|
1. Onafhankelijke oordeelsvorming. De inspecteur vormt een objectief en feitelijk oordeel, bewaakt professionele distantie en voorkomt (de schijn van) belangenverstrengeling. De inspecteur laat zijn oordeelsvorming niet beïnvloeden door tijdsdruk of weerstand van derden.
2. Analytisch en onderzoekend vermogen. De inspecteur verzamelt, analyseert en beoordeelt administratieve gegevens op systematische en zorgvuldige wijze. Daarbij scheidt de inspecteur hoofd- van bijzaken, legt de nodige verbanden, toetst aannames en benoemt mogelijke oorzaken voor onregelmatigheden.
3. Communiceren en rapporteren. De inspecteur communiceert helder, begrijpelijk en professioneel. Inspectierapporten zijn volledig, logisch gestructureerd en feitelijk onderbouwd.
4. Plannen en organiseren. De inspecteur werkt gestructureerd, bewaakt voortgang en werkt binnen vastgestelde termijnen, conform het inspectieschema.
|