Artikel
1.1
begripsbepalingen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
-
–
aandeel: aandeel als bedoeld in:
-
a.
artikel 5:33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het financieel toezicht, in geval van een beursgenoteerde onderneming;
-
b.
artikel 82, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in geval van een naamloze vennootschap, niet zijnde een beursgenoteerde onderneming als bedoeld in onderdeel a;
-
c.
artikel 175 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in geval van een besloten vennootschap, niet zijnde een beursgenoteerde onderneming als bedoeld in onderdeel a;
-
a.
-
–
aangewezen warmtebedrijf: warmtebedrijf dat op grond van artikel 2.5, eerste lid, 2.7, eerste lid, 13.2, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid, of 13.3. eerste lid, is aangewezen door het college;
-
–
aansluitingsverantwoordelijke: degene op wie de verantwoordelijkheid, bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, rust;
-
–
aanwijzing: aanwijzing als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, 2.7, eerste lid, 13.2, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid, of 13.3. eerste lid;
-
–
aanwijzing van een warmtetransportbeheerder: aanwijzing als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid;
-
–
afleverset voor warmte: individuele of collectieve afleverset voor warmte met uitzondering van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen installatie;
-
–
Autoriteit Consument en Markt: Autoriteit Consument en Markt, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt;
-
–
betrouwbare levering van warmte: voorkomen van een onderbreking van de levering van warmte en zo snel mogelijk beëindigen van een onderbreking indien deze zich toch voordoet;
-
–
bindende gedragslijn: enkele last tot het verrichten van bepaalde handelingen als bedoeld in artikel 5:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht ter bevordering van de naleving van wettelijk voorschriften en die niet wegens een overtreding wordt opgelegd;
-
–
binneninstallatie: leidingen, installaties en hulpmiddelen die zijn gelegen in een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a en c tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken en zijn bestemd voor de toe- en afvoer van warmte ten behoeve van die onroerende zaak, met uitzondering van de afleverset voor warmte, apparatuur die gelet op de door het warmtebedrijf te specificeren kenmerken van de binneninstallatie daar geen deel van uitmaakt, de warmtemeter, of leidingen, installaties en hulpmiddelen die strekken tot levering van warmte naar een andere onroerende zaak. De binneninstallatie aan de zijde van het warmtenet of het inpandig leidingstelsel is begrensd door:
-
a.
de hoofdafsluiter waar de individuele afleverset voor warmte gekoppeld is aan het warmtenet of het inpandig leidingstelsel, of
-
b.
een in een overeenkomst over de levering van warmte overeengekomen fysiek aanwijsbaar punt indien er geen hoofdafsluiter aanwezig is;
-
a.
-
–
broeikasgas: broeikasgas als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer;
-
–
centrale leveringsaansluiting: één of meer leidingen bestemd voor het transport van warmte gelegen tussen het warmtenet en het inpandig leidingstelsel, waarbij de centrale leveringsaansluiting:
-
a.
aan de zijde van het inpandig leidingstelsel is begrensd door:
-
1°.
de hoofdafsluiters waaraan de collectieve afleverset voor warmte of het inpandig leidingstelsel gekoppeld is, of
-
2°.
indien er geen hoofdafsluiters aanwezig zijn, een in de overeenkomst over de levering van warmte overeen te komen fysiek aanwijsbaar punt, en
-
1°.
-
b.
aan de zijde van het warmtenet is begrensd door:
-
1°.
de aftakking van het warmtenet, waarna de leidingen en daaraan verbonden hulpmiddelen bestemd zijn voor het transport van warmte naar het inpandig leidingstelsel, of
-
2°.
indien er geen aftakking aanwezig is, een in de overeenkomst over de levering van warmte overeen te komen fysiek aanwijsbaar punt;
-
1°.
-
a.
-
–
collectieve afleverset voor warmte: afleverset voor warmte waarmee ten behoeve van de levering van warmte energieoverdracht plaatsvindt tussen een warmtenet en een inpandig leidingstelsel;
-
–
collectief warmtesysteem: systeem waarbij een of meer warmtebronnen door middel van een warmtenet ontsloten worden voor de levering van warmte;
-
–
collectieve warmtevoorziening: collectief warmtesysteem of geheel van collectieve warmtesystemen;
-
–
college: college van burgemeester en wethouders;
-
–
doorlevering van warmte: levering van warmte door:
-
a.
een verhuurder die een overeenkomst over de levering van warmte heeft gesloten met een warmtebedrijf waarbij de van het warmtebedrijf afgenomen warmte door de verhuurder wordt geleverd aan zijn huurder, of
-
b.
een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm die een overeenkomst over de levering van warmte heeft gesloten met een warmtebedrijf waarbij de van het warmtebedrijf afgenomen warmte door de vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm wordt geleverd aan haar leden;
-
a.
-
–
duurzaamheid: vermindering van de uitstoot van broeikasgassen overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 2.21, eerste lid;
-
–
duurzame warmtebron: hernieuwbare bron, warmtebron waar restwarmte vrijkomt of collectieve warmtepomp;
-
–
economische eigendom: samenstel van rechten en verplichtingen met betrekking tot een onroerende zaak dat een belang bij die zaak vertegenwoordigt, met uitzondering van het recht op levering. Het belang omvat ten minste enig risico van waardeverandering en komt toe aan een ander dan de juridische eigenaar;
-
–
ernstige storing:
-
a.
storing die langer duurt dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen duur;
-
b.
meerdere opeenvolgende storingen samengenomen die langer duren dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen duur en tijdsperiode;
-
a.
-
–
gebouw: gebouw als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1, onderdeel A, van de Omgevingswet;
-
–
gebouweigenaar:
-
a.
eigenaar van een gebouw;
-
b.
de eigenaren verenigd in een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm in het geval van gedeeld eigendom van een gebouw;
-
a.
-
–
grootverbruiker: natuurlijk persoon of rechtspersoon die warmte afneemt van een collectieve warmtevoorziening of een klein collectief warmtesysteem en een individuele leveringsaansluiting heeft van meer dan 100 kilowatt of een centrale leveringsaansluiting heeft met uitzondering van de levering van warmte voor industriële processen of productieprocessen of de levering van warmte die niet hoofdzakelijk geleverd wordt ten behoeve van ruimteverwarming en warm tapwater;
-
–
hernieuwbare bron: hernieuwbare niet-fossiele bron, niet zijnde houtige biomassa, met uitzondering van het gebruik van houtige biomassa als de primaire warmtebron wegvalt of als de warmtebron onvoldoende warmte levert om te voldoen aan de tijdelijke hoge vraag om warmte, waarmee hernieuwbare energie als bedoeld in artikel 2 van de richtlijn 2018/2001/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L 328) kan worden opgewekt;
-
–
individuele leveringsaansluiting: één of meer leidingen en daarmee verbonden hulpmiddelen bestemd voor het transport van warmte tussen een binneninstallatie en een warmtenet of een inpandig leidingstelsel, waarbij de individuele leveringsaansluiting:
-
a.
aan de zijde van de binneninstallatie is begrensd door:
-
1°.
de hoofdafsluiters waaraan de individuele afleverset voor warmte of de binneninstallatie gekoppeld is, of
-
2°.
indien er geen hoofdafsluiters aanwezig zijn, een in de overeenkomst over de levering van warmte overeen te komen fysiek aanwijsbaar punt, en
-
1°.
-
b.
aan de zijde van het warmtenet of het inpandig leidingstelsel is begrensd door:
-
1°.
de aftakking van het warmtenet of het inpandig leidingstelsel, waarna de leidingen en daaraan verbonden hulpmiddelen bestemd zijn voor de levering van warmte, of
-
2°.
indien er geen aftakking aanwezig is, een in de overeenkomst over de levering van warmte overeen te komen fysiek aanwijsbaar punt;
-
1°.
-
a.
-
–
individuele afleverset voor warmte: afleverset voor warmte waarmee ten behoeve van levering van warmte energieoverdracht plaatsvindt tussen een warmtenet of een inpandig leidingstelsel en een binneninstallatie;
-
–
inpandig leidingstelsel: één of meer van een gebouw deel uitmakende leidingen en daarmee verbonden hulpmiddelen ten behoeve van transport van warmte tussen een centrale leveringsaansluiting van een gebouw en de individuele leveringsaansluiting van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdeel c, van de Wet waardering onroerende zaken;
-
–
klein collectief warmtesysteem: collectief warmtesysteem waarmee warmte wordt geleverd aan maximaal 1500:
-
a.
verbruikers;
-
b.
huurders met elk een individuele leveringsaansluiting van maximaal 100 kilowatt die warmte geleverd krijgen van hun verhuurder waarbij sprake is van de doorlevering van warmte;
-
c.
leden van een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm met elk een individuele leveringsaansluiting van maximaal 100 kilowatt die warmte geleverd krijgen van hun vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm waarbij sprake is van doorlevering van warmte;
-
a.
-
–
kleinverbruiker: natuurlijk persoon of rechtspersoon die warmte afneemt van een collectieve warmtevoorziening of klein collectief warmtesysteem en een individuele leveringsaansluiting heeft van maximaal 100 kilowatt met uitzondering van een persoon die warmte afneemt van:
-
a.
zijn verhuurder;
-
b.
de vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm waarbij deze persoon is aangesloten;
-
a.
-
–
kooldioxide-equivalent: hoeveelheid kooldioxide of hoeveelheid van een ander broeikasgas met een gelijkwaardig aardopwarmingsvermogen als kooldioxide;
-
–
koude: thermische energie die ten behoeve van ruimtekoeling wordt geleverd door middel van het transport van water of een andere vloeistof;
-
–
leveringsaansluiting: individuele of centrale leveringsaansluiting;
-
–
leveringszekerheid: leveringszekerheid als bedoeld in artikel 2.18, tweede lid;
-
–
leveringsovereenkomst: overeenkomst als bedoeld in artikel 2.31, eerste lid;
-
–
omgevingsplan: omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet;
-
–
Onze Minister: Onze Minister van Klimaat en Groene Groei;
-
–
producent: natuurlijk persoon, rechtspersoon of personenvennootschap die zich bezighoudt met de productie van warmte, met uitzondering van een producent van restwarmte;
-
–
producent van restwarmte: onderneming die in zijn bedrijfsvoering restwarmte genereert;
-
–
representatieve organisatie: rechtspersoon die de belangen vertegenwoordigt van producenten, producenten van restwarmte, warmtebedrijven of verbruikers in de warmtesector;
-
–
restwarmte: thermische energie die als onvermijdelijk bijproduct in industriële of bedrijfsmatige processen overblijft en die zonder verbinding met een warmtenet ongebruikt terecht zou komen in lucht of water;
-
–
storing: onderbreking van de levering van warmte of levering van warmte onder de minimumtemperatuur van de te leveren warmte, bedoeld in artikel 2.25, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, met uitzondering van een onderbreking door werkzaamheden als bedoeld in artikel 2.19, tweede lid;
-
–
tariefvoorstel: onderbouwd voorstel van tarieven van goederen of diensten die worden aangeboden ten behoeve van het transport en de levering van warmte door een aangewezen warmtebedrijf;
-
–
transporttariefvoorstel: onderbouwd voorstel van tarieven en voorwaarden van de goederen of diensten die worden aangeboden ten behoeve van het transport van warmte door een warmtetransportbeheerder;
-
–
verbruiker: kleinverbruiker en grootverbruiker;
-
–
verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek: warmtekostenverdeelsystematiek ten behoeve van het vaststellen van het aandeel in de totaal gemeten warmte die niet is gebaseerd op het verbruik van de afzonderlijke verbruiker;
-
–
verhuurder: eigenaar van een voor verhuur bestemde verblijfsruimte in Nederland;
-
–
warmte: thermische energie die ten behoeve van ruimteverwarming of verwarming van tapwater wordt geleverd door middel van het transport van water of een andere vloeistof;
-
–
warmtebedrijf: onderneming of warmtegemeenschap die zich bezig houdt of voornemens is zich bezig te houden met het transport en de levering van warmte en de productie of inkoop van warmte ten behoeve daarvan, met uitzondering van:
-
a.
een verhuurder die warmte levert of doorlevert aan zijn huurders;
-
b.
een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm die warmte levert of doorlevert aan zijn leden;
-
a.
-
–
warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang: warmtebedrijf als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdelen a of b;
-
–
warmtebron: installatie waar thermische energie vrijkomt of thermische energie vrijgemaakt wordt;
-
–
warmtegemeenschap: rechtspersoon of personenvennootschap die:
-
a.
ten behoeve van haar leden, vennoten of aandeelhouders actief is als warmtebedrijf;
-
b.
als hoofddoel heeft het bieden van milieuvoordelen of economische of sociale voordelen aan haar leden, vennoten of aandeelhouders of aan de plaatselijke gebieden waar ze werkzaam is;
-
c.
niet is gericht op het maken van winst, en
-
d.
gebruik maakt van duurzame warmtebronnen als belangrijkste warmtebron;
-
a.
-
–
warmte joint-venture: rechtspersoon of personenvennootschap van twee of meer partijen die gezamenlijk deze rechtspersoon of personenvennootschap hebben opgericht om als warmtebedrijf actief te zijn;
-
–
warmtekavel: aaneengesloten gebied binnen een of meerdere gemeenten waarvoor op grond van artikel 2.5, eerste lid, of 2.7, eerste lid, een warmtebedrijf is of kan worden aangewezen;
-
–
warmtekostenverdeler: meetsysteem dat het warmteverbruik van elke radiator meet ten behoeve van het vaststellen van het aandeel in de totaal gemeten warmte;
-
–
warmteleveringsbedrijf: onderneming die zich bezig houdt of voornemens is zich bezig te houden met de levering van warmte en de productie of inkoop van warmte ten behoeve daarvan;
-
–
warmtemeter: warmtemeter als bedoeld in bijlage III van richtlijn 2014/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014, betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van meetinstrumenten (herschikking) (PbEU 2014, L 96) die het warmteverbruik weergeeft;
-
–
warmtenet: geheel van tot elkaar behorende met elkaar verbonden leidingen, bijbehorende installaties en overige hulpmiddelen ten behoeve van het transport van warmte of eventueel koude, indien de levering van koude noodzakelijk is voor een efficiënte werking van een collectief warmtesysteem, van en naar een verbruiker of het transport van warmte of eventueel koude, indien de levering van koude noodzakelijk is voor een efficiënte werking van een collectief warmtesysteem, van en naar een gebouw of werk van een producent of een producent van restwarmte, met uitzondering van:
-
a.
de leidingen, installaties en hulpmiddelen die zijn gelegen in een inpandig leidingstelsel;
-
b.
een binneninstallatie;
-
c.
de leidingen, installaties en hulpmiddelen die zijn gelegen in een gebouw of werk van een producent of een producent van restwarmte of op het perceel waarop de productie-installatie is gelegen, tenzij op het perceel, in het gebouw of werk tevens warmte wordt geleverd op een leveringsaansluiting;
-
d.
een warmtetransportnet;
-
a.
-
–
warmtenetbedrijf: onderneming die zich bezig houdt of voornemens is zich bezig te houden met het beheer, aanleg of onderhoud van een warmtenet en het transport van warmte over een warmtenet of een onderdeel daarvan;
-
–
warmtetransportaansluiting: deel van een warmtetransportnet dat bestaat uit één of meer leidingen en daarmee verbonden hulpmiddelen, tussen een warmtetransportnet en een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken;
-
–
warmtetransportnet: geheel van tot elkaar behorende en met elkaar verbonden leidingen, bijbehorende installaties en overige hulpmiddelen ten behoeve van het voor de regionale warmtevoorziening van belang zijnde transport van warmte van de warmtetransportaansluitingen van warmtebronnen naar:
-
a.
de warmtetransportaansluitingen van afnemers van warmte van een warmtetransportnet;
-
b.
de warmtetransportaansluitingen van collectieve warmtevoorzieningen;
-
a.
-
–
warmtetransportbeheerder: warmtetransportonderneming die op grond van artikel 5.1, eerste lid, of artikel 13.14, eerste lid, is aangewezen;
-
–
warmtetransportonderneming: onderneming die zich bezig houdt of voornemens is zich bezig te houden met het beheer, aanleg of onderhoud van een warmtetransportnet en het transport van warmte over een warmtetransportnet;
-
–
zeggenschap: zeggenschap als bedoeld in artikel 26 van de Mededingingswet;
-
–
zelfstandige last: last tot het verrichten van bepaalde handelingen als bedoeld in artikel 5:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.