De overeenkomstsluitende partijen zijn het volgende overeengekomen:
Ad artikel 26 en Protocol 13
Vóór de inwerkingtreding van de Overeenkomst onderzoekt de Gemeenschap met de betrokken EVA-Staten of de voorwaarden zijn vervuld waaronder artikel 26 van de Overeenkomst, onverminderd de bepalingen van Protocol 13, lid 1, door de Gemeenschap en de betrokken EVA-Staten zal worden toegepast in de sector visserij;
Ad artikel 56, lid 3
De term “merkbaar” in artikel 56, lid 3, van de Overeenkomst wordt geacht de betekenis te hebben waarin hij is gebruikt in de bekendmaking van de Commissie inzake overeenkomsten van geringe betekenis die niet onder artikel 85, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap vallen (PB C 231 van 12.9.1986, blz. 2);
Ad artikel 90
In het reglement van orde van de EER-Raad zal worden bepaald dat de besluiten van de EVA-ministers met eenparigheid van stemmen worden genomen;
Ad artikel 91
Zo nodig stelt de EER-Raad in zijn reglement van orde de mogelijkheid vast om subcomités of werkgroepen op te richten;
Ad artikel 91, lid 2
In het reglement van orde van de EER-Raad zal worden bepaald dat de bewoordingen “wanneer de omstandigheden zulks vereisen” in artikel 91, lid 2, ook de situatie omvatten waarbij een overeenkomstsluitende partij in overeenstemming met artikel 89, lid 2, gebruik maakt van haar recht om iedere aangelegenheid aan de orde te stellen (“droit d'évocation”);
Ad artikel 94, lid 3
Het Gemengd Comité van de EER zal op een van zijn eerste vergaderingen bij de goedkeuring van zijn reglement van orde een besluit nemen over de oprichting van subcomités of werkgroepen die specifiek nodig zijn om het comité bij de uitvoering van zijn taken bij te staan, bij voorbeeld op het gebied van de oorsprong en in andere douane-aangelegenheden;
Ad artikel 102, lid 5
In geval van een voorlopige schorsing overeenkomstig artikel 102, lid 5, worden het toepassingsgebied en de inwerkingtreding daarvan duidelijk bekendgemaakt;
Ad artikel 102, lid 6
Artikel 102, lid 6, is uitsluitend van toepassing op daadwerkelijk verworven rechten maar niet op verwachtingen. Enkele voorbeelden van verworven rechten zijn:
-
-
een schorsing betreffende het vrije verkeer van werknemers heeft geen weerslag op het recht van een werknemer om te blijven wonen in een overeenkomstsluitende partij waarnaar hij al verhuisd was alvorens de regels werden geschorst;
-
-
een schorsing betreffende de vrijheid van vestiging heeft geen weerslag op de rechten van een onderneming in een overeenkomstsluitende partij waar de onderneming zich al had gevestigd alvorens de regels werden geschorst;
-
-
een schorsing betreffende investeringen, bijvoorbeeld in de vastgoedsector, heeft geen weerslag op investeringen die vóór het tijdstip van schorsing hadden plaatsgevonden;
-
-
een schorsing betreffende overheidsopdrachten heeft geen weerslag op de uitvoering van een opdracht die al vóór de schorsing was gegund;
-
-
een schorsing betreffende de erkenning van een diploma heeft geen weerslag op het recht van de houder van dat diploma om zijn beroepsactiviteit op grond van dat diploma voort te zetten in een overeenkomstsluitende partij die het diploma niet heeft uitgereikt;
Ad artikel 103
Indien een besluit door de EER-Raad wordt genomen is artikel 103, lid 1, van toepassing;
Ad artikel 109, lid 3
De term “toepassing” in artikel 109, lid 3, omvat ook de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst;
Ad artikel 111
Schorsing is niet in het belang van de goede werking van de Overeenkomst en dus dient alles in het werk te worden gesteld om zulks te vermijden;
Ad artikel 112, lid 1
De bepalingen van artikel 112, lid 1, bestrijken ook de situatie in een bepaald gebied;
Ad artikel 123
De partijen zullen de bepalingen van artikel 123 niet op onrechtmatige wijze aanwenden om de verbreiding van inlichtingen op hel gebied van de mededinging te voorkomen;
Ad artikel 129
Indien een van de partijen niet bereid zou zijn de Overeenkomst te bekrachtigen, herzien de ondertekenaars de situatie;
Ad artikel 129
Indien een van de partijen de Overeenkomst niet bekrachtigt, roepen de overige overeenkomstsluitende partijen een diplomatieke conferentie bijeen om de gevolgen van de niet-bekrachtiging voor de Overeenkomst te beoordelen en de mogelijkheid na te gaan om een protocol goed te keuren met de wijzigingen waarop de voorgeschreven binnenlandse procedures moeten worden toegepast. Die conferentie wordt bijeengeroepen zodra is duidelijk geworden dat een van de overeenkomstsluitende partijen de Overeenkomst niet zal bekrachtigen of ten laatste wanneer de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst niet is nageleefd;
Ad Protocol 3
De aanhangsels 2 tot 7 worden vóór de inwerkingtreding van de overeenkomst voltooid.
De aanhangsels 2 tot 7 worden zo spoedig mogelijk opgesteld en in ieder geval vóór 1 juli 1992. Wat aanhangsel 2 betreft, stellen deskundigen een lijst op van basisprodukten waarvoor prijscompensatie geldt, aan de hand van de basisprodukten waarop vóór de inwerkingtreding van de overeenkomst prijscompensatiemaatregelen in de overeenkomstsluitende partijen gelden;
Ad Protocol 3, artikel 11
Ten einde de toepassing van Protocol 2 bij de Vrijhandelsovereenkomsten te vergemakkelijken, worden de bepalingen van Protocol 3 bij elk van die Vrijhandelsovereenkomsten betreffende de definitie van het begrip produkten van oorsprong en de methoden van administratieve samenwerking vóór de inwerkingtreding van de EER-Overeenkomst gewijzigd. Die wijzigingen hebben tot doel bovengenoemde bepalingen, onder meer die betreffende het bewijs van oorsprong en de administratieve samenwerking, zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met de bepalingen van Protocol 4 van de EER-Overeenkomst, met handhaving van de diagonale cumulatie en van de overeenkomstige bepalingen die thans krachtens Protocol 3 van toepassing zijn. Die wijzigingen houden geen verandering in van de mate van liberalisatie die in het kader van de Vrijhandelsovereenkomsten tot stand is gebracht;
Ad Protocol 9
Vóór de inwerkingtreding van de Overeenkomst zetten de Gemeenschap en de betrokken EVA-Staten hun besprekingen voort over de aanpassing van de wetgeving in verband met de doorvoer van vis en visserijproduklen, ten einde tot een bevredigende regeling te komen;
Ad Protocol 11, artikel 14, lid 3
De Gemeenschap zal, onder volledige naleving van de coördinerende taak van de Commissie, directe contacten leggen als uiteengezet in werkdocument XXI/201/89 van de Commissie, waar zulks kan leiden tot een flexibele en doeltreffende functionering van dit protocol en voor zover zulks op basis van wederzijdsheid geschiedt;
Ad Protocol 16 en bijlage VI
De mogelijkheid om na het verstrijken van de overgangsperioden betreffende het vrije personenverkeer bilaterale overeenkomsten op het gebied van de sociale zekerheid te handhaven, kan bilateraal tussen Zwitserland en de betrokken landen worden besproken;
Ad Protocol 20
De overeenkomstsluitende partijen stellen in het kader van de betrokken internationale organisaties de regels op voor de toepassing van structurele verbeteringsmaatregelen op de Oostenrijkse vloot, rekening houdend met de mate waarin deze vloot zal deelnemen aan de markt waarvoor de structurele verbeteringsmaatregelen waren opgezet. Daarbij wordt naar behoren rekening gehouden met de datum waarop de verplichtingen van Oostenrijk in het kader van de structurele verbeteringsmaatregelen in werking treden;
Ad Protocollen 23 en 24 (artikel 12 betreffende de talen)
De Commissie van de EG en de toezichthoudende autoriteit van de EVA werken praktische regelingen uit voor wederzijdse bijstand of enige andere geschikte werkwijze, vooral in verband met de kwestie van vertalingen;
Ad Protocol 30
De volgende EG-Comités op het gebied van de statistische informatie zijn aangewezen als comités waaraan de EVA-landen volledig deelnemen overeenkomstig artikel 2 van bovengenoemd Protocol :
-
1.
Comité Statistisch Programma van de Europese Gemeenschappen
Als opgericht bij:
389 D 0382: Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad van 19 juni 1989 tot oprichting van een Comité Statistisch Programma van de Europese Gemeenschappen (PB nr. L 181 van 28.6.1989, blz. 47);
-
2.
Comité voor monetaire, financiële en betalingsbalansstatistiek
Als opgericht bij:
391 D 0115 : Besluit 91/115/EEG van de Raad van 25 februari 1991 tot oprichting van een Comité voor monetaire, financiële en betalingsbalansstatistiek (PB nr. L 59 van 6.3.1991, blz. 19);
-
3.
Comité statistisch geheim
Als opgericht bij:
390 R 1588: Verordening (Euratom, EEG) nr. 1588/90 van de Raad van 11 juni 1990 betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen (PB nr. L 151 van 15.6.1990, blz. 1);
-
4.
Comité voor de Harmonisatie van de opstelling van het BNP tegen marktprijzen
Als opgericht bij:
389 L 0130: Richtlijn 89/130/EEG, Euratom van de Raad van 13 februari 1989 betreffende de harmonisatie van de opstelling van het bruto nationaal produkt tegen marktprijzen (PB nr. L 49 van 21.2.1989, blz. 26);
-
5.
Raadgevend Comité voor statistische informatie op economische en sociaal gebied
Als opgericht bij:
391 D 0116: Besluit 91/116/EEG van de Raad van 25 februari 1991 tot oprichting van het Europees Raadgevend Comité voor statistische informatie op economisch en sociaal gebied (PB nr. L 59 van 6.3.1991, blz. 21).
De rechten en verplichtingen van de EVA-Staten in bovengenoemde EG-Comités worden geregeld door de gemeenschappelijke verklaring voor procedures die van toepassing zijn in gevallen waarin de EVA-Staten uit hoofde van artikel 76 en deel VI van de Overeenkomst en de overeenkomstige protocollen volledig aan de EG-Comités deelnemen;
Ad Protocol 36, artikel 2
De EVA-Staten besluiten vóór de inwerkingtreding van de Overeenkomst hoeveel leden van elk van hun Parlementen in het Gemengd Parlementair Comité zullen zetelen;
Ad Protocol 37
Overeenkomstig Protocol 23, artikel 6, slaat de verwijzing naar het Raadgevend Comité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities (Verordening (EEG) nr. 17/62 van de Raad) ook op de volgende comités:
-
-
het Raadgevend Comité voor mededingingsregelingen en economische machtposities op het gebied van het vervoer (Verordening (EEG) nr. 1017/68 van de Raad);
-
-
het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtposities op het gebied van het vervoer over zee (Verordening (EEG) nr. 4056/86 van de Raad);
-
-
het Adviescomité voor overeenkomsten en machtsposities in het luchtvervoer (Verordening (EEG) nr. 3975/87 van de Raad);
Ad Protocol 37
Op grond van de herzieningsclausule in artikel 101, lid 2, van de Overeenkomst, zal bij de inwerkingtreding van de Overeenkomst het volgende comité aan de lijst in protocol 37 worden toegevoegd:
Coördinatiegroep voor wederzijdse erkenning van hoger-onderwijsdiploma's (Richtlijn 89/48/EEG van de Raad).
De procedures voor de wijze van deelneming zullen nader worden vastgelegd;
Ad Protocol 47
Zij zullen een stelsel uitwerken voor wederzijdse bijstand tussen de instanties die zijn belast met de controle op de naleving van de communautaire en de nationale bepalingen in de wijnbouwsector, aan de hand van de ter zake doende bepalingen van Verordening (EEG) nr. 2048/89 van de Raad van 19 juni 1989 tot vaststelling van algemene regels inzake de controle in de wijnbouwsector. De nadere uitwerking van deze wederzijdse bijstand zal worden vastgesteld vóór de inwerkingtreding van de Overeenkomst. Tot dat systeem is uitgewerkt, zijn de ter zake doende bepalingen van de bilaterale overeenkomsten tussen de Gemeenschap en Zwitserland respectievelijk de Gemeenschap en Oostenrijk inzake samenwerking en controle in de wijnbouwsector van toepassing;
Ad bijlagen VI en VII
Vóór de inwerkingtreding van de EER-Overeenkomst dienen nog bijkomende specifieke aanpassingen als omschreven in een document van onderhandelingsgroep III van 11 november 1991 plaats te vinden op het gebied van de sociale zekerheid en de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties;
Ad bijlage VII
Vanaf de inwerkingtreding van de EER-Overeenkomst mag geen enkel land waarop deze Overeenkomst van toepassing is zich beroepen op artikel 21 van Richtlijn 75/362/EEG van de Raad van 16 juni 1975 (PB nr. L 167 van 30.6.1975, blz. 1) om van onderdanen van andere landen waarop de Overeenkomst van toepassing is, te eisen dat zij een aanvullende voorbereidende opleiding volgen om in aanmerking te komen voor aanwijzing als arts in het kader van een sociale-zekerheidsstelsel;
Ad bijlage VII
Vanaf de inwerkingtreding van de EER-Overeenkomst mag geen enkel land waarop deze Overeenkomst van toepassing is, zich beroepen op artikel 20 van Richtlijn 78/686/EEG van de Raad van 25 juli 1978 (PB nr. L 233 van 24.8.1978, blz. 1) om van onderdanen van andere landen waarop de Overeenkomst van toepassing is, te eisen dat zij een aanvullende voorbereidende opleiding volgen om in aanmerking te kunnen komen voor aanwijzing als beoefenaar van de tand- heelkunde in het kader van een sociale-zekerheidsstelsel;
Ad bijlage VII
Ingenieurs van de Stichting van het Zwitsers Register van Ingenieurs, Architecten en Technici (REG) vallen onder artikel 1, sub d), eerste alinea, van Richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 (PB nr. L 19 van 24.1.1989, blz. 16) betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten voor zover zij voldoen aan het bepaalde in artikel 1, sub a), van deze richtlijn;
Ad bijlage IX
Vóór 1 januari 1993 stellen Finland, IJsland en Noorwegen elk een lijst op van de verzekeringsondernemingen buiten de sector levensverzekering die zijn vrijgesteld van de voorschriften van de artikelen 16 en 17 van Richtlijn 73/239/EEG van de Raad (PB nr. L 228 van 16.8.1973, blz. 3) en doen die lijst aan de andere overeenkomstsluitende partijen toekomen;
Ad bijlage IX
Vóór 1 januari 1993 stelt IJsland een lijst op van de levensverzekeringsondernemingen die zijn vrijgesteld van de voorschriften in de artikelen 18, 19 en 20 van Richtlijn 79/267/EEG van de Raad (PB nr. L 63 van 13.3.1979. blz. 1) en doet die aan de andere overeenkomstsluitende partijen toekomen;
Ad bijlage XIII
De EVA-Staten onderzoeken Richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs, in overeenstemming met de onderling afgesproken procedure, met het oog op de opneming daarvan in bijlage XIII betreffende vervoer;
Ad bijlage XIII
De EVA-Staten die partij zijn bij de Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR) tekenen vóór de inwerkingtreding van de onderhavige overeenkomst het volgende voorbehoud bij de AETR aan: "Vervoer dat plaatsvindt tussen overeenkomstsluitende partijen van de EER wordt beschouwd als nationaal vervoer in de zin van de AETR, voor zover daarbij geen doorvoer plaatsvindt over het grondgebied van een derde land dat een partij bij de AETR is". De Gemeenschap neemt de nodige maatregelen om de overeenkomstige wijzigingen aan te brengen in het voorbehoud van de Lid-Staten van de EG;
Ad bijlage XVI
Artikel 100 van de Overeenkomst is van toepassing op de comités op het gebied van de overheidsopdrachten.