hiervan;

  • m.

    kosten, bedoeld in artikel 12, eerste lid, die in Nederland zijn gemaakt en zijn voorgeschoten door een deelnemer;

  • n.

    kosten die reeds uit andere nationale of Europese middelen worden gefinancierd zodanig dat de totale financiering van de subsidiabele kosten meer dan 100% bedraagt.

Artikel

14

Bevoorschotting

Artikel

15

Subsidievaststelling

Artikel

16

Intrekking en terugvordering subsidie

Hoofdstuk

2

Bepalingen die zien op doelgroep a

Artikel

17

Specifieke eisen aan het project

Artikel

18

Specifieke verplichtingen

Artikel

19

Aanvullende bepalingen subsidiabele kosten

Artikel

20

Hoogte van de subsidie

Artikel

21

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project voor doelgroep A worden door de minister jaarlijks ontvangen in het aanvraagtijdvak tussen 1 maart tot en met 31 december.

Artikel

22

Subsidieplafond

Het maximale beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 21, € 1.702.000.

Hoofdstuk

3

Bepalingen die zien op doelgroep b

Artikel

23

Specifieke eisen aan het project

Artikel

24

Specifieke verplichtingen

Artikel

25

Aanvullende bepalingen subsidiabele kosten

Artikel

26

Hoogte van de subsidie

Artikel

27

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project voor doelgroep B worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026.

Artikel

28

Subsidieplafond

Het maximale beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 27, € 4.000.000.

Hoofdstuk

4

Slotbepalingen

Artikel

30

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2023 en vervalt met ingang van 1 augustus 2028, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor laatstgenoemde datum zijn aangevraagd. De regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel

31

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling ondersteuning zelfstandig vertrek 2023.

’s-Gravenhage
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, E. van der Burg