Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 29 juni 2026, nr. IENW/BSK-2026/97126, houdende tijdelijke regels voor verstrekking van specifieke uitkeringen voor bovenplanse infrastructurele voorzieningen om woningbouw te realiseren (Tijdelijke regeling specifieke uitkering woningbouw en mobiliteit) [KetenID WGK 028435]
Tijdelijke regeling specifieke uitkering woningbouw en mobiliteit
afsprakenlijst: lijst van afspraken, gemaakt in een bestuurlijk overleg dat heeft plaatsgevonden in januari 2026 of daarna over het aantal te realiseren woningen en de financiering van bovenplanse infrastructurele voorzieningen, welke lijst door de minister is aangeboden aan de Tweede Kamer;
bestuurlijk overleg: Bestuurlijk Overleg MIRT of Bestuurlijk Overleg Leefomgeving;
bovenplanse infrastructurele voorziening: voorziening voor infrastructuur als bedoeld in artikel 1 van de Wet Mobiliteitsfonds die nodig is voor de ontsluiting en bereikbaarheid van een woningbouwlocatie en tegelijkertijd wordt gebruikt voor de ontsluiting en bereikbaarheid van bestaande wijken of locaties;
minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
MIRT: Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport;
mobiliteitshub: infrastructurele voorziening die fungeert als begin-, eind- of overstappunt van een reis en waar verschillende vervoersmodaliteiten en hun infrastructuur samenkomen;
ontvanger: gemeente of openbaar lichaam waaraan een specifieke uitkering als bedoeld in deze regeling is verleend;
woning: elke door nieuwbouw of transformatie aan de woningvoorraad toe te voegen zelfstandige of niet zelfstandige woning, niet zijnde een tijdelijk bouwwerk.
Artikel
2
Doel van de regeling
Deze regeling heeft tot doel om gemeenten en openbare lichamen te ondersteunen ten behoeve van het realiseren van bovenplanse infrastructurele voorzieningen die nodig zijn voor de bereikbaarheid van de in de bestuurlijke overleggen afgesproken woningbouwlocaties.
Artikel
3
Bovenplanse infrastructurele voorzieningen waarvoor een specifieke uitkering kan worden verstrekt
1
De minister kan een specifieke uitkering verstrekken aan een gemeente of een openbaar lichaam voor de realisatie van bovenplanse infrastructurele voorzieningen die niet in aanmerking komen voor een specifieke uitkering op grond van de Regeling specifieke uitkeringen lokale en regionale MIRT-projecten en MIRT-projectpakketten of op grond van de Tijdelijke stimuleringsregeling slim, veilig, doelmatig en duurzaam gebruik van mobiliteitsinfrastructuur 2023–2027.
2
De bovenplanse infrastructurele voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, maken deel uit van een pakket aan dergelijke voorzieningen zoals voorgelegd aan het desbetreffende bestuurlijk overleg, zijn gekoppeld aan een specifieke woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties en betreffen uitsluitend de aanleg, de aanpassing of het gebruik van deze voorzieningen voor zover ze een lokaal of regionaal karakter hebben.
Artikel
4
Uitkeringsplafond en wijze van verdelen
1
Het uitkeringsplafond voor specifieke uitkeringen als bedoeld in artikel 3 in het kalenderjaar 2026 bedraagt € 1.460.844.370.
2
De minister kan op grond van deze regeling ook na het kalenderjaar 2026 een specifieke uitkering verlenen indien hij daarvoor een uitkeringsplafond heeft vastgesteld en de periode voor indiening van de aanvraag, bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel b of onderdeel c, heeft opengesteld. De minister maakt het uitkeringsplafond en het openstellen van de aanvraagperiode bekend in de Staatscourant.
3
De verdeling van de beschikbare middelen in een begrotingsjaar vindt plaats overeenkomstig de afspraken die hierover zijn gemaakt in het kader van een bestuurlijk overleg.
4
De minister kan, indien er middelen vrijvallen die zijn verleend voor een specifieke uitkering op grond van deze regeling, die middelen verdelen overeenkomstig artikel 15.
5
De bedragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn inclusief compensabele btw.
Artikel
5
Kosten die in aanmerking komen voor een specifieke uitkering
1
Voor een specifieke uitkering komen in aanmerking de kosten voor de realisatie van bovenplanse infrastructurele voorzieningen voor ten hoogste het maximumbedrag, zoals opgenomen in de desbetreffende afsprakenlijst op basis van het in die lijst opgenomen prijspeil.
2
Voor een specifieke uitkering komen niet in aanmerking:
a.
kosten waarvoor reeds een specifieke uitkering of andere middelen door het Rijk zijn verstrekt;
b.
omzetbelasting voor zover deze in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds of verrekend kan worden;
c.
de kosten, bedoeld in het eerste lid, die zijn gemaakt voorafgaand aan een bestuurlijk overleg;
d.
kosten van beheer en onderhoud van de bovenplanse infrastructurele voorzieningen;
e.
andere kosten dan de kosten, bedoeld in het eerste lid.
3
Indien een bovenplanse infrastructurele voorziening een mobiliteitshub behelst, worden de verwachte netto-opbrengsten van een mobiliteitshub gelet op de voorziene exploitatiekosten en -inkomsten in mindering gebracht op de kosten van de mobiliteitshub die voor een specifieke uitkering in aanmerking komen.
Artikel
6
Hoogte specifieke uitkering
1
De hoogte van de specifieke uitkering voor de realisatie van bovenplanse infrastructurele voorzieningen, bedoeld in artikel 3, wordt vastgesteld overeenkomstig de afspraken die hierover zijn gemaakt in het kader van een bestuurlijk overleg.
2
Een specifieke uitkering bedraagt niet meer dan het overeenkomstig het eerste lid vastgestelde bedrag verminderd met de omzetbelasting over de kosten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, die in aanmerking komt voor verrekening of compensatie op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds.
Artikel
7
Aanvraag tot verlening specifieke uitkering
1
Een aanvraag tot verlening van een specifieke uitkering kan worden ingediend door een gemeente of een openbaar lichaam, waarmee afspraken zijn gemaakt in het kader van een bestuurlijk overleg over de financiering van bovenplanse infrastructurele voorzieningen als bedoeld in artikel 3, eerste lid.
2
Een openbaar lichaam verstrekt bij de aanvraag de desbetreffende actuele gemeenschappelijke regeling waaruit blijkt dat het openbaar lichaam bevoegd is en verantwoordelijk is voor de realisatie van de woningbouw, bedoeld in deze regeling en voor de realisatie van de bovenplanse infrastructurele voorzieningen, bedoeld in artikel 3.
3
Een aanvraag tot verlening van een specifieke uitkering wordt, met inachtneming van artikel 4, tweede lid, uiterlijk ingediend:
a.
in de periode van 2 juli tot en met 27 augustus 2026 wanneer de aanvraag betrekking heeft op bovenplanse infrastructurele voorzieningen die zijn opgenomen in de afsprakenlijst van het bestuurlijk overleg MIRT van januari 2026 die aan de Tweede Kamer is aangeboden;
b.
voor 1 april van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de afsprakenlijst van het bestuurlijk overleg MIRT die betrekking heeft op bovenplanse infrastructurele voorzieningen waarop de aanvraag betrekking heeft, aan de Tweede Kamer is aangeboden; of
c.
voor 1 oktober van het kalenderjaar waarin de afsprakenlijst van het bestuurlijk overleg Leefomgeving die betrekking heeft op bovenplanse infrastructurele voorzieningen waarop de aanvraag betrekking heeft, aan de Tweede Kamer is aangeboden.
4
Een aanvrager dient voor alle te realiseren bovenplanse infrastructurele voorzieningen één aanvraag in.
5
In de aanvraag wordt verwezen naar de voorstellen zoals voorgelegd aan het desbetreffende bestuurlijk overleg. De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van:
a.
een kaart met een geografische afbakening van de woningbouwlocatie of woningbouwlocaties;
b.
een omschrijving van de te realiseren bovenplanse infrastructurele voorzieningen waarin indien het een mobiliteitshub betreft ook is aangegeven hoe wordt voldaan aan de door de minister gestelde voorwaarden aan mobiliteitshubs;
c.
een gespecificeerde begroting die een overzicht omvat van:
1°.
de kosten van de realisatie van iedere bovenplanse infrastructurele voorziening bij de woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties;
2°.
de ten behoeve van de bovenplanse infrastructurele voorzieningen op basis van het Besluit Woningbouwimpuls 2020 verleende specifieke uitkeringen en eventuele andere ten behoeve van de bovenplanse infrastructurele voorzieningen vanwege het Rijk verleende bijdragen;
3°.
indien de voorziening een mobiliteitshub betreft:
i.
inzicht in het exploitatieresultaat, de onderliggende voorziene kosten, opbrengsten, en financiële parameters, waarbij indien de hub een combinatie betreft van bovenplanse en binnenplanse infrastructurele voorzieningen, duidelijk blijkt hoe deze kosten- en opbrengstenverdeling is opgebouwd; en
ii.
een beschrijving van de mobiliteitshub waaruit blijkt dat het gaat om een bovenplanse infrastructurele voorziening, dat de mobiliteitshub in eigendom is van en beheerd wordt door de gemeente of het openbaar lichaam;
4°.
het voorziene resterende tekort per woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties;
5°.
de eigen bijdrage van decentrale overheden en de bijdrage van private partijen in het voorziene resterende tekort per woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties;
6°.
de gevraagde specifieke uitkering per woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties;
7°.
het percentage van de gevraagde specifieke uitkering per woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties in het voorziene resterende tekort per woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties;
d.
het totaal aantal te realiseren woningen op de woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties;
e.
een tijdplanning van de realisatie van de woningen op de woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties en van de realisatie van de daarbij horende bovenplanse infrastructurele voorzieningen; en
f.
het bankrekeningnummer waarop het bedrag kan worden overgemaakt, inclusief een bewijs dat de bankrekening op naam van de aanvrager staat.
6
De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door de minister ter beschikking gesteld digitaal formulier.
Artikel
8
Aanvraag tot verlening specifieke uitkering door samenwerkingsverband
1
Een samenwerkingsverband bestaande uit minimaal twee en maximaal vier direct aan elkaar grenzende gemeenten kan een aanvraag voor een specifieke uitkering indienen. De penvoerder is een gemeente uit het samenwerkingsverband.
2
Indien de bovenplanse infrastructurele voorzieningen tevens provinciale bovenplanse infrastructurele voorzieningen bevatten, kan de desbetreffende provincie deelnemen in het samenwerkingsverband.
3
De aanvraag van een samenwerkingsverband betreft bovenplanse infrastructurele voorzieningen voor woningbouwlocaties met in totaal meer dan 200 woningen waarbij ten minste een bovenplanse infrastructurele voorziening alle woningbouwlocaties betreft.
4
Iedere woningbouwlocatie in de aanvraag omvat ten minste 100 woningen waarbij maximaal de helft van het totaal aantal woningbouwlocaties meer dan 200 woningen omvat.
5
Elke deelnemende gemeente draagt bij aan de regionale cofinanciering door het samenwerkingsverband.
6
De aanvraag gaat tevens in ieder geval vergezeld van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7, vijfde lid, met dien verstande dat het bankrekeningnummer het nummer van de penvoerder is inclusief een bewijs dat de bankrekening op naam van de penvoerder staat.
Onverminderd het zevende lid, bevat de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit subsidies I en M afspraken over het terugvorderen door de penvoerder van de verleende middelen indien de minister middelen terugvordert wegens het niet, niet tijdig of niet geheel voldoen aan de verplichtingen van deze regeling.
Artikel
9
Afwijzingsgronden
De minister kan afwijzend beslissen op een aanvraag indien:
a.
de aanvraag niet of niet geheel voldoet aan de voorwaarden in deze regeling;
b.
het totaal aantal op de woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties te realiseren woningen lager is dan het bij die woningbouwlocatie in de afsprakenlijst van een bestuurlijk overleg genoemde aantal of het aantal, bedoeld in artikel 8, derde en vierde lid;
c.
indien naar het oordeel van de minister onvoldoende zekerheid bestaat dat de aanvrager de realisatie van de desbetreffende bovenplanse infrastructurele voorzieningen kan financieren; of
d.
indien naar het oordeel van de minister op het moment van indienen van de aanvraag niet aannemelijk is dat zal worden voldaan aan een van de verplichtingen, bedoeld in artikel 13, derde, vierde of vijfde lid.
Artikel
10
Verlening specifieke uitkering
1
De minister besluit binnen dertien weken na ontvangst op een aanvraag.
2
Een besluit tot verlening van een specifieke uitkering vermeldt in ieder geval:
a.
de bovenplanse infrastructurele voorzieningen bij de woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties waarvoor een specifieke uitkering wordt verleend;
b.
het aantal te realiseren woningen;
c.
het bedrag van de specifieke uitkering per bovenplanse infrastructurele voorziening en in totaal;
d.
de wijze waarop het bedrag van de specifieke uitkering is bepaald;
het bedrag dat betrekking heeft op de compensabele omzetbelasting en dat wordt toegevoegd aan het BTW-compensatiefonds;
g.
het voorziene resterende tekort per woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties;
h.
het percentage van het bedrag van de specifieke uitkering in het voorziene resterende tekort per woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties; en
De minister kan in het besluit, bedoeld in het tweede lid, nadere voorwaarden aan de specifieke uitkering verbinden.
4
De bedragen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, zijn de bedragen exclusief verrekenbare en compensabele btw en zijn op basis van het prijspeil op het moment dat het bestuurlijk overleg heeft plaatsgevonden waarin de afspraak in de afsprakenlijst is opgenomen.
5
Indien een beschikking niet binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met eenzelfde termijn worden verlengd.
Artikel
11
Indexering
De bedragen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel c, worden jaarlijks op 1 oktober geïndexeerd overeenkomstig de door de Minister van Financiën aan de minister uitgekeerde Index Bruto Overheidsinvesteringen, voor zover die bedragen op die datum nog niet als voorschot zijn uitgekeerd.
Artikel
12
Voorschotverlening en wijze van uitkeren
1
De minister verleent bij het besluit tot verlening van een specifieke uitkering een voorschot ter hoogte van het totaalbedrag van de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel c.
2
Een voorschot als bedoeld in het eerste lid wordt uitgekeerd overeenkomstig de in het besluit tot verlening van de specifieke uitkering bepaalde termijnen.
3
Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, en de termijnbedragen, bedoeld in het tweede lid, worden voor zover deze nog niet zijn uitgekeerd jaarlijks op 1 oktober geïndexeerd overeenkomstig de door de Minister van Financiën aan de minister uitgekeerde Index Bruto Overheidsinvesteringen.
4
De minister kan de uitkering van het voorschot geheel of gedeeltelijk opschorten indien niet of niet geheel wordt voldaan aan de in deze regeling of bij het besluit tot verlening van de specifieke uitkering gestelde verplichtingen.
Artikel
13
Verplichtingen ontvanger
1
De ontvanger realiseert de bovenplanse infrastructurele voorzieningen waarvoor de specifieke uitkering is verleend uiterlijk op de datum die in het besluit tot verlening van een specifieke uitkering is vermeld.
2
De ontvanger besteedt de specifieke uitkering uitsluitend aan de bovenplanse infrastructurele voorzieningen waarvoor de specifieke uitkering is verleend.
3
De ontvanger start de realisatie van de woningen uiterlijk op de datum die in het besluit tot verlening van een specifieke uitkering is aangegeven.
4
De ontvanger start de realisatie van de laatst te realiseren woning uiterlijk op de datum die in het besluit tot verlening van een specifieke uitkering is aangegeven.
5
De ontvanger start de realisatie van de bovenplanse infrastructurele voorzieningen uiterlijk op de datum die in het besluit tot verlening van een specifieke uitkering is aangegeven.
6
Indien de bovenplanse infrastructurele voorziening een mobiliteitshub betreft, draagt de ontvanger er zorg voor dat:
a.
hij eigenaar wordt van de mobiliteitshub en die hub beheert;
b.
de mobiliteitshub als bovenplanse voorziening openbaar toegankelijk is en het aanbod op de hub publiek is te gebruiken;
c.
de mobiliteitshub is ontworpen conform de nationale hub-identiteit;
d.
hij afspraken maakt met aanbieders van mobiliteitsdiensten op de hub waarin de data-uitwisseling is geregeld over de hub en de daarin aangeboden publieke en private mobiliteitsdiensten als bedoeld in gedelegeerde verordening (EU) 2017/1926 van de Commissie van 31 mei 2017 tot aanvulling van Richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het aanbieden van EU-brede multimodale reisinformatiediensten en in de nationale afspraken hierover in het digitaal stelsel mobiliteitsdata; en
e.
hij deelneemt aan het landelijk programma mobiliteitshubs voor een gezamenlijke aanpak, waaronder monitoring en evaluatie, kennisuitwisseling en gezamenlijke afspraken.
7
De ontvanger doet onverwijld mededeling aan de minister zodra aannemelijk is dat:
a.
de realisatie van de bovenplanse infrastructurele voorzieningen op de woningbouwlocatie of groep van woningbouwlocaties niet, niet tijdig, of niet geheel zal worden gestart of afgerond;
b.
de realisatie van de woningen of van de laatst te realiseren woning op de woningbouwlocatie of groep van woningbouwlocaties niet, niet tijdig of niet geheel zal worden gestart;
c.
het in het besluit tot verlening van de specifieke uitkering genoemde totaal aantal te realiseren woningen niet of niet geheel zal worden gerealiseerd;
d.
niet aan andere in deze regeling of bij het besluit tot verlening van de specifieke uitkering gestelde verplichtingen wordt voldaan.
8
De ontvanger verstrekt, onverminderd het zevende lid, jaarlijks aan de minister uiterlijk op 1 juli beleidsinformatie over de beheersing van de risico’s, de voortgang van de voorbereidingen en de realisatie van de infrastructurele bovenplanse voorzieningen waarvoor een specifieke uitkering is verleend alsmede van de realisatie van de woningen op de woningbouwlocatie of woningbouwlocaties. Indien de voorziening een mobiliteitshub betreft wordt tevens ingegaan op de voorwaarden, bedoeld in artikel 7, vijfde lid, onderdeel b.
9
De ontvanger verleent op verzoek van de minister alle gevraagde medewerking aan een evaluatieonderzoek als bedoeld in artikel 19 die de minister redelijkerwijs nodig heeft voor de uitvoering van dat onderzoek.
Artikel
14
Wijziging specifieke uitkering op aanvraag
1
De minister kan het besluit tot verlening van de specifieke uitkering op aanvraag van de ontvanger wijzigen.
2
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid heeft betrekking op:
een wijziging van een bovenplanse infrastructurele voorziening waarvoor een specifieke uitkering is verstrekt.
3
In geval van een omstandigheid als bedoeld in artikel 13, zevende lid, kan de minister, mits er naar het redelijk oordeel van de minister sprake is van bijzondere omstandigheden, bij een besluit tot wijziging van het besluit tot verlening van een specifieke uitkering bepalen dat de realisatie van de woningen op de betreffende woningbouwlocatie of groep van woningbouwlocaties of de realisatie van de bovenplanse infrastructurele voorzieningen uiterlijk wordt gestart of afgerond op een ander moment dan bedoeld in artikel 13, derde, vierde of vijfde lid.
4
De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel b, kan uiterlijk worden ingediend tot de start van de realisatie van de bovenplanse infrastructurele voorziening waarop het oorspronkelijke besluit ziet.
5
Een wijziging als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, kan afwijken van een bovenplanse infrastructurele voorziening, genoemd in het besluit tot verlening van de specifieke uitkering, mits dezelfde woningbouwlocatie of groep van woningbouwlocaties wordt ontsloten waarvoor eerder de specifieke uitkering is verleend. De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel b, kan worden ingediend tot uiterlijk de datum, bedoeld in artikel 13, eerste lid.
6
Het bedrag van een gewijzigde specifieke uitkering is niet hoger dan het bedrag van de oorspronkelijke specifieke uitkering.
7
Het percentage van het bedrag van de specifieke uitkering in het voorziene resterende tekort per woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties is in het gewijzigde besluit niet hoger dan in het oorspronkelijke besluit.
8
Op aanvraag van de ontvanger kan naar het redelijk oordeel van de minister in afwijking van het zesde lid een hoger bedrag worden verleend mits daardoor het uitkeringsplafond, bedoeld in artikel 4, niet wordt overschreden. De minister kan daarbij afwijken van het percentage, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel h.
9
De minister besluit binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in het eerste en achtste lid.
10
Indien een beschikking niet binnen de termijn, bedoeld in het negende lid, kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met eenzelfde termijn worden verlengd.
Artikel
15
Wijziging specifieke uitkering in geval van een financieel tekort
1
De minister kan indien er vrijgevallen middelen beschikbaar zijn het besluit tot verlening van de specifieke uitkering op aanvraag van de ontvanger wijzigen indien de ontvanger aantoont dat er een financieel tekort is bij de realisatie van een bovenplanse infrastructurele voorziening, mits:
a.
voldaan blijft worden aan de eisen van deze regeling en voldaan wordt aan het besluit tot verlening van de specifieke uitkering met betrekking tot in ieder geval de te realiseren bovenplanse infrastructurele voorzieningen en woningen, met inachtneming van een gehonoreerde aanvraag als bedoeld in artikel 14;
b.
de ontvanger aantoont dat er geen mogelijkheden tot versobering of het treffen van alternatieve bovenplanse infrastructurele voorzieningen zijn of dat deze niet haalbaar zijn;
c.
de noodzaak van een aanvullende specifieke uitkering is getoetst door de minister; en
d.
er afspraken zijn gemaakt over de verdeling in een bestuurlijk overleg MIRT.
2
De specifieke uitkering, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste het aangevraagde bedrag maal het percentage, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel h.
3
De vrijgevallen middelen worden verdeeld overeenkomstig de afspraken die hierover zijn gemaakt in het desbetreffende bestuurlijk overleg MIRT.
4
De minister maakt het bedrag van de vrijgevallen middelen, bedoeld in artikel 4, vierde lid, en de openstelling van de aanvraagperiode bekend in de Staatscourant en vermeldt of het bedrag inclusief of exclusief compensabele btw is.
5
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, kan worden ingediend van 1 januari tot en met 31 maart van het desbetreffende kalenderjaar, mits de minister de aanvraagperiode heeft opengesteld.
Artikel
16
Verantwoording
1
De verantwoording over de besteding van een specifieke uitkering vindt plaats op de wijze die is bepaald in:
Voor zover een gemeente een uitkering heeft door verstrekt aan één of meerdere gemeenten, legt die gemeente of die gemeenten verantwoording af over de besteding van de uitkering met toepassing van artikel 17a, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet.
Artikel
17
Vaststelling specifieke uitkering
1
De minister stelt de specifieke uitkering vast uiterlijk 31 december van het kalenderjaar waarin de laatste verantwoording overeenkomstig artikel 16 heeft plaatsgevonden.
2
De minister kan de specifieke uitkering ambtshalve vaststellen indien uit de verantwoording, bedoeld in artikel 16, blijkt dat de ontvanger niet voldoet aan een verplichting als bedoeld in artikel 13, derde, vierde of vijfde lid. Een ambtshalve vaststelling kan zien op het bedrag van de specifieke uitkering per bovenplanse infrastructurele voorziening.
3
Een besluit tot vaststelling vermeldt in ieder geval:
a.
het bedrag van de vastgestelde specifieke uitkering;
b.
het uitgekeerde voorschot;
c.
indien van toepassing, het terug te vorderen bedrag.
4
In geval van een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, vermeldt het besluit op welke bovenplanse infrastructurele voorziening de vaststelling ziet.
5
De specifieke uitkering kan lager worden vastgesteld dan het bedrag dat bij verlening is vastgesteld, indien de ontvanger niet heeft voldaan aan een verplichting als bedoeld in artikel 13, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid of een in de beschikking opgenomen verplichting.
6
Indien uit de verantwoording blijkt dat het resterende tekort per woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties lager is dan het voorziene resterende tekort, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel g, dan wordt het bedrag van de specifieke uitkering niet hoger vastgesteld dan het percentage, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel h, van het resterende tekort.
Artikel
18
Hardheidsclausule
De minister kan een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang, bedoeld in artikel 2, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel
19
Evaluatie
In afwijking van artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht publiceert de minister uiterlijk 30 september 2034 en uiterlijk 30 september 2039 een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk.
Artikel
20
Inwerkingtreding en vervaldatum
1
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2026.
2
Deze regeling vervalt met ingang van 1 oktober 2039 met dien verstande dat zij van toepassing blijft op specifieke uitkeringen die voor die datum zijn verstrekt.
Artikel
21
Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling specifieke uitkering woningbouw en mobiliteit.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,V.P.G.Karremans