Regeling Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst 2026–2028

Het bestuur van Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie,
gelet op artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
gelet op artikel 4:23, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht;
met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 januari 2022; en voor de gewijzigde versie op 27 maart 2023;

besluit:

Hoofdstuk

1

Algemene bepalingen

Artikel

1.1

Gebruikte begrippen

In deze regeling worden onderstaande begrippen gebruikt.

  • a.

    Adviescommissie: een interne of externe adviescommissie zoals bedoeld in het Huishoudelijk Reglement van Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie.

  • b.

    Amateurkunst: het maken van kunst door individuele personen of groepen op een niet-professioneel niveau. Het betreft hier per definitie geen cultuureducatie of co-creatie.

  • c.

    Amateur: een niet-professional. Een amateur is een persoon die kunst maakt in de vrije tijd of zonder noemenswaardige directe inkomsten.

  • d.

    Amateurkunstgroepen: groepen amateurs in de vorm van formele verenigingen en stichtingen óf groepen en verbanden die zich op een informele manier, bijvoorbeeld op projectbasis, hebben verenigd.

  • e.

    Amateurkunstkoepel: in deze regeling, specifiek paragraaf 2.2, worden de volgende negen instellingen als amateurkunstkoepel aangemerkt: Circuspunt, Danslink, Federatie van Folkloristische Groepen in Nederland, Fotobond, Koninklijke Nederlandse Muziek Organisatie, Koornetwerk Nederland, Landelijke Organisatie Studenten Theaterverenigingen + Stichting Visie Amateurtheater, Nederlandse Organisatie van Audiovisuele Amateurs, Stichting Textiel Informatie en Documentatie Centrum.

  • f.

    Culturele Codes: Code Diversiteit & Inclusie, Fair Practice Code, Governance Code Cultuur.

  • g.

    Caribisch deel van het Koninkrijk: de landen Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de drie openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

  • h.

    Culturele instelling: een rechtspersoon die zich inzet binnen de cultuursector en ook zo staat ingeschreven bij de desbetreffende Kamer van Koophandel.

  • i.

    (Cultureel) professional: een natuurlijk persoon die zich inzet binnen de cultuursector en die (1) ten minste een parttime aanstelling bij een organisatie heeft, (2) vakbekwaam is door afgestudeerd te zijn aan een erkende opleiding, (3) als zelfstandige minimaal drie jaar als ondernemer ingeschreven staat bij de Belastingdienst en Kamer van Koophandel, of een vergelijkbare organisatie en/of (4) financiering ontvangt van op professionals gerichte instanties zoals rijkscultuurfondsen.

  • j.

    Cultuur: het dynamische geheel van onder andere normen, waarden, tradities, regels, kunst, erfgoed en identiteiten van een volk, gemeenschap of groep. Cultuur ontstaat door sociale processen.

  • k.

    Cultuurbeoefening: het actief beoefenen van of betrokken zijn bij het maken van cultuur in de vrije tijd, door cultuureducatie, co-creatie of amateurkunst.

  • l.

    Algemeen Subsidiereglement: Algemeen Subsidiereglement van het Fonds voor Cultuurparticipatie 2021.

  • m.

    Effect: Het (on)verwachte en (on)zichtbare resultaat van bepaalde activiteiten, processen of programma's. Bij voorkeur is het effect meetbaar om zo te kunnen nagaan of en hoe er wordt bijgedragen aan het behalen van bepaalde doelen van de aanvrager of van de regeling van het Fonds;

  • n.

    Europees deel van Nederland: Nederland, zonder het Caribisch deel van het Koninkrijk.

  • o.

    Fonds: Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie.

  • p.

    Koninkrijk der Nederlanden: Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

  • q.

    Kunst: menselijke uitingen in allerlei vormen en maten, wel of niet tastbaar, maar altijd passend binnen een kunstdiscipline. Elke discipline heeft zijn eigen technieken tradities, kenmerken en kwaliteitseisen. Voorbeelden van disciplines zijn: film, podiumkunsten, beeldende kunsten, letteren, vormgeving, architectuur en digitale cultuur.

  • r.

    LKCA: Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst.

  • s.

    Penvoerder: een culturele instelling die voor zichzelf, en in samenwerking met andere (culturele) partners, een subsidieaanvraag indient. Als penvoerder is deze culturele instelling de projectleider en intermediair van het project.

  • t.

    Provinciale steuninstellingen: organisaties die een provinciale opdracht hebben voor cultuureducatie en/of amateurkunsten.

  • u.

    Project: tijdelijke en doelgerichte activiteiten die de aanvrager onderneemt om een of meerdere specifieke effecten te bereiken. Projecten worden gekenmerkt door een begin- en einddatum, een duidelijk omschreven doel, en activiteiten, instrumenten en processen die moeten worden ingezet om het doel te behalen.

  • v.

    Website van het Fonds: www.cultuurparticipatie.nl.

Artikel

1.2

Doel van de regeling

Met deze regeling stimuleert het Fonds het ontwikkelen en uitvoeren van projecten die bijdragen aan inhoudelijke versterking van amateurkunstbeoefening, duurzame versterking van de ondersteuningsstructuur voor het amateurkunstenveld en/of de versterking van de landelijke disciplineondersteuning.

Artikel

1.3

Subsidieplafond en flexibiliteit

Artikel

1.4

Algemene weigeringsgronden

Artikel

1.5

Voorwaarden

Artikel

1.6

Verplichtingen

Artikel

1.7

Verplichtingen voor het indienen

Artikel

1.8

Beoordeling van aanvragen

Artikel

1.9

Voorschotten

Artikel

1.10

Verantwoording en vaststelling

Hoofdstuk

2

Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst

Op grond van dit hoofdstuk kan subsidie worden aangevraagd voor projecten die de (landelijke) infrastructuur van amateurkunsten inhoudelijk versterken. Dit hoofdstuk heeft vier paragrafen, waarin de artikelen verbijzonderde bepalingen zijn ten aanzien van de artikelen in hoofdstuk 1. Bij meerdere artikelen is in de toelichting een aanvullende uitleg gegeven.

Paragraaf 2.1 heeft artikelen die van toepassing zijn op alle subsidieaanvragen. In paragraaf 2.2 kan worden aangevraagd voor versterking van disciplinegerichte ondersteuning door landelijke amateurkunstkoepels, in paragraaf 2.3 voor versterking van de infrastructuur voor amateurkunst door provinciale steuninstellingen en in paragraaf 2.4 voor versterking van de infrastructuur voor amateurkunst door culturele instellingen.

Paragraaf

2.1

Algemeen

Artikel

2.1.1

Doel en effecten

Met de bepalingen in dit hoofdstuk stimuleert het Fonds projecten die gericht zijn op het bereiken van minimaal één van de volgende effecten:

  • a.

    Relevantie;

  • b.

    Nabijheid;

  • c.

    Toegankelijkheid.

Artikel

2.1.2

Indieningstermijnen

Artikel

2.1.3

Verplichtingen

Artikel

2.1.4

Beoordelingscriteria

Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van de volgende criteria, waarvan in de toelichting is beschreven hoe die toetsing plaatsvindt:

  • a.

    inhoudelijke kwaliteit;

  • b.

    organisatorische kwaliteit.

Paragraaf

2.2

Amateurkunstkoepels

Op grond van deze paragraaf wordt uitsluitend subsidie verstrekt aan amateurkunstkoepels.

Artikel

2.2.1

Wie kan aanvragen?

Artikel

2.2.2

Waarvoor kan worden aangevraagd?

Subsidie kan worden aangevraagd voor projecten met activiteiten die bijdragen aan de versterking en ontwikkeling van de landelijke infrastructuur van disciplinegerichte amateurkunstondersteuning.

Artikel

2.2.3

Hoogte van de subsidie

De subsidie:

  • a.

    is per aanvrager gemaximeerd volgens de in bijlage 1 opgenomen verdeling;

  • b.

    bedraagt maximaal 100% van de totale projectkosten.

Artikel

2.2.4

Subsidieplafond

Het subsidieplafond voor deze paragraaf bedraagt € 1.800.000.

Paragraaf

2.3

Provinciale steuninstellingen

Op grond van deze paragraaf wordt uitsluitend subsidie verstrekt aan organisaties die een provinciale opdracht hebben voor cultuureducatie en/of amateurkunsten.

Artikel

2.3.1

Wie kan aanvragen?

Artikel

2.3.2

Waarvoor kan worden aangevraagd?

Artikel

2.3.3

Hoogte van de subsidie

De subsidie van het Fonds:

  • a.

    is per aanvrager gemaximeerd volgens de in bijlage 2 opgenomen verdeling;

  • b.

    bedraagt maximaal 50% van de totale projectkosten.

Artikel

2.3.4

Subsidieplafond

Het subsidieplafond voor deze paragraaf bedraagt € 3.300.000.

Paragraaf

2.4

Culturele instellingen

Op grond van deze paragraaf wordt uitsluitend subsidie verstrekt aan culturele instellingen.

Artikel

2.4.1

Wie kan aanvragen?

Artikel

2.4.2

Waarvoor kan worden aangevraagd

Artikel

2.4.3

Hoogte van de subsidie

Artikel

2.4.4

Subsidieplafond

Het subsidieplafond voor deze paragraaf bedraagt in totaal € 2.216.720 waarvan € 1.200.000 voor de indieningstermijn van artikel 2.1.2, lid 2, sub a en € 1.016.720 voor de indieningstermijn van artikel 2.1.2, lid 2, sub b.

Artikel

2.4.5

Verplichting

Projectaanvragen dienen kenbaar te zijn bij minimaal één van de provinciale steuninstellingen van de provincie waar de projectactiviteiten plaatsvinden.

Artikel

2.4.6

Specifieke weigeringsgronden

Hoofdstuk

3

Slotbepalingen

Artikel

3.1

Hardheidsclausule

Het Fonds kan afwijken van de rechten en plichten in deze regeling. Dat gebeurt alleen in het voordeel van de aanvrager en in bijzondere gevallen waarop deze regeling een onredelijke uitwerking heeft waarmee geen rekening is gehouden bij het opstellen van de regeling.

Artikel

3.2

Inwerkingtreding en vervaldatum

Artikel

3.3

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als:

Regeling Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst 2026–2028.

Namens het bestuur van Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie, G. Mesters, directeur-bestuurder

Bijlage

1

Artikel 2.2.3 lid 1

Maximaal aan te vragen bedragen door de Amateurkunstenkoepels in Hoofdstuk 2, paragraaf 2: Amateurkunstkoepels

1

Koornetwerk

26,25

€ 472.500

2

KNMO

26,25

€ 472.500

3

STIDOC

7,5

€ 135.000

4

NOVA

7,5

€ 135.000

5

Fotobond

7,5

€ 135.000

6

Circuspunt

7,5

€ 135.000

7

Danslink

7,5

€ 135.000

8

LOST + VAT1

7,5

€ 135.000

9

FFGN

2,5

€ 45.000

100

€ 1.800.000

1 op voorwaarde dat LOST aanvraagt samen met VAT. Als LOST alleen aanvraagt dan is het maximum € 45.000 (2,5%)

Bijlage

2

Artikel 2.3.4 lid 1

Maximaal aan te vragen bedragen per provinciale steuninstelling in Hoofdstuk 2, paragraaf 3: Provinciale steuninstellingen. De verdeling is proportioneel over de provincies volgens een gemiddelde van het % aantal inwoners per 1 januari 2025 en het % aantal amateurkunst-verenigingen (bekend bij KvK) in Nederland per 1 januari 2024.

1

Vrijdag, Groningen

4,38

3,34

3,86

€ 127.500

2

Keunstwurk, Friesland

6,61

3,68

5,15

€ 170.000

3

Kunst & Cultuur, Drenthe

3,92

2,81

3,36

€ 111.000

4

Rijnbrink, Overijssel

8,99

6,63

7,81

€ 257.500

5

Kubus, Flevoland

1,47

2,53

2,00

€ 66.000

6

Cultuur Oost, Gelderland

14,34

11,98

13,16

€ 434.000

7

ZIMIHC, Utrecht

6,42

7,81

7,12

€ 235.000

8

Plein C, Noord-Holland

12,45

16,59

14,52

€ 479.000

9

Kunstgebouw, Zuid-Holland

12,77

21,41

17,09

€ 564.000

10

Kunstloc Brabant, Noord-Brabant

16,54

14,76

15,65

€ 516.500

11

Huis voor de Kunsten Limburg, Limburg

9,33

6,29

7,81

€ 258.000

12

Cultuurkwadraat, Zeeland

2,77

2,18

2,48

€ 81.500

€ 3.300.000

Percentages in de presentatietabel zijn afgerond op twee decimalen, bedragen zijn afgrond per € 500.