Internationaal Verdrag tegen het nemen van gijzelaars

International Convention against the Taking of Hostages

The States Parties to this Convention,

Having in mind the purposes and principles of the Charter of the United Nations concerning the maintenance of international peace and security and the promotion of friendly relations and co-operation among States,

Recognizing in particular that everyone has the right to life, liberty and security of person, as set out in the Universal Declaration of Human Rights and the International Convenant on Civil and Political Rights,

Reaffirming the principle of equal rights and self-determination of peoples as enshrined in the Charter of the United Nations and the Declaration on Principles of International Law concerning Friendly Relations and Co-operation among States in accordance with the Charter of the United Nations, as well as in other relevant resolutions of the General Assembly,

Considering that the taking of hostages is an offence of grave concern to the international community and that, in accordance with the provisions of this Convention, any person committing an act of hostage taking shall either be prosecuted or extradited,

Being convinced that it is urgently necessary to develop international co-operation between States in devising and adopting effective measures for the prevention, prosecution and punishment of all acts of taking of hostages as manifestations of international terrorism,

Have agreed as follows:

Article

1

Article

2

Each State Party shall make the offences set forth in article 1 punishable by appropriate penalties which take into account the grave nature of those offences.

Article

3

Article

4

States Parties shall co-operate in the prevention of the offences set forth in article 1, particularly by:

  • (a)

    taking all practicable measures to prevent preparations in their respective territories for the commission of those offences within or outside their territories, including measures to prohibit in their territories illegal activities of persons, groups and organizations that encourage, instigate, organize or engage in the perpetration of acts of taking of hostages;

  • (b)

    exchanging information and co-ordinating the taking of administrative and other measures as appropriate to prevent the commission of those offences.

Article

5

Article

6

Article

7

The State Party where the alleged offender is prosecuted shall in accordance with its laws communicate the final outcome of the proceedings to the Secretary-General of the United Nations, who shall transmit the information to the other States concerned and the international intergovernmental organizations concerned.

Article

8

Article

9

Article

10

Article

11

Article

12

In so far as the Geneva Conventions of 1949 for the protection of war victims or the Additional Protocols to those Conventions are applicable to a particular act of hostage-taking, and in so far as States Parties to this Convention are bound under those conventions to prosecute or hand over the hostage-taker, the present Convention shall not apply to an act of hostage-taking committed in the course of armed conflicts as defined in the Geneva Conventions of 1949 and the Protocols thereto, including armed conflicts mentioned in article 1, paragraph 4, of Additional Protocol I of 1977, in which peoples are fighting against colonial domination and alien occupation and against racist regimes in the exercise of their right of self-determination, as enshrined in the Charter of the United Nations and the Declaration on Principles of International Law concerning Friendly Relations and Co-operation among States in accordance with the Charter of the United Nations.

Article

13

This Convention shall not apply where the offence is committed within a single State, the hostage and the alleged offender are nationals of that State and the alleged offender is found in the territory of that State.

Article

14

Nothing in this Convention shall be construed as justifying the violation of the territorial integrity or political independence of a State in contravention of the Charter of the United Nations.

Article

15

The provisions of this Convention shall not affect the application of the Treaties on Asylum, in force at the date of the adoption of this Convention, as between the States which are parties to those Treaties; but a State Party to this Convention may not invoke those Treaties with respect to another State Party to this Convention which is not a party to those treaties.

Article

16

Article

17

Article

18

Article

19

Article

20

The original of this Convention, of which the Arabic, Chinese, English, French, Russian and Spanish texts are equally authentic, shall be deposited with the Secretary-General of the United Nations, who shall send certified copies thereof to all States.

IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, being duly authorized thereto by their respective Governments, have signed this Convention, opened for signature at New York on 18 December 1979.

Internationaal Verdrag tegen het nemen van gijzelaars

De Staten die partij zijn bij dit Verdrag,

Indachtig de doelstellingen en beginselen, vervat in het Handvest van de Verenigde Naties, betreffende de handhaving van de internationale vrede en veiligheid en de bevordering van vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen Staten,

In het bijzonder erkennende dat een ieder recht heeft op leven, vrijheid en veiligheid van zijn persoon, zoals vermeld in de Universele Verklaring van de rechten van de mens en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

Opnieuw bevestigende het beginsel van gelijke rechten en zelfbeschikking der volken, zoals vastgelegd in het Handvest van de Verenigde Naties en de Verklaring inzake de beginselen van het volkenrecht betreffende vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen de Staten overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties, alsmede in andere daarop betrekking hebbende resoluties van de Algemene Vergadering,

Overwegende dat het nemen van gijzelaars een misdaad is dat de internationale gemeenschap met diepe zorg vervult, en dat een ieder die een gijzelingshandeling pleegt overeenkomstig het bepaalde in dit Verdrag hetzij dient te worden vervolgd, hetzij dient te worden uitgeleverd,

Ervan overtuigd dat het dringend noodzakelijk is internationale samenwerking tussen Staten te ontwikkelen bij het ontwerpen en aannemen van doeltreffende maatregelen ter voorkoming, vervolging en bestraffing van alle gijzelingshandelingen als uitingen van internationaal terrorisme,

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel

1

Artikel

2

Iedere Staat die partij is bij dit Verdrag stelt de in artikel 1 vermelde feiten strafbaar met passende straffen, rekening houdend met het ernstige karakter van deze feiten.

Artikel

3

Artikel

4

De Staten die partij zijn bij dit Verdrag werken samen ter voorkoming van de in artikel 1 vermelde strafbare feiten, in het bijzonder door:

  • (a)

    alle praktisch uitvoerbare maatregelen te nemen om te voorkomen dat op hun onderscheiden grondgebieden voorbereidingen worden getroffen voor het begaan van die strafbare feiten binnen of buiten hun grondgebied, met inbegrip van maatregelen om te verbieden dat op hun grondgebied onwettige activiteiten plaatsvinden door personen, groepen of organisaties die aanmoedigen of aanzetten tot het verrichten van gijzelingshandelingen, deze organiseren of deze uitvoeren;

  • (b)

    inlichtingen uit te wisselen en administratieve en andere maatregelen, naar gelang het geval, ter voorkoming van het begaan van deze strafbare feiten te coördineren.

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

De Staat die partij is bij dit Verdrag en waar de vermoedelijke dader wordt vervolgd, brengt, overeenkomstig zijn wetten, het eindresultaat van de strafzaak ter kennis van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die de gegevens doorzendt aan de andere betrokken Staten en aan de betrokken internationale intergouvernementele organisaties.

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

Voor zover de Verdragen van Genève van 1949 inzake de bescherming van oorlogsslachtoffers of de Aanvullende Protocollen bij deze Verdragen van toepassing zijn op een bepaalde gijzelingshandeling en voor zover de Staten die partij zijn bij dit Verdrag krachtens deze Verdragen zijn gehouden degene die zich schuldig heeft gemaakt aan bedoelde gijzelingshandeling, te vervolgen of over te dragen, is dit Verdrag niet van toepassing op een gijzelingshandeling die is gepleegd tijdens gewapende conflicten - als omschreven in de Verdragen van Genève van 1949 en de Protocollen daarbij, met inbegrip van gewapende conflicten, vermeld in Protocol I van 1977, artikel 1, vierde lid - waarin volkeren vechten tegen koloniale overheersing en vreemde bezetting en tegen racistische regimes in de uitoefening van hun recht op zelfbeschikking zoals neergelegd in het Handvest van de Verenigde Naties en de Verklaring inzake de beginselen van het volkenrecht betreffende vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen Staten overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties.

Artikel

13

Dit Verdrag is niet van toepassing wanneer het strafbare feit is begaan binnen één enkele Staat, de gijzelaar en de vermoedelijke dader onderdaan van die Staat zijn en de vermoedelijke dader op het grondgebied van die Staat wordt aangetroffen.

Artikel

14

Geen enkele bepaling van dit Verdrag mag worden uitgelegd als rechtvaardiging van de schending van de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van een Staat in strijd met het Handvest van de Verenigde Naties.

Artikel

15

Het bepaalde in dit Verdrag laat de toepassing van de verdragen inzake asiel die van kracht zijn op de datum waarop dit Verdrag is aangenomen, onverlet tussen de Staten die partij zijn bij die verdragen; een Staat die partij is bij dit Verdrag kan zich echter niet op die verdragen beroepen ten aanzien van een andere Staat die partij is bij dit Verdrag maar niet bij die verdragen.

Artikel

16

Artikel

17

Artikel

18

Artikel

19

Artikel

20

Het origineel van dit Verdrag, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die daarvan een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift toezendt aan alle staten.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, hiertoe naar behoren gevolmachtigd door hun onderscheiden Regeringen, dit Verdrag, op 18 december 1979 te New York voor ondertekening opengesteld, hebben ondertekend.