Aanvullend Protocol bij de Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht

Additional Protocol to the European Convention on Information on Foreign Law

The member States of the Council of Europe, signatory hereto,

Having regard to the provisions of the European Convention on Information on Foreign Law, opened for signature in London on 7 June 1968 (hereinafter referred to as “the Convention”);

Considering that it is desirable to extend the system of international mutual assistance established by that Convention in the field of criminal law and procedure, in a multilateral framework open to all the Contracting Parties to the Convention;

Considering that, with a view to eliminating economic obstacles to legal proceedings and permitting persons in an economically weak position more easily to exercise their rights in member States, it is also desirable to extend the system established by the Convention to the field of legal aid and advice in civil and commercial matters;

Noting that Article 1, paragraph 2, of the Convention provides that two or more Contracting Parties may decide to extend as between themselves the scope of the Convention to fields other than those referred to in the Convention;

Noting that Article 3, paragraph 3, of the Convention provides that two or more Contracting Parties may decide to extend as between themselves the Convention to requests from authorities other than judicial authorities,

Have agreed as follows:

CHAPTER

I

Article

1

The Contracting Parties undertake to supply one another, in accordance with the provisions of the Convention, with information on their substantive and procedural law and judicial organisation in the criminal field, including prosecuting authorities, as well as on the law concerning the enforcement of penal measures. This undertaking applies to all proceedings in respect of offences the prosecution of which, at the time of the request for information, falls within the jurisdiction of the judicial authorities of the requesting Party.

Article

2

A request for information on questions in the field referred to in Article 1 may:

  • a.

    emanate not only from a court, but from any judicial authority having jurisdiction to prosecute offences or execute sentences that have been imposed with final and binding effect; and

  • b.

    be made not only where proceedings have actually been instituted, but also when the institution of proceedings is envisaged.

CHAPTER

II

Article

3

Within the framework of the undertaking contained in Article 1, paragraph 1 of the Convention, the Contracting Parties agree that requests for information may:

  • a.

    emanate not only from a judicial authority but also from any authority or person acting within official systems of legal aid or legal advice on behalf of persons in an economically weak position; and

  • b.

    be made not only where proceedings have actually been instituted but also when the institution of proceedings is envisaged.

Article

4

CHAPTER

III

Article

5

Article

6

Article

7

Article

8

Article

9

Article

10

Article

11

The Secretary General of the Council of Europe shall notify the member States of the Council and any State which has acceded to the Convention of:

  • a.

    any signature without reservation in respect of ratification, acceptance or approval;

  • b.

    any signature with reservation in respect of ratification, acceptance or approval;

  • c.

    any deposit of an instrument of ratification, acceptance, approval or accession;

  • d.

    any date of entry into force of this Protocol in accordance with Article 7 thereof;

  • e.

    any notification received in pursuance of the provisions of Article 4;

  • f.

    any declaration or notification received in pursuance of the provisions of Article 5;

  • g.

    any declaration received in pursuance of the provisions of Article 9 and any withdrawal of any such declaration;

  • h.

    any notification received in pursuance of the provisions of Article 10 and the date on which denunciation takes effect.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Protocol.

DONE at Strasbourg, this 15th day of March 1978, in English and in French, both texts being equally authoritative, in a single copy which shall remain deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary General of the Council of Europe shall transmit certified copies to each of the signatory and acceding States.

Aanvullend Protocol bij de Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht

De Lid-Staten van de Raad van Europa die dit Protocol hebben ondertekend,

Gelet op de bepalingen van de Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht, welke Overeenkomst voor ondertekening is opengesteld te Londen op 7 juni 1968 (hierna te noemen „de Overeenkomst”);

Overwegende dat het wenselijk is om het door deze Overeenkomst ingevoerde stelsel van onderlinge hulp in internationaal verband uit te breiden tot het gebied van het strafrecht en de strafvordering, en wel binnen een multilateraal kader waartoe alle Partijen bij die Overeenkomst kunnen toetreden;

Overwegende dat, ten einde de hindernissen van economische aard die de toegang tot de rechter belemmeren, weg te nemen en de economisch zwakken in staat te stellen hun rechten in de Lid-Staten beter te doen gelden, het tevens wenselijk is om het door de Overeenkomst ingevoerde stelsel uit te breiden tot het gebied van rechtshulp en rechtsbijstand in burgerlijke zaken en in handelszaken;

Overwegende dat in artikel 1, tweede lid, van de Overeenkomst is bepaald dat twee of meer Overeenkomstsluitende Partijen kunnen overeenkomen in hun onderlinge betrekkingen het toepassingsgebied van deze Overeenkomst uit te breiden tot andere gebieden dan die welke in de Overeenkomst worden genoemd;

Overwegende dat in artikel 3, derde lid, van de Overeenkomst is bepaald dat twee of meer Overeenkomstsluitende Partijen kunnen overeenkomen in hun onderlinge betrekkingen het toepassingsgebied van deze Overeenkomst uit te breiden tot verzoeken die uitgaan van andere dan rechterlijke autoriteiten,

Zijn als volgt overeengekomen:

HOOFDSTUK

I

Artikel

1

De Overeenkomstsluitende Partijen nemen de verplichting op zich, elkaar, overeenkomstig de bepalingen van de Overeenkomst, inlichtingen te verstrekken over hun materieel strafrecht en hun strafprocesrecht, hun rechterlijke organisatie op het gebied van het strafrecht, met inbegrip van het Openbaar Ministerie, alsmede over het recht betreffende de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties. Deze verplichting is van toepassing op iedere procedure die betrekking heeft op strafbare feiten waarvan de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende partij op het tijdstip waarop de inlichtingen worden gevraagd bevoegd zijn kennis te nemen.

Artikel

2

Een verzoek om inlichtingen over punten op de in artikel 1 bedoelde gebieden:

  • a.

    kan uitgaan van een rechtbank en bovendien van iedere rechterlijke autoriteit die bevoegd is tot vervolging of tot tenuitvoerlegging van eindvonnissen;

  • b.

    kan worden gedaan, niet alleen naar aanleiding van een reeds aanhangige zaak, maar eveneens wanneer wordt overwogen een vervolging in te stellen.

HOOFDSTUK

II

Artikel

3

In het kader van de verplichting voortvloeiend uit artikel 1, eerste lid, van de Overeenkomst, komen de Overeenkomstsluitende Partijen overeen dat het verzoek om inlichtingen:

  • a.

    kan uitgaan van een rechterlijke autoriteit en bovendien van iedere autoriteit of persoon die binnen een officieel stelsel van rechtshulp of rechtsbijstand optreedt in het belang van economisch zwakken; en

  • b.

    kan worden gedaan niet alleen naar aanleiding van een reeds aanhangige zaak maar eveneens wanneer wordt overwogen een rechtsvordering in te stellen.

Artikel

4

HOOFDSTUK

III

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa stelt alle Lid-Staten van de Raad en iedere Staat die tot de Overeenkomst is toegetreden, in kennis van:

  • a.

    iedere ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring;

  • b.

    iedere ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring;

  • c.

    de nederlegging van iedere akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding;

  • d.

    iedere datum van inwerkingtreding van dit Protocol overeenkomstig artikel 7 van het Protocol;

  • e.

    iedere kennisgeving ontvangen krachtens het bepaalde in artikel 4;

  • f.

    iedere verklaring of kennisgeving ontvangen krachtens het bepaalde in artikel 5;

  • g.

    iedere verklaring ontvangen krachtens het bepaalde in artikel 9 en iedere intrekking van een zodanige verklaring;

  • h.

    iedere kennisgeving ontvangen krachtens het bepaalde in artikel 10 en de datum waarop de opzegging van kracht wordt.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

GEDAAN te Straatsburg op 15 maart 1978, in de Engelse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk gezaghebbend, in een enkel exemplaar, dat zal worden nedergelegd in het archief van de Raad van Europa.

De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa doet een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift toekomen aan elk van de ondertekenende en toetredende Staten.