Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 17 mei 2026, nr. 2026-8260 over fiscale maatregelen voor Nederland en Caribisch Nederland naar aanleiding van de energieschok (Beleidsbesluit fiscale maatregelen naar aanleiding van de energieschok)

Beleidsbesluit fiscale maatregelen naar aanleiding van de energieschok

De Staatssecretaris van Financiën,

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 64 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet inkomstenbelasting 2001, de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, de Wet inkomstenbelasting BES en de Wet loonbelasting BES;

Besluit:

1

Inleiding

Op 20 april 2026 heeft het kabinet een pakket maatregelen aangekondigd1Kamerstukken II 2025/26, 36 933, nr. 1. om de koopkracht van huishoudens te ondersteunen en de veerkracht van bedrijven te vergroten vanwege de energieschok die is ontstaan door de situatie in het Midden-Oosten. De fiscale maatregelen uit het pakket worden opgenomen in het wetsvoorstel Belastingplan 2027 dat op Prinsjesdag 2026 bij de Tweede Kamer wordt ingediend. Om de veerkracht en weerbaarheid van een aantal groepen belastingplichtigen die hard geraakt worden door de hogere brandstofkosten op korte termijn te vergroten, zijn in dit besluit voor een aantal fiscale maatregelen goedkeuringen vooruitlopend op wetgeving opgenomen.

Met de goedkeuringen in dit besluit beoogt het kabinet op korte termijn maatregelen te treffen voor de burgers en bedrijven die direct en onverwacht geconfronteerd zijn met een zwaardere financiële last door de stijging van brandstofkosten. De goedkeuringen zijn primair gericht op de groepen belastingplichtigen die de hogere kosten niet of moeilijk kunnen voorkomen omdat zij de kosten maken in verband met het verrichten van werkzaamheden of vanwege de uitoefening van een onderneming.

1.1

Maatregelen

Dit besluit bevat voor de volgende maatregelen goedkeuringen vooruitlopend op een wijziging van wetgeving:

  • structureel en met terugwerkende kracht verhogen gericht vrijgestelde reiskostenvergoeding;

  • structureel en met terugwerkende kracht verhogen aftrekbare reiskosten IB-ondernemers en resultaatgenieters en andere forfaitaire aftrekbedragen in Wet IB 2001;

  • tijdelijke verlaging motorrijtuigenbelasting bestelauto’s voor btw-ondernemers;

  • tijdelijke verlaging motorrijtuigenbelasting voor vrachtauto’s.

Voor Caribisch Nederland2In dit besluit worden de aanduidingen Caribisch Nederland en BES eilanden door elkaar gebruikt zonder dat daar een verschil mee is bedoeld. bevat dit besluit de volgende goedkeuring vooruitlopend op een wijziging van wetgeving:

  • structureel en met terugwerkende kracht verhogen onbelaste kilometervergoeding en aanverwante regelingen BES eilanden.

In de toelichting bij dit besluit is een verantwoording opgenomen van het afwegingskader3Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1329. voor goedkeuringen vooruitlopend op wetgeving.

1.2

Gebruikte begrippen en afkortingen

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

Autobus

een motorrijtuig op drie of meer wielen dat is ingericht voor personenvervoer en wel voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen

BES eilanden

de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius & Saba

Bestelauto

een motorrijtuig op drie of meer wielen niet zijnde een personenauto of een autobus, met een toegestane maximum massa van 3.500 kg of minder

Btw-ondernemer

ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968, niet zijnde een persoon die ingevolge artikel 7, zesde lid, van die wet met betrekking tot een bepaalde levering als ondernemer wordt aangemerkt

IB-ondernemer

een belastingplichtige die kwalificeert als ondernemer in de zin van artikel 3.4 Wet IB 2001

Loonheffing

loonbelasting en premie volksverzekeringen

Loonheffingen

loonheffing, premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet

Motorrijtuig

een voertuig dat is bestemd om anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of aan het voertuig aanwezig, met uitzondering van een bromfiets, een fiets met trapondersteuning en een landbouw- of bosbouwtrekker

Motorrijwiel

een motorrijtuig op twee wielen, alsmede een dergelijk motorrijtuig dat is verbonden met zijspanwagen

Personenauto

een motorrijtuig op drie of meer wielen, ingericht voor personenvervoer en wel voor het vervoer van niet meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen

Resultaatgenieter

genieter van resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van artikel 3.90 Wet IB 2001

URIB 2001

Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001

Vrachtauto

een motorrijtuig, niet zijnde een personenauto, een bestelauto, een motorrijwiel of een autobus

Werkgever

inhoudingsplichtige voor de loonheffingen

Wet IB 2001

Wet inkomstenbelasting 2001

Wet LB 1964

Wet op de loonbelasting 1964

Wet MRB 1994

Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994

2

Goedkeuringen vooruitlopend op wetgeving

2.1

Structureel en met terugwerkende kracht verhogen gericht vrijgestelde reiskostenvergoeding

Op grond van artikel 31a, tweede lid, onderdeel a, onder 3°, Wet LB 1964 geldt een gerichte vrijstelling van maximaal € 0,23 per kilometer voor vervoer in het kader van de dienstbetrekking, waaronder woon-werkverkeer. Ter ondersteuning van de koopkracht van huishoudens wordt deze maximale gericht vrijgestelde vergoeding met € 0,02 verhoogd tot € 0,25 per kilometer. Omgerekend leidt de hogere gericht vrijgestelde vergoeding tot een voordeel van circa € 0,30 per liter brandstof.4Bij gemiddeld verbruik van 1 liter op 15 kilometer. Voor zakelijke ritten, inclusief woon-werkverkeer, kan hiermee een groot deel van de prijsstijging voor brandstof worden gecompenseerd.

Goedkeuring

Vooruitlopend op een wijziging van wetgeving keur ik goed dat een werkgever, in afwijking van artikel 31a, tweede lid, onderdeel a, onder 3°, Wet LB 1964, structureel en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2026, aan werknemers een gericht vrijgestelde vergoeding voor vervoer in het kader van de dienstbetrekking, inclusief woon-werkverkeer, kan verstrekken van maximaal € 0,25 per kilometer in plaats van € 0,23 per kilometer.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat deze goedkeuring eveneens geldt voor de rechtstreeks hiermee samenhangende bepalingen die zijn opgenomen in de artikelen 13a, vierde lid, onderdeel e, en 31a, zesde lid, Wet LB 1964. Deze bepalingen zien kort gezegd op de saldering van qua hoogte uiteenlopende vergoedingen voor reiskosten binnen het kalenderjaar.

De wet kent om redenen van eenvoud en doelmatigheid voor alle vormen van vervoer één vast bedrag per kilometer als gericht vrijgestelde vergoeding. Dat betekent dat de verhoogde gericht vrijgestelde vergoeding ook geldt als met het openbaar vervoer5Bij openbaar vervoer mag ook gekozen worden voor het gericht vrijgesteld vergoeden van de daadwerkelijke kosten., met de (motor)fiets of lopend wordt gereisd.

Goedkeuring indienen correctieberichten

Voorts keur ik uit doelmatigheidsoverwegingen op grond van artikel 64 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen voor zover nodig goed dat, in afwijking van artikel 28a Wet LB 1964, correctieberichten mogen worden ingediend om de verhoogde gericht vrijgestelde reiskostenvergoeding te effectueren over reeds verstreken tijdvakken van het lopende kalenderjaar.

2.2

Structureel en met terugwerkende kracht verhogen aftrekbare reiskosten IB-ondernemers en resultaatgenieters en andere forfaitaire aftrekbedragen in Wet IB 2001

Ook voor werkenden die geen werknemer zijn, bijvoorbeeld IB-ondernemers en resultaatgenieters, geldt dat zij te maken hebben met hogere brandstofprijzen voor zakelijke kilometers. In samenhang met de goedkeuring onder 2.1 wordt de maximale aftrek van reiskosten daarom ook voor deze groep verhoogd.

Goedkeuring

Vooruitlopend op een wijziging van wetgeving keur ik goed dat, in afwijking van de artikelen 3.15, zesde lid, en 3.17, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001, structureel en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2026, de aftrek van de in die bepalingen bedoelde reiskosten € 0,25 bedraagt in plaats van € 0,23.

Daarnaast geldt de goedkeuring ook voor andere in de Wet IB 2001 opgenomen forfaitaire aftrekbedragen voor reiskosten. Daarvoor geldt eveneens dat structureel en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2026 een forfait van € 0,25 per kilometer geldt in plaats van € 0,23 per kilometer. Het betreft:

Deze goedkeuring leidt ertoe dat:

  • IB-ondernemers en resultaatgenieters een hogere aftrek kunnen toepassen voor hun reiskosten;

  • een belastingplichtige een hoger bedrag aan reiskosten in aftrek kan brengen vanwege het verkrijgen van genees- of heelkundige hulp, farmaceutische hulpmiddelen en andere hulpmiddelen of reiskosten voor ziekenbezoek;

  • een belastingplichtige een hoger bedrag aan reiskosten in aftrek kan brengen vanwege het vervoeren van een gehandicapte van en naar een zorginstelling; en

  • een vrijwilliger bij het afzien van een reiskostenvergoeding, een hoger bedrag als aftrekbare gift in aanmerking mag nemen.

2.3

Tijdelijke verlaging motorrijtuigenbelasting bestelauto’s voor btw-ondernemers

Btw-ondernemers die gebruik maken van een bestelauto voor de uitvoering van hun werkzaamheden worden hard getroffen door de sterk gestegen brandstofprijzen. Voor veel btw-ondernemers vormt de bestelauto een onmisbaar bedrijfsmiddel. Dat geldt in het bijzonder voor btw-ondernemers in onder meer de bouw, installatiebranche, logistiek, detailhandel en ambulante dienstverlening. De stijging van de brandstofprijzen raakt deze btw-ondernemers daarom rechtstreeks in hun bedrijfsresultaat. Om de veerkracht en weerbaarheid van deze groep te vergroten, is gekozen voor een gerichte maatregel in de vorm van een tijdelijke verlaging van de verschuldigde motorrijtuigenbelasting.

Goedkeuring

Vooruitlopend op een wijziging van wetgeving keur ik goed dat van 1 juli 2026 tot en met 31 december 2026, in afwijking van artikel 24b, eerste lid, Wet MRB 1994 en onverminderd artikel 28 Wet MRB 1994, de volgende tarieftabel wordt toegepast voor een bestelauto van een btw-ondernemer die de bestelauto meer dan bijkomstig bezigt in het kader van zijn onderneming:

600 of minder

€ 25,99

700 tot en met 1.100

€ 31,78

€ 4,07

700 kg

1.200 tot en met 2.100

€ 52,21

€ 4,38

1.200 kg

2.200 tot en met 2.800

€ 96,23

€ 4,71

2.200 kg

2.900 en meer

€ 127,40

€ 1,07

2.900 kg

De motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s is verschuldigd per tijdvak van drie maanden. Een tijdvak start op de datum van eerste tenaamstelling van het motorrijtuig en telkenmale drie maanden later. Hierdoor kan het zijn dat een tijdvak niet gelijk loopt met een kalenderkwartaal. De verlaging gaat in bij aanvang van het eerstvolgende tijdvak vanaf 1 juli 2026 en is gedurende twee tijdvakken van toepassing. Dat volgt uit artikel 83 Wet MRB 1994.6Bij een wijziging van de tenaamstelling geldt de reguliere systematiek die op grond van artikel 83 Wet MRB 1994 van toepassing is bij een wijziging van het tarief voor de motorrijtuigenbelasting. Indien het tweede tijdvak aanvangt na 1 oktober 2026, loopt dit tijdvak in beginsel door in 2027. Het lagere tarief blijft in dat geval van toepassing tot het einde van dat tweede tijdvak, ook voor het gedeelte dat in 2027 valt.

2.4

Tijdelijke verlaging motorrijtuigenbelasting vrachtauto’s

De sterke stijging van brandstofkosten werkt ook direct door in de kosten van btw-ondernemers en vervoerders die voor hun bedrijfsvoering afhankelijk zijn van vrachtauto’s. Voor deze groep vormt de vrachtauto een essentieel bedrijfsmiddel. Dat geldt in het bijzonder voor bedrijven in het goederenvervoer, de distributie, de bouw, de afvalinzameling en andere sectoren waarin zwaar wegvervoer onmisbaar is. Om de veerkracht en weerbaarheid van deze groep te vergroten, is gekozen voor een gerichte en tijdelijke maatregel in de vorm van een verlaging van verschuldigde motorrijtuigenbelasting tot nihil.

Goedkeuring

Vooruitlopend op een wijziging van wetgeving keur ik goed dat van 1 juli 2026 tot en met 31 december 2026, in afwijking van artikel 25a Wet MRB 1994, een tarief van nihil wordt toegepast voor een vrachtauto.

De motorrijtuigenbelasting voor vrachtauto’s is verschuldigd per tijdvak van drie maanden. Een tijdvak start op de datum van eerste tenaamstelling van het motorrijtuig en telkenmale drie maanden later. Hierdoor kan het zijn dat een tijdvak niet gelijk loopt met een kalenderkwartaal. De verlaging gaat in bij aanvang van het eerstvolgende tijdvak vanaf 1 juli 2026 en is gedurende twee tijdvakken van toepassing. Dat volgt uit artikel 83 Wet MRB 1994.7Hetgeen is beschreven in voetnoot 6 geldt ook voor dit onderdeel. Indien het tweede tijdvak aanvangt na 1 oktober 2026, loopt dit tijdvak in beginsel door in 2027. Het nihiltarief blijft in dat geval van toepassing tot het einde van dat tweede tijdvak, ook voor het gedeelte dat in 2027 valt.

2.5

Structureel en met terugwerkende kracht verhogen onbelaste kilometervergoeding en aanverwante regelingen BES eilanden

Ook in Caribisch Nederland worden burgers en bedrijven hard geraakt door de hogere brandstofprijzen. Vanuit het principe van ‘comply or explain’ worden de maximale op de opbrengst uit arbeid, bedrijf en beroep in aftrek te brengen autokosten, het voor het gebruik van de auto per kilometer maximaal als buitengewone last in aanmerking te nemen bedrag en de maximale onbelaste kilometervergoeding voor zakelijke kilometers, voor belastingplichtigen in Caribisch Nederland verhoogd.

Goedkeuring

Vooruitlopend op een wijziging van wetgeving keur ik goed dat structureel en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2026:

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat deze goedkeuring eveneens geldt voor de rechtstreeks hiermee samenhangende bepaling die is opgenomen in artikel 6, vijfde lid, onderdeel g, onder 2°, van de Wet loonbelasting BES. Deze bepaling ziet kort gezegd op de vergoeding van vervoerskosten die niet tot het loon behoren.

3

Inwerkingtreding en vervaldatum

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt voor de onderdelen 2.1, 2.2 en 2.5 terug tot en met 1 januari 2026. In afwijking van de vorige zin treden de onderdelen 2.3 en 2.4 in werking met ingang van 1 juli 2026.

Dit besluit vervalt met ingang van 1 januari 2027.

4

Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsbesluit fiscale maatregelen naar aanleiding van de energieschok.

5

Publicatie en ondertekening

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag
De Staatssecretaris van Financiën, E. Eerenberg