Mandaatbesluit VRO 2025

De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
In overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Besluit vast te stellen het navolgende Mandaatbesluit VRO:

Hoofdstuk

1

Begripsbepalingen

Artikel

1.1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    Ministerie: het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO);

  • b.

    Minister: de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening;

  • c.

    bewindspersoon: de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ontwikkeling;

  • d.

    Staat: de Staat der Nederlanden;

  • e.

    Secretaris-generaal: secretaris-generaal van het Ministerie;

  • f.

    Plaatsvervangend secretaris-generaal: plaatsvervangend secretaris-generaal bij het Ministerie van BZK;

  • g.

    een directeur-generaal: directeur-generaal bij het Ministerie van BZK;

  • h.

    directeur: de leidinggevende werkzaam binnen een in het Organisatiebesluit BZK genoemd dienstonderdeel die rechtstreeks ressorteert onder de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal of een (programma) directeur-generaal;

  • i.

    mandaat: de bevoegdheid om namens de bewindspersoon besluiten te nemen en stukken af te doen en te ondertekenen;

  • j.

    volmacht: volmacht als bedoeld in artikel 3:60, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, om namens de Staat der Nederlanden rechtshandelingen te verrichten;

  • k.

    werkterrein: de taken van de betreffende functionaris en zijn dienstonderdeel overeenkomstig het Organisatiebesluit VRO en het daaraan gelieerde Organisatiebesluit BZK en de daarop berustende bepalingen, uitsluitend voor zover deze taken behoren tot de beleidsmatige en beleidsuitvoerende portefeuille van de minister.

Artikel

1.2

Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van:

  • a.

    volmacht om namens een bewindspersoon privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten;

  • b.

    machtiging om namens een bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn.

Hoofdstuk

2

Uitzonderingen mandaat

Artikel

2.1

Mandaat wordt niet verleend met betrekking tot:

  • a.

    het vaststellen van een algemeen verbindend voorschrift;

  • b.

    het beslissen op een bezwaarschrift tegen een besluit dat persoonlijk door een bewindspersoon of de secretaris-generaal is genomen;

  • c.

    het beslissen op een beroepschrift;

  • d.

    het instellen van een agentschap bij het ministerie;

  • e.

    het oprichten van een rechtspersoon;

  • f.

    het geven van aanwijzingen aan een ander bestuursorgaan op grond van een wettelijk voorschrift;

  • g.

    het toepassen van aanwijzing 3 van de Aanwijzingen inzake externe contacten van rijksambtenaren;

  • h.

    het vaststellen van de organisatie van het ministerie, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst 2011;

  • i.

    het instellen van een adviescommissie waarvan de voorzitter geen deel uitmaakt van het ministerie en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de bewindspersoon, en het benoemen en ontslaan van de (plaatsvervangend) voorzitter en (plaatsvervangend) leden van die commissie;

  • j.

    het verlenen van goedkeuring aan, het schorsen of het vernietigen van, dan wel het onthouden van goedkeuring aan besluiten van een ander bestuursorgaan;

  • k.

    het definitief buiten invordering stellen dan wel kwijtschelden van vorderingen op derden vanaf door de Minister van Financiën vastgestelde grensbedragen;

  • l.

    een stuk dat bij de ontvanger de indruk kan wekken dat de ondertekenaar persoonlijk een beslissing neemt die door een bewindspersoon behoort te worden genomen;

  • m.

    werkzaamheden die niet tot het beleidsmatige en beleidsuitvoerende werkterrein van het Ministerie behoren, met inbegrip van alle personele aangelegenheden.

Artikel

2.2

Hoofdstuk

3

Secretaris-generaal

§

1

Mandaat secretaris-generaal

Artikel

3.2

Onverminderd het bepaalde in dit besluit, heeft het mandaat van de secretaris-generaal in ieder geval betrekking op:

  • a.

    het functioneel leiding geven aan de directeuren-generaal Volkshuisvesting en Bouwen, Ruimtelijke Ordening en Vastgoed en Bedrijfsvoering Rijk (voor zover het het Rijksvastgoedbedrijf betreft), de dienst Huurcommissie en de dienst Toelatingsorganisatie kwaliteitsborging bouw;

  • b.

    het nader vaststellen van de inrichting van het Ministerie;

  • c.

    aangelegenheden die op grond van bovendepartementale regelgeving of afspraken op centraal departementaal niveau dienen te worden afgehandeld;

  • d.

    het beslissen op bezwaarschriften;

  • e.

    het optreden als gemachtigd ambtenaar in de zin van departementale regelgeving met betrekking tot de uitvoering van de Wet open overheid voor zover dat niet aan een directeur-generaal of directeur is gemandateerd;

  • f.

    de verantwoordelijkheid voor het beheer van de archiefbescheiden bij het Ministerie op grond van de geldende wet- en regelgeving;

  • g.

    het vertegenwoordigen van een bewindspersoon (namens het bestuursorgaan of de Staat) in gerechtelijke procedures waarbij het Ministerie is betrokken;

  • h.

    het vaststellen van beleidsregels en circulaires met betrekking tot de aangelegenheden, bedoeld in dit artikel.

§

2

Beperkingen mandaat secretaris-generaal

Artikel

3.3

Het mandaat van de secretaris-generaal is niet van toepassing op:

  • a.

    de bevoegdheden die zijn toebedeeld aan het bestuur en de voorzitter van de Huurcommissie;

  • b.

    de bevoegdheden die zijn toebedeeld aan het bestuur en de voorzitter van de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw.

§

3

Ondermandaat en plaatsvervanging

Artikel

3.4

Artikel

3.5

De secretaris-generaal verleent ondermandaat bij schriftelijk besluit, met uitzondering van de in artikel 3.4, derde lid, beschreven situatie, na advies van de directeur FEZ, de directeur Constitutionele Zaken en Wetgeving van BZK en de directeur P&O van het Ministerie van BZK.

Artikel

3.6

Bij tijdelijke afwezigheid of verhindering van de secretaris-generaal worden diens taken uitgeoefend door de directeur-generaal Ruimtelijke Ordening van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Bij tijdelijke afwezigheid of verhindering van de directeur-generaal Ruimtelijke Ordening, worden de taken van de secretaris-generaal uitgeoefend door de directeur-generaal Vastgoed en Bedrijfsvoering Rijk van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Bij tijdelijke afwezigheid of verhindering van deze directeuren-generaal, wordt de secretaris-generaal vervangen door de directeur van de directie Woningbouwbeleid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Hoofdstuk

4

Plaatsvervangend secretaris-generaal BZK

§

1

Mandaat plaatsvervangend secretaris-generaal BZK

Artikel

4.1

Aan de plaatsvervangend secretaris-generaal van BZK wordt mandaat verleend ten aanzien van aangelegenheden die behoren tot het werkterrein van de plaatsvervangend secretaris-generaal en de onder de plaatsvervangend secretaris-generaal ressorterende functionarissen en dienstonderdelen, een en ander voor zover het de minister aangaat.

Artikel

4.2

Onverminderd het bepaalde in dit besluit, heeft het mandaat van de plaatsvervangend secretaris-generaal in ieder geval betrekking op:

  • a.

    het nemen van besluiten op aangelegenheden die de rol van continuïteitsverantwoordelijke betreffen zoals bedoeld in het Mandaatbesluit eigenaarsrol pSG BZK voor zover deze de minister aangaan;

  • b.

    het vertegenwoordigen van de bewindspersoon (namens het bestuursorgaan of de Staat) in gerechtelijke procedures waarbij het dienstonderdeel is betrokken;

  • c.

    het vaststellen van beleidsregels en circulaires met betrekking tot aangelegenheden op het werkterrein van de plaatsvervangend secretaris-generaal;

  • d.

    het beheer van de archiefbescheiden van de onder de plaatsvervangend secretaris-generaal ressorterende dienstonderdelen op grond van de desbetreffende departementale regelgeving;

  • e.

    het beslissen op bezwaarschriften gericht tegen besluiten inzake aangelegenheden die behoren tot zijn werkterrein met uitzondering van die besluiten die door een bewindspersoon, de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal of het diensthoofd zijn genomen, voor zover in wet- en regelgeving niet anders is bepaald;

  • f.

    het inschakelen van de Landsadvocaat voor ondersteuning en vertegenwoordiging van het Ministerie;

  • g.

    het optreden als gemachtigd ambtenaar in de zin van departementale regelgeving met betrekking tot uitvoering van de Wet open overheid voor zover het aangelegenheden op het werkterrein van de plaatsvervangend secretaris-generaal betreft.

§

2

Beperkingen mandaat plaatsvervangend secretaris-generaal

Artikel

4.3

§

2

Ondermandaat plaatsvervangend secretaris-generaal

Artikel

4.4

Artikel

4.5

Hoofdstuk

5

Directeuren-generaal ressorterend onder het Ministerie van BZK die werkzaamheden verrichten voor het Ministerie

§

1

Mandaat directeur-generaal

Artikel

5.1

Aan de directeuren-generaal Volkshuisvesting en Bouwen, Ruimtelijke Ordening, Vastgoed en Bedrijfsvoering Rijk (voor zover het het Rijkvastgoedbedrijf aangaat) en de onder de directeur-generaal ressorterende functionarissen en dienstonderdelen wordt mandaat verleend ten aanzien van beleidsmatige en beleidsuitvoerende aangelegenheden die behoren tot het werkterrein.

Artikel

5.2

Onverminderd het bepaalde in dit besluit, heeft het mandaat van de directeur-generaal in ieder geval betrekking op:

  • a.

    het vertegenwoordigen van een bewindspersoon namens de Staat of de minister in gerechtelijke procedures waarbij het dienstonderdeel is betrokken;

  • b.

    het vaststellen van beleidsregels en circulaires met betrekking tot aangelegenheden op het werkterrein van het directeur-generaal;

  • c.

    het beheer van de archiefbescheiden van de onder het directeur-generaal ressorterende dienstonderdelen op grond van de desbetreffende departementale regelgeving;

  • d.

    het beslissen op bezwaarschriften gericht tegen besluiten inzake aangelegenheden die behoren tot zijn werkterrein met uitzondering van die besluiten die door een bewindspersoon, de secretaris-generaal of het directeur-generaal zijn genomen, voor zover in wet- en regelgeving niet anders is bepaald;

  • e.

    het inschakelen van de Landsadvocaat voor ondersteuning of vertegenwoordiging van het Ministerie;

  • f.

    het optreden als gemachtigd ambtenaar in de zin van departementale regelgeving met betrekking tot uitvoering van de Wet open overheid voor zover het aangelegenheden op het werkterrein van de directeur-generaal betreft en voor zover deze niet zijn gemandateerd aan de directeur.

Artikel

5.3

§

2

Beperkingen mandaat directeur-generaal

Artikel

5.4

§

3

Ondermandaat directeur-generaal

Artikel

5.5

Artikel

5.6

Hoofdstuk

6

Directeuren

§

1

Mandaat directeur

Artikel

6.1

Aan de directeuren ressorterend onder de directoraten-generaal Volkshuisvesting en Bouwen, Ruimtelijke Ordening en Vastgoed en Bedrijfsvoering Rijk (voor zover het het Rijksvastgoedbedrijf aangaat), de directeur FEZ en de onder BZK ressorterende directeuren P&O, CIO&I, Communicatie, Bestuursadvisering, KIEM en CZW wordt mandaat verleend ten aanzien van aangelegenheden die behoren tot het werkterrein van de directeur en de onder de directeur ressorterende functionarissen en dienstonderdelen, uitsluitend voor zover het de taken betreft die tot het inhoudelijk werkterrein van het Ministerie behoren.

Artikel

6.2

Artikel

6.3

Het mandaat van de directeur FEZ omvat tevens:

  • a.

    de uitvoering van artikel 4.1 van de Comptabiliteitswet 2016;

  • b.

    het geven van instructies aan de onderdelen die verantwoordelijk zijn voor de financiële bedrijfsvoering en control;

  • c.

    het inhoudelijk aansturen van onderdelen die zijn betrokken bij het bewaken van en adviseren over de uitvoering van de bedrijfsvoering in brede zin.

§

2

Beperking mandaat directeur

Artikel

6.4

§

3

Ondermandaat directeur

Artikel

6.5

  • 1.

    De directeur is, voor zover niet anders is bepaald, bevoegd tot het verlenen van ondermandaat aan onder hem ressorterende functionarissen ten aanzien van aangelegenheden op het werkterrein van deze functionarissen, respectievelijk tot het beperken of het intrekken daarvan.

  • 2.

    De directeur die leiding geeft aan een agentschap is tevens bevoegd tot het verlenen van ondermandaat voor het uitoefenen van integraal management met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied.

  • 3.

    De directeur kan, voor zover niet anders is bepaald, bij het verlenen van ondermandaat tevens de bevoegdheid toekennen tot het verlenen van ondermandaat aan een rechtstreeks onder de gemandateerde ressorterende functionaris ten aanzien van aangelegenheden op het werkterrein van de functionaris.

  • 4.

    De directeur is bevoegd om in bijzondere gevallen, naast het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid, mondeling of schriftelijk ondermandaat te verlenen aan een onder hem ressorterende functionaris voor een bepaald geval.

  • 5.

    Het verlenen van ondermandaat door de directeur, niet zijnde een directeur die leiding geeft aan een agentschap, voor het aangaan van financiële verplichtingen en het doen van uitgaven is enkel mogelijk aan in bijlage 1 van dit besluit genoemde onder hem ressorterende functionarissen met inachtneming van het aldaar genoemde maximumgrensbedrag per (meerjarige) verplichting.

Artikel

6.6

Hoofdstuk

7

Algemene bepalingen inzake mandaat

Artikel

7.1

De uitoefening van een mandaat geschiedt met inachtneming van:

  • a.

    algemene en bijzondere aanwijzingen van de mandaatgever ten aanzien van de uitoefening van het mandaat;

  • b.

    departementale richtlijnen met betrekking tot paraaf en medeparaaf en het voorleggen en afdoen van stukken;

  • c.

    de van toepassing zijnde wet- en regelgeving en overige departementale richtlijnen, in het bijzonder de Comptabiliteitswet 2016, het Organisatiebesluit VRO 2025, het Organisatiebesluit BZK 2025, (de richtlijnen inzake) administratieve organisatiebeschrijvingen en de besturingsafspraken tussen de secretaris-generaal VRO en secretaris-generaal BZK.

Artikel

7.2

Artikel

7.3

In gevallen waarin dit besluit niet voorziet, beslist de bewindspersoon, de secretaris-generaal of de directeur-generaal over de doorverlening van zijn mandaat.

Hoofdstuk

8

Beheer

Artikel

8.1

Artikel

8.2

Wijziging van dit besluit geschiedt op initiatief van de directeur P&O van BZK na advies van de directeur FEZ en de directeur CZW van BZK.

Hoofdstuk

9

Slotbepalingen

Artikel

9.1

Artikel

9.3

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2025.

Artikel

9.4

Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit VRO 2025.

Slotformulier en ondertekening

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, M.C.G. Keijzer

Bijlage

1

Maximumbedragen voor het aangaan van financiële verplichtingen en het doen van uitgaven, als bedoeld in de artikelen 4.3, eerste lid, 5.4 eerste lid en 6.4, eerste lid van het Mandaatbesluit VRO 2025.

Bedragen zijn per (meerjarige) verplichting, in euro’s en inclusief BTW.

Deze bijlage is niet van toepassing op het Rijksvastgoedbedrijf; de directeur-generaal van het Rijksvastgoedbedrijf heeft ongelimiteerd mandaat.

Plaatsvervangend secretaris-generaal, directeur-generaal

tot € 10.000.000

Directeur

tot € 2.000.000

Middenmanager, programmamanager, afdelingshoofd en bureauhoofd

tot € 50.000

Managementondersteuner, (directie)secretaresse, directiesecretaris

tot € 2.000

Directeur

tot € 5.000.000

Plaatsvervangend directeur

tot € 500.000

Strategisch manager

tot € 150.000

Teammanager

tot € 5.000

Overige functionarissen

tot € 2.000