Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, geleid door de wens het op 29 april 1948 te Washington ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika met betrekking tot belastingen van inkomsten en bepaalde andere belastingen, zoals deze is gewijzigd en aangevuld bij het op 30 december 1965 te Washington ondertekende Aanvullende Verdrag, te vervangen door een nieuwe Overeenkomst;

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK

I

REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST

Artikel

1

Algemene reikwijdte

Artikel

2

Belastingen waarop de overeenkomst van toepassing is

HOOFDSTUK

II

BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel

3

Algemene begripsbepalingen

Artikel

4

Inwoner

Artikel

5

Vaste inrichting

HOOFDSTUK

III

BELASTINGHEFFING NAAR HET INKOMEN

Artikel

6

Inkomsten uit onroerende zaken

Artikel

7

Winst uit onderneming

Artikel

8

Scheepvaart en luchtvaart

Artikel

9

Gelieerde ondernemingen

Artikel

10

Dividenden

Artikel

11

Belastingheffing van vaste inrichtingen

Artikel

12

Interest

Artikel

13

Royalty's

Artikel

14

Vermogenswinsten

Artikel

15

Zelfstandige arbeid

Artikel

16

Niet-zelfstandige arbeid

Artikel

17

Bestuurders- en commissarissenbeloningen

Bestuurders- en commissarisenbeloningen (director's fees) of andere beloningen verkregen door een inwoner van een van de Staten in zijn hoedanigheid van lid van de raad van beheer, van bestuurder of van commissaris van een lichaam dat inwoner is van de andere Staat, mogen in die andere Staat worden belast. Dergelijke beloningen zijn echter slechts in de eerstbedoelde Staat belastbaar voor zover dergelijke beloningen verkregen zijn voor diensten die in die Staat zijn verricht.

Artikel

18

Artiesten en sportbeoefenaars

Artikel

19

Pensioenen, lijfrenten, alimentatieuitkeringen

Artikel

20

Overheidsfuncties

Artikel

21

Hoogleraren en docenten

Artikel

22

Studenten en personen in opleiding

Artikel

23

Overige inkomsten

HOOFDSTUK

IV

VERMIJDING VAN DUBBELE BELASTING

Artikel

24

Grondslag van de belastingheffing

Artikel

25

Vermijding van dubbele belasting

HOOFDSTUK

V

BIJZONDERE BEPALINGEN

Artikel

26

Beperkingen van voordelen

Artikel

27

Werkzaamheden buitengaats

Artikel

28

Non -discriminatie

Artikel

29

Regeling voor onderling overleg

Artikel

30

Uitwisseling van inlichtingen en administratieve bijstand

Artikel

31

Hulp en bijstand bij invordering

Artikel

32

Beperking van de artikelen 30 en 31

Artikel

33

Diplomatieke en consulaire ambtenaren

Artikel

34

Uitvoeringsvoorschriften

Artikel

35

Vrijgestelde pensioenfondsen

Artikel

36

Vrijgestelde organisaties

HOOFDSTUK

VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel

37

Inwerkingtreding

Artikel

38

Beëindiging

Deze Overeenkomst blijft van kracht totdat zij door een van de Staten wordt beëindigd. Elk van de Partijen kan de Overeenkomst langs diplomatieke weg beëindigen door ten minste zes maanden voor het einde van enig kalenderjaar na het verstrijken van een tijdvak van vijf jaar na de datum van haar inwerkingtreding een kennisgeving van beëindiging te doen. In dat geval houdt de Overeenkomst op van toepassing te zijn voor belastingjaren en -tijdvakken die aanvangen, of in het geval van aan de bron geheven belastingen, voor betalingen die zijn gedaan, na het einde van het kalenderjaar waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, deze Overeenkomst hebben getekend,

GEDAAN te Washington D.C. de achttiende december 1992, in tweevoud, in de Nederlandse en de Engelse taal, zijnde de twee teksten gelijkelijk authentiek.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) J. H. MEESMAN

Voor de Regering van de Verenigde Staten van Amerika,

(w.g.) EUGENE J. MCALLISTER

Nr.

I

DEPARTMENT OF STATE

WASHINGTON

Washington D.C., December 18, 1992

Excellentie,

Ik heb de eer te verwijzen naar de heden ondertekende Overeenkomst tussen de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk der Nederlanden tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en namens de Regering van de Verenigde Staten van Amerika het volgende voor te stellen:

Beide Regeringen bevestigen dat hun onderscheiden landen het beginsel erkennen dat de Overeenkomst, wanneer deze in werking is getreden, beide partijen bindt, en dat de Overeenkomst door hen in goed vertrouwen en in overeenstemming met de algemeen aanvaarde regels van het internationale recht moet worden toegepast. De Regeringen bevestigen voorts dat zij erkennen dat zij de invoering of interpretatie van wetgeving of andere nationale maatregelen, die de nakoming van hun verplichtingen op grond van de Overeenkomst voorkomt, moeten vermijden.

Anderzijds onderkennen beide Regeringen de mogelijkheid dat belangrijke wijzigingen in de nationale belastingwetgeving gevolgen kunnen hebben voor de implementatie van de Overeenkomst. De Regeringen zijn het er in beginsel over eens dat in zulke gevallen een passende wijziging van de Overeenkomst nodig zou kunnen zijn. Of en in welke mate zulk een wijziging nodig en aanvaardbaar is, zal worden vastgesteld in overleg en onderhandelingen tussen de twee Regeringen.

Bovendien geeft de Regering van de Verenigde Staten aan de Regering van Nederland de verzekering dat, wanneer een staat van of een lokale overheid in de Verenigde Staten voornemens is belasting te heffen over de inkomsten van een scheep- of luchtvaartmaatschappij die is gevestigd in Nederland, in omstandigheden waarin de Overeenkomst een federale inkomstenbelasting over die inkomsten zou uitsluiten, de Verenigde Staten zich met de staat of lokale overheid die voornemens is de belasting te heffen, in verbinding zullen stellen en zullen trachten die regering ervan te overtuigen af te zien van de belastingheffing.

Tenslotte hebben de onderhandelaars in de loop van de onderhandelingen die hebben geleid tot het sluiten van de heden ondertekende Overeenkomst een Memorandum van Overeenstemming opgesteld en hieromtrent overeenstemming bereikt, dat bedoeld is als richtlijn voor zowel de belastingplichtigen als de belastingautoriteiten van onze twee landen bij de interpretatie van diverse bepalingen die in de Overeenkomst zijn opgenomen. Het is het standpunt van mijn Regering dat, naarmate wij beide meer ervaring opdoen bij het uitvoeren van de Overeenkomst, de bevoegde autoriteiten in het kader van een regeling voor onderling overleg op grond van artikel 29 van de Overeenkomst wijzigingen op de overeenstemming en de interpretaties zoals neergelegd in het aangehechte Memorandum van Overeenstemming kunnen formuleren en publiceren.

Indien de bovengenoemde overeenstemming en interpretaties van de diverse bepalingen zoals neergelegd in het Memorandum van Overeenstemming de goedkeuring van de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden heeft kunnen wegdragen, dan vormt deze Nota en uw Nota in antwoord hierop een gemeenschappelijke en bindende overeenkomst tussen onze Regeringen ten aanzien van de Overeenkomst en de rol van het Memorandum van Overeenstemming met betrekking tot de Overeenkomst.

Gelief, Excellentie, de verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

Voor de Minister van Buitenlandse Zaken

(w.g.) EUGENE J. MCALLISTER

Zijne Excellentie

Mr. Hans Meesman

Ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden

Nr.

II

Washington D.C., 18 december 1992

Excellentie,

Ik heb de eer de ontvangst te bevestigen van uw Nota van heden die als volgt luidt:

(zoals in Nr. I)

Ik heb de eer u mede te delen dat mijn Regering met het vorenstaande akkoord gaat.

Gelief, Excellentie, de verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

J. H. MEESMAN

Hans Meesman

Ambassadeur van

het Koninkrijk der Nederlanden

Zijne Excellentie Lawrence S. Eagleburger

Minister van Buitenlandse Zaken van

de Verenigde Staten van Amerika

Overeenstemming betreffende de toepassing van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, ondertekend op 18 december 1992 en gewijzigd bij de protocollen ondertekend op 13 oktober 1993 en 8 maart 2004

I

Met betrekking tot het eerste lid van artikel 4 (Inwoner)

  • a.

    Het is wel te verstaan dat voor de toepassing van de Overeenkomst de Regering van een van de Staten, de staatkundige onderdelen of de plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, dienen te worden beschouwd als inwoners van die Staat.

  • b.

    Het is wel te verstaan dat een lichaam dat ingevolge het nationale recht van een Staat inwoner is of zou zijn van die Staat voor de uitvoering van de Overeenkomst niet wordt behandeld als inwoner van die Staat indien het ingevolge een verdrag inzake belastingen naar het inkomen tussen die Staat en een derde staat wordt behandeld als inwoner van de derde staat.

II

Met betrekking tot het vierde lid van artikel 4 (Inwoner)

Het is wel te verstaan dat, wanneer een lichaam inwoner is van Nederland ingevolge het eerste lid van artikel 4 (Inwoner) en dat lichaam, in verband met de toepassing van artikel 269B van de Internal Revenue Code, ingevolge het eerste lid van artikel 4 ook inwoner van de Verenigde Staten is, voor de toepassing van deze Overeenkomst onderwerp zal zijn van een onderlinge overlegprocedure geldt zoals nedergelegd in het vierde lid van artikel 4.

III

Met betrekking tot artikel 7 (Winst uit onderneming)

Het is wel te verstaan dat, indien een onderneming van een van de Staten een bedrijf uitoefent in de andere Staat door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting voor de toepassing van het eerste en tweede lid van artikel 7 (Winst uit onderneming), de voordelen van die vaste inrichtring niet worden bepaald op basis van het totaal van de voordelen van de onderneming, doch slechts op basis van dat deel van de voordelen van de onderneming dat aan de werkelijke activiteiten van de vaste inrichting met betrekking tot die bedrijfsuitoefening is toe te rekenen. In het bijzonder bij contracten betreffende het toezicht op, de levering, installatie of constructie van nijverheids- en handelsuitrusting en wetenschappelijke uitrusting of gebouwen, alsmede bij openbare werken, worden, indien de onderneming een vaste inrichting heeft, de voordelen van die vaste inrichting niet bepaald op basis van het totale bedrag van het contract, maar alleen dat deel van het contract dat werkelijk wordt uitgevoerd door de vaste inrichting. De voordelen die betrekking hebben op dat deel van het contract dat wordt uitgevoerd door het hoofdkantoor van de onderneming, worden niet belast in de Staat waar de vaste inrichting is gevestigd.

IV

Met betrekking tot artikel 9 (Gelieerde ondernemingen), artikel 12 (Interest) en artikel 29 (Regeling voor onderling overleg)

Niets in het eerste lid van artikel 9 (Gelieerde ondernemingen) of in het vijfde lid van artikel 12 (Interest) belet een van beide Staten het passende bedrag aan in aftrek toegelaten interest van een onderneming vast te stellen, niet alleen aan de hand van het bedrag van de interest met betrekking tot een bepaalde schuldvordering maar tevens aan de hand van het totale bedrag van de schuldenlast van de onderneming. In het kader van de regeling voor onderling overleg van artikel 29 (Regeling voor onderling overleg), wordt het bedrag aan in aftrek toegelaten interest vastgesteld op een wijze die in overeenstemming is met de beginselen van het eerste lid van artikel 9, in aanmerking nemend de voorwaarden in de handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen die bestaan tussen onafhankelijke ondernemingen die als willekeurige derden transacties aangaan. Die beginselen zijn uitgebreider onderzocht en toegelicht in OESO-publicaties betreffende „thin capitalization”.

V

Met betrekking tot artikel 9 (Gelieerde ondernemingen) en artikel 29 (Regeling voor onderling overleg)

In overeenstemming met het derde lid van artikel 29 (Regeling voor onderling overleg) trachten de bevoegde autoriteiten in onderling overleg elk geval van dubbele belasting te regelen dat zich voordoet door de toerekening van voordelen, aftrekposten, verrekeningen of tegemoetkomingen veroorzaakt door de toepassing van de nationale wetgeving betreffende „thin capitalization, „earnings stripping” of verrekenprijzen of van andere bepalingen die mogelijk aanleiding kunnen zijn tot dubbele belastingheffing. In deze procedure voor onderling overleg wordt de juiste toerekening van voordelen, aftrekposten, verrekeningen of tegemoetkomingen op basis van deze Overeenkomst bepaald op een wijze die in overeenstemming is met de beginselen van het eerste lid van artikel 9 (Gelieerde ondernemingen), in aanmerking nemend de voorwaarden in de handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen die bestaan tussen onafhankelijke ondernemingen die als willekeurige derden transacties aangaan. In overeenstemming met de regelingen voor onderling overleg van andere overeenkomsten betreffende inkomstenbelasting, met inbegrip van die welke door beide Staten gesloten zijn, kan een procedure op basis van artikel 29 betreffende een aanpassing van de toerekening van inkomen, aftrekposten, verrekeningen en tegemoetkomingen door een van de Staten hetzij een overeenkomstige aanpassing door de andere Staat, hetzij een gehele of gedeeltelijke herziening door de eerstbedoelde Staat van diens oorspronkelijke aanpassing tot gevolg hebben.

VI

Met betrekking tot het tweede lid, onderdeel a, en het zesde lid van artikel 10 (Dividenden)

Het is wel te verstaan dat een uiteindelijk gerechtigde van de dividenden, die depotbewijzen of trustcertificaten houdt, welke het bezit als uiteindelijk gerechtigde van de aandelen in plaats van aandelen zelf in het desbetreffende lichaam aantonen, ook een beroep kan doen op de voordelen van het tweede lid, onderdeel a, van artikel 10 (Dividenden). Bovendien is het wel te verstaan, dat ingeval een persoon aandelen (of andere rechten waarvan de voordelen voor de belastingheffing op dezelfde wijze worden behandeld als inkomsten uit aandelen) uitleent, waarbij de lener zich verplicht tot het betalen van een bedrag gelijk aan enig uitgekeerd dividend ten aanzien van de aandelen of andere uitgeleende rechten gedurende de looptijd van die lening, zulk een persoon met het oog op de toepassing van artikel 10 voor elk zodanig bedrag wordt behandeld als de uiteindelijk gerechtigde van de betaalde dividenden ten aanzien van zulke aandelen of andere rechten.

VIII

Met betrekking tot het derde lid van artikel 10 (Dividenden), het derde lid van artikel 11 (Belastingheffing van vaste inrichtingen) en het zevende lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

Het is wel te verstaan dat een inwoner die in aanmerking zou komen voor voordelen uit hoofde van het derde lid, onderdeel a, van artikel 10 (Dividenden) of artikel 11 (Belastingheffing van vaste inrichtingen), maar daar niet voor in aanmerking komt vanwege het feit dat hij de desbetreffende aandelen heeft verworven op of na 1 oktober 1998, niet wordt belet de bevoegde autoriteit uit hoofde van het derde lid, onderdeel d, van dat artikel te verzoeken om een vaststelling, mits hij tevens niet voldoet aan de vereisten van het derde lid, onderdelen b en c.

IX

Met betrekking tot het eerste lid van artikel 14 (Vermogenswinsten)

De Verenigde Staten bevestigen dat bij het vaststellen of voor de toepassing van het eerste lid van artikel 14 (Vermogenswinsten) de activa van een rechtspersoon die inwoner is van de Verenigde Staten al dan niet, middellijk of onmiddellijk, voor het grootste deel bestaan uit in de Verenigde Staten gelegen onroerende zaken, en of de aandelen van zulk een rechtspersoon, al dan niet een „United States real property interest” vormen, rekening zal worden gehouden met de redelijke waarde in het economisch verkeer van alle activa van de rechtspersoon, met inbegrip van de onlichamelijke bedrijfsactiva, zoals goodwill, ongeacht of deze voor belastingdoeleinden als activum op de balans is opgenomen, de going-concernwaarde en de intellectuele eigendom.

X

Met betrekking tot het achtste lid van artikel 14 (Vermogenswinsten)

Het is wel te verstaan dat het achtste lid van artikel 14 (Vermogenswinsten) niet van toepassing is op vervreemding van eigendommen van een inwoner van een van de Staten, indien de belasting die anders bij zulk een vervreemding door de andere Staat zou zijn geheven niet redelijkerwijs op een later tijdstip geheven of ingevorderd kan worden. Zo zou een buitenlandse rechtspersoon die ingevolge de nationale wetgeving van de Verenigde Staten aangemerkt wordt als een „United States real property holding corporation” onder sommige omstandigheden worden belast indien deze in het kader van een reorganisatie activa overbrengt naar een rechtspersoon van de Verenigde Staten. In zulk een geval kan, uitsluitend indien de aandeelhouders van zulk een buitenlandse rechtspersoon in het kader van een „closing agreement” instemmen met het verminderen van de waardegrondslag (indien en voorzover daar ruimte voor is) de belasting die anders zou zijn geheven over zulk een vervreemding redelijkerwijs worden geheven of ingevorderd op een later tijdstip.

XI

Met betrekking tot het vierde lid van artikel 19 (Pensioenen, alimentatieuitkeringen)

Het is wel te verstaan dat met de uitdrukking „andere publiekrechtelijke pensioenen”, zoals gebezigd in het vierde lid van artikel 19 (Pensioenen, lijfrenten, alimentatieuitkeringen), is bedoeld te verwijzen naar de „United States tier 1 Railroad Retirement”-uitkeringen.

XII

Met betrekking tot het zevende, achtste, negende en tiende lid van artikel 19 (Pensioenen, lijfrenten, alimentatieuitkeringen)

Het is wel te verstaan dat onder de uitdrukking „vrijgesteld pensioenfonds" tevens worden verstaan de regelingen die voor de toepassing van artikel 35 (Vrijgestelde pensioenfondsen) worden aangemerkt als vrijgestelde pensioenfondsen.

XIII

Met betrekking tot het elfde lid van artikel 19 (Pensioenen, lijfrenten, alimentatieuitkeringen)

Het is wel te verstaan dat de bevoegde autoriteiten van beide Staten zullen overleggen teneinde regels overeen te komen ter verlichting van de administratieve lasten die voortvloeien uit de waarborgen die van de vrijgestelde pensioenfondsen verplicht zijn worden gevraagd. Met deze regels wordt tevens beoogd de administratieve lasten die kunnen voortvloeien uit het Nederlandse recht voorvan de leden of uiteindelijk gerechtigden die kunnen voortvloeien uit het Nederlandse recht te verlichten.

XIV

Met betrekking tot het vierde lid van artikel 24 (Grondslag van de belastingheffing)

  • a.

    Het is wel te verstaan dat, indien uit hoofde van het vierde lid van artikel 24 (Grondslag van de belastingheffing) een inkomensbestanddeel door een Staat wordt aangemerkt als zijnde verkregen door een persoon die inwoner is van die Staat en dat inkomensbestanddeel door de andere Staat wordt aangemerkt als zijnde verkregen door een persoon die inwoner is van die andere Staat, dat lid geen van beide Staten belet het inkomensbestanddeel te belasten als inkomen van de persoon die door die Staat wordt aangemerkt als zijnde degene die het inkomensbestanddeel heeft verworven. Het onderstaande voorbeeld demonstreert de toepassing van de vorige alinea:

    Z, natuurlijke persoon en inwoner van Nederland, is enig aandeelhouder van Y, een Amerikaanse vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (LLC). Y is eigenaar van X, een Amerikaanse rechtspersoon.

    Y heeft er krachtens de Amerikaanse entity classification rules voor gekozen belast te worden als zijnde een Amerikaanse rechtspersoon.

    Krachtens het Nederlandse recht wordt Y in deze situatie evenwel behandeld als een fiscaal transparante entiteit. Op datum A keert X $100 aan dividend uit aan Y. Op datum B keert Y $100 dividend uit aan Z. Krachtens het Nederlandse recht wordt het door X aan Y uitgekeerde dividend aangemerkt als zijnde ontvangen door Z. De twee Staten zijn overeengekomen dat in deze situatie de Verenigde Staten niet belet worden hun volledige fiscale bevoegdheid ten aanzien van Y uit te oefenen (die wordt aangemerkt als een Amerikaanse rechtspersoon) en dat de Verenigde Staten de dividenduitkeringen van X aan Y en van Y aan Z dienovereenkomstig in overeenstemming met hun nationale recht mogen belasten. Ten aanzien van de dividenduitkering van Y aan Z, wordt het belastingtarief dat op het dividend van toepassing is bepaald in overeenstemming met artikel 10.

  • b.

    De bevoegde autoriteit van een Staat kan de voordelen van de Overeenkomst ten aanzien van een inkomensbestanddeel toekennen aan een inwoner van de andere Staat, hoewel het uit hoofde van de wetten van die andere Staat niet wordt aangemerkt als inkomen van die inwoner in gevallen waarin het inkomen zou zijn vrijgesteld van belasting indien het zou zijn aangemerkt als het inkomen van die inwoner.

    Het onderstaande voorbeeld illustreert de toepassing van de vorige alinea:

    Z is een vrijgesteld pensioenfonds in de zin van artikel 35 (Vrijgestelde pensioenfondsen) en voor de toepassing van de Overeenkomst inwoner van Nederland. Z maakt deel uit van Y, een Amerikaanse vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die er vanwege Amerikaanse fiscale doeleinden voor heeft gekozen als fiscaal transparant te worden behandeld.

    Vanwege bepaalde kenmerken is Y niet-transparant volgens Nederlands recht. Y bezit aandelen in een aantal Amerikaanse lichamen die binnenkort dividend uitkeren.

    Volgens de algemene regel van het vierde lid van artikel 24 (Grondslag van de belastingheffing), zou Z geen recht hebben op de voordelen overeenkomstig artikel 10 (Dividenden), aangezien de inkomsten verworven door Y door Nederland niet worden aangemerkt als de inkomsten van Z. De bevoegde Amerikaanse autoriteit kan evenwel bepalen dat Z wel recht heeft op de voordelen, aangezien Z ook vrijgesteld zou zijn van belastingen naar het inkomen, indien zou worden aangenomen dat Z de inkomsten wel heeft verworven.

XV

Met betrekking tot artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

Het is wel te verstaan dat met de uitdrukking „bruto-inkomen” wordt bedoeld de totale inkomsten uit de hoofdwerkzaamheden verworven door een inwoner van een Staat minus de directe kosten gemoeid met het verwerven van die inkomsten.

XVI

Met betrekking tot het tweede lid, onderdeel f, en het derde lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

Het is wel te verstaan dat het bewijs dat een in Nederland gevestigde beleggingsinstelling (beleggingsinstelling in de zin van artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969) heeft van het aantal van haar in Nederland gevestigde aandeelhouders – natuurlijke personen en rechtspersonen – als gevolg van de procedure die zulk een in Nederlandse gevestigde beleggingsinstelling toepast bij het verzoeken om een teruggaaf van op haar buitenlands dividend en interest ingehouden belasting op grond van het eerste lid, onderdeel b, van artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, door zulk een Nederlandse beleggingsinstelling kan worden gebruikt om aan te tonen dat zij voldoet aan de vereisten van het tweede lid, onderdeel f, onderscheidenlijk het derde lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen).

XVII

Met betrekking tot het tweede en vijfde lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

De bevoegde autoriteiten kunnen, in wederzijds overleg en niettegenstaande de bepalingen van deze leden overgangsregels vaststellen voor nieuw opgerichte bedrijfsmatige activiteiten, bedrijfsonderdelen of hoofdkantoren.

XVIII

Met betrekking tot het derde lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

Het volgende voorbeeld illustreert de toepassing van het derde lid van artikel 26. Een in Nederland gevestigd lichaam Y bezit alle aandelen van Z, een in de Verenigde Staten gevestigd lichaam.

Y is 100% eigendom van X, een lichaam gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, dat niet in aanmerking komt voor alle voordelen van het Brits-Amerikaanse verdrag inzake inkomstenbelasting, maar mogelijk wel voor de voordelen met betrekking tot bepaalde inkomensbestanddelen op grond van het „active trade or business"-criterium uit het Brits-Amerikaanse belastingverdrag.

X op zijn beurt behoort volledig toe aan W, in een Frankrijk gevestigd lichaam, waarvan de aandelen in wezenlijke mate en regelmatig worden verhandeld op de Parijse effectenbeurs.

Z keert een dividend uit aan Y.

Ten behoeve van dit voorbeeld wordt aangenomen dat Y niet in aanmerking komt voor de voordelen van het tweede lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen).

Aangenomen dat voldaan wordt aan de vereisten van het derde lid, onderdeel b, van artikel 26, komt Y echter wel in aanmerking voor de voordelen uit het derde lid van artikel 26.

Y behoort rechtstreeks toe aan X, die geen gelijkwaardig gerechtigde is in de zin van het achtste lid, onderdeel f, van artikel 26 (X komt niet in aanmerking voor alle voordelen uit het Brits-Amerikaanse belastingverdrag).

Y behoort echter ook indirect toe aan W, die een gelijkwaardig gerechtigde is wat betreft de voordelen uit het tweede lid, onderdeel a, van artikel 10, in de zin van het achtste lid, onderdeel f, van artikel 26 (omdat W een in Frankrijk gevestigd lichaam is waarvan de aandelen in wezenlijke mate en regelmatig verhandeld worden op een erkende effectenbeurs in de zin van het artikel inzake de beperking van voordelen uit het Frans-Amerikaanse verdrag inzake inkomstenbelasting).

Dienovereenkomstig wordt in overeenstemming met het tweede lid, onderdeel a, van artikel 10 op het dividend van Z aan Y bronbelasting ingehouden tegen een percentage van 5 percent.

XIX

Met betrekking tot het vierde lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

Het is wel te verstaan dat een inkomensbestanddeel dient te worden aangemerkt als zijnde verworven „in verband met” de actieve uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten in een Staat, indien de activiteit waarmee het inkomensbestanddeel in de andere Staat wordt verworven behoort tot een bedrijfsactiviteit die deel uitmaakt van of aanvullend is op de in de eerstbedoelde Staat verrichte bedrijfsmatige activiteiten.

De bedrijfsactiviteiten in de eerstbedoelde Staat kunnen „stroomopwaarts” liggen ten opzichte van die welke plaatsvinden in de andere Staat (bijvoorbeeld de toelevering van onderdelen ten behoeve van het productieproces dat plaatsvindt in die andere Staat), „stroomafwaarts” (bijvoorbeeld de verkoop van de producten van een fabrikant die gevestigd is in de andere Staat) of „parallel” (bijvoorbeeld de verkoop in de ene Staat van dezelfde soort producten als die welke worden verkocht in het kader van de bedrijfsmatige activiteiten die worden verricht in de andere Staat). Het is wel te verstaan dat een inkomensbestanddeel afkomstig uit een Staat wordt aangemerkt als „bijkomstig voordeel” van de bedrijfsmatige activiteiten verricht in de andere Staat indien het inkomensbestanddeel niet wordt gegenereerd door een bedrijfsactiviteit die deel uitmaakt van of aanvullend is op de door de ontvanger van het inkomensbestanddeel in die andere Staat verrichte bedrijfsmatige activiteiten, maar de productie van dat bestanddeel de uitvoering van de bedrijfsmatige activiteiten in die Staat bevordert. Een voorbeeld van een dergelijk bijkomstig inkomensbestanddeel is interest uit een kortetermijninvestering van bedrijfskapitaal of een inwoner van een Staat in de vorm van effecten uitgegeven door een persoon in de andere Staat.

XX

Met betrekking tot het vierde lid, onderdeel a, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

Het is wel te verstaan dat voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel a, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen) een bank alleen dan wordt geacht actief het bankbedrijf uit te oefenen als deze regelmatig stortingen ontvangt van en leningen verstrekt aan het publiek en een verzekeringsmaatschappij alleen dan wordt geacht actief het verzekeringsbedrijf uit te oefenen indien haar bruto-inkomen voornamelijk bestaat uit verzekerings- of herverzekeringspremies alsmede beleggingsinkomen dat toegerekend kan worden aan zulke premies.

XXII

Met betrekking tot het vierde lid, onderdeel b, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

Het is wel te verstaan dat met het wezenlijkheidsvereiste van onderdeel b beoogd wordt gevallen van „verdragshoppen" te voorkomen waarbij lichamen trachten in aanmerking te komen voor de voordelen van de Overeenkomst door middel van minimale gelieerde bedrijfsmatige activiteiten met geringe economische kosten of weinig invloed op het algehele bedrijfsresultaat.

Of een bedrijfsmatige activiteit wezenlijk is voor de toepassing van dit lid wordt vastgesteld op grond van alle feiten en omstandigheden. Bij deze vaststelling wordt rekening gehouden met de relatieve omvang van de bedrijfsmatige activiteiten in elke Overeenkomstsluitende Staat (gemeten naar de waarden van de activa, inkomsten en loonkosten), de aard van de activiteiten verricht in elke Overeenkomstsluitende Staat, en, in de gevallen waarin een bedrijfsmatige activiteit wordt verricht in beide Overeenkomstsluitende Staten, de relatieve bijdragen daaraan in elke Overeenkomstsluitende Staat. Bij elke vaststelling of vergelijking wordt naar behoren rekening gehouden met de relatieve omvang van de Amerikaanse en de Nederlandse economie.

Een bedrijfsmatige activiteit wordt in ieder geval evenwel aangemerkt als wezenlijk indien in het voorgaande belastingjaar of over het gemiddelde van de afgelopen drie belastingjaren de waarde van de activa, de bruto-inkomsten en de loonkosten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteiten in de eerstbedoelde Staat ten minste 7,5 percent bedraagt van het evenredige aandeel van de inwoner (en eventuele gelieerde partijen) in respectievelijk de activa, de bruto-inkomsten en de loonkosten waarmee de inkomsten in de andere Staat zijn gegenereerd en het gemiddelde van de drie verhoudingsgetallen meer bedraagt dan 10 percent.

Indien de inwoner middellijk of onmiddellijk minder dan 100 percent van een in een van beide Staten verrichte activiteit bezit, wordt alleen het evenredige belang van de inwoner in die activiteit in aanmerking genomen ten behoeve van het criterium bedoeld in deze alinea.

De onderstaande voorbeelden illustreren de toepassing van het wezenlijkheidsvereiste.

Voorbeeld 1

  • i.

    V, inwoner van een land dat geen belastingverdrag met Nederland heeft, wenst een Nederlandse financiële instelling te verwerven. Aangezien het land waar V gevestigd is geen belastingverdrag met Nederland heeft, zou over alle dividenden die gegenereerd worden via de investering 25% aan Nederlandse bronbelasting geheven worden.

    V richt een Amerikaanse rechtspersoon op met een kantoor in een kleine stad die investeringsadviezen geeft aan de lokale inwoners. Die Amerikaanse rechtspersoon verwerft de Nederlandse financiële instelling met behulp van kapitaal verschaft door V.

  • ii.

    De Nederlandse bron van inkomsten wordt gegenereerd met bedrijfsmatige activiteiten in Nederland die in verband staan met de adviespraktijk van de Amerikaanse moedermaatschappij. Dit voorbeeld zou echter niet beantwoorden aan het wezenlijkheidscriterium, dus op de dividenden zou 25% worden ingehouden in plaats van het percentage vervat in artikel 10 (Dividenden).

Voorbeeld 2

  • i.

    S is een in Nederland opgezette, beheerde bankorganisatie waarover vanuit Nederland zeggenschap wordt uitgeoefend. S telt een groot aantal plaatselijke filialen en cliënten in Nederland en voldoende medewerkers voor de bancaire dienstverlening aan die cliënten. Aangezien de bancaire markt in Nederland veel concurrenten telt, heeft S echter besloten buiten Nederland filialen op te zetten teneinde zijn zakelijke activiteiten uit te breiden. S heeft daarom in diverse grote steden in de Verenigde Staten filialen opgezet teneinde daar dezelfde soort bancaire activiteiten te ontplooien als in Nederland.

    Na verloop van tijd zijn de Amerikaanse filialen aanzienlijk gegroeid en inmiddels qua omvang vergelijkbaar met het totaal van S' bedrijfsmatige activiteiten in Nederland.

  • ii.

    De activiteiten van S' Amerikaanse filialen zijn gerelateerd aan de bedrijfsmatige activiteiten die S verricht in Nederland. Aangezien S een groot aantal filialen en medewerkers heeft in Nederland, zijn zijn activiteiten in Nederland wezenlijk in de zin van het vierde lid, onderdeel b, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen).

Voorbeeld 3

NlCo, een Nederlandse rechtspersoon, bezit 100 percent van het aandelenkapitaal van USCo, een Amerikaanse rechtspersoon, en 50 percent van het aandelenkapitaal van NLSub, een Nederlandse rechtspersoon. NLCo verricht geen rechtstreekse bedrijfsmatige activiteiten. USCo en NLSub zijn actief in de muziekbranche. USCo heeft een aantal medewerkers die verantwoordelijk zijn voor het scouten van nieuwe artiesten om opnames te maken. USCo produceert tevens opnames en is verantwoordelijk voor de productie en distributie binnen de Verenigde Staten. De medewerkers van NLSub zijn verantwoordelijk voor de promotie van deze opnames in Nederland en het opzetten van een distributiestrategie voor de rest van Europa. De verkopen van Amerikaanse artiesten in Europa vormen een wezenlijke bijdrage aan het rendement van USCo.

NLCo ontvangt interest en dividenden van USCo. Om deze betalingen in aanmerking te laten komen voor de voordelen uit de Overeenkomst op grond van het vierde lid van artikel 26, dient NLCo te worden aangemerkt als zijnde betrokken bij de actieve uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten in Nederland.

Omdat NLCo en USCo gelieerd zijn, moeten de in Nederland verrichte en aan NLCo toegeschreven activiteiten uit hoofde van het vierde lid, onderdeel b, wezenlijk zijn ten opzichte van de activiteiten verricht door USCo. NLCo zal geacht worden aan dit vereiste te voldoen indien de activa, inkomsten en loonkosten die aan NLCo toegerekend kunnen worden ten minste 10% bedragen van de activa, inkomsten en loonkosten die aan USCo kunnen worden toegerekend en per post ten minste 7,5%.

Voor elk van de laatste vier afgesloten belastingjaren bedroegen de waarde van de activa, bruto inkomsten en loonkosten van deze rechtspersonen die aan de bedrijfsmatige activiteiten kunnen worden toegerekend:

USCo

NLSub

Activa

Inkomsten

Loonkosten

$300

50

60

$50

10

10

NLCo heeft geen activa, inkomsten of loonkosten die toegerekend kunnen worden aan de bedrijfsmatige activiteiten. De activa, inkomsten en loonkosten van NLSub die verband houden met de bedrijfsmatige activiteiten kunnen uit hoofde van onderdeel c echter wel worden toegerekend aan NLCo, aangezien NLCo vanwege zijn belang van 50% in NLSub als uiteindelijk gerechtigde gelieerd is aan NLSub. Daarom wordt 50% van de activa, inkomsten en loonkosten van NLSub toegerekend aan NLCo. De aan NLCo toegerekende bedragen en de percentages van de daarmee overeenstemmende bedragen van USCo zijn:

NLCo

NLCo als percentage van USCo

Activa

Inkomsten

Loonkosten

$25

5

5

$8,3

10,0

8,3

Aangezien geen van de percentages meer dan 10 percent bedraagt, voldoet NLCo niet aan de voorwaarden van het wezenlijkheidsvereiste zoals hierboven omschreven. Ook wanneer gekeken zou worden naar het gemiddelde over drie jaar zou de uitkomst niet veranderen, aangezien de desbetreffende bedragen over de drie voorafgaande jaren (en de daaruit voortvloeiende percentages) gelijk zijn aan die van het eerste eraan voorafgaande belastingjaar.

NLCo zal niettemin in aanmerking komen voor de voordelen in verband met de dividenden ontvangen van USCo. Gelet op de bijdragen van elk lichaam aan de totale bedrijfsmatige activiteiten van de groep, zijn de activiteiten verricht door NLSub wezenlijk ten opzichte van die van USCo.

XXIII

Met betrekking tot het vijfde lid, onderdeel a, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

  • a.

    Voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel a, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen) is het wel te verstaan dat de aldaar bedoelde activiteiten dienen te worden verricht in de woonstaat van de persoon die die activiteiten verricht.

  • b.

    Het is wel te verstaan dat voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel a, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen) een persoon alleen dan beschouwd zal worden zich bezig te houden met toezichthoudende en bestuurlijke werkzaamheden, indien hij zich bezighoudt met een aantal van de hieronder genoemde werkzaamheden.

Zo wordt een persoon als hoofdkantoor beschouwd indien hij eenbelangrijk aantal van de volgende functies verricht ten behoeve van het concern: concernfinanciering (hetgeen niet de primaire taak mag zijn), prijsbepaling, marketing, interne auditscontrole, interne communicatie en intern management. Een eenvoudige vergelijking van het bedrag van het bruto-inkomen dat het hoofdkantoor ontvangt uit hoofde van zijn verschillende werkzaamheden is niet het enige criterium aan de hand waarvan mag worden vastgesteld of concernfinanciering, al dan niet, de primaire taak van het lichaam is. De bovengenoemde functies zijn bedoeld als aanduiding van de soorten werkzaamheden die een hoofdkantoor geacht wordt te verrichten. Deze opsomming beoogt niet uitputtend te zijn.

Voorts is het wel te verstaan dat bij het bepalen of een wezenlijk deel van het toezicht en het bestuur van de concernonderdelen door het hoofdkantoor wordt verricht, de werkzaamheden die door het kantoor in zijn functie als hoofdkantoor voor die concernonderdelen worden verricht wezenlijk dienen te zijn in vergelijking met dezelfde werkzaamheden die binnen de multinational voor diezelfde concernonderdelen worden verricht.

Het volgende voorbeeld moge dit verduidelijken. Een Japanse rechtspersoon richt in Nederland een dochtermaatschappij op, die als hoofkantoor moet gaan fungeren voor de Europese en Noord-Amerikaanse werkzaamheden.

De Japanse rechtspersoon heeft twee andere dochtermaatschappijendie als hoofdkantoor fungeren: een voor Afrikaanse en een voor de Aziatische werkzaamheden. Het Nederlandse hoofdkantoor is de moedermaatschappij voor de dochtermaatschappijen die de Europese en Noord-Amerikaanse werkzaamheden verrichten. Het Nederlandse hoofdkantoor houdt toezicht op het grootste deel van de prijsbepaling, marketing, interne controle, interne informatieverschaffing en het management van de onder zijn bestuur vallende concernonderdelen. Alhoewel de Japanse topholding aan alle dochtermaatschappijen richtlijnen geeft met betrekking tot het mondiale beleid ten aanzien van elk van de vorengenoemde activiteiten en er op toeziet dat deze richtlijnen binnen elk van de regionale concernonderdelen worden uitgevoerd, is het Nederlandse hoofdkantoor het kantoor dat het bestuur uitoefent en het toezicht houdt op de wijze waarop deze beleidsregels worden uitgevoerd de onder zijn bestuur vallende concernonderdelen. Het vermogen dat en de loonkosten die door de Japanse topholding worden besteed aan deze werkzaamheden voor de concernonderdelen die onder het bestuur van het Nederlandse hoofdkantoor vallen, zijn verhoudingsgewijs gering in vergelijking met het vermogen en de loonkosten die door het Nederlandse hoofdkantoor aan deze werkzaamheden worden besteed. Bovendien verrichten noch de andere twee hoofdkantoren noch enig ander gelieerd lichaam naast de Japanse topholding de bovengenoemde werkzaamheden ten behoeve van die concernonderdelen die onder het bestuur van het Nederlandse hoofdkantoor vallen. In dit voorbeeld wordt het Nederlandse hoofdkantoor geacht te voorzien in een wezenlijk deel van het totale toezicht en bestuur van de concernonderdelen, die onder zijn bestuur vallen.

XXIV

Met betrekking tot het zevende lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

  • a.

    Het is wel te verstaan dat aan een lichaam gevestigd in een van de Staten krachtens het zevende lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen) ter zake van inkomen dat ontvangen is uit de andere Staat alle voordelen van de Overeenkomst worden toegekend die ook worden toegekend aan inwoners van een Staat, mits het lichaam voldoet aan een eventuele andere gespecificeerde voorwaarde voor het verkrijgen van deze voordelen en mits

    • 1.

      aandelen die meer dan 30 percent van het totale aantal stemmen en de waarde van alle aandelen vertegenwoordigen direct of indirect het eigendom zijn van personen die op grond van de onderdelen a, b, c, onder i, of onderdeel d of e van het tweede lid van artikel 26 gekwalificeerde personen zijn;

    • 2.

      aandelen die meer dan 70 percent van het totale aantal stemmen en de waarde van alle aandelen (en ten minste 50 percent van een „disproportionate class of shares”) direct of indirect het eigendom zijn van ten hoogste zeven personen die gelijkwaardig gerechtigden zijn in de zin van het achtste lid, onderdeel f; en

    minder dan 50 percent van het bruto-inkomen van het lichaam uit het belastingjaar waarin het inkomensbestanddeel ontstaan is, direct of indirect wordt betaald of toekomt aan personen die geen gelijkwaardig gerechtigden zijn, in de vorm van betalingen die aftrekbaar zijn van de belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is in de Staat waarvan het lichaam inwoner is (met uitzondering van betalingen als willekeurige derde verricht bij de normale bedrijfsuitoefening ter zake van diensten of lichamelijke zaken en betalingen in het kader van financiële verplichtingen aan een bank, op voorwaarde dat indien de bank geen inwoner is van een van de Overeenkomstsluitende Staten een dergelijke betaling toerekenbaar is aan een vaste inrichting van die bank gevestigd in een van de Overeenkomstsluitende Staten).

  • b.

    De bevoegde autoriteiten komen overeen zich redelijke inspanningen te getroosten teneinde binnen zes maanden na de ontvangst van alle benodigde informatie van de belastingplichtige te komen tot de vaststelling uit hoofde van het zevende lid. Voorts zullen de bevoegde autoriteiten van beide Staten halfjaarlijks bijeenkomen teneinde de status van alle gevallen waarin om een vaststelling is verzocht te bespreken.

XXV

Met betrekking tot het tweede lid, onderdeel c, en het achtste lid, onderdeel a, onder ii, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

Een lichaam dat genoteerd is op de effectenbeurzen van Parijs of Brussel die tezamen met de Amsterdamse effectenbeurs Euronext vormen, wordt behandeld alsof het voldoet aan het vereiste van genoteerd zijn uit het tweede lid, onderdeel c, mits de Nederlandse toezichthoudende autoriteiten voor de handel in waardepapieren toezicht blijven houden op het deel van de beurs dat in Nederland gevestigd is. Indien het functioneren van of het toezicht op Euronext ingrijpend wordt gewijzigd, stelt de bevoegde autoriteit van Nederland de bevoegde autoriteit van de Verenigde Staten daarvan in kennis en beide bevoegde autoriteiten beoordelen tezamen of de behandeling nog passend is en of wijzigingen nodig zijn voor de toepassing van dit lid.

XXVI

Met betrekking tot het achtste lid, onderdeel d, onder ii, en het achtste lid, onderdeel e, onder iii, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

  • a.

    Bij de vaststelling bedoeld in het achtste lid, onderdeel d, onder ii, is het wel te verstaan dat deze gebaseerd is op een beoordeling van de besluitvorming van alle directieleden en hogere leidinggevenden die deel uitmaken van de directie of de raad van bestuur van het lichaam, naar gelang van het geval, tenzij deze personen slechts formeel hun goedkeuring hechten aan beslissingen die in feite door anderen worden genomen. Indien de hogere leidinggevenden van directe of indirecte dochtermaatschappijen van het lichaam de beleidsfuncties vervullen die normaliter tot de verantwoordelijkheid van de directie of de raad van bestuur van een vennootschappelijke groep behoren, zoals omschreven in het achtste lid, onderdeel e, onder iii, worden zij in dit opzicht aangemerkt als leden van de directie of van de raad van bestuur van het lichaam. Indien er speciale stem- of andere regelingen zijn waaruit blijkt dat de leden van de directie (met inbegrip van de personen omschreven in de vorige zin) niet feitelijk op gelijke voet betrokken zijn bij de besluitvorming, worden deze personen slechts in de mate waarin zij verantwoordelijk zijn voor het nemen van de besluiten beschreven in het achtste lid, onderdeel e, onder iii, in aanmerking genomen.

  • b.

    Indien een lichaam dat inwoner is van Nederland en waarvan de aandelen regelmatig worden verhandeld op een of meer erkende effectenbeurzen de moedermaatschappij is van een geïntegreerd concern dat tevens een andere moedermaatschappij omvat waarvan de aandelen eveneens regelmatig worden verhandeld op een of meer erkende effectenbeurzen en die andere moedermaatschappij inwoner is van een staat in de primaire economische zone van Nederland die een inkomstenbelastingverdrag heeft met de Verenigde Staten dat in vergelijkbare situaties voorziet in dezelfde of lagere inhoudingspercentages ten aanzien van dividenden, belastingheffing van vaste inrichtingen, interest en royalty's zoals voorzien in de artikelen 10 (Dividenden), 11 (Belastingheffing van vaste inrichtingen), 12 (Interest) en 13 (Royalty's) van de Overeenkomst, wordt het eerstbedoelde lichaam behandeld alsof het voldoet aan de vereisten van het achtste lid, onderdeel e, onder iii, wat betreft de locatie van de staf, indien deze van de aldaar omschreven activiteiten meer verricht in Nederland en in die andere staat dan in enige andere staat. Daartoe wordt verstaan onder een „geïntegreerd concern” een groep lichamen die de twee moedermaatschappijen omvat zoals beschreven in de vorige zin alsmede ketens van dochterondernemingen waarvan de moedermaatschappijen gezamenlijk de economische eigendom hebben.

XXVII

Met betrekking tot het achtste lid, onderdeel h, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

Het is wel te verstaan dat indien een soort aandelen tijdens de twaalf maanden bedoeld in onderdeel h, niet genoteerd was aan een erkende effectenbeurs, deze soort aandelen uitsluitend zal worden behandeld als zijnde regelmatig verhandeld indien in het belastingjaar waarin het inkomen ontstaat die soort voldoet aan het vereiste van dat onderdeel inzake het totale aantal aandelen van die soort dat verhandeld wordt.

XXVIII

Met betrekking tot het zevende lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

  • a.

    Voor de toepassing van het zevende lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen) kan de bevoegde autoriteit van de Staat waaruit het desbetreffende inkomen afkomstig is bij het vaststellen of de oprichting, verwerving of instandhouding van een rechtspersoon, die inwoner van een van de Staten is, als een van de voornaamste doelstellingen heeft of had de verkrijging van de voordelen van deze Overeenkomst, onder andere de volgende factoren meewegen:

    • 1.

      de datum van oprichting van de rechtspersoon in relatie tot de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst;

    • 2.

      het verloop van het bedrijf sinds zijn ontstaan en de eigendomsverhoudingen in de rechtspersoon sinds zijn oprichting;

    • 3.

      de zakelijke redenen voor de rechtspersoon om inwoner te zijn van de staat van vestiging;

    • 4.

      de mate waarin door de rechtspersoon in zijn staat van vestiging aanspraak wordt gemaakt op bijzondere belastingvoordelen ;

    • 5.

      de mate waarin de ondernemingsactiviteiten van de rechtspersoon in de andere Staat afhankelijk is van het vermogen, de activa of het personeel van de rechtspersoon in zijn staat van vestiging; en

    • 6.

      de mate waarin de rechtspersoon gerechtigd zou zijn tot verdragsvoordelen die vergelijkbaar zijn met die welke zouden worden toegekend op grond van deze Overeenkomst indien de rechtspersoon zou zijn opgericht in de staat van vestiging van de de meerderheid van haar aandeelhouders.

  • b.

    Het is wel te verstaan dat een lichaam dat inwoner van een van de Staten is, de voordelen van de Overeenkomst zullen worden toegekend om op grond van het zevende lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen) ten aanzien van inkomen dat verkregen is uit de andere Staat worden verleend, indien zulk een lichaam:

    • 1.

      aandelen en waardepapieren houdt waarvan het inkomen niet hoofdzakelijk uit bronnen in de andere Staat afkomstig is;

    • 2.

      een groot aantal deelnemers heeft; en

    • 3.

      in zijn staat van vestiging een aanzienlijk aantal personeelsleden heeft die zich actief bezig houden met het handelen in aandelen en waardepapieren die eigendom van het lichaam zijn. Het is voorts wel te verstaan dat het zevende lid van artikel 26 niet van toepassing is indien aan een van de bovengenoemde vereisten niet is voldaan.

  • c.

    Het is wel te verstaan dat bij de toepassing van het zevende lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen) de regelgeving van de Europese Gemeenschappen voor het bevorderen van het vrije verkeer van kapitaal en personen binnen de Europese Gemeenschappen, tezamen met de onderlinge verschillen in binnenlandse inkomstenbelastingsystemen, fiscale stimuleringsmaatregelen en het van toepassing zijnde beleid voor belastingverdragen tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschappen in beschouwing zullen worden genomen. Op grond van deze bepaling neemt de bevoegde autoriteit als richtlijn voor haar overwegingen of de oprichting, de verwerving of instandhouding van een lichaam of de uitoefening van zijn activiteiten als een van de voornaamste doelstellingen het verkrijgen van de voordelen van deze Overeenkomst heeft of had. De bevoegde autoriteit kan daarom bepalen dat, gegeven een aantal feiten, een wijziging in de omstandigheden die ertoe zou kunnen leiden dat een lichaam ophoudt in aanmerking te komen voor de voordelen van de Overeenkomst op grond van het tweede en derde lid van artikel 26 niet noodzakelijkerwijs behoeft te leiden tot het onthouden van de voordelen. Zulke gewijzigde omstandigheden kunnen omvatten een wijziging van de staat van vestiging van een belangrijke aandeelhouder, de verkoop van een deel van het aandelenkapitaal van een Nederlands lichaam aan een persoon die inwoner is van een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of een uitbreiding van de activiteiten van een lichaam in andere lidstaten van de Europese Gemeenschappen, dit alles onder normale zakelijke voorwaarden. De bevoegde autoriteit zal deze gewijzigde omstandigheden (naast andere relevante factoren die normaal in beschouwing genomen worden op grond van het zevende lid van artikel 26) in overweging nemen bij het bepalen of zulk een lichaam in aanmerking blijft komen voor voordelen van de Overeenkomst ten aanzien van inkomen ontvangen uit bronnen in de Verenigde Staten. Wanneer deze gewijzigde omstandigheden niet zijn toe te schrijven aan beweegredenen van vermijding van belasting, zal zulks door de bevoegde autoriteit eveneens als relevante factor in het voordeel van bestendiging van het recht op de voordelen van de Overeenkomst op grond van het zevende lid van artikel 26 worden beschouwd.

  • d.

    Wanneer een rechtspersoon die inwoner is van een van de Staten en gerechtigd is tot de voordelen op grond van artikel 26 (Beperkingen van voordelen),zeggenschap verwerft in een rechtspersoon die inwoner is van een derde Staat, die dat op haar beurt zeggenschap heeft in een tweede rechtspersoon die inwoner is van de eerstbedoelde Staat, zou die tweede rechtspersoon als gevolg van de bepaling van het tweede lid, onderdeel c, onder ii, van artikel 26 niet gerechtigd kunnen zijn tot de voordelen van de Overeenkomst ten aanzien van de voordelen uit bronnen uit die andere Staat. Het is wel te verstaan dat de bevoegde autoriteit van de andere Staat in deze omstandigheden bij het beoordelen van een verzoek om toekenning van de voordelen van de Overeenkomst op grond van het zevende lid van artikel 26 een reorganisatieplan dat wordt voorgelegd door de tweede rechtspersoon die inwoner is van de eerstbedoelde Staat in welwillende overweging zal nemen indien zulk een plan ertoe zou leiden dat de tweede rechtspersoon binnen een redelijke overgangsperiode recht krijgt op de voordelen van de Overeenkomst (vast te stellen zonder rekening te houden met het zevende lid van artikel 26).

XXIX

Met betrekking tot het achtste lid, onderdeel h, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

Teneinde te voldoen aan het vereiste van regelmatig verhandeld worden op grond van het achtste lid, onderdeel h, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen), behoeft een persoon die op grond van de Overeenkomst aanspraak maakt op de voordelen, niet te bewijzen dat hij zich niet heeft beziggehouden met het creëren van een bepaald handelspatroon op een erkende effectenbeurs teneinde aan dit criterium te voldoen, maar dient hij zonodig bewijzen dat hij zich daarmee heeft beziggehouden te weerleggen.

XXX

Met betrekking tot artikel 27 (Werkzaamheden buitengaats)

Het is wel te verstaan dat het vervoer van voorraden of personeel tussen een van de Staten en een plaats waar de werkzaamheden buitengaats in die Staat worden verricht, of tussen zulke plaatsen, wordt beschouwd als vervoer tussen plaatsen in die Staat.

XXXI

Met betrekking tot het vijfde lid van artikel 29 (Regeling voor onderling overleg)

  • A.

    Het is wel te verstaan dat de Staten in ieder geval diplomatieke nota's uitwisselen zoals bepaald in het vijfde lid van artikel 29 (Regeling voor onderling overleg), wanneer de ervaringen opgedaan binnen de Europese Gemeenschappen bij de toepassing van het Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen, ondertekend op 23 juli 1990, of bij de toepassing van het vijfde lid van artikel 25 van het belastingverdrag tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het vermogen en bepaalde andere belastingen, ondertekend op 29 augustus 1989, bevredigend zijn voor de bevoegde autoriteiten van beide Staten. Na afloop van een periode van drie jaar na het in werking treden van de Overeenkomst zullen de bevoegde autoriteiten met elkaar overleggen teneinde vast te stellen of aan de voorwaarden voor de uitwisseling van diplomatieke nota's is voldaan.

  • B.

    Indien de bevoegde autoriteiten van beide Staten overeenkomen in een bepaald geval een geschil betreffende de uitlegging of toepassing van deze Overeenkomst op grond van het vijfde lid van artikel 29 te onderwerpen aan arbitrage, is de volgende procedure van toepassing:

    • 1.

      Indien de bevoegde autoriteiten er bij het toepassen van het eerste tot en met het vierde lid van artikel 29 niet in slagen om tot overeenstemming te komen binnen twee jaar na de datum waarop de aangelegenheid aan een van de bevoegde autoriteiten was voorgelegd, kunnen zij besluiten in een bepaald geval een beroep op arbitrage te doen, echter slechts nadat de procedures die beschikbaar zijn op grond van het eerste tot en met het vierde lid van artikel 29 volledig zijn uitgeput. De bevoegde autoriteiten zullen in het algemeen niet overgaan tot arbitrage ten aanzien van aangelegenheden betreffende het belastingbeleid of de binnenlandse wetgeving van een van de Staten.

    • 2.

      De bevoegde autoriteiten stellen voor elk afzonderlijk geval een arbitragecommissie in op de volgende wijze:

      • a.

        Een arbitragecommissie bestaat uit ten minste drie leden. Elke bevoegde autoriteit benoemt een gelijk aantal leden en deze leden komen de benoeming van het andere lid of andere leden overeen.

      • b.

        Het andere lid of de andere leden van de arbitragecommissie is of zijn afkomstig uit een van beide Staten of uit een andere OESO-lidstaat. De bevoegde autoriteiten kunnen verdere instructies geven betreffende de criteria voor het selecteren van de overige leden van de arbitragecommissie.

      • c.

        Leden van de arbitragecommissie (en hun medewerkers) moeten bij hun benoeming schriftelijk verklaren zich te houden aan en te onderworpen te zijn aan de toepasselijke bepalingen inzake vertrouwelijkheid en openbaarmaking van beide Staten en de Overeenkomst. Ingeval die bepalingen met elkaar in strijd zijn, is de meest vergaande geheimhoudingsverplichting van toepassing.

    • 3.

      De bevoegde autoriteiten kunnen overeenstemming bereiken omtrent en de arbitragecommissie instrueren betreffende bepaalde procedureregels, zoals het benoemen van een voorzitter, de procedures om tot een beslissing te komen, het bepalen van termijnen, enzovoorts. Voor het overige stelt de arbitragecommissie haar eigen procedureregels vast overeenkomstig de algemeen aanvaarde beginselen van redelijkheid en billijkheid.

    • 4.

      Belastingplichtigen en/of hun vertegenwoordigers wordt de gelegenheid geboden hun standpunten aan de arbitragecommissie voor te leggen.

    • 5.

      De arbitragecommissie beslist over ieder afzonderlijk geval op basis van de Overeenkomst met inachtneming van de nationale wetgeving van de beide Staten en de beginselen van het internationale recht. De arbitragecommissie verstrekt aan de bevoegde autoriteiten een toelichting op haar beslissing. De beslissing van de arbitragecommissie is met betrekking tot dat bepaalde geval bindend voor beide Staten en de belastingplichtige(n). Hoewel de beslissing van de arbitragecommissie geen precedentwerking heeft, wordt verwacht dat met zulke beslissingen gewoonlijk rekening zal worden gehouden in latere aan de bevoegde autoriteiten voorgelegde zaken betreffende dezelfde belastingplichtige(n), dezelfde kwestie(s) en grotendeels soortgelijke feiten alsmede waar passend in andere gevallen.

    • 6.

      De kosten van een arbitrageprocedure worden op de volgende wijze gedragen:

      • a.

        Elke Staat draagt de kosten van de beloning van de door haar benoemde leden alsmede van zijn vertegenwoordiging tijdens de procedure voor de arbitragecommissie;

      • b.

        de kosten van de beloning van de andere leden en alle overige kosten van de arbitragecommissie worden gelijkelijk gedeeld tussen de Staten; en

      • c.

        de arbitragecommissie kan besluiten tot een afwijkende verdeling van de kosten. Indien het de bevoegde autoriteit van een van de Staten echter in een bepaald geval in het licht van de aard van de zaak en de rol van de partijen passend voorkomt, kan zij van de belastingplichtige(n) verlangen dat deze, als voorwaarde voor arbitrage ermede instemt (instemmen) het deel van die Staat in de kosten te dragen.

    • 7.

      De bevoegde autoriteiten kunnen overeenkomen deze procedures aan te passen of aan te vullen; zij blijven echter gebonden aan de in het bovenstaande vastgelegde algemene uitgangspunten.

XXXII

Met betrekking tot artikel 30 (Uitwisseling van inlichtingen en administratieve bijstand)

Indien een „reporting corporation” van de Verenigde Staten (als omschreven voor de toepassing van artikel 6038A van de United States Internal Revenue Code) die inwoner van de Verenigde Staten is, of een in de Verenigde Staten gevestigde vaste inrichting van een „reporting corporation” van de Verenigde Staten, die geen inwoner van de Verenigde Staten is, noch in het bezit is van, noch toegang heeft tot documenten die van belang kunnen zijn voor de behandeling voor de belastingheffing van de Verenigde Staten van transacties tussen die rechtspersoon en een buitenlandse „related party” (als omschreven in artikel 6038A van de United States Internal Revenue Code), en zulke documenten worden beheerd door een inwoner van Nederland en buiten de Verenigde Staten worden bewaard, verzoeken de Verenigde Staten Nederland om die documenten door middel van een uitwisseling van inlichtingen op grond van artikel 30 (Uitwisseling van inlichtingen en administratieve bijstand) voordat zij een vordering tot overlegging van die documenten doet uitgaan aan de „reporting corporation” van de Verenigde Staten, mits onder alle gegeven omstandigheden, de documenten via het verzoek snel en op efficiënte wijze verkrijgbaar zijn. Voor de toepassing van deze paragraaf zullen documenten worden geacht snel en op efficiënte wijze beschikbaar te zijn, indien zij kunnen worden verkregen binnen 180 dagen na het verzoek of binnen een ander tijdvak als in onderling overleg overeengekomen tussen de bevoegde autoriteiten, tenzij de nationale wettelijke termijnen binnen een korter tijdvak verstrijken. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de toepassing van artikel 6038C.

XXXIII

Met betrekking tot artikel 30 (Uitwisseling van inlichtingen en administratieve bijstand)

Uit hoofde van het tweede lid van dat artikel, dat bepaalt dat de bevoegde autoriteiten dienen te trachten informatie te verstrekken in de vorm van getuigenverklaringen en gewaarmerkte afschriften van onbewerkte oorspronkelijke documenten, is het wel te verstaan dat de bevoegde autoriteiten zullen samenwerken om gezamenlijke procedures te ontwikkelen teneinde de verschillen tussen de nationale wettelijke regelgeving en procedures te overbruggen teneinde te waarborgen dat inlichtingen worden verstrekt in een vorm die de toepassing ervan bij gerechtelijke procedures in de verzoekende Staat vereenvoudigt.

XXXIV

Met betrekking tot het eerste lid van artikel 30 (Uitwisseling van inlichtingen en administratieve bijstand)

Het is wel te verstaan dat personen die zich bezighouden met de administratie van belastingen zoals die uitdrukking is gebruikt in het eerste lid van artikel 30 (Uitwisseling van inlichtingen en administratieve bijstand) in de Verenigde Staten mede omvat de „tax-writing committees of Congress” en het „General Accounting Office”. Inlichtingen die op grond van de Overeenkomst zijn uitgewisseld en die op grond van de Overeenkomst als vertrouwelijk zijn aangemerkt, kunnen door deze instanties onder dezelfde voorwaarden van vertrouwelijkheid worden ontvangen en mogen slechts worden gebruikt bij de uitvoering van hun taak toezicht te houden op de administratie van de belastingwetgeving van de Verenigde Staten. Het is wel te verstaan dat de taak van het Congress en het „General Accounting Office” bij het toezicht houden op de administratie van de belastingwetgeving van de Verenigde Staten is beperkt tot het verzekeren dat de administratie van de belastingwetgeving door de uitvoerende diensten eerlijk, efficiënt en in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever geschiedt.

XXXV

Met betrekking tot artikel 31 (Hulp en bijstand bij invordering)

Het is wel te verstaan dat bij de toepassing van artikel 31 (Hulp en bijstand bij invordering) met het volgende rekening zal worden gehouden:

  • 1.

    De aangezochte Staat is niet verplicht het verzoek van de verzoekende Staat in te willigen:

    • a.

      indien de verzoekende Staat niet alle passende invorderingsmaatregelen binnen zijn eigen rechtsmacht heeft genomen;

    • b.

      in de gevallen waarin de administratieve last voor de aangezochte Staat niet in evenredigheid staat tot het door de verzoekende Staat te behalen voordeel.

  • 2.

    Het verzoek om administratieve bijstand bij invordering van een belastingvordering gaat vergezeld van:

    • a.

      een officieel afschrift van de executoriale titel in de verzoekende Staat;

    • b.

      indien passend, gewaarmerkte afschriften van enig ander document dat voor de invordering vereist is;

    • c.

      een verklaring van de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat dat op grond van de wetgeving van die Staat de belastingvordering onherroepelijk vaststaat. Voor de toepassing van dit artikel staat de belastingvordering onherroepelijk vast wanneer de verzoekende Staat op grond van zijn nationale wetgeving het recht heeft de belasting in te vorderen en de administratieve en gerechtelijke rechtsmiddelen van de belastingplichtige om in de verzoekende Staat de invordering tegen te houden vervallen dan wel uitgeput zijn.

  • 3.

    Een belastingvordering van de verzoekende Staat die onherroepelijk vaststaat kan door de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat voor invordering in behandeling worden genomen en wordt, behoudens de bepalingen van het zevende lid, indien in behandeling genomen, door de aangezochte Staat op dezelfde wijze ingevorderd als ware zulk een belastingvordering een belastingvordering van die Staat zelf die is komen vast te staan in overeenstemming met de op de invordering van de eigen belastingen van die Staat van toepassing zijnde wetgeving.

  • 4.

    Wanneer een verzoek om invordering van een belastingvordering van een belastingplichtige in behandeling wordt genomen:

    • a.

      door de Verenigde Staten, wordt de belastingvordering door de Verenigde Staten behandeld als een aanslag op grond van de wetgeving van de Verenigde Staten aan de belastingplichtige op het tijdstip waarop het verzoek is ontvangen; en

    • b.

      door Nederland, wordt de belastingvordering door Nederland behandeld als een te betalen bedrag op grond van de van toepassing zijnde Nederlandse wetgeving waarvan de invordering niet aan enige beperking is onderworpen.

  • 5.

    Niets in dit artikel mag zo worden uitgelegd dat daardoor voor de aangezochte Staat rechten van administratieve of gerechtelijke herziening van de onherroepelijk vaststaande belastingvordering van de verzoekende Staat worden geschapen of hierin wordt voorzien op grond van rechten voortvloeiend uit de wetgeving van een van beide Staten. Indien op enig tijdstip hangende de uitvoering van het verzoek om bijstand op grond van dit artikel de verzoekende Staat het recht om op grond van zijn nationale wetgeving de belasting in te vorderen verliest, trekken de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Staat het verzoek om bijstand bij invordering onmiddellijk in.

  • 6.

    Met inachtneming van deze paragraaf worden de bedragen die zijn ingevorderd door de aangezochte Staat ingevolge dit artikel overgemaakt aan de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat. Tenzij de bevoegde autoriteiten van de Staten anders overeenkomen, worden de gewone kosten gemaakt bij het verlenen van bijstand bij invordering gedragen door de aangezochte Staat en worden alle terzake gemaakte buitengewone kosten gedragen door de verzoekende Staat.

  • 7.

    De aangezochte Staat mag uitstel van betaling of betaling in termijnen toestaan, indien zijn eigen nationale wetgeving of administratieve praktijk dit toestaat, maar hij dient eerst de verzoekende Staat hierover in te lichten. Alle interest die door de aangezochte Staat wordt ontvangen als gevolg van het toestaan van uitstel van betaling of van betaling in termijnen wordt overgemaakt aan de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat.

  • 8.

    Een belastingvordering van een verzoekende Staat die in behandeling is genomen heeft in de aangezochte Staat geen voorrang boven de belastingvorderingen van de aangezochte Staat.

  • 9.

    De bevoegde autoriteiten kunnen op grond van dit artikel bijstand verlenen bij invordering van de belasting waarvoor op grond van het achtste lid van artikel 14 (Vermogenswinsten) uitstel is verleend.

  • 10.

    De bevoegde autoriteiten van de Staten komen de wijze van toepassing van dit artikel overeen. De bevoegde autoriteiten van de Staten kunnen voorts overeenkomen deze procedures aan te passen of aan te vullen; zij zijn echter gebonden aan de in het voorgaande vastgelegde algemene uitgangspunten.

XXXVI

Met betrekking tot het tweede lid van artikel 32 (Beperking van artikelen 30 en 31)

Het is wel te verstaan dat de bevoegde autoriteiten van beide Staten al hetgeen redelijkerwijs mogelijk is doen om inlichtingen te verkrijgen en te verschaffen betreffende belangen in een persoon naar aanleiding van een verzoek van de andere Staat. Het tweede lid van artikel 32 (Beperking van artikelen 30 en 31) leidt niet tot een verplichting van de bevoegde autoriteiten van de Staten om inlichtingen te verkrijgen en te verschaffen betreffende belangen in een persoon tenzij deze inlichtingen kunnen worden verkregen zonder te leiden tot onevenredige moeilijkheden.

XXXVII

Met betrekking tot het tweede lid van artikel 35 (Vrijgestelde pensioenfondsen)

Voor de toepassing van het tweede lid van artikel 35 (Vrijgestelde pensioenfondsen) wordt een persoon aangemerkt als een gelieerde persoon indien meer dan 80% van het aantal stemmen of van de waarde van een soort aandelen toebehoort aan de persoon die de inkomsten verwerft.

XXXVIII

Tot slot

Het is over het algemeen wel te verstaan dat de twee Regeringen op gezette tijden met elkaar overleggen betreffende de voorwaarden, uitvoering en toepassing van de Overeenkomst teneinde te waarborgen dat deze blijft beantwoorden aan de doelstelling van het vermijden van dubbele belasting en van het voorkomen van het ontgaan van belasting en, wanneer zij zulks wenselijk achten, verdere Protocollen zullen sluiten tot wijziging van de Overeenkomst. Het eerste overleg in dat kader zal plaatsvinden uiterlijk 31 december van het vijfde jaar na de datum waarop het Protocol in werking treedt in overeenstemming met de bepalingen van artikel 10 van het Protocol. Verder overleg vindt vervolgens plaats met tussenpozen van ten hoogste vijf jaar. Onverminderd de voorgaande alinea, kan elk van beide Regeringen te allen tijde verzoeken om overleg met de andere Regering met betrekking tot kwesties inzake de voorwaarden, uitvoering en toepassing van de Overeenkomst indien zij een spoedige oplossing daarvoor nodig acht.

Nr.

I

DEPARTEMENT OF STATE WASHINGTON

Washington D.C., 8 maart 2004

Excellentie,

Ik heb de eer te verwijzen naar het heden ondertekende Protocol tussen de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk der Nederlanden tot wijziging van de Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en namens de Regering van de Verenigde Staten het volgende voor te stellen:

In de loop van de onderhandelingen die hebben geleid tot het sluiten van het heden ondertekende Protocol, hebben de onderhandelaars de bij deze nota gevoegde overeenstemming opgesteld en daarover overeenstemming bereikt. De overeenstemming is een intentieverklaring inzake de gemeenschappelijke overeenstemming over en interpretatie van enige bepalingen van het Protocol zoals bereikt door de delegaties van de Verenigde Staten en het Koninkrijk der Nederlanden namens hun onderscheiden regeringen. Deze overeenstemmingen en interpretaties zijn bedoeld als richtlijn voor zowel de belastingplichtigen als de belastingautoriteiten van onze twee landen bij de interpretatie van deze bepalingen. Voorts is besloten dat deze overeenstemming de overeenstemming ten geleide van de Overeenkomst van 1992 en de desbetreffende notawisseling bij het Protocol van 1993 zal vervangen. Indien de overeenstemmingen en interpretaties in de overeenstemming aanvaardbaar zijn, vormen deze nota en uw nota inzake de aanvaarding ervan de vaststelling van de overeenstemmingen en interpretaties die de partijen hebben bereikt.

Gelief, Excellentie, de verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

Voor de Minister van Buitenlandse Zaken

ELIZABETH JONES

Zijne Excellentie

Boudewijn van Eenennaam

Ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden

Nr.

II

Washington D.C., 8 maart 2004

Excellentie,

Ik heb de eer de ontvangst te bevestigen van uw Nota van heden die als volgt luidt:

(Zoals in Nr. I)

Ik heb de eer u mede te delen dat mijn Regering met het vorenstaande akkoord gaat. Gelief, Excellentie, de verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

B. J. VAN EENENNAAM

Ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden

Ministerie van Buitenlandse Zaken van

De Verenigde Staten van Amerika

Convention between the Kingdom of the Netherlands and the United States of America for the Avoidance of Double Taxation and the Prevention of Fiscal Evasion with respect to Taxes on Income

The Government of the Kingdom of the Netherlands and the Government of the United States of America, desiring to replace by a new convention the Convention between the Kingdom of the Netherlands and the United States of America with respect to taxes on income and certain other taxes signed at Washington on April 29, 1948, as modified and supplemented by the Supplementary Convention signed at Washington on December 30, 1965,

Have agreed as follows:

CHAPTER

I

SCOPE OF THE CONVENTION

Article

1

General Scope

Article

2

Taxes covered

CHAPTER

II

DEFINITIONS

Artikel

3

General definitions

Article

4

Resident

Article

5

Permanent establishment

CHAPTER

III

TAXATION OF INCOME

Article

6

Income from real property

Article

7

Business profits

Article

8

Shipping and Air Transport

Article

9

Associated Enterprises

Article

10

Dividends

Article

11

Branch Tax

Article

12

Interest

Article

13

Royalties

Article

14

Capital Gains

Article

15

Independent Personal Services

Article

16

Dependent Personal Services

Article

17

Directors' Fees

Directors' fees or other remuneration derived by a resident of one of the States in his capacity as a member of the board of directors, a “bestuurder” or a “commissaris” of a company which is a resident of the other State may be taxed in that other State. However such remuneration shall be taxable only in the first-mentioned State to the extent to which such remuneration is derived from services rendered in that State.

Article

18

Artistes and Athletes

Artikel

19

Pensions, Annuities, Alimony

Article

20

Government Service

Article

21

Professors and Teachers

Article

22

Students and Trainers

Article

23

Other Income

CHAPTER

IV

ELIMINATION OF DOUBLE TAXATION

Article

24

Basis of Taxation

Article

25

Methods of Elimination of Double Taxation

CHAPTER

V

SPECIAL PROVISIONS

Article

26

Limitation on benefits

Article

27

Offshore Activities

Article

28

Non-discrimination

Article

29

Mutual Agreement Procedure

Article

30

Exchange of Information and Administrative Assistance

Article

31

Assistance and Support in Collection

Article

32

Limitation of articles 30 and 31

Article

33

Diplomatic Agents and Consular Officers

Article

34

Regulations

Article

35

Exempt Pension Trusts

Article

36

Exempt Organizations

CHAPTER

VI

FINAL PROVISIONS

Article

37

Entry into Force

Article

38

Termination

This Convention shall remain in force until terminated by one of the States. Either State may terminate the Convention, through diplomatic channels, by giving notice of termination at least six months before the end of any calendar year after the expiration of a period of five years from the date of its entry into force. In such event the Convention shall cease to have effect for taxable years and periods beginning, or in the case of taxes payable at source, payments made, after the end of the calendar year in which the notice of termination has been given.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, duly authorized thereto, have signed this Convention.

DONE at Washington this eighteenth day of December 1992, in duplicate, in the Netherlands and English languages, the two texts being equally authentic.

For the Government of the Kingdom of the Netherlands:

(sd.) J. H. MEESMAN

For the Government of the United States of America:

(sd.) EUGENE J. MCALLISTER

Nr.

I

DEPARTEMENT OF STATE

WASHINGTON

Excellency,

I have the honor to refer to the Convention signed today between the United States of America and the Kingdom of the Netherlands for the Avoidance of Double Taxation and the Prevention of Fiscal Evasion with Respect to Taxes on Income and to propose on behalf of the Government of the United States of America the following:

Both Governments confirm that their respective countries recognize the principle that the Convention, once in force, is binding upon both parties and muest be performed by them in good faith and in accordance with generally accepted rules of international law. The Governments further confirm their recognition that they should avoid enactment or interpretation of legislation or other domestic measures that would prevent the performance of their obligations under the Convention.

On the other hand, both governments recognize the possibility of significant changes in the national taxation laws which may affect implementation of the Convention. The Governments agree in principle that in such a case an appropriate amendment of the Convention might be necessary. Whether and to the extent to which such an amendment is necessary and acceptable will be determined in consultation and negotiation between the two Governments.

Furthermore, the Government of the United States gives its assurances to the Government of The Netherlands, that, in the event a state or local government in the United States seeks to impose a tax on the income of airline or shipping companies resident in The Netherlands in circumstances where the Convention would preclude a Federal income tax on that income, the United States Government will contact the state or local government seeking to impose the tax in an effort to presuade that government to refrain from imposing the tax.

Finally, in the course of the negotiations leading to the conclusion of the Convention signed today, the negotiators developed and agreed upon a memorandum of understanding intended to give guidance both to the taxpayers and the tax authorities of our two countries in interpreting various provisions contained in the Convention. It is my Government's view that as we both gain experience in administrering the Convention competent authorities may in the context of a mutual agreement procedure under Article 29 of the Convention develop and publish amendments to the understandings and interpretations laid down in the attached memorandum of understanding.

If the above-mentioned understandings and the interpretation of the various provisions laid down in the attached memorandum of understanding meet with the approval of the Government of the Kingdom of the Netherlands, this Note and your Note in reply thereto will consitute a common and binding understanding by our Governments of the Convention and of the contents and the role of the memorandum of understanding relating to the Convention.

Accept, Your Excellency, the expression of my highest consideration.

For the Secretary of State:

(w.g.) EUGENE J. MCALLISTER

His Excellency

Hans Meesman

Ambassador of the Kingdom of the Netherlands.

Nr.

II

Washington D.C., December 18, 1992

Mr.Secretary

I have the honour to confirm receipt of your Note of today's date which reads as follows:

(zoals in Nr. I)

I have the honour to inform you, that my Government agrees to the above.

Accept, Your Excellency, the expression of my highest consideration.

(sd.) J. H. MEESMAN

Hans Meesman

Ambassador of the Kingdom

of the Netherlands

The Honorable Lawrence S. Eagleburger

Secretary of State of

the United States of America

Understanding regarding the Convention between the Kingdom of the Netherlands and the United States of America for the avoidance of double taxation and the prevention of fiscal evasion with respect to taxes on income, signed on December 18, 1992 and amended by protocols signed on October 13, 1993 and March 8, 2004

I

In reference to paragraph 1 of Article 4 (Resident)

  • a)

    It is understood that for purposes of the Convention, the Government of one of the States, its political subdivisions or local authorities are to be considered as residents of that State.

  • b)

    It is understood that a company that is or would be a resident of a State pursuant to that State's domestic law will not be treated as a resident of that State for purposes of the Convention if it is treated as a resident of a third state pursuant to an income tax convention between that State and the third state.

II

In reference to paragraph 4 of Article 4 (Resident)

It is understood that, if a company is a resident of the Netherlands under paragraph 1 of Article 4 (Resident) and, because of the application of Section 269B of the Internal Revenue Code, such company is also a resident of the United States under paragraph 1 of Article 4, the question of its residency for the purposes of the application of this Convention shall be subject to a mutual agreement procedure as laid down in paragraph 4 of Article 4.

III

In reference to Article 7 (Business Profits)

It is understood that with respect to paragraphs 1 and 2 of Article 7 (Business Profits), where an enterprise of one of the States carries on business in the other State through a permanent establishment situated therein, the profits of that permanent establishment shall not be determined on the basis of the total income of the enterprise, but shall be determined only on the basis of that portion of the income of the enterprise that is attributable to the actual activity of the permanent establishment in respect of such business. Specifically, in the case of contracts for the survey, supply, installation or construction of industrial, commercial or scientific equipment or premises, or of public works, when the enterprise has a permanent establishment, the profits attributable to such permanent establishment shall not be determined on the basis of the total amount of the contract, but shall be determined on the basis only of that part of the contract that is effectively carried out by the permanent establishment. The profits related to that part of the contract that is carried out by the head office of the enterprise shall not be taxable in the State in which the permanent establishment is situated.

IV

In reference to Article 9 (Associated Enterprises), Article 12 (Interest) and Article 29 (Mutual Agreement Procedure)

Nothing in paragraph 1 of Article 9 (Associated Enterprises) or paragraph 5 of Article 12 (Interest) shall prevent either State from determining the appropriate amount of interest deduction of an enterprise not only by reference to the amount of interest with respect to any particular debt-claim but also by reference to the overall amount of debt capital of the enterprise. In the context of a mutual agreement procedure under Article 29 (Mutual Agreement Procedure), the amount of the interest deduction shall be determined in a manner consistent with the principles of paragraph 1 of Article 9, by reference to conditions in commercial or financial relations which prevail between independent enterprises dealing at arm's length. Those principles are more fully examined and explained in OECD publications regarding “thin capitalization”.

V

In reference to Article 9 (Associated Enterprises) and Article 29 (Mutual Agreement Procedure)

In accordance with paragraph 3 of Article 29 (Mutual Agreement Procedure) the competent authorities shall endeavor to resolve by mutual agreement any case of double taxation arising by reason of an allocation of income, deductions, credits or allowances caused by the application of internal law regarding thin capitalization, earnings stripping, or transfer pricing, or other provisions potentially giving rise to double taxation. In this mutual agreement procedure, the proper allocation of income, deductions, credits or allowances under the Convention will be determined in a manner consistent with the principles of paragraph 1 of Article 9 (Associated Enterprises) by reference to conditions in commercial or financial relations that prevail between independent enterprises dealing at arm's length. Consistent with the mutual agreement procedures of other income tax conventions, including those entered by both States, a procedure under Article 29 (Mutual Agreement Procedure) concerning an adjustment in the allocation of income, deductions, credits or allowances by one of the States might result either in a correlative adjustment by the other State or in a full or partial readjustment by the first-mentioned State of its original adjustment.

VI

In reference to subparagraph 2 a) and paragraph 6 of Article 10 (Dividends)

It is understood that a beneficial owner of the dividends, who holds depository receipts or trust certificates evidencing beneficial ownership of the shares in lieu of the shares themselves in the company in question, may also claim the treaty benefits of subparagraph 2 a) of Article 10 (Dividends). In addition, it is understood that where a person loans shares (or other rights the income from which is subject to the same taxation treatment as income from shares) and receives from the borrower an obligation to pay an amount equivalent to any dividend distribution made with respect to the shares or other rights loaned during the term of such loan, such person shall be treated as the beneficial owner of the dividend paid with respect to such shares or other rights for purposes of the application of Article 10 to any such equivalent amount.

VIII

In reference to paragraph 3 of Article 10 (Dividends), paragraph 3 of Article 11 (Branch Tax) and paragraph 7 of Article 26 (Limitation on Benefits)

It is understood that a resident that would qualify for benefits under subparagraph 3 a) of Article 10 (Dividends) or Article 11 (Branch Tax), but does not do so because it acquired the relevant shareholding on or after October 1st, 1998, is not prevented from requesting a determination from the competent authority pursuant to subparagraph 3 d) of that Article, so long as it also does not meet the requirements of 3 b) and 3 c).

IX

In reference to paragraph 1 of Article 14 (Capital Gains)

In determining for purposes of paragraph 1 of Article 14 (Capital Gains) whether the assets of a corporation resident in the United States consist, directly or indirectly, for the greater part of real property situated in the United States and whether the stock of such corporation is a “United States real property interest”, the United States confirms that it will take into account the fair market value of all of the assets of the corporation, including intangible business assets such as goodwill, whether or not appearing as an asset on the balance sheet for tax purposes, going concern value and intellectual property.

X

In reference to paragraph 8 of Article 14 (Capital Gains)

It is understood that paragraph 8 of Article 14 (Capital Gains) shall not apply to an alienation of property by a resident of one of the States if the tax that would otherwise be imposed on such alienation by the other State cannot reasonably be imposed or collected at a later time. For example, under the domestic law of the United States, a foreign corporation that qualifies as a “United States real property holding corporation” is taxed in some circumstances if it transfers its assets to a United States corporation in a reorganization. In such a case, only if the shareholders of such foreign corporation agree to reduce basis (if and only to the extent available) by “closing agreement” can the tax that otherwise would be imposed on such alienation be reasonably imposed or collected at a later time.

XI

In reference to paragraph 4 of Article 19 (Pensions, Annuities, Alimony)

It is understood that the term “other public pensions” as used in paragraph 4 of Article 19 (Pensions, Annuities, Alimony) is intended to refer to United States tier 1 Railroad Retirement benefits.

XII

In reference to paragraphs 7, 8, 9 and 10 of Article 19 (Pensions, Annuities, Alimony)

It is understood that the term “exempt pension trust” includes those arrangements that are treated as exempt pension trusts for purposes of Article 35 (Exempt Pension Trusts).

XIII

In reference to paragraph 11 of Article 19 (Pensions, Annuities, Alimony)

It is understood that the competent authorities of both States will consult with a view to agreeing rules that will reduce the burden of the undertakings required of exempt pension trusts. Such rules will also seek to reduce the burden on the members or beneficiaries which may arise under Netherlands law.

XIV

In reference to paragraph 4 of Article 24 (Basis of Taxation)

  • a)

    It is understood that, where, by virtue of paragraph 4 of Article 24 (Basis of Taxation) an item of income is considered by a State to be derived by a person who is a resident of that State, and the same item is considered by the other State to be derived by a person who is a resident of that other State, the paragraph shall not prevent either State from taxing the item as the income of the person considered by that State to have derived the item of income.

    The following example demonstrates the application of the preceding paragraph: Individual Z, a resident of the Netherlands, is the sole member of Y, a U.S. limited liability company (LLC). Y owns X, a U.S. corporation. Y has elected under the U.S. entity classification rules to be taxed as a U.S. corporation. Under Netherlands law, however, Y is treated, in this situation, as a fiscally transparent entity. On date A, X distributes a $100 dividend to Y. On date B, Y distributes a $100 dividend to Z. Under Netherlands law, the dividend from X to Y is considered to be derived by Z. The two States agree that, in these circumstances, the United States is not prevented from exercising full taxing jurisdiction over Y (which is treated as a U.S. corporation) and, accordingly, the United States may tax the dividends from X to Y and from Y to Z in accordance with its domestic law. However, with respect to the dividend from Y to Z, the rate of tax applicable to the dividend shall be determined in accordance with Article 10.

  • b)

    The competent authority of a State may grant the benefits of the Convention to a resident of the other State with respect to an item of income, even though it is not treated as income of the resident under the laws of that other State, in cases where the income would have been exempt from tax if it had been treated as the income of that resident.

    The following example demonstrates the application of the preceding paragraph:

    Z is an exempt pension trust within the meaning of Article 35 (Exempt Pension Trusts) that is a resident of the Netherlands for purposes of the Convention. Z is a member of Y, a U.S. limited liability company that has elected to be treated as fiscally transparent for U.S. tax purposes. Because of certain characteristics, Y is non-transparent under Netherlands law. Y owns shares in a number of U.S. companies that pay dividends currently. Under the general rule of paragraph 4 of Article 24 (Basis of Taxation), Z would not be entitled to the benefits of Article 10 (Dividends) because the income derived by Y is not treated by the Netherlands as the income of Z. However, the U.S. competent authority may determine that Z is entitled to benefits because Z would be exempt from tax on the income even if it were treated as having derived the income.

XV

In reference to Article 26 (Limitation on Benefits)

It is understood that the term “gross income” means the total revenues derived by a resident of a State from its principal operations, less the direct costs of obtaining such revenues.

XVI

In reference to subparagraph 2 f) and paragraph 3 of Article 26 (Limitation on Benefits)

It is understood that the proof a Dutch resident investment organization (a “beleggingsinstelling” in the sense of Article 28 of the “Wet op de vennootschapsbelasting 1969”) has of the number of its Dutch resident individual and corporate shareholders as a result of the procedure used by such Dutch resident investment organization when claiming a reimbursement of tax withheld on its foreign dividend and interest income under paragraph 1 b) of Article 28 of the “Wet op de vennootschapsbelasting 1969”, can be used by such Dutch investment organization to show that it fulfills the requirements of paragraph 2 f) and paragraph 3 respectively of Article 26 (Limitation on Benefits).

XVII

With reference to paragraphs 2 and 5 of Article 26 (Limitation on Benefits)

The competent authorities may, by mutual agreement, notwithstanding the provisions of these paragraphs, determine transition rules for newly-established business operations, newly-established corporate groups or newly-established headquarters companies.

XVIII

In reference to paragraph 3 of Article 26 (Limitation on Benefits)

The following example demonstrates an application of paragraph 3 of Article 26.

A Netherlands resident company, Y, owns all of the shares in a U.S. resident company, Z.

Y is wholly owned by X, a U.K. resident company that would not qualify for all of the benefits of the U.S.-U.K. income tax treaty but may qualify for benefits with respect to certain items of income under the “active trade or business” test of the U.S.-U.K. treaty.

X, in turn, is wholly owned by W, a French resident-company that is substantially and regularly traded on the Paris Stock Exchange. Z pays a dividend to Y. For purposes of this example, assume that Y does not qualify for benefits under paragraph 2 of Article 26 (Limitation on Benefits). Y does qualify for benefits under paragraph 3 of Article 26, however, assuming that the requirements of subparagraph 3 b) of Article 26 are met. Y is directly owned by X, which is not an equivalent beneficiary within the meaning of subparagraph 8 f) of Article 26 (X does not qualify for all of the benefits of the U.S.-U.K. tax treaty). However, Y is also indirectly owned by W, which is an equivalent beneficiary for purposes of the benefits provided by paragraph 2 a) of Article 10 within the meaning of subparagraph 8 f) of Article 26 (because W is a French resident company whose shares are substantially and regularly traded on a recognized stock exchange, within the meaning of the Limitation on Benefits Article of the U.S.-France income tax treaty). Accordingly, U.S. withholding tax on the dividend from Z to Y will be imposed at a rate of 5% in accordance with subparagraph 2 a) of Article 10.

XIX

In reference to paragraph 4 of Article 26 (Limitation on Benefits)

It is understood that an item of income is to be considered as derived “in connection” with an active trade or business in a State if the activity generating the item in the other state is a line of business which forms a part of, or is complementary to, the trade or business conducted in the first mentioned State. The line of business in the firstmentioned State may be “upstream” to that going on in the other State (e.g., providing inputs to a manufacturing process that occurs in that other State), “downstream” (e.g., selling the output of a manufacturer which is a resident of the other State) or “parallel” (e.g., selling in one State the same sorts of products that are being sold by the trade or business carried on in the other State).

It is understood that an item of income derived from a State would be considered “incidental” to the trade or business carried on in the other State if the item is not produced by a line of business which forms a part of, or is complementary to, the trade or business conducted in that other State by the recipient of the item, but the production of such item facilitates the conduct of the trade or business in that other State. An example of such “incidental” item of income is interest income earned from the short-term investment of working capital or a resident of a State in securities issued by person in the other State.

XX

In reference to subparagraph 4 a) of Article 26 (Limitation on Benefits)

It is understood that for purposes of subparagraph 4 a) of Article 26 (Limitation on Benefits), a bank only will be considered to be engaged in the active conduct of a banking business if it regularly accepts deposits from the public and makes loans to the public, and an insurance company only will be considered to be engaged in the active conduct of an insurance business if its gross income consists primarily of insurance or reinsurance premiums, and investment income attributable to such premiums.

XXI

In reference to paragraph 8 of Article 12 (Interest) and subparagraph 4(a) of

Article 26 (Limitation on Benefits) For the purpose of subparagraph 4 a) of Article 26 (Limitation on Benefits) and paragraph 8 of Article 12(Interest) it is understood that interest derived from group financing or portfolio investments shall be considered to be part of the business of making or managing investments.

XXII

In reference to subparagraph 4 b) of Article 26 (Limitation on Benefits)

It is understood that the substantiality requirement of subparagraph b) is intended to prevent a narrow case of treaty-shopping abuses in which a company attempts to qualify for treaty benefits by engaging in de minimis connected business activities that have little economic cost or effect with respect to the company's business as a whole. Whether a trade or business is substantial for purposes of this paragraph will be determined based on all the facts and circumstances. Such determination will take into account the comparative sizes of the trades or businesses in each Contracting State (measured by reference to asset values, income and payroll expenses), the nature of the activities performed in each Contracting State, and, in cases where a trade or business is conducted in both Contracting States, the relative contributions made to that trade or business in each Contracting State. In making each determination or comparison, due regard will be given to the relative sizes of the U.S. and Netherlands economies.

In any case, however, a trade or business will be deemed substantial if, for the preceding taxable year, or for the average of the three preceding taxable years, the asset value, the gross income, and the payroll expense that are related to the trade or business in the firstmentioned State equal at least 7.5 percent of the resident's (and any related parties') proportionate share of the asset value, gross income and payroll expense, respectively, that generated the income in the other State, and the average of the three ratios exceeds 10 percent. If the resident owns, directly or indirectly, less than 100 percent of an activity conducted in either State, only the resident's proportionate interest in such activity will be taken into account for purposes of the test described in this paragraph. The following examples demonstrate the application of the substantiality requirement.

Example 1 (i) V, a resident of a country that does not have a tax treaty with the Netherlands, wants to acquire a Netherlands financial institution. However, since its country of residence does not have a tax treaty with the Netherlands, any dividends generated by the investment would be subject to a Netherlands withholding tax of 25%. V establishes a U.S. corporation with one office in a small town to provide investment advice to local residents. That U.S. corporation acquires the Netherlands financial institution with capital provided by V.

  • (ii)

    The Netherlands source income is generated from business activities in the Netherlands that are related to the investment advisory business conducted by the U.S. parent. However, the substantiality test would not be met in this example, so the dividends would remain subject to withholding in the Netherlands at a rate of 25% rather than the rate provided in Article 10 (Dividends).

Example 2 (i) S is a banking organization that is organized and managed and controlled in the Netherlands. S has a large number of local branches and customers in the Netherlands and sufficient employees to provide banking services to those customers. However, because the banking market in the Netherlands is crowded with competitors, S determined that it needed to establish branches outside the Netherlands in order to expand its business. In accordance with that plan, S established branches in several major cities in the United States to engage in the same type of banking business as in the Netherlands. Over time, the U.S. branches have grown significantly, and now are equal in size to the entire Netherlands business of S.

  • (ii)

    The business activities of the U.S. branches of S are related to the business conducted by S in the Netherlands. Because S has a large number of local branches and employees in the Netherlands, the activities of S in the Netherlands are substantial for purposes of subparagraph 4 b) of Article 26 (Limitation on Benefits).

Example 3 NLCo, a Netherlands corporation, owns 100 percent of the stock of USCo, a U.S. corporation, and 50 percent of the stock of NLSub, a Netherlands corporation. NLCo does not directly conduct an active trade or business. USCo and NLSub are actively engaged in the music business. USCo has a number of employees who are responsible for discovering new recording artists. USCo also produces recordings and is responsible for production and distrib ution within the United States. Employees of NLSub are responsible for promoting the recordings in the Netherlands and developing a distribution strategy for the rest of Europe. European sales of U.S. recording artists contribute substantiality to the profitability of USCo.

NLCo receives payments of interest and dividends from USCo. In order for these payments to be entitled to treaty benefits under paragraph 4 of Article 26, NLCo must be considered to be engaged in the active conduct of a trade or business in the Netherlands. Under subparagraph 4 b), because NLCo and USCo are related persons, the activities conducted in the Netherlands and attributed to NLCo must be substantial in relation to the activities conducted by USCo. NLCo will be deemed to satisfy this requirement if the ratio of the assets, income and payroll attributable to NLCo to the assets, income and payroll attributable to USCo are at least 10 percent and each ratio is at least 7.5 percent.

For each of the four most recently concluded taxable years, the asset values, gross income and payroll expenses of these corporations that are attributable to the trade or business were as follows:

Assets

$300

$50

Income

50

10

Payroll

60

10

NLCo has no assets, income or payroll that are attributable to the trade or business. The assets, income and payroll of NLSub that are related to the trade or business may be attributed to NLCo, however, under subparagraph c), since NLCo is connected to NLSub by reason of its 50% beneficial ownership in NLSub. Accordingly, 50 percent of NLSub's assets, income and payroll are attributed to NLCo. The amounts attributed to NLCo and the percentage of USCo's corresponding amounts are as follows:

Assets

8.3

$25

Income

10.0

5

Payroll

8.3

5

Since none of these percentages is greater than 10 percent, NLCo does not meet the requirements for the safe harbor described above. Moreover, application of the threeyear average rule does not change the result, since the relevant amounts for the three preceding years (and the resulting ratios) are equal to those for the first preceding taxable year.

Nevertheless, NLCo will still qualify for benefits with respect to dividends received from USCo. The activities performed by NLSub are substantial in relation to those of USCo, taking into account the contributions of each company to the overall business of the group.

XXIII

In reference to subparagraph 5 a) of Article 26 (Limitation on Benefits)

  • a)

    For the purpose of subparagraph 5 a) of Article 26 (Limitation on Benefits) it is understood that the activities referred to in that subparagraph must be performed in the State of residence of the person performing such activities.

  • b)

    It is understood that for purposes of paragraph 5 a) of Article 26 (Limitation on Benefits) a person will be considered to be engaged in ``supervision and administration" activities, only if it engages in a number of the kinds of activities listed below. For example, a person will be considered a headquarters company if it performs a significant number of the following functions for the group: group financing (which cannot be its principal function), pricing, marketing, internal auditing, internal communications and management. A simple comparison of the amount of gross income that the headquarters company derives from its different activities cannot be used alone to determine whether group financing is, or is not, the company's principal function. The above-mentioned functions are intended to be suggestive of the types of activities in which a headquarters company will be expected to engage; it is not intended to be exhaustive. Furthermore, it is understood that in determining if a substantial portion of the overall supervision and administration of the group is provided by the headquarters company, the activities it performs as a headquarters company for the group it supervises must be substantial in comparison to the same activities for the same group performed within the multinational.

For example, a Japanese corporation establishes a subsidiary in the Netherlands to function as a headquarters company for its European and North American operations. The Japanese corporation also has two other subsidiaries functioning as headquarter companies; one for the African operations and one for the Asian operations. The Dutch headquarters company is the parent company for the subsidiaries through which the European and North American operations are carried on. The Dutch headquarters company supervises the bulk of the pricing, marketing, internal auditing, internal communications and management for its group. Although the Japanese overall parent sets the guidelines for all of its subsidiaries in defining the world-wide group policies with respect to each of these activities, and assures that these guidelines are carried out within each of the regional groups, it is the Dutch headquarters company that monitors and controls the way in which these policies are carried out within the group of companies that it supervises. The capital and payroll devoted by the Japanese parent to these activities relating to the group of companies the Dutch headquarter company supervises is small, relative to the capital and payroll devoted to these activities by the Dutch headquarters company. Moreover, neither the other two headquarter companies, nor any other related company besides the Japanese parent company, perform any of the abovementioned headquarter activities with respect to the group of companies that the Dutch headquarter company supervises. In the above case the Dutch headquarters company will be considered to provide a substantial portion of the overall supervision and administration of the group it supervises.

XXIV

In reference to paragraph 7 of Article 26 (Limitation on Benefits)

  • a)

    It is understood that a company resident in one of the States will be granted under paragraph 7 of Article 26 (Limitation on Benefits) all the benefits of the Convention otherwise accorded to residents of a State with respect to the income it derives from the other State if it satisfies any other specified conditions for the obtaining of such benefits and if:

    • 1.

      shares representing more than 30 percent of the aggregate vote and value of all of its shares are owned, directly or indirectly, by persons who are qualified persons by reason of subparagraphs a), b), clause i) of subparagraph c), or subparagraphs d) or e) of paragraph 2 of Article 26;

    • 2.

      shares representing more than 70 percent of the aggregate vote and value of all its shares (and at least 50 percent of any disproportionate class of shares) are owned, directly or indirectly, by seven or fewer persons who are equivalent beneficiaries within the meaning of subparagraph 8 f); and

    less than 50 percent of the company's gross income for the taxable year in which the item of income arises is paid or accrued, directly or indirectly, to persons who are not equivalent beneficiaries, in the form of payments that are deductible for the purposes of the taxes covered by the Convention in the State of which the company is a resident (but not including arm's length payments in the ordinary course of business for services or tangible property and payments in respect of financial obligations to a bank, provided that where such bank is not a resident of a Contracting State such payment is attributable to a permanent establishment of that bank located in one of the Contracting States).

  • b)

    The competent authorities agree to use reasonable efforts to make a determination pursuant to paragraph 7 within six months of receiving from the taxpayer all necessary information. Further, the competent authorities of both States will meet semi-annually to discuss the status of all cases in which a determination has been requested.

XXV

In reference to subparagraph 2 c) and subparagraph 8 a) ii) of Article 26 (Limitation on Benefits)

A company that is listed on the Paris or Brussels stock exchanges that, together with the Amsterdam Stock Exchange, constitute Euronext, will be treated as satisfying the listing requirement of paragraph 2(c) so long as securities regulators in the Netherlands continue to supervise the functioning of the portion of the exchange that is located in the Netherlands. If the functioning or supervision of Euronext change substantially, the competent authority of the Netherlands will notify the competent authority of the United States and the two competent authorities will consider whether such treatment remains appropriate and whether adjustments should be made to achieve the purpose of this paragraph.

XXVI

In reference to subparagraphs 8 d) ii) and 8 e) iii) of Article 26 (Limitation on Benefits)

  • a)

    In making the determination in subparagraph 8 d) ii), it is understood that the determination is based on an assessment of the decision making activities of all of the executive officers and senior management employees who are me mbers of the Executive Board or the Board of Directors of the company, as the case may be, unless such persons merely provide formal approval of decisions that are in fact made by others. If the executive officers of direct or indirect subsidiaries of the company perform the policymaking functions that are normally the responsibility of the Executive Board or Board of Directors of a corporate group, such as those described in subparagraph 8 e) iii), they will be deemed to be members of the Executive Board or the Board of Directors of the company for these purposes. If there are special voting or other arrangements that indicate that the board members (including persons described in the preceding sentence) do not in fact share equally in decision making, those persons will be considered only to the extent that they are responsible for making the decisions described in subparagraph 8 e) iii).

  • b)

    If a company that is a resident of the Netherlands and is regularly traded on one or more recognized stock exchanges is a parent company for an integrated group of companies that includes another parent company that is also regularly traded on one or more recognized stock exchanges and that other parent company is a resident of a state in the primary economic zone of the Netherlands that has an income tax treaty with the United States that provides for the same or lower rates of withholding with respect to dividends, branch tax, interest and royalties as are provided in Articles 10 (Dividends), 11 (Branch Tax), 12 (Interest) and 13 (Royalties) of the Convention in comparable circumstances, then the first-referenced company will be treated as satisfying the requirements of subparagraph 8) e) iii) with respect to the location of staffs if the staffs conduct more of the activities described therein in the Netherlands and that other state than in any state other than the Netherlands and that other state. For this purpose, an “integrated group of companies” is a group of companies that includes the two parent companies described in the preceding sentence and chains of subsidiaries in which the parent companies have joint economic ownership.

XXVII

In reference to paragraph 5 of Article 29 (Mutual Agreement Procedure).

XXVIII

In reference to paragraph 7 of Article 26 (Limitation on Benefits)

  • a)

    For purposes of paragraph 7 of Article 26 (Limitation on Benefits), in determining whether the establishment, acquisition, or maintenance of a corporation resident of one of the States has or had as one of its principal purposes the obtaining of benefits under this Convention, the competent authority of the State in which the income in question arises may consider the following factors (among others):

    • 1.

      The date of incorporation of the corporation in relation to the date that this Convention entered into force;

    • 2.

      The continuity of the historical business and ownership of the corporation;

    • 3.

      The business reasons for the corporation residing in its State of residence;

    • 4.

      The extent to which the corporation is claiming special tax benefits in its country of residence;

    • 5.

      The extent to which the corporation's business activity in the other State is dependent on the capital, assets, or personnel of the corporation in its State of residence; and

    • 6.

      The extent to which the corporation would be entitled to treaty benefits comparable to those afforded by this Convention if it had been incorporated in the country of residence of the majority of its shareholders.

  • b)

    It is understood that a company resident of one of the States will be granted the treaty benefits under paragraph 7 of Article 26 (Limitation on Benefits) with respect to the income it derives from the other State, if such company:

    • 1.

      Holds stocks and securities the income from which is not predominantly from sources in the other State;

    • 2.

      Has widely dispersed ownership; and

    • 3.

      Employs in its state of residence a substantial staff actively engaged in trades of stocks and securities owned by the company. It is further understood that paragraph 7 of Article 26 will not apply if any of the abovementioned factors is absent.

  • c.

    It is understood that in applying paragraph 7 of Article 26 (Limitation on Benefits), the legal requirements for the facilitation of the free flow of capital and persons within the European Communities, together with the differing internal income tax systems, tax incentive regimes, and existing tax treaty policies among member states of the European Communities, will be considered. Under such paragraph, the competent authority is instructed to consider as its guideline whether the establishment, acquisition or maintenance of a company or the conduct of its operations has or had as one of its principal purposes the obtaining of benefits under this Convention. The competent authority may, therefore, determine under a given set of facts, that a change in circumstances that would cause a company to cease to qualify for treaty benefits under paragraphs 2 and 3 of Article 26 need not necessarily result in a denial of benefits. Such changed circumstances may include a change in the state of residence of a major shareholder of a company, the sale of part of the stock of a Netherlands company to a person resident in another member state of the European Communities, or an expansion of a company's activities in other member states of the European Communities, all under ordinary business conditions. The competent authority will consider these changed circumstances (in addition to other relevant factors normally considered under paragraph 7 of Article 26) in determining whether such a company will remain qualified for treaty benefits with respect to income received from United States sources. If these changed circumstances are not attributable to tax avoidance motives, this also will be considered by the competent authority to be a factor weighing in favor of continued qualification under paragraph 7 of Article 26.

  • d.

    When a corporation resident in one of the States that is entitled to benefits under Article 26 (Limitation on Benefits) acquires a controlling interest in a corporation resident in a third state that in turn owns a controlling interest in a second corporation resident in the first- mentioned State, that second corporation may not be entitled to the benefits of the Convention due to the provisions of subparagraph 2 c) ii) of Article 26 with respect to income derived from sources within the other State. It is understood that in these circumstances the competent authority of the other State, in considering a request for benefits under the Convention under paragraph 7 of Article 26, will consider favorably a plan of reorganization submitted by the second corporation resident in the first- mentioned State, if such plan would result in the second corporation being entitled to the benefits of the Convention within a reasonable transition period (determined without regard to paragraph 7 of Article 26).

XXIX

In reference to paragraph 8 h) of Article 26 (Limitation on Benefits)

In order to meet the “regularly traded” test under subparagraph 8 h) of Article 26 (Limitation on Benefits), a person claiming benefits under the Convention need not prove that it has not engaged in, but may need to rebut evidence that it has engaged in, a pattern of trades on a recognized stock exchange in order to meet these tests.

XXX

In reference to Article 27 (Offshore Activities)

It is understood that transport of supplies or personnel between one of the States and a location where activities are carried on off-shore in that State or between such locations is to be considered as transport between places in that State.

XXXI

In reference to paragraph 5 of Article 29 (Mutual Agreement Procedure)

  • a.

    It is understood that the States will in any case exchange diplomatic notes as provided in paragraph 5 of Article 29 (Mutual Agreement Procedure), when the experience within the European Communities with regard to the application of the Convention on the elimination of double taxation in connection with the adjustment of profits of associated enterprises, signed on 23 July 1990, or the application of paragraph 5 of Article 25 of the tax convention between the United States of America and the Federal Republic of Germany for the avoidance of double taxation and the prevention of fiscal evasion with respect to taxes on income and capital and to certain other taxes, signed on 29 August 1989, has proven to be satisfactory to the competent authorities of both States. After a period of three years after the entry into force of the Convention, the competent authorities shall consult in order to determine whether the conditions for the exchange of diplomatic notes have been fulfilled.

  • b.

    If the competent authorities of both States agree to submit a disagreement regarding the interpretation or application of this Convention in a specific case to arbitration according to paragraph 5 of Article 29, the following procedures will apply:

  • 1.

    If, in applying paragraphs 1 to 4 of Article 29, the competent authorities fail to reach an agreement within two years of the date on which the case was submitted to one of the competent authorities, they may agree to invoke arbitration in a specific case, but only after fully exhausting the procedures available under paragraphs 1 to 4 of Article 29. The competent authorities will not generally accede to arbitration with respect to matters concerning the tax policy or domestic law of either State.

  • 2.

    The competent authorities shall establish an arbitration board for each specific case in the following manner:

    • A)

      An arbitration board shall consist of not fewer than three members. Each competent authority shall appoint the same number of members, and these members shall agree on the appointment of the other member(s).

    • B)

      The other member(s) of the arbitration board shall be from either State or from another OECD member country. The competent authorities may issue further instructions regarding the criteria for selecting the other member(s) of the arbitration board.

    • C)

      Arbitration board member(s) (and their staffs) upon their appointment must agree in writing to abide by and be subject to the applicable confidentiality and disclosure provisions of both States and the Convention. In case those provisions conflict, the most restrictive condition will apply.

  • 3.

    The competent authorities may agree on and instruct the arbitration board regarding specific rules of procedure, such as appointment of a chairman, procedures for reaching a decision, establishment of time limits, etc. Otherwise, the arbitration board shall establish its own rules of procedure consistent with generally accepted principles of equity.

  • 4.

    Taxpayers and/or their representatives shall be afforded the opportunity to present their views to the arbitration board.

  • 5.

    The arbitration board shall decide each specific case on the basis of the Convention, giving due consideration to the domestic laws of the States and the principles of international law. The arbitration board will provide to the competent authorities an explanation of its decision. The decision of the arbitration board shall be binding on both States and the taxpayer(s) with respect to that case. While the decision of the arbitration board shall not have presidential effect, it is expected that such decisions ordinarily will be taken into account in subsequent competent authority cases involving the same taxpayer(s), the same issue(s), and substantially similar facts, and may also be taken into account in other cases where appropriate.

  • 6.

    Costs for the arbitration procedure will be borne in the following manner:

    • A)

      Each State shall bear the cost of remuneration for the member(s) appointed by it, as well as for its representation in the proceedings before the arbitration board;

    • B)

      The cost of remuneration for the other member(s) and all other costs of the arbitration board shall be shared equally between the States; and

    • C)

      The arbitration board may decide on a different allocation of costs. However, if it deems appropriate in a specific case, in view of the nature of the case and the roles of the parties, the competent authority of one of the States may require the taxpayer(s) to agree to bear that State's share of the costs as a prerequisite for arbitration.

  • 7.

    The competent authorities may agree to modify or supplement these procedures; however, they shall continue to be bound by the general principles established herein.

XXXII

In reference to Article 30 (Exchange of Information and Administrative Assistance)

If a United States “reporting corporation” (as defined for purposes of section 6038A of the United States Internal Revenue Code) that is a United States resident, or a United States permanent establishment of a United States “reporting corporation” that is not a United States resident, has neither possession of nor access to records that may be relevant to the United States income tax treatment of any transaction between it and a foreign “related party” (as defined in section 6038A of the United States Internal Revenue Code), and such records are under the control of a Netherlands resident and are maintained outside the United States, then the United States shall request such records from the Netherlands through an exchange of information under Article 30 (Exchange of Information and Administrative Assistance) before issuing a summons for such records to the United States “reporting corporation”, provided that under all the circumstances presented, the records will be obtainable through the request on a timely and efficient basis. For purposes of this paragraph, records will be considered to be available on a timely and efficient basis if they can be obtained within 180 days of the request or such other period agreed upon in mutual agreement between the competent authorities, except where the statute of limitations may expire in a shorter period. Similar principles shall apply with respect to the application of section 6038C.

XXXIII

In reference to Article 30 (Exchange of Information and Administrative Assistance)

Pursuant to paragraph 2 thereof, which provides that the competent authorities shall endeavor to provide information in the form of depositions of witnesses and authenticated copies of unedited original documents, it is understood that the competent authorities of the States will work together to develop mutual procedures that reconcile differences in internal domestic laws and procedures with the aim of ensuring that information is provided in a form that facilitates its use in judicial proceedings in the requesting State.

XXXIV

In reference to paragraph 1 of Article 30 (Exchange of Information and Administrative Assistance)

It is understood that persons concerned with the “administration” of taxes, as that term is used in paragraph 1 of Article 30 (Exchange of Information and Administrative Assistance) include, in the United States, the “tax-writing committees of Congress” and the “General Accounting Office”. Information exchanged under the Convention that is otherwise confidential under the Convention may be received under the same requirement of confidentiality by these bodies and may be used only in the performance of their role of overseeing the administration of United States tax laws. Congress's and the “General Accounting Office's” role in overseeing the administrative of United States tax law is understood to be limited to ensuring that the administration of the tax law by the executive branch is honest, efficient, and consistent with legislative intent.

XXXV

In reference to Article 31 (Assistance and Support in Collection)

It is understood that in applying Article 31 (Assistance and Support in Collection) the following shall be taken into account:

  • 1.

    The requested State shall not be obliged to accede to the request of the applicant State:

    • A)

      If the applicant State has not pursued all appropriate collection action in its own jurisdiction;

    • B)

      In those cases where the administrative burden for the requested State is disproportionate to the benefit to be derived by the applicant State.

  • 2.

    The request for administrative assistance in the recovery of a tax claim shall be accompanied by:

    • A)

      An official copy of the instrument permitting enforcement in the applicant State;

    • B)

      Where appropriate, certified copies of any other document required for recovery;

    • C)

      A certificatio n by the competent authority of the applicant State that, under the laws of that State, the revenue claim has been finally determined. For the purposes of this Article, a revenue claim is finally determined when the applicant State has the right under its internal law to collect the revenue claim and all administrative and judicial rights of the taxpayer to restrain collection in the applicant State have lapsed or been exhausted.

  • 3.

    A revenue claim of the applicant State that has been finally determined may be accepted for collection by the competent authority of the requested State and, subject to the provisions of paragraph 7 below, if accepted shall be collected by the requested State as though such revenue claim were the requested State's own revenue claim finally determined in accordance with the laws applicable to the collection of the requested State's own taxes.

  • 4.

    Where an application for collection of a revenue claim in respect of a taxpayer is accepted:

    • A)

      By the United States, the revenue claim shall be treated by the United States as an assessment under United States laws against the taxpayer as of the time the application is received; and

    • B)

      By the Netherlands, the revenue claim shall be treated by the Netherlands as an amount payable under appropriate Netherlands law, the collection of which is not subject to any restriction.

  • 5.

    Nothing in this Article shall be construed as creating or providing any rights of administrative or judicial review of applicant State's finally determined revenue claim by the requested State, based on any such rights that may be available under the laws of either State. If, at any time pending execution of a request for assistance under this Article, the applicant State loses the right under its internal law to collect the revenue claim, the competent authority of the applicant State shall promptly withdraw the request for assistance in collection.

  • 6.

    Subject to this paragraph, amounts collected by the requested State pursuant to this Article shall be forwarded to the competent authority of the applicant State. Unless the competent authorities of the States otherwise agree, the ordinary costs incurred in providing collection assistance shall be borne by the requested State and any extraordinary costs so incurred shall be borne by the applicant State.

  • 7.

    The requested State may allow deferral of payment or payment by installments, if its laws or administrative practice permit it to do so in similar circumstances, but it shall first inform the applicant State. Any interest received by the requested State as a result of the allowance of a deferral of payment or payment by installments will be transferred to the competent authority of the applicant State.

  • 8.

    A revenue claim of an applicant State accepted for collection shall not have in the requested State any priority accorded to the revenue claims of the requested State.

  • 9.

    The competent authorities may under this Article grant assistance in collecting any tax deferred by operation of paragraph 8 of Article 14 (Capital Gains).

  • 10.

    The competent authorities of the States shall agree upon the mode of application of this Article. The competent authorities of the States may further agree to modify or supplement these procedures, however, they shall continue to be bound by the general principles established herein.

XXXVI

In reference to paragraph 2 of Article 32 (Limitations of Articles 30 and 31)

It is understood that the competent authorities of each State shall use all reasonable efforts to obtain and provide information respecting interests in a person in response to a request from the other State. Paragraph 2 of Article 32 (Limitations of Articles 30 and 31) does not, however, create an obligation on the competent authorities of either State to obtain and provide information respecting interests in a person unless such information can be obtained without giving rise to disproportionate difficulties.

XXXVII

In reference to paragraph 2 of Article 35 (Exempt Pension Trusts)

For the purpose of paragraph 2 of Article 35 (Exempt Pension Trusts), a person is considered to be a related person if more than 80% of the vote or value of any class of the shares is owned by the person deriving the income.

XXXVIII

In General

It is understood that the two Governments shall consult together at regular intervals regarding the terms, operation and application of the Convention to ensure that it continues to serve the purposes of avoiding double taxation and preventing fiscal evasion and shall, where they consider it appropriate, conclude further Protocols to amend the Convention. The first such consultation shall take place no later than December 31st in the fifth year following the date on which the Protocol enters into force in accordance with the provisions of Article 10 of the Protocol. Further consultations shall take place thereafter at intervals of no more than five years.

Notwithstanding the preceding paragraph, either Government may at any time request consultations with the other Government on matters relating to the terms, operation and applicatiøn of the Convention which it considers require urgent resolution.

Nr.

I

DEPARTMENT OF STATE WASHINGTON

Washington D.C., March 8, 2004

Excellency,

I have the honor to refer to the Protocol signed today between the United States of America and the Kingdom of the Netherlands Amending the Convention for the Avoidance of Double Taxation and the Prevention of Fiscal Evasion with Respect to Taxes on Income and to propose on behalf of the Government of the United States the following:

In the course of the negotiations leading to the conclusion of the Protocol signed today, the negotiators developed and agreed upon the Understanding that is attached to this note. The Understanding is a statement of intent setting forth a common understanding and interpretation of certain provisions of the Protocol reached by the delegations of the United States and the Kingdom of the Netherlands on behalf of their respective governments. These understandings and interpretations are intended to give guidance both to the taxpayers and the tax authorities of our two countries in interpreting these provisions. It was further decided that this Understanding will supersede the Understanding accompanying the 1992 Convention and the related exchange of notes accompanying the 1993 Protocol.

If the understandings and interpretations in the Understanding are acceptable, this note and your note reflecting such acceptance will memorialize the understandings and interpretations that the parties have reached.

Accept, Excellency, renewed assurances of my highest consideration.

For the Secretary of State:

ELIZABETH JONES

His Excellency

Boudewijn van Eenennaam

Ambassador of the Kingdom of the Netherlands

Nr.

II

Washington D.C., March 8, 2004

Mr. Secretary,

I have the honor to confirm receipt of your Note of today's date which reads as follows:

(Zoals in Nr. I)

I Have the honor to inform you, that my Government agrees to the above.

Accept, Your Excellency, the expression of my highest consideration.

B. J. VAN EENENNAAM

Ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden

State Department

of the United States of America