Besluit van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 7 mei 2026, BZ2627337, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Fair Focus on Trade)
Subsidieprogramma Fair Focus on Trade
De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
Voor subsidieverlening op grond van artikel 4.2, eerste lid, sub c, en artikel 4.3, eerste lid, sub c, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 voor activiteiten ten behoeve van capaciteitsversterking van, dienstverlening door en het voeren van dialoog door maatschappelijke organisaties in of voor lage- en middeninkomenslanden, op het thema bevorderen van schone en eerlijke handel, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2030 de als bijlage (inclusief de annexen) bij dit besluit gevoegde beleidsregels.
Artikel
2
1
Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Fair Focus on Trade worden ingediend vanaf 30 juni 2026 12:00 CET tot en met 11 augustus 2026 12:00 CET.
2
Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Fair Focus on Trade worden ingediend aan de hand van een door de minister vastgesteld en beschikbaar gesteld formulier1https://english.rvo.nl/subsidies-financing/fair-focus-on-trade en de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.
Artikel
3
1
Voor het in artikel 1 genoemde tijdvak geldt een subsidieplafond van € 83 miljoen.
2
Meerjarige subsidies kunnen worden verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat daarvoor in de daarop betrekking hebbende begrotingen voldoende middelen ter beschikking worden gesteld.
Artikel
4
1
De verdeling van het subsidieplafond, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die daaraan het beste voldoen het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komen, binnen het raam van een evenwichtige spreiding van de beschikbare middelen, als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.
2
Uit oogpunt van doelmatigheid en evenwichtige spreiding van de beschikbare middelen zal er voor elk doelland, genoemd in annex 1 bij de bijlage bij dit besluit, per primaire waardeketen niet meer dan één subsidieaanvraag in aanmerking kunnen komen voor subsidieverlening.
Artikel
5
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat het besluit van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Artikel
6
Dit besluit wordt aangehaald als: Subsidieprogramma Fair Focus on Trade.
Dit besluit zal met de bijlage, inclusief de annexen, in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
namens deze,
de Directeur-Generaal Internationale Samenwerking,P.M.M.Grotenhuis
Bijlage
1
Achtergrond
Het kabinet wil met Focus, het beleidskader voor samenwerking met maatschappelijke organisaties in ontwikkelingshulp 2026–20302Kamerbrief van 27 juni 2025, Kamerstukken II, 2024–2025, 36 180, nr. 168, Doen waar Nederland goed in is – Strategie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking., technische en financiële ondersteuning bieden aan, met name lokale, maatschappelijke organisaties, zodat zij diensten kunnen verlenen en dialoog kunnen voeren die relevant zijn voor het bereiken van acht thematische beleidsdoelen.
Het kabinet verwacht dat de implementatie van Focus met name lokale maatschappelijke organisaties op gerichtere en efficiëntere manier verder in staat stelt om ontwikkelingssamenwerking te laten aansluiten op de eigen behoeften, toekomstvisie en bestaanszekerheid van lokale gemeenschappen.
Het Subsidieprogramma Fair Focus on Trade (hierna: subsidieprogramma) is de uitwerking van één van de acht instrumenten onder Focus. Het doel van dit subsidieprogramma is het bevorderen van schone en eerlijke handel door versterking van (lokale) maatschappelijke organisaties. Maatschappelijke organisaties spelen een belangrijke rol in sociaal-economische ontwikkeling. Zij zorgen ervoor dat ontwikkelingssamenwerking een verschil maakt in de doellanden van dit subsidieprogramma Dit subsidieprogramma richt zich daarbij op waardeketens die belangrijk zijn voor zowel de doellanden als Nederland of Europa. Door ook het Nederlandse deel van de waardeketen mee te nemen zal de lokale impact, en daarmee de doeltreffendheid, en duurzaamheid van het subsidieprogramma worden vergroot3Voor grondstoffen geldt dat waardeketens erg lang en complex kunnen zijn, en lastig traceerbaar voor Nederlandse ondernemingen aan het eind van de waardeketen, waardoor dit verband veel indirecter is. Toch zal bijvoorbeeld via het delen van lessen in het convenant hernieuwbare energie ook kunnen worden bijgedragen aan IMVO-implementatie van ondernemingen in Nederland.. Door in Nederland te werken aan gepaste zorgvuldigheid, verantwoorde inkooppraktijken wordt voorkomen dat kosten voor verduurzaming worden doorgeschoven in de waardeketen. Het lokale verdien- en investeringsvermogen wordt hiermee bevorderd, maar ook de weerbaarheid van de waardeketen en de leveringszekerheid van producten naar Nederland die met inachtneming van internationale IMVO-standaarden zijn geproduceerd.4In het bijzonder internationale raamwerken zoals de OESO-richtlijnen en de United Nations Guiding Principles on Business & Human Rights en Europese IMVO- en gerelateerde wet- en regelgeving zoals CSDDD, ontbossingsverordening, dwangarbeidverordening, conflictmineralenverordening, enzovoorts.
Het subsidieprogramma is onderdeel van het flankerend beleid van het kabinet bij Europese IMVO5Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen.-gerelateerde wet- en regelgeving. De verschuiving van vrijwillige IMVO-standaarden naar IMVO-gerelateerde wet- en regelgeving zal een belangrijke impact hebben op wereldwijde waardeketens. Om de wetgeving effectief te kunnen implementeren is ondersteuning van het bedrijfsleven van essentieel belang. Dit subsidieprogramma draagt daar in belangrijke mate aan bij via de onmisbare rol van het maatschappelijk middenveld. Het versterken van het maatschappelijk middenveld is tevens één van de doelstellingen binnen het Nationaal Actieplan Bedrijfsleven en Mensenrechten, de nationale doorvertaling van de United Nations Guiding Principles on Business & Human Rights. Ook de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen benadrukken het belang van een goed functionerend maatschappelijk middenveld voor het effectief uitvoeren van gepaste zorgvuldigheid (due diligence).
Met dit subsidieprogramma wordt ingezet op het versterken van lokale maatschappelijke organisaties, waarbij Nederlandse kennis en kunde wordt aangewend om de verbinding met Nederlandse ondernemingen aan het einde van de waardeketen te maken (zie hierboven). Denk aan de bekende Nederlandse Diamantbenadering6Deze aanpak verwijst naar samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties om gezamenlijke economische en ontwikkelingsdoelen te bereiken., zoals toegepast bij de verduurzaming van de cacaoketen via het Dutch Initiative on Sustainable Cocoa (DISCO), of aan Nederlandse maatschappelijke organisaties die goed de verbinding kunnen leggen tussen lokale maatschappelijke organisaties en Nederlandse ondernemingen voor het stimuleren van schone en eerlijke handel.
Het subsidieprogramma volgt de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, de United Nations Guiding Principles on Business & Human Rights, en de thema’s die hierin naar voren komen. In het subsidieprogramma worden economische, sociale en vergroeningsaspecten integraal benaderd conform het People, Planet, Profit principe (zie annex 2 bij deze beleidsregels). Maatschappelijke organisaties kunnen met behulp van dit subsidieprogramma en met hun goede kennis van de Nederlandse en Europese markt lokale maatschappelijke organisaties verbinden met Nederlandse ondernemingen en hun toeleveranciers om zo bij te dragen aan schone en eerlijke handel.
De minister heeft de uitvoering van het subsidieprogramma opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), agentschap van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. RVO zal het subsidieprogramma uitvoeren namens de minister op grond van een aan RVO verleend mandaat.
3
Begrippen
In het subsidieprogramma wordt verstaan onder:
–
Aanvrager: een maatschappelijke organisatie die zelfstandig een subsidieaanvraag indient en verantwoordelijk is voor de volledige uitvoering van het in de subsidieaanvraag voorgestelde project binnen de kaders van het subsidieprogramma en de naleving van de aan de subsidie te verbinden verplichtingen.
–
Capaciteitsversterking: activiteiten gericht op het versterken van de vaardigheden en kennis van lokale maatschappelijke organisaties (in dit subsidieprogramma aangeduid als in-country partners) met het oog op hun rol als dienstverlener en bij het voeren van een (kritische) dialoog.
–
Dialoog: activiteiten die bestaan uit het voeren van doelgerichte gesprekken en interactie tussen relevante partijen zoals de Europese Unie, overheden, multilaterale instellingen, maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven, met als doel bewustwording te vergroten en beleidsverandering te stimuleren en (uitvoering van) wet- en regelgeving te verbeteren, om zo bij te dragen aan schone en eerlijke handel in door de aanvrager geselecteerde waardeketen(s).
–
Dienstverlening: activiteiten die direct gericht zijn op het verbeteren van het welzijn of de levensomstandigheden van individuen of gemeenschappen in de doellanden. Voorbeelden zijn het aanbieden van educatie, training of voorlichting in de doellanden, bijvoorbeeld lokale leveranciers, boerencoöperaties of vakbonden, ter verbetering van arbeidsrechten en -omstandigheden of het tegengaan van ontbossing en vervuiling.
–
Doelland: één van de 21 productielanden waarvoor het subsidieprogramma openstaat zoals opgenomen in annex 1 bij deze beleidsregels.
–
Financieringsactiviteiten: het op eigen titel beschikbaar stellen van financiële middelen door de subsidieontvangers aan partner(s), zodat zij activiteiten kunnen uitvoeren die bijdragen aan de doelstellingen van het subsidieprogramma. Bij deze financieel te ondersteunen activiteiten kan het gaan om zowel dienstverlening als dialoog.
–
Gendergelijkheid: het gelijk stellen en gelijk behandelen van mensen ongeacht geslacht, genderidentiteit of seksuele geaardheid in het maatschappelijk verkeer en voor de wet.
–
In-country partner: een lokale maatschappelijke organisatie die met steun van een subsidieontvanger activiteiten uitvoert die relevant zijn voor het doel van het subsidieprogramma, dan wel wiens capaciteiten door de subsidieontvanger worden versterkt.
–
Lokaal geleide ontwikkeling: een ontwikkeling waarbij maatschappelijke organisaties en gemeenschappen in de doellanden zelf de regie voeren over prioriteiten, oplossingen en uitvoering van activiteiten.
–
Lokale maatschappelijke organisatie: een maatschappelijke organisatie die statutair gevestigd is in een doelland en daarmee valt onder betreffende toepasselijke (sub-) nationale wet- en regelgeving, die opereert op (sub-)nationaal of regionaal niveau en wiens acties/activiteiten gericht zijn op (sub-)nationale kwesties.
–
Maatschappelijke organisatie: een niet op winst gerichte, niet aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie met een maatschappelijk oogmerk, beschikkend over rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht, die niet door een overheidsinstantie is opgericht, dan wel die na oprichting door een overheidsinstantie geheel verzelfstandigd is.
–
Minister: de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
–
OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen: algemene beginselen voor internationaal ondernemen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling die een belangrijk uitgangspunt zijn voor het IMVO-beleid van de Nederlandse regering (hierna: OESO-richtlijnen)11www.oesorichtlijnen.nl.
–
Partners: in-country partners of maatschappelijke organisaties die statutair gevestigd zijn in Nederland, die met steun van een subsidieontvanger activiteiten uitvoeren die relevant zijn voor het bereiken van het doel van het subsidieprogramma.
–
Primaire waardeketen: de belangrijkste waardeketen binnen een project waarop de meeste activiteiten gericht zijn.
–
Productielanden: de landen waarin de productie van goederen en de winning van grondstoffen plaatsvindt; voor dit subsidieprogramma betreft het de productie van textiel, het delven van grondstoffen en het produceren van gewassen en producten binnen de agrarische sector.
–
Subsidieontvanger: aanvrager wiens subsidieaanvraag in het kader van dit subsidieprogramma is gehonoreerd.
–
Waardeketen: alle activiteiten die door ondernemingen worden uitgevoerd om een product of dienst van conceptie tot eindproduct te brengen. Een waardeketen begint dus vaak bij het delven of verbouwen van (ruwe) grondstoffen, mondt dan uit in de productie van halffabricaat of eindproduct waarna het eindgebruik door de consument volgt. In een waardeketen zijn meestal meerdere ondernemingen betrokken, schakels genoemd.
4
Subsidieprogramma Fair Focus on Trade
4.1
Beleidsuitgangspunten, doel, sectoren en doellanden en thema’s
4.1.1
Beleidsuitgangspunten
Voor alle instrumenten van Focus gelden dezelfde beleidsuitgangspunten. Deze beleidsuitgangspunten zijn het referentiekader voor de vereisten en criteria voor de beoordeling en selectie van aanvragen onder het subsidieprogramma, evenals voor de vormgeving van de door de aanvragers te ontwikkelen en uit te voeren activiteiten. Het gaat daarbij om:
–
Capaciteitsversterking: Het versterken van de vaardigheden, kennis en het netwerk van in-country partners draagt bij aan zowel de effectiviteit als de efficiëntie van ontwikkelingsinitiatieven en vormt daarom een belangrijk element binnen het subsidieprogramma. Capaciteitsversterking kan betrekking hebben op uiteenlopende terreinen, zoals projectmanagement, financieel beheer of inhoudelijke activiteiten op het gebied van dialoog of dienstverlening, bijvoorbeeld de bescherming van kwetsbare groepen. Dit kan worden vormgegeven via bijvoorbeeld training, coaching of kennisuitwisseling. Hierbij wordt aangesloten bij reeds aanwezige lokale capaciteit. Deze benadering is essentieel voor het bevorderen van lokaal eigenaarschap.
–
Lokaal geleide ontwikkeling: Leidend voor Focus is de wens om lokaal eigenaarschap binnen ontwikkelingssamenwerking te stimuleren en te vergroten. Volgens de OESO-DAC betekent dit dat lokale actoren zelf beslissen over de vormgeving en implementatie van ontwikkelingsinitiatieven, waarbij internationale donoren en externe partners, waaronder ook Nederlandse maatschappelijke organisaties, een ondersteunende rol spelen bij het oplossen van de maatschappelijke vraagstukken waar lokale gemeenschappen voor staan. Deze ondersteuning kan onder meer bestaan uit financiële ondersteuning in een door een subsidieontvanger te bepalen vorm of capaciteitsversterking gerelateerd aan de activiteiten van de in-country partners, het faciliteren van kennisuitwisseling tussen in-country partners, of het beschikbaar stellen van technologische innovaties en wetenschappelijke inzichten.
–
Gendergelijkheid: Met de acht instrumenten onder Focus beoogt de minister bij te dragen aan gendergelijkheid. Dit verhoogt de sociale en economische weerbaarheid van gemeenschappen en versterkt de effectiviteit en relevantie van ontwikkelingssamenwerking. Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie binnen het subsidieprogramma is het dan ook een vereiste dat de aanvragen een score van 1 van de OESO-DAC gendermarker halen (gendergelijkheid moet een belangrijk doel van de activiteiten zijn waarvoor subsidie wordt aangevraagd).
–
Klimaat is integraal onderdeel van de doelstellingen van het subsidieprogramma, zie de uitwerking van dit begrip in annex 2 over people, planet, profit.
–
Conflictsensitiviteit: Te allen tijde geldt dat de minister wil voorkomen dat gesubsidieerde activiteiten bijdragen aan het verergeren van conflicten. Bij alle activiteiten die worden gesubsidieerd, moet daarom rekening worden gehouden met de context waarin deze worden uitgevoerd. Dit houdt in dat activiteiten dusdanig moeten worden ontwikkeld dat bewust negatieve effecten en onbedoelde bijdragen aan conflicten worden vermeden of geminimaliseerd, en dat bewust positieve effecten op de conflictdynamiek worden gecreëerd en kansen voor vrede en inclusie worden versterkt. Risico’s met betrekking tot het verergeren van conflicten moeten in kaart worden gebracht in de contextanalyses. Dit vereist het vermogen om (i) de operationele context waarin activiteiten plaatsvinden te analyseren en te begrijpen; (ii) dat begrip te vertalen naar de gevolgen voor activiteiten en interacties met die context; en (iii) conflictsensitiviteit in de hele activiteitscyclus te integreren en te actualiseren. De minister hecht veel belang aan het onderwerp geestelijke gezondheid en psychosociale ondersteuning als onderdeel van inzet in fragiele staten en conflictgebieden. Daarom is het van belang om als onderdeel van conflictsensitiviteit ook mentale gezondheid en psychosociale dimensies en dynamiek mee te nemen in het analyseren en begrijpen van de context waarin activiteiten plaatsvinden.
–
Do no harm: In aansluiting op het beleidsuitgangspunt van conflictsensitiviteit geldt het do no harm principe: gesubsidieerde activiteiten mogen geen negatieve gevolgen hebben voor de lokale bevolking, bestaande verhoudingen of bredere ontwikkelingsdoelen. Subsidieontvangers zijn daarom verplicht mogelijke risico’s tijdig te identificeren en maatregelen te treffen om schadelijke effecten te voorkomen of te beperken.
4.1.2
Doel
Het doel van het subsidieprogramma is het bevorderen van schone en eerlijke handel door versterking van lokale maatschappelijke organisaties zodat zij diensten kunnen verlenen en dialoog kunnen voeren die daarvoor relevant zijn. Het is belangrijk om dit te doen in verbinding met voor Nederland en Europa belangrijke waardeketens omdat daarmee de lokale impact kan worden vergroot (zie paragraaf 1) en er tegelijk ook een positief effect mogelijk is voor de implementatie van IMVO-wet- en regelgeving. Uiteindelijk wordt het lokale verdien- en investeringsvermogen hiermee bevorderd, maar ook de weerbaarheid van waardeketens en leveringszekerheid van producten naar Nederland die met inachtneming van internationale IMVO-standaarden zijn geproduceerd.
Maatschappelijke organisaties kunnen een belangrijke rol spelen in een multistakeholderaanpak, zoals de Nederlandse Diamantbenadering waarin economisch succesvolle bedrijfsmodellen worden ontwikkeld die misstanden in waardeketens verminderen en uitbannen. Of ze kunnen een rol spelen bij de opschaling van best practices binnen een sector. Maatschappelijke organisaties kunnen ook de stem helpen versterken van lokale producenten en werknemers, bijvoorbeeld door sociale dialoog ter verbetering van arbeidsrechten. Andere stakeholders die een belangrijke rol spelen in ketenverduurzaming zijn brancheorganisaties, sociale partners, de overheden in productielanden, de Nederlandse overheid en de Europese Commissie.
4.1.3
Focus sectoren, waardeketens en beleidsprioriteiten per doelland
De focus van dit subsidieprogramma ligt op de sectoren landbouw/agrofood, mijnbouw/grondstoffen en kleding/textiel, en daarbinnen op waardeketens die voor zowel de doellanden als Nederland of Europa belangrijk zijn en waar risico’s op misstanden groot zijn. Daarnaast moeten de door aanvragers geselecteerde primaire sectoren en waardeketens aansluiten op Nederlandse beleidsprioriteiten per doelland zoals geformuleerd in annex 1 bij deze beleidsregels. De geografische focus is gericht op 21 doellanden in Afrika en Azië.
4.1.4
Thema’s
Het subsidieprogramma volgt de OESO-richtlijnen en de United Nations Guiding Principles on Business & Human Rights, en de thema’s die hierin naar voren komen, waarbij economische, sociale en vergroeningsaspecten integraal worden benaderd conform het People, Planet, Profit principe (zie annex 2 bij deze beleidsregels).
4.2
Wie kunnen in aanmerking komen voor een subsidie
Subsidies in het kader van het subsidieprogramma zijn bedoeld voor maatschappelijke organisaties die:
a.
statutair gevestigd zijn in Nederland of in het doelland waar de activiteiten zullen worden uitgevoerd;
b.
aantoonbare expertise hebben op het gebied van het soort activiteiten als die waarop de uit te voeren activiteiten betrekking hebben: minimaal vijf jaar ervaring met het uitvoeren van activiteiten gericht op de primaire waardeketen in alle doellanden waarop de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd zich richten, en deze ervaring is opgedaan in de afgelopen zes jaar (peildatum 1 januari 2026);
c.
aantoonbaar structureel gewaarborgde en voldoende capaciteit hebben voor de uitvoering van de uit te voeren activiteiten gelet op eerdere uitvoering van activiteiten van gelijke omvang;
d.
beschikken over een systeem voor selectie, monitoring en risicobeheersing van partners: de aanvrager beschikt over een actueel beleid en systeem (toegepast in de afgelopen vijf jaar, peildatum 1 januari 2026) voor de selectie en monitoring van door hem te ondersteunen partners en dit systeem ziet toe op de beheersing van risico’s op het gebied van financiën, governance en integriteit bij deze partners, in relatie tot de uitvoering van activiteiten en de besteding van middelen die zij met (financiële) ondersteuning van de aanvrager uitvoeren, en waarborgt tevens de voortgang en kwaliteit van hun activiteiten;
e.
gedurende de periode 2022–2024 per jaar gemiddeld ten minste 25% van de totale jaarlijkse inkomsten hadden afkomstig uit bronnen anders dan inkomsten van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken. Voor specialistische organisaties en kleine zuidelijke organisaties wordt een uitzondering gemaakt. Zie annex 4 bij deze beleidsregels voor verdere toelichting op wat valt onder inkomsten (niet) afkomstig van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, evenals op wat onder specialistische en kleine zuidelijke organisaties wordt verstaan en welke eisen gelden om als zodanig te kwalificeren.
Daarnaast gelden de volgende vereisten:
1. Maximale bezoldiging
De bezoldiging van de individuele leden van management en bestuur van de aanvrager bedraagt, uiterlijk met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd, per kalenderjaar niet meer dan de hieronder vermelde maxima:
a.
voor aanvragers statutair gevestigd in Nederland: maximaal € 241.000 (bruto);
b.
voor aanvragers statutair gevestigd in de doellanden: maximaal het brutobedrag dat is vastgesteld voor het betreffende doelland van statutaire vestiging, zoals opgenomen in annex 5 bij deze beleidsregels.
2. Leefbaar loon
De aanvrager neemt in de aanvraag, conform motie 36 180-15912Gewijzigde motie van het lid De Korte over het recht op leefbaar loon als ambitie opnemen in de nieuwe subsidiekaders voor ontwikkelingshulp (t.v.v. 36 180-159), expliciet en integraal als ambitie op dat er wordt toegewerkt naar een leefbaar loon13Definitie leefbaar loon (ILO): A living wage is the wage level that is necessary to afford a decent standard of living for workers and their families, taking into account the country circumstances and calculated for the work performed during the normal hours of work (link: Report of the Meeting of Experts on wage policies, including living wages (Geneva, 19–23 February 2024)) voor mensen die op lokaal niveau werkzaam zijn (artikel 23 van het Internationaal Verdrag van de Rechten van de Mens). In de verplichtingen die in de subsidieverleningsbeschikkingen zullen worden opgenomen over jaarlijkse rapportages zal de voortgang op het behalen van de ambitie om een leefbaar loon te betalen aan lokale medewerkers worden opgenomen. Om een leefbaar loon niveau te bepalen, kan gebruik worden gemaakt van verschillende leefbaar-loonbenchmarks die worden aanbevolen via de IDH Living Wage Roadmap14https://www.idhsustainabletrade.com/living-wage-platform/.
3. Organisatiecapaciteit en integriteitsbeleid
a.
De aanvrager is in staat een adequaat financieel beheer te voeren en kan door ervaringsdeskundigheid met betrekking tot de activiteiten als die waarvoor subsidie wordt gevraagd een doelgerichte en doelmatige uitvoering van de activiteiten waarborgen;
b.
Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie moet de aanvrager een integriteitsbeleid hebben en procedures hebben ingevoerd om aan dat beleid invulling te kunnen geven binnen de eigen organisatie. Dit integriteitsbeleid en deze procedures zijn er om ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag, daaronder onder andere begrepen seksuele misdragingen, jegens medewerkers en derden bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft, en de door hen ingeschakelde partijen, zo veel mogelijk te voorkomen, in voorkomend geval te onderzoeken, met passende maatregelen zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en de gevolgen daarvan te mitigeren. De procedures zijn zodanig ingericht dat een tijdige melding van incidenten aan RVO is gewaarborgd15https://www.rvo.nl/onderwerpen/mvo/seksueel-grensoverschrijdend-gedrag#seah-incidenten-melden-.
Voor het aantonen van de organisatiecapaciteit en het integriteitsbeleid, maakt dit subsidieprogramma gebruik van de Organisational Risk and Integrity Assessment (ORIA). Specificatie over welke documentatie de aanvrager hiervoor moet overleggen, is te vinden in de ORIA assessment handleiding op de RVO website.16https://english.rvo.nl/subsidies-financing/fair-focus-on-trade
Organisaties die in ieder geval niet in aanmerking komen voor subsidie zijn:
–
organisaties met een winstoogmerk;
–
overheidsorganisaties en organisaties waarbij de overheid de enige of meerderheidsaandeelhouder is;
–
intergouvernementele organisaties;
–
organisaties die een aanvraag indienen als, of namens een samenwerkingsverband (alliantie, consortium).
Een aanvrager kan ten hoogste voor twee subsidies in aanmerking komen. In geval meer dan twee aanvragen worden ingediend, wordt de aanvraag die als derde (en eventuele volgende) is ontvangen afgewezen en niet beoordeeld.
4.3
Subsidiabele activiteiten
4.3.1
Rolverdeling
De aanvrager wendt de gevraagde subsidie aan voor elk van de onderstaande activiteiten17Elke aanvraag moet dus ook betrekking hebben op elk van deze activiteitensoorten.:
•
het op eigen titel en via een door hem te kiezen vorm verstrekken van financiële ondersteuning aan partners ten behoeve van dienstverlening en dialoog (paragraaf 4.4.1), en
•
het zelf uitvoeren van dienstverlening en dialoog (zie paragraaf 4.4.2 en paragraaf 4.4.3), en
•
het verstrekken van capaciteitsversterking aan in-country partners (paragraaf 4.4.4).
Het met de gevraagde subsidie verstrekken van financiële steun is alleen subsidiabel als de betreffende subsidiemiddelen worden aangewend voor financiële ondersteuning van door partners uit te voeren dienstverlening en dialoog, niet voor (verdere door-)financiering naar andere maatschappelijke organisaties.
De aanvrager ontwikkelt en hanteert zelf eigen en transparante selectiemechanismen voor beoordeling en selectie van financieel of met capaciteitsversterking te steunen (in-country) partners die passen binnen dit subsidieprogramma. De aanvrager geeft hierin duidelijke randvoorwaarden en richting. Tegelijk laat de aanvrager partners zoveel mogelijk ruimte om eigen keuzes te maken die aansluiten op de lokale context.
4.3.2
Inhoudelijke vereisten
Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van dit subsidieprogramma moet de aanvraag betrekking hebben op een planmatige integrale aanpak van activiteiten (ook wel te noemen: project). Deze activiteiten dienen bij te dragen aan het bevorderen van schone en eerlijke handel in door de aanvrager geselecteerde waardeketen(s), door versterking van lokale maatschappelijke organisaties. Daarbij is het noodzakelijk om activiteiten te richten op voor doellanden en Nederland belangrijke waardeketens, ten behoeve van het behalen van de doelen van dit subsidieprogramma (zie paragraaf 4.1). Aanvragers en (in-country) partners hebben elk hun rol in de waardeketen om zo gezamenlijk bij te dragen aan de verduurzaming van de gehele waardeketen.
Om subsidiabel te kunnen zijn geldt verder dat er minimaal sprake moet zijn van:
–
een project dat bestaat uit financieringsactiviteiten (paragraaf 4.4.1), dienstverlening (paragraaf 4.4.2), dialoog (4.4.3) en capaciteitsversterkende activiteiten (4.4.4). Het project moet een geïntegreerd geheel van alle vier voornoemde typen activiteiten zijn;
–
een inzet gericht op een of twee van de focussectoren genoemd in paragraaf 4.1.3, waarbij geldt dat activiteiten in twee verschillende sectoren subsidiabel kunnen zijn mits overtuigend wordt onderbouwd dat beide sectoren met hetzelfde type activiteiten kunnen worden bediend (bijvoorbeeld omdat het hetzelfde geografische regio en (deels) dezelfde stakeholders betreft);
–
activiteiten die worden uitgevoerd in minimaal één van de doellanden tot maximaal drie doellanden, waarbij geldt dat in geval van twee of drie doellanden, die alle moeten vallen binnen één geografische regio18Binnen een geografische regio wil zeggen: doellanden die aan elkaar grenzen of binnen dezelfde regio liggen op basis van de United Nations Geoscheme. Bijv. landen in Oost-Afrika zoals Oeganda, Kenia en Ethiopië.; dit betekent dat het project zich richt op één tot maximaal drie productielanden (zijnde de doellanden), waarbij (elk) doelland relevant is voor de geselecteerde primaire waardeketen, en de primaire markt voor de producten in deze waardeketen Nederland of Europa is;
–
per doelland: een inzet gericht op de focus sector(en) en waardeketen(s) op de lijst met Nederlandse focus sectoren per doelland neergelegd in annex 1 bij deze beleidsregels;
–
de inzet binnen een sector is gericht op een waardeketen, waarbij geldt dat activiteiten gericht op meer dan één waardeketen ook subsidiabel kunnen zijn, mits overtuigend wordt onderbouwd dat er een duidelijke samenhang bestaat tussen die waardeketens (bijvoorbeeld omdat voor verschillende grondstoffen dezelfde wet- en regelgeving en stakeholders van belang zijn, of omdat het ene product een bijproduct is van het ander); ook moet de aanvrager in dat geval aangeven wat de primaire waardeketen is binnen het project (de waardeketen waarop de meeste activiteiten gericht zijn) en wat de secundaire/overige waardeketens zijn. Wanneer een aanvraag zich richt op één waardeketen, dan is dat tegelijk de primaire waardeketen;
–
een logische uitwerking van de voorgestelde activiteiten gebaseerd op een analyse van de lokale context en reeds eerder uitgevoerde activiteiten in betreffende sector(en) en daarbinnen betreffende waardeketen(s).
4.3.3
Niet-subsidiabele activiteiten
Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende activiteiten:
•
initiatieven die proselitisme (mede) beogen;
•
activiteiten waarbij sprake is van racisme, stigmatiserende uitingen, antisemitisme of andere vormen van geloofsvervolging of discriminatie die naar maatstaven van Nederlands en/of Europees recht strafbaar en/of verboden zijn;
•
commerciële activiteiten;
•
activiteiten waarvoor reeds rechtstreeks een subsidie of bijdrage ten laste van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt ontvangen;
•
activiteiten van een lokale maatschappelijke organisatie waarvoor reeds middellijk ten laste van het Ministerie van Buitenlandse Zaken een bijdrage wordt ontvangen;
•
activiteiten van organisaties die reeds ten laste van het Ministerie van Buitenlandse Zaken een instellingssubsidie ontvangen waarvan de werkingsduur zich uitstrekt tot in het subsidietijdvak waarvoor subsidie in het kader van dit subsidieprogramma wordt aangevraagd;
•
activiteiten die een of meer van hiervoor genoemde activiteiten ondersteunen.
4.4
Subsidiabele activiteiten – per activiteitensoort
4.4.1
Financieringsactiviteiten
De aanvrager verstrekt financiële ondersteuning aan partners voor door hen uit te voeren dienstverlening en dialoog die relevant zijn voor de doelstellingen en thematische prioriteiten van dit subsidieprogramma. In de inceptiefase van het project worden de partners geselecteerd (zie hierna, paragraaf 4.5). Het is aan de aanvrager om met inachtneming van de beleidsregels van dit subsidieprogramma, criteria op te stellen en te hanteren voor de selectie, en een passende vorm te vinden voor de relaties die hij aangaat met de door hem geselecteerde partners. In de subsidieverleningsbeschikking zullen verplichtingen worden opgenomen die waarborgen dat de subsidieontvanger de besteding van de subsidiemiddelen naar behoren zal verantwoorden jegens de minister.
4.4.2
Dienstverlening
Onder dienstverlening vallen activiteiten die direct gericht zijn op het verbeteren van het welzijn of de levensomstandigheden van individuen of gemeenschappen in de doellanden. Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie moet het gaan om levensomstandigheden die een directe relatie hebben met voor Nederland relevante waardeketens. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het verbeteren van arbeidsrechten en -omstandigheden voor mannen en vrouwen werkzaam in waardeketens in verbinding met Nederlandse ondernemingen. Een ander voorbeeld is het tegengaan van ontbossing en vervuiling in productielanden gelinkt aan waardeketens in verbinding met Nederland. Dit kan door het aanbieden van educatie, training of voorlichting voor individuen, gemeenschappen of lokale organisaties (anders dan maatschappelijke organisaties) in de doellanden, bijvoorbeeld lokale leveranciers, boerencoöperaties of vakbonden. Bijvoorbeeld op het gebied van arbeidsgezondheid- en veiligheid, kinderarbeid of regeneratieve landbouw. Dit versterkt het lokale verdienvermogen én de leveringszekerheid van producten naar Nederland die zijn geproduceerd met inachtneming van internationale en Europese IMVO-standaarden.
4.4.3
Dialoog
Onder dialoog vallen activiteiten die gericht zijn op het voeren van doelgerichte gesprekken en interactie tussen relevante partijen zoals de Europese Unie, overheden, multilaterale instellingen, maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven. Met als doel bewustwording te vergroten, beleidsverandering te stimuleren en (uitvoering van) wet- en regelgeving te verbeteren, om zo bij te dragen aan schone en eerlijke handel in door de aanvrager geselecteerde waardeketen(s). Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het financieren van een lokale maatschappelijke organisatie om deel te kunnen nemen aan een rondetafelgesprek over knelpunten en oplossingen in lokale markten in de koffie- of palmolieketen of door terugkoppeling te geven over ontwikkelingen in productielanden bij de implementatie van IMVO wet- en regelgeving.
4.4.4
Capaciteitsversterkende activiteiten
De aanvrager biedt, afgestemd op hun behoeften, ondersteuning aan in-country partners bij de versterking van hun capaciteit met het oog op hun rol als dienstverlener en bij het voeren van dialoog. Capaciteitsversterking kan onder meer bestaan uit training, coaching, technische assistentie, mentoring, kennisdeling of het beschikbaar stellen van middelen voor de versterking van interne systemen en processen. Maatschappelijke organisaties met goede kennis van de Europese markt kunnen bovendien in-country partners verbinden met Nederlandse ondernemingen en hun toeleveranciers. Dergelijke activiteiten zijn gericht op zowel de effectievere werking en grotere autonomie als de programmatische inzet van in-country partners.
Capaciteitsversterking kan plaatsvinden op drie terreinen:
•
Algemeen management: zoals op het gebied van HRM, financieel en operationeel management.
•
Inhoudelijke/technische capaciteit: expertise en vaardigheden die direct verband houden met het verlenen van dienstverlening op het bevorderen van schone en eerlijke handel, bijvoorbeeld voorlichting over (en naleving van) internationale standaarden en richtlijnen over verantwoord ondernemen.
•
Capaciteit voor dialoog: het vermogen van organisaties om effectief deel te nemen aan of aanjager te zijn van beleidsdialogen op (sub-)nationaal, regionaal en internationaal niveau, zoals gedefinieerd in paragraaf 4.4.3). Dit kan ook gaan om het opbouwen van een netwerk met bijvoorbeeld Nederlandse ondernemingen.
Deze ondersteuning kan:
•
Direct worden geboden door de aanvrager;
•
Indirect worden uitgevoerd via door de aanvrager in te schakelen derden;
•
Door in-country partners zelf worden ingericht, met financiële ondersteuning vanuit de aanvrager.
Capaciteitsversterking kan plaatsvinden op:
•
Individueel niveau: kennis en vaardigheden van medewerkers.
•
Teamniveau: samenwerking en onderlinge processen binnen de organisatie.
•
Organisatieniveau: strategie, structuur, leiderschap en systemen van de organisatie.
4.5
Looptijd van de activiteiten
De activiteiten hebben een totale looptijd van 60 maanden. De activiteiten moeten starten binnen twee maanden na subsidieverlening. De eerste uitvoeringsfase, onderdeel van deze 60 maanden, bestaat uit een zogenoemde inceptiefase van zes maanden.
Inceptiefase
Na subsidieverlening doorlopen alle subsidieontvangers een inceptiefase van zes maanden, die ingaat op de dag van de startdatum van het project zoals opgenomen in de subsidieverleningsbeschikking.
Tijdens de inceptiefase moet de subsidieontvanger de gewenste partners voor de resterende projectduur selecteren. Afspraken met partners worden vastgelegd, bijvoorbeeld in een samenwerkingsovereenkomst waarin rollen, verantwoordelijkheden en risicodeling worden beschreven. Met de partners die in de inceptiefase zijn geselecteerd worden de jaarplannen ontwikkeld, op basis van de lokale kennis en ervaring van de in-country partners, inclusief de activiteiten per jaar. In deze fase wordt ook met de ambassades afgestemd om waar mogelijk de uitvoering van het project te kunnen laten aansluiten bij de ambassadeprogrammering.
Een belangrijk onderdeel van de inceptiefase is het in kaart brengen van de capaciteitsversterkingsbehoeften van de partners die geselecteerd zijn. Op basis hiervan wordt gezamenlijk bepaald hoe de versterking het beste kan worden vormgegeven: via directe ondersteuning door de subsidieontvanger, inzet van externe partijen, of financiële ondersteuning waarmee de partner zelf ondersteuning kan organiseren.
Tevens wordt in deze fase de MEL-systematiek (Monitoring, Evaluatie en Leren) en de risicoanalyse verder uitgewerkt. Waar relevant faciliteert RVO afstemming tussen subsidieontvangers met het oog op het creëren van synergie en het harmoniseren van indicatoren.
Wanneer meerdere subsidieontvangers actief zijn in hetzelfde land vindt tijdens de inceptiefase onderlinge afstemming plaats over de inzet. Dit voorkomt dubbele financiering, overlappende capaciteitsversterking en inhoudelijke overlap.
Als er voor de uitvoering van het project kwetsbare groepen worden betrokken, dan zal tijdens de inceptiefase ook het integriteitsbeleid verder worden uitgediept. Over deze fase wordt een inceptierapport opgesteld (RVO stelt hiervoor een model beschikbaar), dat als bijlage bij het eerste jaarplan moet worden ingediend.
RVO beoordeelt het inceptiefase-rapport en het eerste jaarplan. De kosten voor de implementatiefase zijn pas subsidiabel nadat het inceptiefase-rapport en het eerste jaarplan zijn goedgekeurd.
4.6
Omvang van de subsidie
De omvang van de aangevraagde subsidie is niet lager dan € 10 miljoen en niet meer dan € 22 miljoen. De subsidie kan per aanvraag maximaal € 22 miljoen bedragen.
Daarnaast gelden er vereisten voor de omvang van de subsidie die maximaal kan worden verkregen in verband met de eigen inkomsten van de aanvrager. Deze vereisten zijn uitgewerkt in annex 4 bij deze beleidsregels. Een aanvrager moet dus bij het berekenen van het aan te vragen subsidiebedrag ook zorgen dat hij voldoet aan deze vereisten.
5
Subsidiabele kosten
5.1
Uitgangspunten
Voor het bepalen van (de omvang van) de kosten die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de te verlenen subsidie gelden de volgende uitgangspunten:
–
kosten moeten aantoonbaar redelijk, logisch en noodzakelijk zijn19Zie ook artikel 14 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.;
–
kosten moeten naar hun aard passend zijn;
–
kosten moeten worden gemaakt na de indiening van de aanvraag;
–
interne kosten worden zonder winstopslag in aanmerking genomen;
–
kosten worden aan lokale maatstaven en op redelijkheid getoetst20Hierbij geldt dat de begrote kosten voor inzet van commercieel werkende experts in lijn dienen te zijn met de motie de Pater-Van der Meer die stelt dat voor in Nederland extern ingehuurde expertise een maximaal uurtarief van € 250,– exclusief btw en een maximaal dagtarief van € 1.800,– exclusief btw geldt. Voor de toetsing van de redelijkheid van in de doellanden in te kopen expertise wordt een beroep gedaan op de Nederlandse ambassades in de doellanden.;
–
het zwaartepunt van de subsidiabele uren/personele inzet (gemaakte kosten in uren) moet in het doelland worden besteed;
5.2
(Niet-)subsidiabele kosten
De subsidiabele kosten worden genoemd en toegelicht in de handleiding voor het budgetmodel dat verplicht moet worden gehanteerd voor de bij de aanvraag in te dienen begroting, en is opgenomen op de RVO website.21https://english.rvo.nl/subsidies-financing/fair-focus-on-trade
Verder geldt om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie een aantal concrete eisen ten aanzien van de verdeling van de subsidiabele kosten:
–
kosten voor projectmanagement (bestaande uit coördinatie van de uitvoering van de activiteiten en het financieel beheer van de verstrekte ondersteuning aan partners) mogen maximaal 20% bedragen; de 20% wordt berekend over het totaal van de directe en indirecte kosten die partners maken (zie de ‘handleiding budgetmodel’ op de RVO website22https://english.rvo.nl/subsidies-financing/fair-focus-on-trade);
–
voor kosten van financieringsactiviteiten van dienstverlening en dialoog moet minimaal 30% ten bate van dienstverlening komen. Kosten gemaakt na de einddatum van het project zijn niet subsidiabel, met uitzondering van kosten voor de verplichte externe audit bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie.
In het budgetmodel op de RVO website wordt (nader) toegelicht welke kosten niet subsidiabel zijn. Het betreft onder meer kosten voor het ontwikkelen van de aanvraag en het aanvragen van subsidie, andere kosten die voor indiening van de aanvraag zijn gemaakt en de btw voor zover dit geen kostenpost is.
6
Aanvraag
Aanvragen kunnen worden ingediend gedurende de openstellingsperiode: 30 juni 2026 – 11 augustus 2026, sluiting om 12:00 CET. Besluitvorming over al dan niet toekenning van subsidie volgt uiterlijk op 1 december 2026.
6.1
Aanvraagvereisten
De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door RVO beschikbaar gesteld middel en voorzien van de daarin genoemde bijlagen waarvoor modellen beschikbaar worden gesteld door RVO. De documenten moeten in het Engels worden aangeleverd23De volgende al gereed liggende documenten mogen ook in het Nederlands worden aangeleverd: statuten, integriteitsbeleid en de door externe, onafhankelijke accountant gecontroleerde jaarrekeningen..
De aanvraag bevat in ieder geval:
–
Projectplan, dat tenminste bevat:
○
uitgewerkte beschrijving van de activiteiten, waarbij per doelland ook is aangegeven op welke primaire waardeketen de meeste activiteiten zijn gericht en wat het daarvoor benodigde subsidiebedrag is op het geheel van de totale subsidieaanvraag;
○
beschreven uitgangssituatie voor aanvang activiteiten;
○
beoogde resultaten waaronder de bijdrage aan het doel in paragraaf 4.1;
○
de afbakening van het project;
○
onderbouwing van waardeketen(s)-keuze en samenhang tussen ketens, sectorvisie, bijdrage aan systeemverandering;
○
MEL-systematiek die interventielogica bevat, resultatenkader, aannames en risico’s (zie annex 3 bij deze beleidsregels);
○
omschrijving van de samenwerking met en tussen de belangrijkste stakeholders;
○
risicoanalyse met een overzicht van de belangrijkste aan het project gerelateerde risico’s en bijbehorende mitigerende maatregelen, waarbij gedacht kan worden aan de volgende risico’s:
•
financiële uitvoeringsrisico’s;
•
risico’s omtrent veilig ondernemen;
•
overige risico’s die van toepassing kunnen zijn op het project.
○
een overzicht van aantoonbare expertise op het gebied van het soort activiteiten als die waarop de uit te voeren activiteiten betrekking hebben, in de door de aanvrager gekozen doellanden en de primaire waardeketen. Dit moet worden aangetoond door drie vergelijkbare referentieprojecten op te geven.
○
Beschrijving van het selectie- en beoordelingsproces van (in-country) partners ten behoeve van de financiële ondersteuning voor door hen uit te voeren dienstverlening en dialoog;
○
Beschrijving van het selectie- en beoordelingsproces van in-country partners ten behoeve van capaciteitsversterking van dergelijke partners, dat blijk geeft van een vraag-gestuurde werkwijze, met aandacht voor de lokale context en de (nader te bepalen) capaciteitsbehoeften van in-country partners;
Het volledig ingevulde model voor financiële onafhankelijkheid. Zie voor nadere toelichting annex 4 bij deze beleidsregels (en bijlage 5 bij het aanvraagformulier). Nadere informatie over de financiële onafhankelijkheid van specialistische en kleine, zuidelijke organisaties s eveneens te vinden in annex 4 bij deze beleidsregels;
–
Begroting opgesteld in het verplichte format;
○
een gedetailleerde begroting voor de eerste twaalf maanden, aangevuld met een meerjarenraming voor de resterende projectperiode. Dit alles in Excel volgens bijlage 2 bij het aanvraagformulier;
○
narratieve uitleg hoe tot de bedragen in het budget is gekomen (geen vast format) en alle onderliggende PxQ berekeningen (geen vast format).
–
De meest recente door een externe, onafhankelijke accountant gecontroleerde jaarrekeningen van de aanvrager over 2022 tot en met 2024. Als er over één of meer jaren geen gecontroleerde jaarrekeningen beschikbaar zijn, dan volstaat voor deze jaren een niet-gecontroleerde jaarrekening met een onderbouwing waarom deze niet door een accountant is gecontroleerd.
Aanvragers verklaren dat ze op de hoogte zijn van, en zullen handelen in overeenstemming met, de OESO-richtlijnen25https://www.oesorichtlijnen.nl/, alsook dat ze geen activiteiten ontplooien die op de FMO-uitsluitingenlijst26https://www.fmo.nl/policies-and-position-statements staan. Wanneer de subsidie wordt gebruikt voor het tegengaan van activiteiten die op de FMO-uitsluitingslijst staan, geldt een uitzondering. Denk hierbij aan het tegengaan van kinderarbeid en dwangarbeid.
6.2
Herstelperiode
In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de Minister (met gebruikmaking van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht) vragen om een aanvulling. Als datum en tijd van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum en tijd waarop de aanvulling is ontvangen; na de deadline voor het indienen van aanvragen is een aanvulling niet meer mogelijk. Daarnaast geldt in het algemeen dat het niet volledig indienen van aanvragen of onvoldoende onderbouwen van (onderdelen van) de aanvraag mogelijk leidt tot afwijzing van een subsidieaanvraag op basis van het niet of niet in voldoende mate voldoen aan de aan aanvragen gestelde vereisten en criteria.
Kortheidshalve verwijzen naar andere onderdelen van de aanvraag, websites of bijlagen is niet voldoende. Als onderdelen van de aanvraagdocumenten niet worden ingevuld loopt de aanvrager het risico op afwijzing van de aanvraag.
Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen moet de aanvraag voldoen aan de in paragraaf 4 tot en met 6 opgenomen vereisten. Slechts de aanvragen die daaraan voldoen worden inhoudelijk beoordeeld op kwaliteit aan de hand van de criteria in paragraaf 7.2, waaraan in voldoende mate (ten minste 70 punten van de maximaal 100 te behalen punten) moet worden voldaan om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie.
Trackrecord
50
35
Interventiestrategie inclusief begroting
40
28
Focus beleidsprincipes
10
7
Totaal
100
70
De verdeling van middelen vindt plaats via een subsidietender, oftewel op basis van kwaliteit. De kwaliteit wordt beoordeeld door beoordeling van aanvragen op grond van de kwalitatieve criteria neergelegd in paragraaf 7.2. De uitkomsten van deze beoordeling leiden tot een rangorde van de aanvragen op basis van kwaliteit. Aanvragen die niet van ten minste voldoende kwaliteit zijn worden niet meegenomen in deze rangschikking.
Uit oogpunt van doelmatigheid en evenwichtige spreiding zal er voor elk doelland per primaire waardeketen, niet meer dan één subsidieaanvraag in aanmerking kunnen komen voor subsidieverlening. Als er meerdere aanvragen gericht op dezelfde primaire waardeketen in hetzelfde doelland zijn, komt alleen de hoogst gerangschikte aanvraag in aanmerking voor subsidie. Hierbij wordt gekeken naar de primaire waardeketen waarop de aanvraag zich richt, zoals aangegeven in het aanvraagformulier. Als er twee of meer aanvragen gericht op dezelfde primaire waardeketen in hetzelfde doelland met een even hoge score op de hoogste plaats in de rangschikking staan, wordt door middel van loting de definitieve plaats in de rangschikking bepaald.
In geval het honoreren van twee of meer aanvragen met een even hoge score zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond, wordt door middel van loting bepaald welke aanvraag/aanvragen wordt/worden gehonoreerd tot het subsidieplafond is uitgeput.
7.2
Criteria
De hierna volgende criteria zijn van toepassing bij de kwalitatieve beoordeling van de aanvragen voor subsidie, waarbij de puntentoekenning afhankelijk is van de mate waarin er aan de (sub)criteria wordt voldaan.
7.2.1
Track record (minimaal 35, maximaal 50 punten)
a.
Ervaring met programmering op het gebied van schone en eerlijke handel: de mate waarin de aanvrager aantoonbaar succesvolle ervaring heeft met het opzetten en uitvoeren van projecten van gelijke omvang, die gericht zijn op het bevorderen van schone en eerlijke handel in de door hem gekozen doellanden en primaire waardeketen, waarbij het people, planet, profit – principe is gehanteerd;
b.
Ervaring met samenwerking met Nederlandse ondernemingen in de geselecteerde primaire waardeketen: de mate waarin de aanvrager aantoonbaar ervaring heeft met samenwerking met de relevante Nederlandse stakeholders in de betreffende primaire waardeketen, bijvoorbeeld in multistakeholderinitiatieven;
c.
Beschikken over relevant netwerk in en kennis van de geselecteerde primaire waardeketen: de mate waarin de aanvrager beschikt over een relevant en divers netwerk in de geselecteerde primaire waardeketen met een sterke verankering in zowel de lokale context als in de Nederlandse context;
d.
Ervaring met financiële ondersteuning: De mate waarin de aanvrager aantoonbare ervaring heeft met het opzetten en beheren van systemen voor het beschikbaar stellen en verantwoorden van financiering van partners, op een wijze die ruimte laat voor transparantie, wederzijds vertrouwen en een passende mate van verantwoordelijkheid bij deze partners;
e.
Ervaring met capaciteitsversterking: de mate waarin de aanvrager aantoonbare ervaring heeft met capaciteitsversterking van in-country partners, afgestemd op hun behoeften en uitgevoerd met inzet van eigen of externe expertise, met positieve verandering als resultaat.
De aanvraag vloeit logisch voort uit gedegen analyses en houdt voldoende rekening met lokale context en stakeholders: de mate waarin:
○
aan het project een gedegen en relevante context-, stakeholder, en probleemanalyse ten grondslag ligt, met aandacht voor ongelijke machtsverdelingen in de waardeketen(s),
○
de keuze voor (een combinatie van) specifieke doellanden en waardeketen(s) logisch voortvloeit uit de context-, stakeholder- en probleemanalyse en goed is onderbouwd, en
○
het project complementair is aan andere initiatieven en een multistakeholderaanpak bevordert,
○
de aanvrager rekening houdt met de belangrijkste risico’s en uitdagingen in de geselecteerde primaire waardeketen als ook mitigerende maatregelen en best practices om deze aan te pakken,
○
de aanvrager borgt dat de resultaten na het project behouden blijven door verantwoordelijkheid over te dragen aan lokale actoren en hun capaciteit duurzaam te versterken om de veranderingen zelfstandig voort te zetten, waarbij in ieder geval sprake is van een exit-strategie die rekening houdt met de afnemende financiële steun na afloop van het project.
○
het project inzet op versterking van gendergelijkheid op basis van een gedegen genderanalyse,
○
het project inzet op lokaal geleide ontwikkeling op basis van context- en stakeholderanalyse, en
○
indien relevant, het project inzicht toont in de conflictdynamiek in de context van de doellanden waarop de aanvraag zich richt en deze inzichten heeft vertaald naar conflictsensitief ontwerp en uitvoering van activiteiten;
b.
Bijdrage aan het beleidsdoel en de Nederlandse beleidsprioriteiten: de mate waarin de voorgestelde activiteiten:
○
bijdragen aan het doel van het subsidieprogramma zoals opgenomen in paragraaf 4.1,
○
in lijn zijn met de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de United Nations Guiding Principles on Business & Human Rights, en de thema’s die hierin naar voren komen,
○
integraal worden vormgegeven conform het People, Planet, Profit principe (zie annex 2 bij deze beleidsregels) en
○
aansluiten bij de beleidsprioriteiten van Nederlandse ambassades (zie annex 1 bij deze beleidsregels), of, indien zij daarbij niet aansluiten, een overtuigende onderbouwing is gegeven voor de gemaakte keuze;.
c.
Interventielogica en MEL-systematiek (zie annex 3 bij deze beleidsregels): de mate waarin de interventielogica en MEL-systematiek van de aanvrager:
○
in samenwerking met de in-country partners worden ontwikkeld, en
○
zodanig zijn ingericht dat deze de voortgang van het programma bewaken, hierover op transparante wijze verantwoording mogelijk maken, een lerende en adaptieve aanpak stimuleren en als basis dienen voor tijdige aanpassing van activiteiten binnen de vereisten van dit subsidieprogramma.
d.
Begroting: de mate waarin de begrote kosten aansluiten op de beschreven interventie en het behalen van de beschreven resultaten.
Visie op lokalisering: de mate waarin de aanvrager een heldere visie en aanpak presenteert voor het stimuleren van lokaal eigenaarschap, met inzicht in de rolverdeling tussen de aanvrager en in-country partners bij het maken van programmatische keuzes en waarbij de samenwerking is gebaseerd op gedeelde verantwoordelijkheid, gedeelde risico’s en gelijkwaardigheid in besluitvorming.
b.
Selectie en beoordelingsproces van (in-country) partners ten behoeve van financiële ondersteuning van door partners uit te voeren dienstverlening en dialoog en ten behoeve van capaciteitsversterking van in-country partners: de mate waarin het selectieproces van (in-country) partners zorgvuldig, objectief en inclusief is ingericht, waarbij sprake is van duidelijke procedures voor het selecteren van nieuwe partners en voor het herbeoordelen van bestaande partners, waarvan de organisatiecapaciteit als voldoende is beoordeeld om voor ondersteuning in aanmerking te komen.
c.
Capaciteitsversterking van in-country partners: de mate waarin de voorgestelde aanpak voor capaciteitsversterking blijk geeft van een vraaggestuurde werkwijze, met aandacht voor de lokale context en de (nader te bepalen) capaciteitsbehoeften van in-country partners, en de mate waarin de voorgestelde aanpak is gebaseerd op een duidelijke visie op capaciteitsversterking.
Ter ondersteuning van de beoordeling kan RVO verificatieactiviteiten uitvoeren ter controle van de in de aanvraag gemaakte aannames en stellingnames. Hiervoor kan RVO contact zoeken met relevante stakeholders.
RVO kan tijdens de inhoudelijke beoordeling ook advies inwinnen bij externe referenten.
De Nederlandse ambassades in de doellanden worden gevraagd om input tijdens de beoordeling van de aanvragen, in ieder geval op de (sub-)criteria over de interventiestrategie (paragraaf 7.2.2), in het bijzonder de factoren betreffende de aansluiting van de aanvragen op hun beleid en de inbedding in de lokale context.
8
Afwijzingsgronden
Naast het bepaalde in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag voor subsidie afgewezen als er niet voldaan wordt aan het bepaalde in dit subsidieprogramma of als het beschikbare subsidieplafond ontoereikend is.
9
Toezicht
RVO zal een steekproefsgewijze controle uitvoeren op het correcte gebruik van de subsidie waarbij op grond van de afgegeven beschikkingen wordt gecontroleerd op rechtmatigheid en doelmatigheid.
10
Verplichtingen
In de subsidieverleningsbeschikking worden onder andere de volgende verplichtingen voor de subsidieontvanger opgenomen:
–
Een meldingsplicht ten aanzien van feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de subsidie, zoals het niet (geheel of tijdig) kunnen uitvoeren van de gesubsidieerde activiteiten en het naleven van OESO-richtlijnen.
–
Het geen gebruik mogen maken van kinderarbeid en/of dwangarbeid.27Elke vorm van arbeid die de Internationale Arbeidsorganisatie beoogt te verhinderen met het Verdrag betreffende den gedwongen of verplichten arbeid, 1930 (C29), het Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid, 1957 (C 105), het Verdrag betreffende de minimumleeftijd, 1973. De subsidieontvanger moet eventuele feiten of omstandigheden die wijzen op kinder- of dwangarbeid bij henzelf of partners eveneens onverwijld te melden bij RVO.
–
Het meewerken aan de monitoring-, leer- en evaluatieactiviteiten van het subsidieprogramma (onder andere de centraal uit te laten voeren baseline studie en Mid-Term Evaluatie – zie annex 3 bij deze beleidsregels) en het rapporteren volgende de International Aid Transparency Initiative (IATI)28https://projects.rvo.nl/iati-portals/..
–
Om de voortgang van een project te monitoren, het opstellen voor ieder project van een Theory of Change en een resultatenkader in samenwerking met (in-country) partners tijdens de inceptiefase. Omdat de projecten op systeemverandering inzetten moeten er ook leervragen worden ontwikkeld alsook een manier om deze zoveel mogelijk te beantwoorden gedurende het project. Ten slotte moeten de opgehaalde inzichten en lessen actief worden gedeeld in multistakeholderinitiatieven, zoals de convenanten29Sectorale samenwerkingsverbanden, zie ook https://ondernemersplein.overheid.nl/subsidies-en-regelingen/subsidieregeling-sectorale-samenwerking-imvo/.
–
Het jaarlijks opleveren van een rapportage met daarin onder meer de voortgang ten opzichte van de beoogde uitkomsten en doelstelling(en) en een overzicht van gemaakte kosten in relatie tot de oorspronkelijke begroting van het project.
–
Het na afronding van het project opleveren van een eindrapportage (en een controleverklaring van een externe accountant op de kosten) en medewerking te verlenen aan de verspreiding van de projectresultaten.
11
Administratieve lasten
Ter verantwoording van de administratieve lasten waarmee de aanvrager te maken krijgt is een toets uitgevoerd volgens een standaard kostenmodel. Daarbij is rekening gehouden met de indiening van een aanvraag voor subsidie, de beheerfase, de vaststelling van de subsidie en eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Uit de berekening blijkt dat het totale percentage administratieve lasten ten opzichte van het totaal beschikbare subsidiebudget 4,5% bedraagt.
Annex
1
– Lijst met Nederlandse focus sectoren, waardeketens en beleidsprioriteiten per land
De tabel hieronder geeft een overzicht van Nederlandse focus sectoren, waardeketens en beleidsprioriteiten per land. Dit overzicht is gebaseerd op het huidige hulp en handel beleid van de Nederlandse overheid.
Activiteiten die in aanmerking komen voor deze subsidie moeten gericht zijn op de focus sectoren en waardeketens per doelland in de tabel. Dit wordt toegepast als een ingangsvoorwaarde (zie paragraaf 4.3.2.).
Afstemming op beleidsprioriteiten zoals beschreven in de tabel wordt meegenomen in de kwalitatieve beoordeling van voorstellen (zie paragraaf 7.2.2 sub b). Activiteiten moeten zijn gebaseerd op grondige analyse van de lokale context en stakeholders en complementair zijn aan andere initiatieven en een multistakeholderaanpak bevorderen (paragraaf 7.2.2 sub a).
Hieronder staat een afbakening per focus sector:
Landbouw
Dit betreft ruwe en verwerkte landbouwproducten die worden geëxporteerd van de doellanden naar Nederland of de Europese Unie. Voorbeelden zijn cacao, palmolie en tuinbouwproducten.
Deze sector betreft zowel tot textiel verwerkte grondstoffen zoals garen en stoffen als kledingstukken en schoenen. Ruwe grondstoffen zoals katoen behoren expliciet niet tot deze categorie.
Bangladesh
Landbouw
Tuinbouw
Duurzame landbouw
Textiel
Kledingstukken
Schone productie: duurzaam water & energieverbruik, afvalbeheer, technische innovatie, alternatieve financiering voor circulariteit, circulair ontwerp, digitalisering voor verantwoorde inkoop, arbeidsstandaarden, eerlijk werk, leerbaar loon, veilig werk, arbeidsrechten, rechtvaardige transitie, vrouwen en jongeren
Textiel
Benin
Landbouw
Tuinbouw
Planet: transformatie van voedselsystemen, ontbossing, landdegradatie, water- en afvalbeheer, klimaatadaptatie.
People: eerlijk inkomen, arbeidsrechten, kinderarbeid, veilige werkomstandigheden. Economische veerkracht van kleinschalige boeren en midden- en kleine ondernemingen. In het hele land, met name in het noorden
Gevogelte
DRC
Landbouw
Cacao
Lokale inkoop voor eerlijke prijzen en leerbaar loon, legale goederenstromen en betere productieomstandigheden. Focus op noordelijke corridor (nr. 8, Mombassa-Kisangani), de groene corridor (Kivu-Kinshasa) en mogelijk ook de corridor Couala-Kampala (nr. 6)
Koffie
Tuinbouw
Duurzame en milieuvriendelijke productie, toegang tot EU-markten. Landbouwondernemingen, van kleinschalige boeren tot geschoolde en gespecialiseerde producenten. Lobito-corridorgebied (Lobito (AN)-Lubumbashi (CD)-Kapiri Mposhi (ZM)) en Kongo Central Corridor
KG
Zie afbakening hierboven
Verantwoorde ambachtelijke mijnbouw, verbetering van mensenrechten, maatschappelijk middenveld, gepaste zorgvuldigheid, betrokkenheid en empowerment van vrouwen, milieuherstel, post-mijnbouw, afvalbeheer, watervervuiling, openbaar en particulier bestuur, transparantie en verantwoording. Lobito-corridor
Egypte
Landbouw
Groeten en Fruit
Klimaat en water-efficiënte landbouw, voedselzekerheid, welzijn en onderwijs van werknemers
Ethiopië
Landbouw
Tuinbouw
Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen, natuur & biodiversiteit, afvalbeheer, lokale inkoop
Groenten en Fruit
Koffie
Bloemen en stekken
Ghana
Landbouw
Cacao
Coöperatieven, klimaatadaptatie, voedsel- en voedingszekerheid, ontbossing (EUDR1), kinderarbeid, leefbaar inkomen, het bevorderen en opschalen van innovaties in ondernemingen, verwerking van bijproducten van cacao, Cacao Swollen Shoot Virus Disease
India
Landbouw
Tuinbouw
Waterschaarste, duurzame energie, afvalbeheer, klimaatadaptatie, technologische innovatie ter ondersteuning van duurzame productie, vermindering van antibioticagebruik en preventie van zoönose, leerbaar loon
KG
Zie afbakening
Stabiele en veilige toevoer van grondstoffen naar Nederland en Europa
Indonesië
Landbouw
Tuinbouw
Ontbossing, klimaat en biodiversiteit, water management, leefbaar loon (kleinschalige boeren), eerlijk werk, kennis en digitalisatie
Palmolie
KG
Lithium
Leefbaar loon, werkomstandigheden, veiligheid, milieu- en gezondheidsimpact, verlies van land, ontbossing
Nikkel
Ivoorkust
Landbouw
Tuinbouw
Leefbaar inkomen, leveringszekerheid, lokale verwerking en waarde toevoeging, banencreatie, voedsel- en voedingszekerheid, circulariteit, behoud en herstel biodiversiteit, watermanagement
Cacao
Cashew
Jordanië
Landbouw
Verwerkte groeten en voedsel
Water en energie schaarste, voedselzekerheid, midden- en kleine ondernemingen, waarde toevoeging na de oogst
Kenia
Landbouw
Groenten en Fruit
Klimaatadaptatie, voedselzekerheid, waterschaarste, WASH (water, sanitair en hygiëne), regeneratieve landbouw, veerkracht van kleinschalige boeren, preventie van verliezen na de oogst door (gekoelde) agrologistiek, leefbaar loon/inkomen, kinderarbeid
Klimaatadaptatie, duurzame voedselproductie, waterschaarste, beroepsonderwijs en -training
Visserij
Mozambique
Landbouw
Koffie
Kinderarbeid; inkomen en productiviteit; gendergelijkheid; jongerenparticipatie; klimaatmitigatie en -adaptatie; ontbossing; Regionale focus: de Beira-corridor, de Nacala-corridor en Gorongosa
Cashew
Inkomen en productiviteit; gendergelijkheid; jongerenparticipatie; klimaatadaptatie en -mitigatie; ontbossing; Regionale focus: Beira-corridor, Nacala-corridor en Gorongosa
Tropisch Fruit
Regionale focus: de Beira Corridor, de Nacala Corridor & Gorongosa
KG
Goud
Regionale focus: de Beira Corridor, de Nacala Corridor & Gorongosa
Nigeria
Landbouw
Tuinbouw
voedsel- en voedingszekerheid, jeugdwerkgelegenheid, circulaire economie, mensenrechten
Palestijnse Gebieden
Landbouw
Kruiden
Waterschaarste, duurzame productie, afvalbeheer, vermindering van het gebruik van giftige chemicaliën, Palestijns fairtrade-label, naleving van EU-normen
Verwerkte groenten
Zuivel
Senegal
Landbouw
Cashew
Focus op coöperaties, regio: noord en zuid
Tuinbouw
Focus op arbeidsomstandigheden, leefbaar loon/inkomen, formalisering, empowerment van vrouwen en verantwoorde inkoop; regio: noord of zuid
Zuid-Afrika
Landbouw
Tuinbouw
Klimaatmitigatie en -adaptatie, zoet water, biodiversiteit, koolstofemissies, leefbaar loon/inkomen, corruptie
KG
Mangaan (PMG)
Water-mijnbouw nexus, ESG-normen, verminderde negatieve milieu- en sociale impact, lokale capaciteitsopbouw voor duurzame waardeketens, transport en logistiek
Platinum (PMG)
Tunesië
Landbouw
Tuinbouw
Jeugd-/beroepsopleiding voor de agrarische sector, arbeidsomstandigheden
Oeganda
Landbouw
Tuinbouw
Voedsel- en voedingszekerheid, waterbeheer, klimaatadaptatie en -mitigatie, inclusie van kleine boeren, vermindering van pesticide gebruik, leefbaar loon/inkomen, kinderarbeid, focus op de noordelijke corridor voor tuinbouw
Zaadolie, Shea Boter
Koffie, thee
Cacao
KG
Grafiet
Eerlijke handel in kritieke mineralen tussen de regio van de Grote Meren en Nederland, gepaste zorgvuldigheid, verantwoorde toeleveringsketens voor mineralen
Vietnam
Landbouw
Koffie
Naleving van de EUDR: traceerbaarheid en capaciteitsopbouw voor kleinschalige boeren, vergroening productie, vermindering broeikasgasemissies, eerlijk werk, leefbaar loon
Aquacultuur
Tuinbouw
KG
Zie afbakening
Milieudegradatie, waterzuivering, verlies van biodiversiteit, ontbossing, arbeidsveiligheid en -gezondheid, dwangarbeid, kinderarbeid, omkoping, eerlijke concurrentie (vanwege het belang van staatsondernemingen in de sector)
1 De EUDR is een Europese verordening die ervoor moet zorgen dat producten die op de EU-markt worden gebracht of daaruit worden geëxporteerd, niet bijdragen aan ontbossing of bosdegradatie wereldwijd.
Annex
2
– People, Planet, Profit
Het subsidieprogramma volgt de OESO-richtlijnen en de United Nations Guiding Principles on Business & Human Rights, en de thema’s die hierin naar voren komen. Hierbij kan gedacht worden aan de volgende thema’s, waarbij economische, sociale en vergroening aspecten integraal worden benaderd conform het People, Planet, Profit principe.
People: sociale duurzaamheid – human rights & decent work:
–
ondernemen met respect voor mensenrechten;
–
arbeidsrechten en naleving van internationale standaarden33De basisnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) omvatten: fatsoenlijke lonen; geen kinderarbeid of dwangarbeid; geen geweld op de werkplek; geen discriminatie; en vakbondsvrijheid.;
–
veilige, gezonde en inclusieve werkomstandigheden (OSH);
–
Toewerken naar een leefbaar loon en leefbaar inkomen (fair payment).
Planet: ecologische duurzaamheid – vergroening:
Het zuiniger omgaan met natuurlijke hulpbronnen, het behoud van biodiversiteit en het leefmilieu. Hieronder valt ook het werken aan weerbare, toekomstbestendige waardeketens die zijn voorbereid op de gevolgen van klimaatverandering. Maatregelen worden als groen gezien als ze bijdragen aan de milieudoelen van de EU-Taxonomie.34Verordening (EU) 2020/852) Dit omvat: bescherming en herstel van biodiversiteit en ecosystemen; klimaatmitigatie: het tegengaan van klimaatverandering; klimaatadaptatie: aanpassing aan klimaatverandering; duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen; transitie naar een circulaire economie; voorkomen en bestrijden van vervuiling.Een groene maatregel moet een positieve bijdrage hebben op minstens één van de voornoemde zes milieudoelen en tegelijkertijd geen negatieve impact te hebben op de andere vijf doelen noch op de sociale thema’s. Groene interventies moeten bovendien altijd een positief effect hebben op de lokale begunstigden.
Profit: economische duurzaamheid – zowel in productielanden (duurzame economische ontwikkeling) als in Nederland (Nederlands verdienvermogen)
–
Duurzame economische ontwikkeling in de productielanden door middel van een evenwichtigere machtsbalans in de waardeketen waardoor lusten en lasten beter (‘eerlijk’) worden verdeeld over de waardeketen.35Onder andere door te voorkomen dat kosten voor verduurzaming worden doorgeschoven in de waardeketen. Verantwoorde inkooppraktijken kunnen hieraan bijdragen.. Daarnaast kunnen investeringen nodig zijn om de lokale productie toekomstbestendig te maken (denk aan lokale verwerking of kennisopbouw bij toekomstige generaties).
–
Om te waarborgen dat projecten duurzaam zijn, en om opschaling via de markt mogelijk te maken, is het belangrijk dat projecten ook financieel volhoudbaar zijn in het Nederlandse deel van de keten, en daarmee bijdragen aan het Nederlandse verdienvermogen. In het kader van dit subsidieprogramma gaat het vooral om sterke en weerbare waardeketens en stabiele toelevering van goederen naar Nederland zijn geproduceerd met inachtneming van Europese IMVO gerelateerde wet- en regelgeving.
Annex
3
– MEL-systematiek
Bij de aanvraag moet een opzet van de MEL-systematiek worden ingediend betreffende een interventielogica, resultatenkader, aannames en risico’s. De MEL-systematiek stimuleert een lerende en adaptieve aanpak door regelmatige reflectie op de behaalde resultaten en het systematisch trekken van lessen voor verdere uitvoering, en ontsluiten van lessen richting derden.
Gedurende de inceptiefase zal deze systematiek worden aangescherpt. De MEL systematiek moet een logisch geheel vormen met concreet en helder geformuleerde impact, outcomes, outputs en pathways die aansluiten bij zowel het overkoepelende beleidskader Focus als bij dit subsidieprogramma. Waar mogelijk zal RVO aansturen op afstemming tussen de verschillende projecten om waar mogelijk synergie te creëren en indicatoren te harmoniseren. De subsidieontvangers dragen zelf de verantwoordelijkheid voor het monitoren en leren gedurende de looptijd van het project.
Het MEL-kader omvat indicatoren die in het verlengde liggen van het doel van het subsidieprogramma (zie paragraaf 4.1). Daarnaast zijn er vier overkoepelende Focus-indicatoren die moeten worden meegenomen in het MEL-kader:
1.
# in-country partners die bereikt worden met capaciteitsversterkende activiteiten.
2.
Financiering (in €) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken die via RVO direct of via maximaal één tussenlaag wordt verstrekt aan lokale organisaties.
3.
Kwalitatief: De mate waarin relevante partijen zijn betrokken bij het ontwikkelen van het project, de bespreking van de voortgang en de planning van activiteiten.
4.
Kwalitatief: De mate waarin gender is meegenomen in het ontwerpen, uitvoeren en monitoren van het project.
De methodological notes bij deze indicatoren worden beschikbaar gesteld als onderdeel van de subsidieverleningsbeschikking.
Er zal door het Ministerie van Buitenlandse Zaken een externe, Focus-brede baseline studie en een Mid-Term Evaluatie (MTE) worden uitgevoerd.
Annex
4
– Financiële onafhankelijkheid aanvragers en omvang van aanvragen
Vereiste met betrekking tot eigen inkomsten
Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie voor dit subsidieprogramma is vereist dat van de totale jaarlijkse inkomsten van de aanvrager in 2022, 2023 en 2024 gemiddeld per jaar minimaal 25% afkomstig was uit bronnen anders dan die van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Onder ‘inkomsten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken’ wordt verstaan:
a.
Alle directe subsidies en/of bijdragen ontvangen ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken of de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (inclusief middelen die via door BZ-gemandateerde organisaties zijn verkregen).
Organisaties die zelf als penvoerder namens een samenwerkingsverband een subsidie/een bijdrage hebben ontvangen mogen het deel van de BZ-inkomsten uit deze subsidies en/of bijdragen dat zij rechtstreeks hebben doorgegeven naar andere organisaties binnen het samenwerkingsverband, in mindering brengen op dit bedrag.
b.
Alle middelen verkregen door een organisatie als lid van een samenwerkingsverband, van de penvoerder van het samenwerkingsverband die namens het samenwerkingsverband een subsidie of bijdrage heeft ontvangen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken of de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, voor activiteiten die uit die subsidie of bijdrage zijn betaald.
Maximum bedrag subsidie(aanvraag)
Aan aanvragers die voldoen aan dit minimale percentage van 25% ‘niet-BZ inkomsten’ kan op jaarbasis een subsidie of bijdrage verstrekt worden van maximaal het bedrag dat die organisatie in 2022, 2023 en 2024 gemiddeld per jaar aan ‘niet-BZ inkomsten’ ontving. Voor de hele looptijd van het project gaat dit dan om vijf keer dit bedrag in totaal, aangezien subsidies voor vijf jaar worden toegekend; uiteraard zullen ook geen subsidies worden verleend die het plafond zouden overschrijden dat beschikbaar is voor het subsidieprogramma waaronder subsidie wordt aangevraagd.
Aantonen vereiste met betrekking tot eigen inkomsten
Om aan te tonen dat aan de vereiste mate van financiële onafhankelijkheid wordt voldaan:
1)
Vult de aanvrager de in bijlage 5 bij het aanvraagformulier opgenomen Tabel 1 in, conform de in die bijlage opgenomen uitleg en aanwijzingen;
2)
moeten aanvragers de door een accountant gecontroleerde jaarrekeningen van 2022, 2023 en 2024 overleggen, waarin de informatie die door de aanvrager in Tabel 1 is ingevuld duidelijk herleidbaar is. Ingeval de aanvrager geen door een accountant gecontroleerde jaarrekeningen kan overleggen, moet de aanvrager een onderbouwing geven waarom de jaarrekeningen niet door een accountant zijn gecontroleerd.
Uitzonderingen
Voor specialistische organisaties wordt een uitzondering gemaakt op de vereisten voor financiële onafhankelijkheid zoals hierboven toegelicht. Ook voor kleine, zuidelijke organisaties geldt dit niet. Voor beide soorten organisaties geldt dus 1) dat ze niet hoeven te voldoen aan de eis dat gemiddeld minimaal 25% van hun inkomsten in 2022, 2023 en 2024 afkomstig was uit bronnen anders dan die van het Ministerie van Buitenlandse Zaken of de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, en 2) dat zij per jaar voor méér middelen in aanmerking kunnen komen dan hun gemiddelde jaarlijkse niet-BZ-inkomsten over de afgelopen drie jaar.
Specialistische organisatie
In het kader van het subsidieprogramma wordt een specialistische organisatie als volgt gedefinieerd. Het is een maatschappelijke organisatie die ten opzichte van andere maatschappelijke organisaties werkzaam is op hetzelfde beleidsterrein, maar zich onderscheidt wat betreft focus, aard en omvang van kennis en ervaring. Dit wordt beoordeeld aan de hand van beide onderstaande vereisten:
–
De organisatie is in de afgelopen periode van minimaal 15 aaneengesloten jaren (peildatum 1 januari 2026) actief op het kernthema waarop het subsidieprogramma betrekking heeft in het kader waarvan de organisatie subsidie aanvraagt; en
–
De organisatie heeft zich gespecialiseerd in het bovengenoemde kernthema. Dit wordt aangetoond middels uitvoering van de werkzaamheden door de accountant op basis van het accountantsprotocol (opgenomen op de RVO website36https://english.rvo.nl/subsidies-financing/fair-focus-on-trade), wat resulteert in een rapport van overeengekomen specifieke werkzaamheden (Standaard 4400). In bijlage 5 bij het aanvraagformulier worden instructies gegeven.
Kleine, zuidelijke organisaties
Voor het subsidieprogramma wordt onder een kleine zuidelijke organisatie verstaan een organisatie die (i) is opgericht en statutair gevestigd in een land opgenomen op de lijst van lage- en middeninkomenslanden volgens de OESO-DAC indeling, en (ii) een personeelsbudget37Uitgaven aan werknemers in loondienst heeft van maximaal € 500.000 per jaar. Dit moet blijken uit respectievelijk de oprichtingsakte/statuten en het meest recente financiële jaarverslag.
Annex
5
– Maximale bezoldiging
Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het subsidieprogramma Fair Focus on Trade geldt een eis over de maximale bezoldiging die de aanvrager mag hanteren voor hun topfunctionarissen (de leden van management en bestuur).
Dit is een vereiste waaraan elke subsidieaanvraag wordt getoetst. Als niet aan het vereiste wordt voldaan, wordt de subsidieaanvraag afgewezen. Hierbij geldt per land van statutaire vestiging van de betreffende rechtspersoon een specifiek maximum.
Hieronder staat een totaaloverzicht van alle maxima per land van statutaire vestiging.
Nederland
Voor aanvragers die statutair zijn gevestigd in Nederland is het maximum vastgesteld op € 241.000.
Doelland
Voor aanvragers die statutair zijn gevestigd in een van de 21 doellanden opgenomen in annex 1, is in onderstaand overzicht per doelland het maximum opgenomen:
Bangladesh
BDT
10.808.383
Benin
XOF
81.266.976
Congo DRC1
USD
141.507
Egypt1
EUR
107.959
Ethiopia1
EUR
89.827
Ghana
GHS
912.096
India
INR
7.843.251
Indonesia
IDR
1.533.690.209
Ivory Coast
XOF
97.934.398
Jordan
JOD
90.792
Kenya
KES
20.100.832
Lebanon1
USD
194.443
Morocco
MAD
1.595.843
Mozambique1
USD
185.444
Nigeria1
USD
121.872
Palestinian Territories
ILS
759.998
Senegal
XOF
96.936.447
South Africa
ZAR
2.504.820
Tunisia
TND
244.843
Uganda
UGX
458.980.736
Vietnam1
USD
98.444
1 Om verschillende redenen (waaronder schommelingen in de wisselkoersen van lokale valuta's) worden de maxima voor deze landen weergegeven in EUR of USD. Voor deze landen moet bij de toepassing van de maxima EUR worden gebruikt in plaats van de lokale valuta.