Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch Gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, anderzijds

Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000

Preambule

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap enerzijds, en de Overeenkomst van Georgetown tot oprichting van de groep van Staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, anderzijds;

Vastbesloten samen te werken teneinde de doeleinden van uitroeiing van de armoede, duurzame ontwikkeling en geleidelijke integratie van de ACS-landen in de wereldeconomie te verwezenlijken;

Vastbesloten door middel van hun samenwerking een aanmerkelijke bijdrage te leveren tot de economische, sociale en culturele ontwikkeling van de ACS-staten en tot lotsverbetering van hun volkeren, door hen te helpen de uitdaging van de globalisering het hoofd te bieden en het partnerschap tussen ACS en EU te intensiveren, teneinde de sociale dimensie van het globaliseringsproces te versterken;

Opnieuw bevestigende dat zij hun bijzondere betrekkingen een nieuw elan wensen te geven en ter versterking van hun partnerschap een brede geïntegreerde benadering tot stand wensen te brengen, gebaseerd op politieke dialoog, ontwikkelingssamenwerking en economische en handelsbetrekkingen;

Erkennende dat een politiek klimaat dat vrede, veiligheid en stabiliteit, eerbiediging van de mensenrechten, de democratische beginselen en de rechtsstaat en goed bestuur waarborgt, een integrerend onderdeel van de ontwikkeling op lange termijn dient te zijn; erkennende dat de verantwoordelijkheid voor de totstandbrenging van een dergelijk klimaat allereerst berust bij de betrokken landen;

Erkennende dat een gezond en duurzaam economisch beleid een essentiële voorwaarde is voor ontwikkeling;

Verwijzende naar de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en herinnerende aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, de conclusies van de Conferentie van Wenen van 1993 over de mensenrechten, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, de Overeenkomst inzake de rechten van het kind, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, de Verdragen van Genève van 1949 en andere instrumenten van het internationale humanitaire recht, het Verdrag betreffende de status van staatlozen (Genève 1954), het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Genève 1951) en het Protocol betreffende de status van vluchtelingen (New York 1967);

In aanmerking nemende het Verdrag inzake de mensenrechten en de fundamentele vrijheden van de Raad van Europa, het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren en het Amerikaanse Verdrag inzake de rechten van de mens als positieve regionale bijdragen tot de eerbiediging van de mensenrechten in de Europese Unie en in de ACS-staten;

Opnieuw bevestigende dat de ernstigste misdrijven die de internationale gemeenschap aangaan, niet ongestraft mogen blijven en dat de effectieve vervolging ervan moet worden gewaarborgd door maatregelen op nationaal niveau te nemen en de wereldwijde samenwerking te intensiveren;

Overwegende dat de instelling en het effectief functioneren van het Internationaal Strafhof een belangrijke ontwikkeling voor vrede en internationale gerechtigheid zijn;

VERWIJZENDE naar de verklaringen van de successieve topontmoetingen van de staatshoofden en regeringsleiders van de ACS-staten;

OVERWEGENDE dat de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, zoals die zijn vastgelegd in de Millenniumverklaring die de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 2000 heeft vastgesteld, met name de uitroeiing van extreme armoede en honger, alsmede de ontwikkelingsdoelen en de beginselen die zijn overeengekomen op de Conferenties van de Verenigde Naties, een duidelijke visie bieden en aan de samenwerking tussen de ACS en de Europese Unie in het kader van deze Overeenkomst ten grondslag moeten liggen; Erkennende dat de EU en de ACS-staten een gezamenlijke inspanning moeten leveren om sneller vooruitgang te boeken met betrekking tot de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen;

INSTEMMENDE met de agenda voor de doeltreffendheid van hulp, die in Rome van start is gegaan, in Parijs is voortgezet en met de Actieagenda van Accra verder is ontwikkeld;

BIJZONDERE AANDACHT SCHENKENDE aan de verbintenissen die zijn aangegaan en de doelstellingen die zijn overeengekomen op grote VN-conferenties en andere internationale conferenties, en erkennende dat verdere maatregelen nodig zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen en de uitvoering van de actieprogramma's die in die fora zijn vastgesteld;

ZICH BEWUST van de ernstige wereldwijde milieuproblemen die klimaatverandering teweegbrengt, en diep bezorgd dat de kwetsbaarste bevolkingsgroepen in ontwikkelingslanden leven, met name de minst ontwikkelde landen en de kleine eilandstaten van de ACS, waar klimaatverschijnselen zoals stijging van de zeespiegel, kusterosie, overstromingen, droogte en woestijnvorming een bedreiging vormen voor de bestaansmiddelen van de bevolking en duurzame ontwikkeling;

Wensende de fundamentele arbeidsrechten te eerbiedigen, rekening houdende met de beginselen die in de desbetreffende verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie zijn neergelegd;

Wijzende op hun verbintenissen in het kader van de Wereldhandelsorganisatie,

Hebben besloten deze overeenkomst te sluiten1 [Red: De oorspronkelijke Bijlagen bij de Overeenkomst en de Protocollen liggen ter inzage bij de Afdeling Verdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, en zijn gepubliceerd in PbEU 2000, L 317.]:

DEEL

1

ALGEMENE BEPALINGEN

TITEL

I

DOELEINDEN, BEGINSELEN EN ACTOREN

HOOFDSTUK

I

DOELSTELLINGEN EN BEGINSELEN

Artikel

1

Doelstellingen van het partnerschap

De Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de ACS-staten anderzijds, hierna „de partijen” genoemd, sluiten deze Overeenkomst om de economische, culturele en maatschappelijke ontwikkeling van de ACS-staten te bevorderen en te versnellen, teneinde tot vrede en veiligheid bij te dragen en een stabiel en democratisch politiek klimaat te bevorderen.

De kern van het partnerschap wordt gevormd door de doelstelling armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te roeien, overeenkomstig de doelstellingen van duurzame ontwikkeling en geleidelijk integratie van de ACS-landen in de wereldeconomie.

Deze doelstellingen en de internationale verbintenissen van de partijen, met inbegrip van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, liggen aan alle ontwikkelingsstrategieën ten grondslag; zij worden verwezenlijkt volgens een geïntegreerde benadering, die de politieke, economische, maatschappelijke, culturele en milieuaspecten van de ontwikkeling tegelijkertijd in aanmerking neemt. Het partnerschap biedt een samenhangend kader voor de ondersteuning van de ontwikkelingsstrategieën van elke ACS-staat.

Elementen van dit kader zijn duurzame economische groei, ontwikkeling van de particuliere sector, stimulering van de werkgelegenheid en verbetering van de toegang tot productiemiddelen. Steun wordt verleend ter bevordering van de eerbiediging van de rechten van het individu en de vervulling van basisbehoeften, de bevordering van sociale ontwikkeling en de vervulling van de voorwaarden voor rechtvaardige verdeling van de vruchten van de groei. Regionale en subregionale integratieprocessen die de integratie van de ACS-landen in de wereldeconomie bevorderen, zowel wat handel als wat particuliere investeringen betreft, worden aangemoedigd en gesteund. Integrerende onderdelen van deze benadering zijn de opbouw van de capaciteit van de actoren van het ontwikkelingsproces en de verbetering van het institutionele kader dat vereist is voor sociale cohesie, voor het functioneren van een democratische samenleving en een markteconomie en voor het ontstaan van een actieve, georganiseerde civiele samenleving. De situatie van vrouwen en gendervraagstukken worden systematisch in aanmerking genomen op alle gebieden – politiek, economisch en sociaal. De beginselen van duurzaam beheer van natuurlijke rijkdommen en het milieu en de beheersing van klimaatverandering worden op elk niveau van het partnerschap geïntegreerd toegepast.

Artikel

2

Grondbeginselen

De samenwerking tussen ACS en EG, die gegrondvest is op een bindende rechtsregeling en gezamenlijke instellingen, wordt geleid door de internationaal overeengekomen agenda voor de doeltreffendheid van hulp, met als uitgangspunten eigen inbreng, onderlinge afstemming, harmonisatie, resultaatgericht beheer en wederzijdse verantwoording, en wordt uitgevoerd aan de hand van de volgende grondbeginselen:

  • gelijkheid van de partners en hun inbreng in de ontwikkelingsstrategieën: ter uitvoering van de doelstellingen van het partnerschap bepaalt iedere ACS-staat de ontwikkelingsstrategie voor zijn economie en zijn samenleving in volledige soevereiniteit, daarbij alle in artikel 9 genoemde essentiële en fundamentele elementen in aanmerking nemende; het partnerschap stimuleert de inbreng van de betrokken landen en volkeren in de eigen ontwikkelingsstrategie; de ontwikkelingspartners van de EU stemmen hun programma's af op deze strategieën;

  • deelname: naast de centrale overheid als belangrijkste partner, staat het partnerschap open voor de parlementen van de ACS-staten, de plaatselijke overheden in de ACS-staten en andere actoren, teneinde de integratie in de hoofdstroom van het politieke, economische en maatschappelijke leven te bevorderen van alle geledingen van de samenleving, waaronder de particuliere sector en organisaties van het maatschappelijk middenveld;

  • een centrale rol voor dialoog, de naleving van wederzijdse verplichtingen en verantwoording: de verplichtingen die de partijen in het kader van hun dialoog zijn aangegaan vormen een kernpunt van hun partnerschaps- en samenwerkingsbetrekkingen; de partijen werken nauw samen bij het bepalen en uitvoeren van de noodzakelijke donorafstemming en harmonisatie, teneinde bij deze processen een sleutelrol voor de ACS-staten te waarborgen;

  • differentiëring en regionalisering: de regelingen en prioriteiten voor samenwerking worden afgestemd op het ontwikkelingsniveau, de behoeften, de prestaties en de ontwikkelingsstrategie voor de lange termijn van de partner. De minst ontwikkelde landen krijgen een bijzondere behandeling. Rekening wordt gehouden met de kwetsbaarheid van niet aan zee grenzende en insulaire landen. Bijzondere aandacht wordt geschonken aan regionale integratie, ook op continentale schaal.

Artikel

3

Verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst

Elke partij neemt, voor zover het bepaalde in de Overeenkomst haar aangaat, alle algemene of bijzondere maatregelen waardoor de nakoming van de uit de Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen kan worden gewaarborgd en het nastreven van de doelstellingen ervan kan worden vergemakkelijkt. De partijen zien af van maatregelen die deze doelstellingen in gevaar kunnen brengen.

HOOFDSTUK

II

DE ACTOREN VAN HET PARTNERSCHAP

Artikel

4

Algemene benadering

De ACS-staten bepalen de beginselen, strategieën en modellen voor de ontwikkeling van hun economie en hun samenleving in volledige soevereiniteit. Zij stellen samen met de Gemeenschap de samenwerkingsprogramma's vast waarin de Overeenkomst voorziet. De partijen erkennen echter dat niet-overheidsactoren, nationale parlementen van de ACS-staten en plaatselijke gedecentraliseerde overheden in het ontwikkelingsproces een complementaire rol kunnen spelen en daartoe een bijdrage kunnen leveren, met name op nationaal en regionaal niveau. Niet-overheidsactoren, nationale parlementen van de ACS-staten en plaatselijke gedecentraliseerde overheden worden daartoe in voorkomend geval, overeenkomstig de voorwaarden bepaald in de Overeenkomst, op de volgende wijze bij het proces betrokken:

  • zij worden ingelicht en betrokken bij overleg over samenwerkingsbeleid en samenwerkingsstrategie, over samenwerkingsprioriteiten, met name op terreinen die hen aangaan of rechtstreeks betreffen, en over de politieke dialoog;

  • hun wordt op kritieke gebieden steun verleend ter versterking van hun capaciteiten en vermogens, met name ten aanzien van organisatie en representatie en de instelling van mechanismen voor overleg, met inbegrip van communicatielijnen en dialoog, alsmede ter bevordering van strategische allianties.

Niet-overheidsactoren en plaatselijke gedecentraliseerde overheden:

  • krijgen, waar nodig, op de voorwaarden als in de Overeenkomst vastgesteld, financiële middelen ter beschikking gesteld om het proces van plaatselijke ontwikkeling te steunen;

  • worden waar nodig betrokken bij de tenuitvoerlegging van samenwerkingsprojecten en -programma's op terreinen die hen aangaan of waarop zij een relatief voordeel hebben.

Artikel

5

Voorlichting

De samenwerking ondersteunt maatregelen ten behoeve van voorlichting over de belangrijkste aspecten van het partnerschap tussen ACS en EU. De samenwerking is bovendien gericht op:

  • aanmoediging van partnerschap en contacten tussen actoren in de ACS en in de EU;

  • versterking van netwerkvorming en uitwisseling van deskundigheid en ervaring onder de actoren.

Artikel

6

Definities

Artikel

7

Capaciteitsopbouw

De bijdrage van de civiele samenleving tot het ontwikkelingsproces kan worden gestimuleerd door versterking van maatschappelijke organisaties en niet-gouvernementele organisaties zonder winstoogmerk op alle terreinen van de samenwerking. Dit houdt in dat:

  • de totstandkoming en ontwikkeling van dergelijke organisaties moet worden gestimuleerd;

  • regelingen moeten worden getroffen om dergelijke organisaties te betrekken bij de opzet, de uitvoering en de evaluatie van ontwikkelingsstrategieën en ontwikkelingsprogramma's.

TITEL

II

DE POLITIEKE DIMENSIE

Artikel

8

Politieke dialoog

Artikel

9

Essentiële elementen op het gebied van de rechten van de mens, de democratische beginselen en de rechtsstaat, en fundamenteel element met betrekking tot goed bestuur

Artikel

10

Andere elementen van het politieke klimaat

Artikel

11

Vredesopbouw, conflictpreventie en conflictoplossing, respons op onstabiele situaties

Artikel

11 bis

Bestrijding van terrorisme

De partijen uiten opnieuw hun krachtige veroordeling van alle daden van terrorisme en verbinden zich ertoe het terrorisme te bestrijden door internationale samenwerking overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties en het internationale recht, de desbetreffende verdragen en instrumenten en met name de volledige tenuitvoerlegging van de resoluties 1373 en 1456 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en andere relevante VN-resoluties. De partijen komen hiertoe overeen:

  • informatie uit te wisselen over terroristische groeperingen en de hen ondersteunende netwerken;

  • inzichten uit te wisselen over middelen en methoden om daden van terrorisme te bestrijden, onder meer op technisch gebied en wat opleiding betreft, en ervaringen uit te wisselen met betrekking tot het voorkomen van terrorisme.

Artikel

11 ter

Samenwerking inzake de bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens

Artikel

12

Coherentie van het Gemeenschapsbeleid en de impact daarvan op de uitvoering van de overeenkomst

De partijen verbinden zich ertoe de beleidscoherentie inzake ontwikkeling op doelgerichte, strategische en op partnerschap berustende wijze te bevorderen, onder andere door versterking van de dialoog op het gebied van beleidscoherentie inzake ontwikkeling. De Unie erkent dat de Unie met haar beleid op andere gebieden dan ontwikkeling steun kan verlenen aan de ontwikkelingsprioriteiten van de ACS-staten, overeenkomstig de doelstellingen van deze Overeenkomst. Op deze grondslag verbetert de Unie de samenhang van die beleidsgebieden teneinde de doelstellingen van deze Overeenkomst te bereiken.

Onverminderd artikel 96 stelt de Gemeenschap, indien zij voornemens is bij de uitvoering van haar bevoegdheden een maatregel te nemen die, gelet op de doelstellingen van de Overeenkomst, van invloed kan zijn op de belangen van de ACS-staten, de ACS-groep daarvan tijdig in kennis. Met het oog hierop houdt de Commissie het secretariaat van de ACS-groep op de hoogte van geplande voorstellen en doet zij haar voorstellen voor maatregelen van deze aard tegelijkertijd aan dit secretariaat toekomen. Zo nodig kan ook op initiatief van de ACS-staten een verzoek om inlichtingen worden ingediend.

Op verzoek van deze staten vindt onverwijld overleg plaats opdat, voordat een definitief besluit wordt genomen, rekening kan worden gehouden met hun bezwaren ten aanzien van de gevolgen van deze maatregelen.

Na dit overleg kunnen de ACS-staten en de ACS-groep hun bezwaren bovendien schriftelijk aan de Gemeenschap zo vlug mogelijk kenbaar maken en voorstellen voor wijzigingen doen die aangeven hoe hun bezwaren ondervangen moeten worden.

Indien de Gemeenschap geen gevolg geeft aan de voorstellen van de ACS-staten, stelt zij de ACS-staten daar zo spoedig mogelijk van in kennis, onder opgave van redenen.

De ACS-groep wordt tevens, indien mogelijk tevoren, toereikende informatie verstrekt over de inwerkingtreding van deze besluiten.

Artikel

13

Migratie

DEEL

2

INSTITUTIONELE BEPALINGEN

Artikel

14

Gezamenlijke instellingen

Artikel

14 bis

Bijeenkomsten van staatshoofden en regeringsleiders

De partijen komen bijeen op het niveau van staatshoofden en regeringsleiders in een door de partijen overeen te komen passende vorm.

Artikel

15

De Raad van Ministers

Artikel

16

Het Comité van Ambassadeurs

Artikel

17

De Paritaire Parlementaire Vergadering

DEEL

3

SAMENWERKINGSSTRATEGIEËN

Artikel

18

De samenwerkingsstrategieën worden gebaseerd op ontwikkelingsstrategieën en de economische en commerciële samenwerking; deze twee gebieden zijn onderling verbonden en vullen elkaar aan. De partijen zien erop toe dat de inspanningen op beide gebieden elkaar wederzijds versterken.

TITEL

I

ONTWIKKELINGSSTRATEGIEËN

HOOFDSTUK

I

ALGEMEEN KADER

Artikel

19

Principes en doelstellingen

Artikel

20

Benadering

HOOFDSTUK

II

GEBIEDEN WAAROP STEUN WORDT VERLEEND

DEEL

I

ECONOMISCHE ONTWIKKELING

Artikel

21

Investeringen en ontwikkeling van de particuliere sector

Artikel

22

Macro-economische en structurele hervormingen en beleidslijnen

Artikel

23

Economische en sectorale ontwikkeling

In het kader van de samenwerking dient steun te worden verleend voor duurzame beleidslijnen en institutionele hervormingen en voor de nodige investeringen voor een gelijke toegang tot economische activiteiten en productiemiddelen, in het bijzonder:

  • a)

    de ontwikkeling van opleidingssystemen die bijdragen tot de verhoging van de productiviteit in de formele en informele sector;

  • b)

    kapitaal, krediet, grond, met name wat eigendomsrechten en gebruik betreft;

  • c)

    de ontwikkeling van plattelandsstrategieën gericht op de totstandkoming van een kader voor participatieve gedecentraliseerde planning, toewijzing en beheer van hulpbronnen;

  • d)

    de ontwikkeling van strategieën ter verbetering van de landbouwproductie en -productiviteit in de ACS-staten door met name de noodzakelijke financiering te verstrekken voor landbouwonderzoek, landbouwinputs en -diensten, ondersteunende plattelandsinfrastructuur en risicovermindering en -beheersing. De steun omvat openbare en particuliere investeringen in de landbouw, stimulering van de ontwikkeling van landbouwbeleid en -strategieën, versterking van organisaties van landbouwers en de particuliere sector, beheer van natuurlijke hulpbronnen, en ontwikkeling en werking van de landbouwmarkten. De strategieën voor de landbouwproductie versterken het nationale en regionale beleid voor voedselzekerheid en de regionale integratie. De samenwerking in dit verband ondersteunt de inspanningen van de ACS-staten om de concurrentiepositie van hun grondstoffenexport te versterken en hun strategieën voor de grondstoffenexport aan te passen aan de ontwikkeling van de handelsvoorwaarden;

  • e)

    duurzame ontwikkeling van de watervoorraden op basis van de beginselen van geïntegreerd beheer van de watervoorraden, waardoor een rechtvaardige en duurzame verdeling van gemeenschappelijke watervoorraden over de verschillende soorten gebruik daarvan wordt gewaarborgd;

  • f)

    duurzame ontwikkeling van aquacultuur en visserij, met inbegrip van zowel de binnenvisserij als de mariene rijkdommen binnen de exclusieve economische zones van de ACS-staten;

  • g)

    economische en technologische infrastructuur en diensten, inclusief vervoer, telecommunicatiesystemen, communicatiediensten en ontwikkeling van de informatiemaatschappij;

  • h)

    ontwikkeling van een concurrerende industrie-, mijnbouw- en energiesector, inclusief stimulering van de betrokkenheid en ontwikkeling van de particuliere sector;

  • i)

    ontwikkeling van de handel, inclusief de bevordering van eerlijke handel;

  • j)

    ontwikkeling van het bedrijfsleven, de financiële sector en het bankwezen; en andere dienstensectoren;

  • k)

    ontwikkeling van het toerisme;

  • l)

    ontwikkeling van infrastructuur en diensten ten behoeve van wetenschap, technologie en onderzoek; inclusief stimulering, overdracht en toepassing van nieuwe technologieën;

  • m)

    versterking van de capaciteit in productieve sectoren, met name in de publieke en particuliere sector;

  • n)

    bevordering van traditionele kennis; en

  • o)

    ontwikkeling en tenuitvoerlegging van specifieke aanpassingsstrategieën ter vermindering van de gevolgen van het verlies van preferenties, zo mogelijk met inachtneming van de activiteiten onder a) tot en met n).

Artikel

23 bis

Visserij

Gezien de sleutelrol die visserij en aquacultuur in de ACS-staten spelen door hun positieve bijdrage aan de werkgelegenheid, het genereren van inkomsten, de voedselzekerheid en de middelen van bestaan van plattelands- en kustgemeenschappen en daardoor aan de bestrijding van armoede, wordt de samenwerking gericht op de verdere ontwikkeling van de aquacultuursector en de visserijsector in de ACS-staten, teneinde de sociale en economische voordelen van deze sectoren op duurzame wijze te vergroten.

De samenwerkingsprogramma's en -activiteiten ondersteunen onder andere de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van strategieën en beheersplannen voor de duurzame ontwikkeling van de aquacultuur en de visserij in de ACS-staten en -regio’s, de integratie van de aquacultuur en de visserij in de nationale en regionale ontwikkelingsstrategieën, de ontwikkeling van de infrastructuur en de technische kennis om de ACS-staten in staat te stellen een maximale duurzame opbrengst te behalen uit hun visserij en aquacultuur, de opbouw van de capaciteit van de ACS-staten om externe problemen te overwinnen die verhinderen dat zij hun visserijrijkdommen ten volle kunnen valoriseren, en de stimulering en ontwikkeling van gemeenschappelijke ondernemingen voor investeringen in de visserij- en de aquacultuursector in de ACS-staten. In alle via onderhandelingen tot stand te komen visserijovereenkomsten tussen de Gemeenschap en de ACS-staten dient rekening te worden gehouden met de ontwikkelingsstrategieën op dit gebied.

Met wederzijdse instemming kan op hoog niveau, inclusief ministerieel niveau, overleg worden gevoerd over ontwikkeling, verbetering en/of versterking van de ACS-EU-ontwikkelingssamenwerking op het gebied van duurzame aquacultuur en visserij.

Artikel

24

Toerisme

De samenwerking is gericht op de duurzame ontwikkeling van de toeristenindustrie in de ACS-staten en -subregio's, waarbij het toenemende belang van deze sector voor de groei van de dienstensector in de ACS-staten en de toename van de internationale handel erkend wordt, alsmede het vermogen van de toeristenindustrie om andere sectoren van de economie te stimuleren en de rol die deze sector kan spelen bij de uitroeiing van armoede.

In het kader van de samenwerkingsprogramma's en -projecten worden de inspanningen van de ACS-staten ondersteund die gericht zijn op de totstandbrenging en verbetering van het juridische en institutionele kader en de hulpbronnen voor de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van duurzame beleidslijnen en programma's op het gebied van toerisme, alsmede, onder andere, de verbetering van de concurrentiepositie van deze sector, met name van het MKB, de ondersteuning en bevordering van investeringen, productontwikkeling, inclusief de ontwikkeling van de inheemse culturen in de ACS-staten, en versterking van de onderlinge banden tussen het toerisme en andere sectoren van de economie.

DEEL

II

SOCIALE EN HUMANE ONTWIKKELING

Artikel

25

Sociale sectorale ontwikkeling

Artikel

26

Jeugdzaken

In het kader van de samenwerking dient voorts steun te worden verleend voor de totstandbrenging van een samenhangend en omvattend beleid ter verwezenlijking van het potentieel van de jeugd met het doel deze beter te integreren in de samenleving en haar in staat te stellen zich volledig te ontplooien. In deze context wordt in het kader van de samenwerking steun verleend voor beleidslijnen, maatregelen en activiteiten gericht op:

  • a.

    de bescherming van de rechten van het kind en de jeugd, in het bijzonder van meisjes;

  • b.

    de bevordering van de vaardigheden, de energie, het streven naar innovatie en het potentieel van de jeugd, ter stimulering van de kansen van de jeugd op economisch, maatschappelijk en cultureel gebied en ter verbetering van de werkgelegenheidsvooruitzichten van de jeugd in de productieve sector;

  • c.

    de ondersteuning van instellingen binnen de lokale gemeenschap die kinderen de kans geven zich fysiek, psychologisch, maatschappelijk en economisch te ontplooien;

  • d.

    de herintegratie in de maatschappij van kinderen in postconflictsituaties door middel van rehabilitatieprogramma’s, en

  • e.

    bevordering van de actieve participatie van jonge burgers in het openbare leven en stimulering van de uitwisseling van studenten en de interactie van jeugdorganisaties uit de ACS en de Europese Unie.

Artikel

27

Cultuur en ontwikkeling

De samenwerking op cultureel gebied is gericht op:

  • a.

    de integratie van de culturele dimensie op alle niveaus van de ontwikkelingssamenwerking;

  • b.

    de erkenning, het behoud en de bevordering van culturele waarden en identiteiten, teneinde een interculturele dialoog mogelijk te maken;

  • c.

    de erkenning, het behoud en de bevordering van de waarde van cultureel erfgoed; de ondersteuning van de ontwikkeling van de capaciteit in deze sector;

  • d.

    de ontwikkeling van de culturele sector en de verbetering van de markttoegang voor culturele goederen en diensten;

  • e.

    de erkenning en ondersteuning van de rol van cultuuractoren en cultuurnetwerken en hun bijdrage aan duurzame ontwikkeling; en

  • f.

    de bevordering van de culturele dimensie in het onderwijs en de deelname van jongeren aan culturele activiteiten.

DEEL

IIII

REGIONALE SAMENWERKING EN INTEGRATIE

Artikel

28

Algemene benadering

Artikel

29

ACS-EU-samenwerking ter ondersteuning van regionale samenwerking en integratie

Artikel

30

Capaciteitsopbouw ter ondersteuning van regionale samenwerking en integratie binnen de ACS-groep

Teneinde de doeltreffendheid en doelmatigheid van het regionale beleid te versterken, is de samenwerking gericht op ontwikkeling en versterking van de capaciteit van:

  • a)

    instellingen en organisaties voor regionale integratie die door de ACS-staten zijn opgericht, of waarin ACS-staten participeren en die regionale samenwerking en integratie bevorderen;

  • b)

    de nationale regeringen en parlementen met betrekking tot vraagstukken op het gebied van regionale integratie; en

  • c)

    niet-overheidsactoren, met inbegrip van de particuliere sector.

DEEL

IV

THEMATISCHE EN ALGEMENE VRAAGSTUKKEN

Artikel

31

Gendervraagstukken

De samenwerking draagt bij tot de versterking van beleidslijnen en programma's die de gelijkwaardige deelname van mannen en vrouwen aan alle aspecten van het politieke, economische, maatschappelijke en culturele leven beogen te verbeteren, te garanderen en te verruimen. De samenwerking draagt bij tot de verbetering van de toegang van vrouwen tot alle nodige hulpbronnen voor de volwaardige uitoefening van hun fundamentele rechten. In het kader van de samenwerking wordt met name een passend kader gecreëerd voor:

  • a.

    de integratie van gendervraagstukken en een genderbewuste benadering op alle niveaus van de ontwikkelingssamenwerking, inclusief macro-economische beleidslijnen, strategieën en maatregelen; en

  • b.

    de bevordering van de goedkeuring van specifieke positieve maatregelen ten gunste van vrouwen, zoals:

    • i.

      de bevordering van hun deelname aan de nationale en lokale politiek;

    • ii.

      de ondersteuning van vrouwenorganisaties;

    • iii.

      de toegang tot sociale basisdiensten, met name onderwijs en opleiding, gezondheidszorg en gezinsplanning;

    • iv.

      de toegang tot productiemiddelen, met name grond, krediet en arbeidsmarkt; en

    • v.

      de specifieke inachtneming van vrouwen bij verlening van noodhulp en rehabilitatiemaatregelen.

Artikel

31 bis

HIV/AIDS

De samenwerking ondersteunt de inspanningen van de ACS-staten ter ontwikkeling en versterking van beleid en programma’s in alle sectoren om de HIV/AIDSpandemie aan te pakken en te voorkomen dat deze de ontwikkeling belemmert. Steun wordt verleend aan de ACS-staten om de universele toegang tot HIV/AIDSpreventie, -behandeling, -verzorging en -steun tot stand te brengen en in stand te houden, en is met name gericht op:

  • a)

    prioritaire ondersteuning van de ontwikkeling en uitvoering van alomvattende multisectorale strategieën en plannen inzake HIV/AIDS in het kader van nationale en regionale ontwikkelingsplannen;

  • b)

    betrokkenheid van alle passende sectoren bij de nationale respons op HIV/AIDS en de brede inzet van belanghebbenden op alle niveaus;

  • c)

    versterking van de stelsels voor volksgezondheid en de aanpak van personeelstekorten in de gezondheidszorg teneinde de universele toegang tot en de effectieve integratie van HIV/AIDSpreventie, behandeling, verzorging en andere zorgdiensten te waarborgen;

  • d)

    aanpak van genderongelijkheid en seksueel geweld en misbruik, factoren die de HIV/AIDSpandemie versterken, alsmede intensivering van de inspanningen om de rechten van meisjes en vrouwen te garanderen, doeltreffende gendersensitieve HIV/AIDSprogramma's en -diensten voor meisjes en vrouwen te ontwikkelen, ook met betrekking tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, en te bevorderen dat vrouwen ten volle worden betrokken bij de planning en besluitvorming inzake HIV/AIDSstrategieën en -programma’s;

  • e)

    ontwikkeling van juridische en beleidsmatige ondersteunende kaders en afschaffing van bestraffende wetten, beleidslijnen, praktijken, stigmatisering en discriminatie waardoor de rechten van de mens worden ondermijnd, de kwetsbaarheid voor HIV/AIDS wordt vergroot en de toegang tot doeltreffende HIV/AIDSpreventie, -behandeling, -verzorging en -steun, waaronder geneesmiddelen, voorzieningen en diensten voor HIV/AIDSpatiënten en de meest kwetsbare bevolkingsgroepen, wordt belemmerd;

  • f)

    verbetering van de toegang tot wetenschappelijk onderbouwde, brede HIV/AIDSpreventie die zich richt op de plaatselijke factoren van de epidemie en de specifieke behoeften van vrouwen, jongeren en de meest kwetsbare bevolkingsgroepen; en

  • g)

    betrouwbare toegang voor iedereen tot veilige, hoogwaardige en betaalbare geneesmiddelen en tot gezondheidsvoorzieningen, met inbegrip van voorzieningen voor seksuele en reproductieve gezondheid.

Artikel

32

Milieu en natuurlijke hulpbronnen

Artikel

32 bis

Klimaatverandering

De partijen erkennen dat klimaatverandering een ernstig wereldwijd milieuprobleem is, dat de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling in gevaar brengt en toereikende, voorspelbare en tijdige financiële ondersteuning vereist. Om deze redenen dient de samenwerking, in overeenstemming met artikel 32 en met name lid 2, onder a), daarvan:

  • a)

    te erkennen dat de ACS-staten, en met name kleine eilanden en laaggelegen ACS-staten, kwetsbaar zijn voor klimaatgerelateerde verschijnselen zoals kusterosie, cyclonen, overstromingen en door milieuomstandigheden veroorzaakte bevolkingsverplaatsingen, en dat in het bijzonder de minst ontwikkelde en niet aan zee grenzende ACS-staten kwetsbaar zijn voor toenemende overstromingen, droogte, ontbossing en woestijnvorming;

  • b)

    beleid en programma's te versterken en ondersteunen tot vermindering van klimaatverandering en tot aanpassing aan de gevolgen daarvan en de dreiging die uit klimaatverandering voortvloeit, onder andere door middel van institutionele ontwikkeling en capaciteitsopbouw;

  • c)

    de capaciteit van de ACS-staten te versterken op het gebied van de ontwikkeling van en de deelname aan de wereldwijde koolstofmarkt; en

  • d)

    zich te concentreren op de volgende activiteiten:

    • i)

      opneming van klimaatverandering in de ontwikkelingsstrategieën en de inspanningen om armoede te bestrijden;

    • ii)

      versterking van het politieke profiel van klimaatverandering binnen de ontwikkelingssamenwerking, onder meer door een passende beleidsdialoog;

    • iii)

      bijstand aan de ACS-staten bij de aanpassing aan klimaatverandering in de desbetreffende sectoren, zoals landbouw, waterbeheer en infrastructuur, onder andere door overdracht en overname van relevante en milieuvriendelijke technologieën;

    • iv)

      bevordering van rampenpreventie, aangezien er bij steeds meer rampen een verband is met klimaatverandering;

    • v)

      verlening van financiële en technische steun voor bestrijdingsmaatregelen van de ACS-staten, in lijn met doelstellingen inzake armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling; dit omvat tevens het terugdringen van emissies die het gevolg zijn van ontbossing en aantasting van de bossen en het terugdringen van emissies in de landbouw;

    • vi)

      verbetering van de informatieverstrekking over weer en klimaat en de weersvoorspellingen en van systemen voor vroegtijdige waarschuwing;

    • vii)

      bevordering van hernieuwbare energiebronnen en koolstofarme technologieën die bevorderlijk zijn voor duurzame ontwikkeling.

Artikel

33

Institutionele ontwikkeling en capaciteitsopbouw

TITEL

II

ECONOMISCHE EN COMMERCIELE SAMENWERKING

HOOFDSTUK

I

DOELSTELLINGEN EN BEGINSELEN

Artikel

34

Doelstellingen

Artikel

35

Beginselen

HOOFDSTUK

II

NIEUWE HANDELSREGELINGEN

Artikel

36

Modaliteiten

Artikel

37

Procedures

Artikel

37 bis

Andere handelsregelingen

Artikel

38

Gemengd Ministerieel Handelscomité

Artikel

38 bis

Overleg

HOOFDSTUK

III

SAMENWERKING IN INTERNATIONALE FORA

Artikel

39

Algemene bepalingen

Artikel

40

Grondstoffen

HOOFDSTUK

IV

DE HANDEL IN DIENSTEN

Artikel

41

Algemene bepalingen

Artikel

42

Zeevervoer

Artikel

43

Informatie- en communicatietechnologieën en informatiemaatschappij

HOOFDSTUK

V

MET DE HANDEL BERBAND HOUDENDE TERREINEN

Artikel

44

Algemene bepalingen

Artikel

45

Mededingingsbeleid

Artikel

46

Bescherming van intellectuele eigendomsrechten

Artikel

47

Normalisatie en certificering

Artikel

48

Sanitaire en fytosanitaire maatregelen

Artikel

49

Handel en milieu

Artikel

50

Handel en arbeidsnormen

Artikel

51

Consumentenbeleid en bescherming van de gezondheid van de consument

Artikel

52

Clausule inzake uitsluiting van belastingen

HOOFDSTUK

VI

SAMENWERKING OP ANDERE GEBIEDEN

Artikel

53

Visserijovereenkomsten

Artikel

54

Continuïteit van de voedselvoorziening

DEEL

4

SAMENWERKING INZAKE ONTWIKKELINGSFINANCIERING

TITEL

I

ALGEMENE BEPALINGEN

HOOFDSTUK

I

DOELSSTELLINGEN, BEGINSELEN, RICHTSNOEREN EN BEGUNSTIGDEN

Artikel

55

Doelstellingen

De doelstellingen van samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering zijn het steunen en bevorderen, op basis van wederzijds belang en in een geest van onderlinge afhankelijkheid, van de inspanningen van de ACS-staten om de doelstellingen van deze Overeenkomst te verwezenlijken, zulks door toereikende financiële middelen en passende technische bijstand te verstrekken.

Artikel

56

Principes

Artikel

57

Richtsnoeren

Artikel

58

Begunstigden

HOOFDSTUK

II

Toepassingsgebied en aard van de financiering

Artikel

59

In het kader van de prioriteiten die door de betrokken ACS-staat of ACS-staten op nationaal of regionaal niveau zijn vastgesteld, kan steun worden verleend voor projecten, programma's en andere activiteiten die tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst bijdragen.

Artikel

60

TOEPASSINGSGEBIED EN AARD VAN DE FINANCIERING

Financiering kan worden verleend ter ondersteuning van onder meer, afhankelijk van de behoeften en van het meest wenselijk geachte type activiteiten:

  • a.

    maatregelen die bijdragen tot vermindering van de schuldenlast en de betalingsbalansproblemen van de ACS-staten;

  • b.

    macro-economische en structurele hervormingen en beleid;

  • c.

    compensatie van de ongunstige kortetermijngevolgen van exogene schokken, waaronder instabiliteit van exportopbrengsten, voor de sociaaleconomische hervormingen en het sociaaleconomische beleid;

  • d.

    sectoraal beleid en sectorale hervormingen;

  • e.

    institutionele ontwikkeling en capaciteitsopbouw;

  • f.

    programma's voor technische samenwerking; en

  • g.

    humanitaire bijstand en noodhulp, met inbegrip van hulp aan vluchtelingen en ontheemden, interventies die in crisissituaties of postcrisissituaties een overgangsfase vormen van spoedmaatregelen voor herstel naar langetermijnontwikkeling, alsmede voorbereiding op rampen.

Artikel

61

Aard van de financiering

TITEL

II

FINANCIËLE SAMENWERKING

HOOFDSTUK

I

FINANCIËLE MIDDELEN

Artikel

62

Totaalbedrag

Artikel

63

Methoden voor de financiering

De wijze waarop elk project of programma wordt gefinancierd, wordt door de betrokken ACS-staat of ACS-staten en de Gemeenschap in gemeenschappelijk overleg vastgesteld met inachtneming van:

  • a.

    het ontwikkelingsniveau en de geografische, economische en financiële situatie van deze staten;

  • b.

    de aard van het project of programma, de vooruitzichten inzake de economische en financiële rentabiliteit van het project of programma en de sociale en culturele gevolgen ervan; en

  • c.

    in geval van een lening, de factoren waardoor de dienst van de lening wordt gewaarborgd.

Artikel

64

Doorlening

Artikel

65

Medefinanciering

HOOFDSTUK

II

STEUN VOOR SCHULDVERLICHTING EN STRUCTURELE AANPASSING

Artikel

66

Steun voor schuldverlichting

Artikel

67

Steun voor structurele aanpassing

HOOFDSTUK

3

STEUN BIJ EXOGENE SCHOKKEN

Artikel

68

HOOFDSTUK

VI

STEUN VOOR SECTORAAL BELEID

Artikel

69

HOOFDSTUK

V

MICROPROJECTEN EN GEDECENTRALISEERDE SAMENWERKING

Artikel

70

Teneinde tegemoet te komen aan de ontwikkelingsbehoeften van de plaatselijke gemeenschappen en om alle actoren van de gedecentraliseerde ontwikkeling die een bijdrage kunnen leveren aan de autonome ontwikkeling van de ACS-staten aan te moedigen initiatieven te ontplooien, steunt de samenwerking dergelijke ontwikkelingsactiviteiten, binnen het kader dat bepaald is door de wet- en regelgeving van de betrokken ACS-staten en de bepalingen van het indicatieve programma. In deze context steunt de samenwerking:

  • a.

    microprojecten op lokaal niveau die in economisch en sociaal opzicht een weerslag hebben op het leven van de bevolking, aan een geconstateerde en aangetoonde prioritaire behoefte beantwoorden en op initiatief en met actieve deelname van de begunstigde lokale gemeenschap worden uitgevoerd; en

  • b.

    gedecentraliseerde samenwerking, met name wanneer daarbij de inspanningen en middelen van gedecentraliseerde organisaties uit de ACS-staten en equivalente organisaties uit de Gemeenschap gecombineerd worden. Dankzij deze vorm van samenwerking kunnen vaardigheden, innoverende werkmethoden en middelen van de actoren van de gedecentraliseerde samenwerking in dienst worden gesteld van de ontwikkeling van de ACS-staat.

Artikel

71

HOOFDSTUK

6

HUMANITAIRE BIJSTAND, NOODHULP EN BIJSTAND NA DE NOODFASE

Artikel

72

Algemeen beginsel

Artikel

72 bis

Doel

Artikel

73

Tenuitvoerlegging

HOOFDSTUK

VII

STEUN VOOR INVESTERINGEN EN ONTWIKKELING VAN DE PARTICULIERE SECTOR

Artikel

74

De samenwerking steunt door middel van financiële en technische bijstand het beleid en de strategieën voor investeringen en de ontwikkeling van de particuliere sector, een en ander als bepaald in deze Overeenkomst.

Artikel

75

Bevordering van investeringen

De ACS-staten, de Gemeenschap en haar lidstaten, elk binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden, erkennen het belang van particuliere investeringen voor de bevordering van hun ontwikkelingssamenwerking en de noodzaak maatregelen te treffen om deze investeringen te stimuleren. Daartoe ondernemen zij het volgende:

  • a.

    zij nemen maatregelen om particuliere investeerders die zich naar de doelstellingen en de prioriteiten van de ontwikkelingssamenwerking tussen ACS en EG, alsmede naar de vigerende wetten en voorschriften voegen, aan te moedigen aan hun ontwikkelingsinspanningen deel te nemen;

  • b.

    zij treffen maatregelen en voorzieningen die bijdragen tot totstandbrenging en handhaving van een voorspelbaar en veilig investeringsklimaat en sluiten overeenkomsten ter verbetering van dit klimaat;

  • c.

    zij stimuleren dat de particuliere sector van de EU investeert in en specifieke bijstand verleent aan particuliere ondernemingen in de ACS-landen in het kader van samenwerking tussen ondernemingen en partnerschappen;

  • d.

    zij vereenvoudigen de totstandkoming van partnerschappen en gezamenlijke ondernemingen door het stimuleren van medefinanciering;

  • e.

    zij sponsoren fora inzake sectorale investeringen teneinde partnerschappen en buitenlandse investeringen te stimuleren;

  • f.

    zij steunen de inspanningen van de ACS-staten om financiering aan te trekken, waarbij bijzondere nadruk wordt gelegd op particuliere financiering van investeringen in infrastructuur en van infrastructuur die opbrengsten genereert die voor de particuliere sector cruciaal is;

  • g.

    zij steunen de versterking van de capaciteit van nationale instanties en instellingen voor de stimulering van investeringen die zich bezighouden met stimulering en vereenvoudiging van buitenlandse investeringen;

  • h.

    zij verspreiden informatie over investeringsmogelijkheden en het ondernemingsklimaat in de ACS-staten; en

  • i.

    zij bevorderen de dialoog in het particuliere bedrijfsleven op nationaal en regionaal niveau en tussen ACS en EU, met name door middel van een ACS-EU-forum voor het particuliere bedrijfsleven. De steun voor de activiteiten van het ACS-EU-forum voor het particuliere bedrijfsleven beoogt de volgende doelstellingen:

    • i.

      vergemakkelijking van de dialoog binnen de particuliere sector in ACS en EU en tussen de particuliere sector in ACS en EU en de instanties die bij de Overeenkomst zijn ingesteld;

    • ii.

      analyse en periodieke verstrekking aan de betrokken instanties van gegevens over alle vraagstukken die verband houden met de betrekkingen tussen de particuliere sector in ACS en EU in het kader van de Overeenkomst, of meer in het algemeen met de economische betrekkingen tussen de Gemeenschap en de ACS-staten; en

    • iii.

      analyse en periodieke verstrekking aan de betrokken instanties van gegevens over specifieke problemen van sectorale aard met betrekking tot onder meer regionale of subregionale bedrijfstakken of producttypen.

Artikel

76

Financiering en ondersteuning van investeringen

Artikel

77

Investeringsgaranties

Artikel

78

Bescherming van investeringen

TITEL

III

TECHNISCHE SAMENWERKING

Artikel

79

Artikel

80

Teneinde de uittocht van gekwalificeerd personeel uit de ACS-staten tegen te gaan, verleent de Gemeenschap desgewenst bijstand aan de ACS-staten om de terugkeer van in ontwikkelde landen verblijvende gekwalificeerde onderdanen van de ACS-staten te bevorderen, door middel van passende maatregelen om repatriëring te stimuleren.

TITEL

IV

PROCEDURES EN BEHEERSSYSTEMEN

Artikel

81

Procedures

De beheersprocedures moeten doorzichtig en gemakkelijk toe te passen zijn en moeten de decentralisatie van de taken en verantwoordelijkheden mogelijk maken. De tenuitvoerlegging van de ACS-EU-ontwikkelingssamenwerking moet openstaan voor niet-overheidsactoren op gebieden waarop zij actief zijn. De gedetailleerde procedurele bepalingen voor de programmering, voorbereiding, tenuitvoerlegging en het beheer van de financiële en technische samenwerking zijn in bijlage IV inzake de procedures voor de tenuitvoerlegging en het beheer vastgelegd. De ACS-EU-Raad van Ministers kan deze bepalingen op basis van een aanbeveling van het ACS-EG-Comité voor samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering opnieuw onderzoeken en wijzigen.

Artikel

82

Met de uitvoering belaste ambtenaren

Voor de tenuitvoerlegging van de financiële en technische samenwerking in het kader van deze Overeenkomst worden ambtenaren aangewezen die met de uitvoering daarvan zijn belast. Uitvoerige bepalingen in verband met de verantwoordelijkheden van de met de uitvoering belaste ambtenaren zijn in bijlage IV inzake de procedures voor de tenuitvoerlegging en het beheer vastgelegd.

Artikel

83

ACS-EG-Comité voor samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering

DEEL

5

ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE DE MINST ONTWIKKELDE, NIET AAN ZEE GRENZENDE EN INSULAIRE ACS-STATEN

HOOFDSTUK

I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel

84

HOOFDSTUK

II

MINST ONTWIKKELDE ACS-STATEN

Artikel

85

Artikel

86

De bepalingen die voor de minst ontwikkelde ACS-staten zijn aangenomen, zijn vastgelegd in de volgende artikelen : 2, 29, 32, 35, 37, 56, 68, 84, 85.

HOOFDSTUK

III

NIET AAN ZEER GRENZENDE ACS-STATEN

Artikel

87

Artikel

88

De bepalingen die voor de niet aan zee grenzende ACS-staten zijn aangenomen, zijn vastgelegd in de volgende artikelen : 2, 32, 35, 56, 68, 84, 87.

HOOFDSTUK

IV

INSULAIRE ACS-STATEN

Artikel

89

Artikel

90

De bepalingen die zijn aangenomen voor de insulaire ACS-staten zijn vastgelegd in de volgende artikelen : 2, 32, 35, 56, 68, 84, 89.

DEEL

VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel

91

Conflict tussen deze Overeenkomst en andere verdragen

Verdragen, overeenkomsten, akkoorden of regelingen van ongeacht welke vorm of aard tussen een of meer lidstaten van de Gemeenschap en een of meer ACS-staten mogen geen beletsel vormen voor de toepassing van de Overeenkomst.

Artikel

92

Betrokken gebieden

De Overeenkomst is, onverminderd de daarin vervatte bijzondere bepalingen inzake de betrekkingen tussen de ACS-staten en de Franse overzeese departementen, van toepassing, enerzijds, op de gebieden waar het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is en onder de in dat Verdrag neergelegde voorwaarden, en, anderzijds, op het grondgebied van de ACS-staten.

Artikel

93

Bekrachtiging en inwerkingtreding

Artikel

94

Toetreding

Artikel

95

Duur van de Overeenkomst en herzieningsclausule

Artikel

96

Essentiële onderdelen: overlegprocedure en aangepaste maatregelen inzake mensenrechten, democratische beginselen en de rechtsstaat

Artikel

97

Overlegprocedure en passende maatregelen inzake corruptie

Artikel

98

Beslechting van geschillen

Artikel

99

Opzeggingsclausule

De Overeenkomst kan door de Gemeenschap en haar lidstaten ten aanzien van elke ACS-staat en door elke ACS-staat ten aanzien van de Gemeenschap en haar lidstaten worden opgezegd met inachtneming van een opzeggingstermijn van zes maanden.

Artikel

100

Status van de teksten

De aan deze Overeenkomst gehechte protocollen en bijlagen vormen daarvan een integrerend deel. De bijlagen I bis, II, III, IV en VI kunnen door de Raad van Ministers worden herzien en/of gewijzigd op basis van een aanbeveling van het ACS-EG-Comité voor Samenwerking inzake Ontwikkelingsfinanciering.

Deze Overeenkomst, opgesteld in tweevoud in de Bulgaarse, Deense, Duitse, Engelse, Estse, Finse, Franse, Griekse, Hongaarse, Italiaanse, Letse, Litouwse, Maltese, Nederlandse, Poolse, Portugese, Roemeense, Sloveense, Slowaakse, Spaanse, Tsjechische en Zweedse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek, wordt nedergelegd in de archieven van het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie en het secretariaat van de ACS-staten, die beide een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift aan elk van de ondertekenende staten zal doen toekomen.

GEDAAN te Cotonou, de drieëntwintigste juni 2000.

BIJLAGE

I

Financieel Protocol

  • 1.

    Voor de doelstellingen vermeld in deze Overeenkomst en voor een periode van vijf jaar, te beginnen op 1 maart 2000, beloopt het totale bedrag van de financiële steun van de Gemeenschap aan de ACS-staten 15.200 miljoen euro.

  • 2.

    De financiële steun van de Gemeenschap omvat een bedrag van maximaal 13.500 miljoen euro uit hoofde van het 9e Europees Ontwikkelingsfonds (EOF).

  • 3.

    Het 9e EOF wordt als volgt over de verschillende samenwerkingsinstrumenten verdeeld:

    • a.

      10.000 miljoen euro wordt in de vorm van niet-terugvorderbare hulp gereserveerd voor een bijdrage ter ondersteuning van de langetermijnontwikkeling. Deze bijdrage wordt gebruikt voor de financiering van nationale indicatieve programma's, overeenkomstig de artikelen 1 tot en met 5 van bijlage IV „Procedures voor tenuitvoerlegging en beheer” bij deze Overeenkomst. In het kader van de bijdrage ter ondersteuning van de langetermijnontwikkeling:

      • i.

        wordt 90 miljoen euro gereserveerd voor de financiering van de begroting van het Centrum voor de Ontwikkeling van het Bedrijfsleven (COB);

      • ii.

        wordt 70 miljoen euro gereserveerd voor de financiering van de begroting van het Technisch Centrum voor Landbouwsamenwerking en Plattelandsontwikkeling (TCLP); en

      • iii.

        wordt een bedrag van maximaal 4 miljoen euro gereserveerd voor de doeleinden waarnaar wordt verwezen in artikel 17 van deze Overeenkomst (Paritaire Vergadering).

    • b.

      1300 miljoen euro wordt in de vorm van niet-terugvorderbare hulp gereserveerd voor de financiering van steun ten behoeve van de regionale samenwerking en integratie van de ACS-staten, overeenkomstig de artikelen 6 tot en met 14 van bijlage IV „Procedures voor tenuitvoerlegging en beheer” bij deze Overeenkomst.

    • c.

      2200 miljoen euro wordt uitgetrokken voor de financiering van de Investeringsfaciliteit, overeenkomstig de voorwaarden die uiteen worden gezet in bijlage II „Financieringsvoorwaarden” bij deze Overeenkomst, onverminderd de financiering van de rentesubsidies waarin wordt voorzien in artikel 2 en artikel 4 van bijlage II bij deze Overeenkomst, die worden gefinancierd uit de middelen genoemd in artikel 3, onder a, van deze bijlage.

  • 4.

    Een bedrag van maximaal 1700 miljoen euro wordt door de Europese Investeringsbank ter beschikking gesteld in de vorm van leningen uit de eigen middelen. Deze middelen worden verstrekt voor de doeleinden die uiteen worden gezet in bijlage II „Financieringsvoorwaarden” bij deze Overeenkomst, overeenkomstig de voorwaarden waarin is voorzien in de statuten en de desbetreffende bepalingen van de voorwaarden voor de financiering van investeringen, zoals die zijn vastgesteld in bovengenoemde bijlage. De Bank kan uit de door haar beheerde middelen bijdragen aan de financiering van regionale projecten en program- ma's.

  • 5.

    Alle op de datum van inwerkingtreding van dit Financieel Protocol resterende middelen van eerdere EOF en bedragen die op een latere datum worden vrijgemaakt van in het kader van deze Fondsen lopende projecten, worden overgedragen naar het 9e EOF en gebruikt overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in deze Overeenkomst. Voor alle aldus naar het 9e EOF overgedragen middelen die voordien waren toegewezen aan het indicatieve programma van een ACS-staat of -regio, blijft de toewijzing aan die staat of regio van kracht. Het totale bedrag van dit Financieel Protocol, aangevuld met de overgedragen resterende middelen van eerdere EOF, dekt de periode 2000–2007.

  • 6.

    De Bank beheert de uit eigen middelen verstrekte leningen en de in het kader van de Investeringsfaciliteit gefinancierde maatregelen. Alleandere middelen in het kader van deze Overeenkomst worden door de Commissie beheerd.

  • 7.

    Vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van dit Financieel Protocol gaan de partijen na in welke mate de vastleggingen en betalingen zijn gerealiseerd. Deze analyse vormt de basis voor het herevalueren van het totale bedrag van de middelen, alsmede voor het evalueren van de behoefte aan nieuwe middelen voor de ondersteuning van de financiële samenwerking in het kader van deze Overeenkomst.

  • 8.

    Indien de middelen waarin de instrumenten van de Overeenkomst voorzien vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van dit Financieel Protocol opgebruikt zijn, neemt de gezamenlijke ACS-EG-Raad van Ministers passende maatregelen.

  • 9.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 58 van deze Overeenkomst wordt een bedrag van 90 miljoen EUR overgedragen naar de intra-ACS-middelen in het kader van het 9e EOF. Dit bedrag kan worden gebruikt voor de financiering van de deconcentratie in de periode 2006-2007 en wordt rechtstreeks door de Commissie beheerd.

Bijlage

I Bis

Meerjarig financieel kader voor de samenwerking in het kader van deze Overeenkomst

  • 1.

    Voor de doelstellingen vermeld in deze Overeenkomst en voor een periode die begint op 1 maart 2005, heeft een meerjarig financieel kader voor samenwerking betrekking op vastleggingen vanaf 1 januari 2008 voor een periode van vijf of zes jaar.

  • 2.

    Voor deze nieuwe periode handhaaft de Europese Unie haar steuninspanningen ten gunste van de ACS-staten op ten minste hetzelfde peil als dat van het 9e EOF, de resterende bedragen van eerdere fondsen niet inbegrepen; hieraan worden toegevoegd, op basis van de schattingen van de Gemeenschap: het effect van de inflatie, de groei in de Europese Unie en de uitbreiding met tien nieuwe lidstaten in 2004.

  • 3.

    Noodzakelijke wijzigingen van het meerjarige financiële kader of de daarmee samenhangende delen van de Overeenkomst worden, in afwijking van het bepaalde in artikel 95 van de Overeenkomst, vastgesteld door de Raad van Ministers.

Bijlage

1 ter

Meerjarig financieel kader voor de periode 2008-2013

  • 1.

    Voor de doelstellingen vermeld in deze overeenkomst en voor de periode vanaf 1 januari 2008 bedraagt de totale financiële steun aan de ACS-staten binnen dit meerjarig financieel kader 23,966 miljard EUR, zoals bepaald in de punten 2 en 3.

  • 2.

    Het bedrag van 21,966 miljard EUR uit hoofde van het tiende Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) komt beschikbaar op het moment van inwerkingtreding van het meerjarig financieel kader. Het bedrag wordt verdeeld over de volgende samenwerkingsinstrumenten:

    • a.

      17,766 miljard EUR voor de financiering van nationale en regionale indicatieve programma’s. Hiermee worden gefinancierd:

      • i.

        de nationale indicatieve programma’s van de ACS-staten, overeenkomstig de artikelen 1 tot en met 5 van bijlage IV bij deze overeenkomst inzake de procedures voor de tenuitvoerlegging en het beheer;

      • ii.

        regionale indicatieve programma’s ter ondersteuning van de regionale en interregionale samenwerking en integratie van de ACS-staten, overeenkomstig de artikelen 6 tot en met 11, artikel 13, lid 1, en artikel 14 van bijlage IV bij deze overeenkomst inzake de procedures voor de tenuitvoerlegging en het beheer;

    • b.

      2,7 miljard EUR voor de financiering van intra-ACS- en interregionale samenwerking tussen veel of alle ACS-staten, overeenkomstig artikel 12, artikel 13, lid 2, en artikel 14 van bijlage IV bij deze overeenkomst inzake de procedures voor de tenuitvoerlegging en het beheer. Dit bedrag omvat structurele steun aan de gezamenlijke instellingen: het COB en het TCLP, zoals bedoeld in bijlage III bij deze overeenkomst en overeenkomstig de in die bijlage bepaalde regels en procedures aan toezicht onderworpen, en de Paritaire Parlementaire Vergadering, zoals bedoeld in artikel 17 van de overeenkomst. Het omvat tevens de financiering van de huishoudelijke uitgaven van het in protocol 1, punten 1 en 2, bij deze overeenkomst bedoelde ACS-secretariaat;

    • c.

      1,5 miljard EUR voor de financiering van de investeringsfaciliteit, overeenkomstig de in bijlage II (financieringsvoorwaarden) bij deze overeenkomst omschreven procedures en voorwaarden, waaronder een aanvullende bijdrage van 1,1 miljard EUR aan de investeringsfaciliteit in de vorm van een roterend fonds en 0,4 miljard EUR voor de financiering van rentesubsidies zoals bedoeld in de artikelen 2 en 4 van die bijlage, gedurende de looptijd van het tiende EOF.

  • 3.

    De in het kader van de investeringsfaciliteit gefinancierde acties en de daarmee verband houdende rentesubsidies worden beheerd door de Europese Investeringsbank (EIB). In aanvulling op het tiende EOF zal de EIB een bedrag van ten hoogste 2 miljard EUR beschikbaar stellen in de vorm van leningen uit eigen middelen. Deze middelen worden verstrekt voor de doeleinden die uiteen worden gezet in bijlage II bij deze overeenkomst, overeenkomstig de voorwaarden van de statuten van de EIB en de desbetreffende bepalingen van de voorwaarden voor de financiering van investeringen, zoals die zijn vastgesteld in bovengenoemde bijlage. Alle andere middelen in het kader van dit meerjarig financieel kader worden door de Commissie beheerd.

  • 4.

    De resterende bedragen van het negende EOF en de eerdere EOF’s kunnen na 31 december 2007 of na de inwerkintreding van het onderhavige meerjarig financieel kader (als dat later is) niet meer worden vastgelegd tenzij de Raad van de Europese Unie met eenparigheid van stemmen een andersluidend besluit neemt, hetzelfde geldt voor middelen die onder deze EOF’s aan projecten waren toegewezen, maar na de genoemde datum worden geannuleerd, met uitzondering van de resterende middelen en de na die datum geannuleerde middelen van het stelsel voor de stabilisatie van de exportopbrengsten van landbouwproducten (STABEX) in verband met EOF’s voorafgaand aan het negende EOF en resterende bedragen en terugbetalingen van middelen die waren toegewezen aan de investeringsfaciliteit, met uitzondering van de daarmee verband houdende rentesubsidies. De middelen die eventueel worden vastgelegd na 31 december 2007 doch voor de inwerkingtreding van deze overeenkomst, zoals hierboven bedoeld, worden uitsluitend gebruikt om ervoor te zorgen dat de EU-administratie kan blijven werken en om de lopende kosten te dekken voor de instandhouding van lopende projecten tot de inwerkingtreding van het tiende EOF.

  • 5.

    Het totaalbedrag voor het onderhavige meerjarig financieel kader is bestemd voor de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2013. Tenzij de Raad van de Europese Unie, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen een andersluidend besluit neemt, kunnen de middelen uit hoofde van het tiende EOF, met uitzondering van middelen voor de investeringsfaciliteit, daarmee verband houdende rentesubsidies niet inbegrepen, niet na 31 december 2013 worden vastgelegd.

  • 6.

    Het ACS-EG-Comité van Ambassadeurs kan namens de ACS-EG-Raad van Ministers binnen het totaalbedrag van het meerjarig financieel kader passende maatregelen nemen om te voldoen aan de programmeringsbehoeften van de in punt 2 beschreven samenwerkingsinstrumenten, waaronder de herverdeling van middelen tussen de verschillende toewijzingen.

  • 7.

    De partijen voeren een prestatie-evaluatie uit om te beoordelen in hoeverre de vastleggingen en betalingen zijn gerealiseerd en wat het resultaat en het effect van de steun zijn. Die evaluatie wordt uitgevoerd op grond van een door de Commissie in 2010 op te stellen voorstel. De prestatie-evaluatie vormt de grondslag voor het besluit over het bedrag van de financiële samenwerking na 2013.

  • 8.

    Elke lidstaat kan de Commissie of de EIB vrijwillige bijdragen verschaffen om de doelstellingen van de ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst te ondersteunen. De lidstaten kunnen ook projecten of programma’s cofinancieren, bijvoorbeeld in het kader van speciale initiatieven onder auspiciën van de Commissie of de EIB. Het ACS-eigendom op het nationale niveau van deze initiatieven dient gewaarborgd te zijn.

Bijlage

I quater

Meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020

  • 1.

    Voor de doelstellingen van deze Overeenkomst en voor een periode vanaf 1 januari 2014 wordt het totaalbedrag van de financiële steun die beschikbaar is voor de ACS-landen binnen dit meerjarig financieel kader vastgesteld op 31,589 miljard EUR, als gespecificeerd in de punten 2 en 3.

  • 2.

    De som van 29,089 miljard EUR in het kader van het 11e Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) wordt beschikbaar gesteld met ingang van de datum van inwerkingtreding van het meerjarig financieel kader. Bedoelde som wordt tussen de samenwerkingsinstrumenten als volgt verdeeld:

    • a.

      24,365 miljard EUR voor de financiering van de nationale en regionale indicatieve programma’s. Deze toewijzing wordt gebruikt voor de financiering van:

      • i.

        de nationale indicatieve programma’s van de ACS-landen, overeenkomstig de artikelen 1 tot en met 5 van bijlage IV inzake de procedures voor de tenuitvoerlegging en het beheer;

      • ii.

        regionale indicatieve programma’s ter ondersteuning van de regionale en interregionale samenwerking en integratie van de ACS-landen, overeenkomstig de artikelen 6 tot en met 11 van bijlage IV inzake de procedures voor de tenuitvoerlegging en het beheer;

    • b.

      3,590 miljard EUR voor de financiering van intra-ACS- en interregionale samenwerking tussen vele of alle ACS-landen, overeenkomstig de artikelen 12, 13 en 14 van bijlage IV bij deze Overeenkomst inzake de procedures voor de tenuitvoerlegging en het beheer. Dit bedrag omvat steun aan gezamenlijke instellingen en lichamen die zijn ingesteld onder deze Overeenkomst. Dit bedrag bestrijkt ook steun aan de huishoudelijke uitgaven van het ACS-secretariaat als bedoeld in de punten 1 en 2 van protocol nr. 1 betreffende de huishoudelijke uitgaven van de gezamenlijke instellingen;

    • c.

      1,134 miljard EUR voor de financiering van de investeringsfaciliteit overeenkomstig de voorwaarden van bijlage II (Financieringsvoorwaarden) bij deze Overeenkomst, met inbegrip van een bijkomende bijdrage van 500 miljoen EUR aan de investeringsfaciliteit, in de vorm van een roterend fonds, en 634 miljoen EUR, in de vorm van subsidies voor de financiering van de rentesubsidies en van projectgerelateerde technische bijstand als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 4 van die bijlage, gedurende de looptijd van het elfde EOF.

  • 3.

    De verrichtingen die in het kader van de investeringsfaciliteit worden gefinancierd, met inbegrip van de overeenstemmende rentesubsidies, worden beheerd door de Europese Investeringsbank (EIB). Een bedrag van maximaal 2,500 miljard EUR wordt, bovenop de uit het elfde EOF beschikbare middelen, door de EIB beschikbaar gesteld in de vorm van leningen uit eigen middelen. Deze middelen worden toegekend voor de doelstellingen als uiteengezet in bijlage II bij deze Overeenkomst, overeenkomstig de voorwaarden die zijn neergelegd in het statuut van de EIB en de relevante bepalingen van de voorwaarden voor de financiering van investeringsprojecten in die bijlage. Alle andere financiële middelen in het kader van dit meerjarig financieel kader worden door de Commissie beheerd.

  • 4.

    Na 31 december 2013 of na de datum van de inwerkingtreding van dit meerjarig financieel kader, zo dit later is, worden de saldi van het 10e EOF of van vroegere EOF’s en vrijgemaakte middelen voor projecten in het kader van voorgaande EOF’s niet langer vastgelegd, tenzij de Raad van de Europese Unie met eenparigheid van stemmen anders besluit, met uitzondering van de overblijvende saldi en terugbetalingen van de middelen die waren toegewezen voor de financiering van de investeringsfaciliteit, exclusief de daarmee verband houdende rentesubsidies en de overblijvende saldi van het stelsel voor de stabilisatie van de exportopbrengsten van landbouwproducten (Stabex) in het kader van de EOF’s voorafgaand aan het 9e EOF.

  • 5.

    Het totaalbedrag van dit meerjarig financieel kader is bestemd voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020. De middelen van het 11e EOF en, in het geval van de investeringsfaciliteit, de middelen afkomstig van gelden die terugvloeien, worden na 31 december 2020 niet verder vastgelegd, tenzij de Raad van de Europese Unie, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen anders besluit. De middelen die echter door de lidstaten in het kader van het 9e, het 10e en het 11e EOF zijn geplaatst ter financiering van de investeringsfaciliteit blijven echter na 31 december 2020 beschikbaar voor uitbetaling.

  • 6.

    Het Comité van Ambassadeurs kan namens de ACS-EU-Raad van ministers, binnen het totaalbedrag van het meerjarig financieel kader, passende maatregelen nemen om te voldoen aan de programmeringsbehoeften voor een van de in punt 2 beschreven toewijzingen, waaronder de herverdeling van middelen tussen de verschillende toewijzingen.

  • 7.

    Op verzoek van een van beide partijen kan worden besloten tot een prestatie-evaluatie, om op een onderling afgesproken tijdstip na te gaan in welke mate de vastleggingen en betalingen zijn gerealiseerd, alsook de resultaten en gevolgen van de verleende steun. Deze evaluatie wordt verricht op basis van een voorstel van de Commissie. Zij kan bijdragen tot de in artikel 95, lid 4, van deze Overeenkomst bedoelde onderhandelingen.

  • 8.

    Elke lidstaat kan de Commissie of de EIB vrijwillige bijdragen verstrekken om de doelstellingen van de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst te steunen. De lidstaten kunnen ook projecten of programma’s medefinancieren, bijvoorbeeld in het kader van specifieke initiatieven die door de Commissie of de EIB moeten worden beheerd. De verantwoordelijkheid van de ACS-landen over dergelijke initiatieven op nationaal niveau dient te worden gewaarborgd.

BIJLAGE

II

Financieringsvoorwaarden

HOOFDSTUK

1

FINANCIERING VAN INVESTERINGEN

Artikel

1

Artikel

2

Middelen van de Investeringsfaciliteit

Artikel

3

Maatregelen van de Investeringsfaciliteit

Artikel

4

EIB-leningen uit de eigen middelen

  • a.

    draagt met de door haar beheerde middelen bij tot de economische en industriële ontwikkeling van de ACS-staten op nationale en regionale basis; daartoe financiert zij, bij wijze van prioriteit, productieve projecten en programma's of andere investeringen gericht op de bevordering van de particuliere sector in alle sectoren van de economie;

  • b.

    werkt nauw samen met de nationale en regionale ontwikkelingsbanken en met bancaire en financiële instellingen uit de ACS-staten en de EU; en

  • c.

    wijzigt, in overleg met de betrokken ACS-staat, de in de Overeenkomst omschreven regelingen en procedures voor de tenuitvoerlegging van de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering, teneinde zo nodig rekening te houden met de aard van de projecten en programma's en in het kader van haar statutaire procedures conform de doelstellingen van de Overeenkomst te handelen.

Artikel

5

Regels inzake wisselkoersrisico

Teneinde de gevolgen van wisselkoersschommelingen zo veel mogelijk te beperken, worden de problemen in verband met het wisselkoersrisico als volgt aangepakt:

  • a.

    in het geval van aandelenparticipaties die gericht zijn op de versterking van de eigen middelen van een onderneming, komt het wisselkoersrisico in het algemeen voor rekening van de Investeringsfaciliteit;

  • b.

    in het geval van gewone leningen en financiering met risicodragend kapitaal ten behoeve van het midden- en kleinbedrijf, wordt het wisselkoersrisico in het algemeen gedeeld door enerzijds de Gemeenschap en anderzijds de overige betrokken partijen. Gemiddeld zou het wisselkoersrisico gelijkelijk moeten worden gedeeld, en

  • c.

    voorzover haalbaar en passend, met name in landen die de kenmerken vertonen van macro-economische en financiële stabiliteit, worden in het kader van de Investeringsfaciliteit leningen verstrekt in de lokale munteenheden van de ACS-staten, teneinde aldus het wisselkoersrisico de facto weg te nemen.

Artikel

6

Regels inzake overmaking van deviezen

De betrokken ACS-staten verbinden zich ertoe om ten aanzien van maatregelen uit hoofde van de Overeenkomst waarvoor zij schriftelijk toestemming hebben verleend in het kader van deze Overeenkomst:

  • a.

    de rente, provisies en aflossing van leningen vrij te stellen van nationale of lokale belastingen of fiscale heffingen die krachtens de wetgeving van de betrokken ACS-staat of ACS-staten verschuldigd zijn;

  • b.

    de begunstigden de beschikking te geven over de nodige deviezen voor de betaling van rente, provisies en aflossing van leningen, welke bedragen verschuldigd zijn uit hoofde van de financieringsovereenkomsten die gesloten zijn voor de uitvoering van projecten en programma's op hun grondgebied; en

  • c.

    de Bank de beschikking te geven over de nodige deviezen voor de overmaking van alle bedragen die zij in nationale valuta heeft ontvangen, tegen de wisselkoers die op het ogenblik van de overmaking van toepassing is op transacties tussen de euro of andere deviezen voor overmaking en de nationale valuta. Dit omvat alle soorten vergoedingen, zoals, onder andere, rente, dividend en provisies, alsmede de aflossing van leningen en de opbrengsten uit de verkoop van aandelen, welke bedragen verschuldigd zijn uit hoofde van de financieringsovereenkomsten die gesloten zijn voor de uitvoering van projecten en programma's op hun grondgebied.

Artikel

6 bis

Jaarlijkse rapportage over de Investeringsfaciliteit

Vertegenwoordigers van de lidstaten van de Europese Unie die verantwoordelijkheid dragen voor de Investeringsfaciliteit en vertegenwoordigers van de ACS-staten, alsmede de Europese Investeringsbank, de Commissie, het secretariaat van de Raad van de Europese Unie en het ACS-secretariaat komen jaarlijks bijeen om het functioneren en de prestaties van en beleidskwesties betreffende de Investeringsfaciliteit te bespreken.

Artikel

6 ter

Toetsing van de prestaties van de Investeringsfaciliteit

Halverwege de looptijd en aan het einde van de looptijd van een financieel protocol worden de algehele prestaties van de Investeringsfaciliteit gezamenlijk getoetst. Bij die toetsing kunnen aanbevelingen worden gedaan ter verbetering van de implementatie van de Investeringsfaciliteit.

HOOFDSTUK

2

SPECIALE MAATREGELEN

Artikel

7

HOOFDSTUK

3

FINANCIERING VOOR KORTETERMIJNFLUCTUATIES VAN DE EXPORTOPBRENGSTEN

Artikel

8

Artikel

9

Criteria

Artikel

9 bis

Artikel

10

Voorschotten

Het systeem voor de verdeling van aanvullende financiële middelen voorziet in voorschotten om de nadelige gevolgen op te vangen van eventuele vertragingen bij het verkrijgen van de geconsolideerde handelsstatistieken en om ervoor te zorgen dat de betrokken middelen uiterlijk in de begroting van het tweede jaar volgend op het toepassingsjaar kunnen worden opgenomen. Voorschotten zijn voorbehouden voor landen waar de financiële middelen uit hoofde van FLEX via algemene begrotingssteun kunnen worden verstrekt. Zij worden vrijgemaakt op basis van door de regering opgestelde en bij de Commissie ingediende voorlopige exportstatistieken. Voorschotten bedragen ten hoogste 100% van het geschatte bedrag van de aanvullende financiële middelen voor het toepassingsjaar. De aldus vrijgemaakte bedragen worden aangepast aan de hand van de definitieve geconsolideerde exportstatistieken. Deze statistieken worden uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het toepassingsjaar ingediend.

Artikel

11

De bepalingen in dit hoofdstuk worden uiterlijk na twee jaar herzien; daarna kunnen zij op verzoek van een der partijen worden herzien.

HOOFDSTUK

4

OVERIGE BEPALINGEN

Artikel

12

Lopende betalingen en kapitaalverkeer

Artikel

13

Regeling voor ondernemingen

Wat de regeling inzake vestiging en diensten betreft, behandelen de ACS-staten enerzijds en de lidstaten anderzijds onderdanen en vennootschappen of ondernemingen uit de ACS-staten respectievelijk de lidstaten op voet van gelijkheid. Indien evenwel een ACS-staat of een lidstaat voor een bepaalde activiteit geen gelijke behandeling kan toepassen, is de ACS-staat respectievelijk de lidstaat niet verplicht voor die activiteit een gelijke behandeling toe te kennen aan onderdanen en vennootschappen of ondernemingen van de betrokken staat.

Artikel

14

Definitie van „vennootschappen en ondernemingen”

HOOFDSTUK

5

OVEREENKOMSTEN INZAKE BESCHERMING VAN INVESTERINGEN

Artikel

15

BIJLAGE

III

INSTITUTIONELE STEUN

Artikel

1

De samenwerking ondersteunt het institutionele mechanisme ter bevordering van landbouw en plattelandsontwikkeling. In dit verband dient de samenwerking de rol van het Technisch Centrum voor landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling (TCLP) bij de institutionele capaciteitsopbouw in de ACS te helpen versterken, met name wat betreft informatiemanagement, ter verbetering van de toegang tot technologieën om productiviteit en afzetmogelijkheden in de landbouw te verhogen en voedselzekerheid en plattelandsontwikkeling te versterken.

Artikel

2

TCLP

Bijlage

IV

Procedures voor tenuitvoerlegging en beheer

HOOFDSTUK

1

PROGRAMMERING (NATIONAAL)

Artikel

1

Activiteiten die gefinancierd worden met uit hoofde van de Overeenkomst verleende subsidies worden geprogrammeerd aan het begin van de periode waarop het meerjarig financieel kader voor de samenwerking betrekking heeft.

De programmering is gebaseerd op de beginselen van eigen inbreng, onderlinge afstemming, donorcoördinatie en -harmonisatie, resultaatgestuurde ontwikkeling en wederzijdse verantwoording.

Voor de toepassing hiervan houdt programmering in:

  • a)

    formulering en ontwikkeling van landenstrategiedocumenten, regionale strategiedocumenten of intra-ACS-strategiedocumenten, op basis van de ontwikkelingsdoelstellingen en -strategieën van de ACS-staten, de ACS-regio's of de ACS-groep voor de middellange termijn en rekening houdend met de beginselen van gezamenlijke programmering en taakverdeling onder de donors; dit proces dient zoveel mogelijk gestuurd te worden door een partnerland of -regio;

  • b)

    een duidelijke indicatie van de kant van de Gemeenschap betreffende de indicatieve programmeerbare financiële middelen waarover het land, de regio of het intra-ACS-samenwerkingsverband kan beschikken gedurende de periode die door het meerjarige financiële kader voor de samenwerking wordt bestreken, alsmede alle andere nuttige inlichtingen, waaronder een mogelijke reserve voor onvoorziene behoeften;

  • c)

    opstelling en goedkeuring van een indicatief programma voor de tenuitvoerlegging van het strategiedocument, rekening houdende met de verbintenissen van andere donors, en met name de lidstaten van de Europese Unie; en

  • d)

    een evaluatieproces dat betrekking heeft op het strategiedocument, het indicatieve programma en de daarvoor toegewezen middelen.

Artikel

2

Landenstrategiedocument

Het landenstrategiedocument wordt opgesteld door de betrokken ACS-staat en de EU. Het wordt opgesteld na overleg met een ruime selectie van actoren, waaronder niet-overheidsactoren, plaatselijke overheden en waar van toepassing ACS-parlementen, en wordt gebaseerd op ervaringen en de beste praktijk. Het landenstrategiedocument wordt aangepast aan de behoeften en de specifieke omstandigheden van elke ACS-staat. Met het landenstrategiedocument wordt een prioriteitsrangorde aangebracht in de activiteiten en wordt de eigen plaatselijke inbreng in de samenwerkingsprogramma’s versterkt. Discrepanties tussen de analyse van het land zelf en die van de Gemeenschap worden aangegeven. Het landenstrategiedocument omvat de volgende standaardonderdelen:

  • a)

    een analyse van de politieke, economische, sociale en ecologische achtergrond van het land, de beperkingen, capaciteiten en vooruitzichten en een beoordeling van de basisbehoeften, zoals het inkomen per hoofd van de bevolking, de bevolkingsomvang en de sociale indicatoren en kwetsbaarheid;

  • b)

    een gedetailleerd overzicht van de ontwikkelingsstrategie van het land voor de middellange termijn, met duidelijk gestelde prioriteiten en vermelding van de verwachte financiële vereisten;

  • c)

    een overzicht van de relevante plannen en maatregelen van andere donoren die in het land actief zijn, met name de EU-lidstaten als bilaterale donoren;

  • d)

    responsstrategieën die de specifieke bijdrage van de EU in detail omschrijven. Deze moeten waar mogelijk complementair zijn met activiteiten die worden gefinancierd door de ACS-staat zelf en de andere donoren die in het land actief zijn; en

  • e)

    een indicatie van de meest geschikte steun- en uitvoeringsmechanismen voor deze strategieën.

Artikel

3

Toewijzing van middelen

Artikel

4

Uitwerking en goedkeuring van het indicatieve programma

Artikel

5

Evaluatieproces

HOOFDSTUK

2

PROGRAMMERING EN VOORBEREIDING (REGIONAAL)

Artikel

6

Toepassingsgebied

Artikel

7

Regionale programma's

De betrokken ACS-staten besluiten over de definitie van geografische regio's. Regionale integratieprogramma’s dienen zo veel mogelijk overeen te stemmen met de programma’s van bestaande regionale organisaties. Wanneer de ledenbestanden van verschillende relevante regionale organisaties elkaar overlappen, moeten integratieprogramma's in beginsel betrekking hebben op het gecombineerde ledental van die organisaties.

Artikel

8

Regionale programmering

Artikel

9

Toewijzing van middelen

Artikel

10

Regionaal Indicatief Programma

Artikel

11

Evaluatieproces

Artikel

12

Intra-ACS-samenwerking

Artikel

12 bis

Intra-ACS-strategiedocument

Artikel

12 ter

Financieringsverzoeken

Verzoeken om financiering van intra-ACS-programma’s worden ingediend:

  • a)

    rechtstreeks door de ACS-Raad van Ministers of het ACS-Comité van Ambassadeurs; of

  • b)

    indirect door:

    • i)

      ten minste drie regionale lichamen of organisaties met een passend mandaat, die tot verschillende geografische regio’s behoren, of ten minste twee ACS-staten uit elk van deze drie regio’s;

    • ii)

      internationale organisaties, zoals de Afrikaanse Unie, die activiteiten uitvoeren die bijdragen tot de verwezenlijking van de doeleinden van regionale samenwerking en integratie, mits het ACS-Comité van Ambassadeurs daartoe voorafgaand toestemming heeft verleend; of

    • iii)

      het Caribisch gebied of het gebied van de Stille Oceaan, in verband met hun bijzondere geografische ligging, mits voorafgaand toestemming is verleend door de ACS-Raad van Ministers of het ACS-Comité van Ambassadeurs.

Artikel

12 quater

Toewijzing van middelen

De indicatieve toewijzing van middelen wordt gebaseerd op schattingen van de behoeften en van de voortgang en vooruitzichten van de intra-ACS-samenwerking. Er wordt voorzien in een reserve van niet-geprogrammeerde middelen.

Artikel

13

Indicatief intra-ACS-programma

Artikel

14

Evaluatieproces

HOOFDSTUK

3

ONDERZOEK EN FINANCIERING

Artikel

15

Identificatie, voorbereiding en onderzoek van programma’s en projecten

Artikel

16

Financieringsvoorstel en financieringsbesluit

Artikel

17

Financieringsovereenkomst

Artikel

18

Kostenoverschrijding

Artikel

19

Financiering met terugwerkende kracht

HOOFDSTUK

4

UITVOERING

Artikel

19 bis

Wijze van uitvoering

Artikel

19 ter

Aanbestedingen met een schorsingsclausule

Om te zorgen dat projecten snel van start kunnen gaan, kunnen de ACS-staten of de bevoegde organisatie of instantie op regionaal of intra-ACS-niveau in alle gevallen waarin dit gerechtvaardigd is, in overleg met de Commissie, zodra het onderzoek van het project afgerond is en voordat het financieringsbesluit is genomen, voor alle typen opdrachten aanbestedingen uitschrijven waarin een schorsingsclausule is opgenomen. Deze bepaling moet worden vermeld in het financieringsvoorstel.

Artikel

19 quater

Gunning van opdrachten, toekenning van subsidies en uitvoering van opdrachten

Artikel

20

Deelnemingsvoorwaarden

Tenzij overeenkomstig artikel 22 een uitzondering is toegestaan en onverminderd het bepaalde in artikel 26, gelden de volgende regels:

  • 1.

    De deelname aan procedures voor de gunning van overheidsopdrachten of voor de toekenning van subsidies uit het meerjarige financiële kader voor samenwerking op grond van deze overeenkomst staat open voor alle natuurlijke personen die onderdaan zijn van, en alle rechtspersonen die daadwerkelijk gevestigd zijn in:

    • a.

      een ACS-staat, een lidstaat van de Europese Gemeenschap, een staat die gerechtigd is in het kader van het instrument voor pretoetredingssteun van de Europese Gemeenschap, een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, of in een van de landen en gebieden overzee in de zin van Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie5)PBEU L 344 van 19.12.2013, blz. 1. ;

    • b.

      een ontwikkelingsland of -gebied dat is vermeld in de OESO/DAC-lijst van landen die officiële ontwikkelingshulp ontvangen en die geen lid zijn van de Groep van Twintig, onverminderd de status van de Republiek van Zuid-Afrika, die is geregeld bij Protocol 3;

    • c.

      een land ten aanzien waarvan de Commissie in overeenstemming met de ACS-landen heeft vastgesteld dat er sprake is van wederkerigheid bij de toegang tot externe steun.

      Wederkerigheid bij de toegang kan voor een beperkte periode van ten minste één jaar worden vastgesteld indien een land entiteiten van de Gemeenschap en entiteiten uit landen die voor deelname aan de onder dit artikel vallende instrumenten in aanmerking komen, op gelijke voorwaarden tot deelname toelaat;

    • d.

      een lidstaat van de OESO, in het geval van opdrachten die worden uitgevoerd in een van de minst ontwikkelde landen of een arm land met een hoge schuldenlast, in de zin van de OESO/DAC-lijst van landen die officiële ontwikkelingshulp ontvangen, die door de OESO/DAC is gepubliceerd.

  • 2.

    Diensten in het kader van een opdracht die gefinancierd wordt uit het meerjarige financiële kader voor samenwerking uit hoofde van deze Overeenkomst mogen verleend worden door deskundigen van elke nationaliteit, onverminderd de kwalitatieve en financiële vereisten die zijn opgenomen in de communautaire regels voor overheidsopdrachten.

  • 3.

    Alle leveringen en materialen die in het kader van een overheidsopdracht of subsidieovereenkomst zijn verkregen, en die uit het meerjarige financiële kader voor samenwerking in het kader van deze partnerschapsovereenkomst zijn gefinancierd, zijn afkomstig uit een staat die krachtens dit artikel mag deelnemen.

    Zij mogen echter uit een andere staat afkomstig zijn indien de totale waarde van de aan te kopen leveringen en materialen onder de drempel ligt voor het gebruik van de concurrentiële onderhandelingsprocedure, vastgesteld volgens artikel 19 quater, lid 1.

    In dit verband wordt de definitie van „producten van oorsprong” beoordeeld aan de hand van de desbetreffende internationale overeenkomsten en worden leveringen van oorsprong uit de landen en gebieden overzee aangemerkt als leveringen van oorsprong uit de Gemeenschap.

  • 4.

    De deelname aan aanbestedingen en aan procedures voor de toekenning van subsidies uit het meerjarige financiële kader voor samenwerking staat open voor internationale organisaties.

  • 5.

    Indien de financiering uit het meerjarige financiële kader voor samenwerking op grond van deze overeenkomst betrekking heeft op een transactie die door een internationale organisatie wordt uitgevoerd, staat de deelname aan procedures voor de gunning van overheidsopdrachten of voor de toekenning van subsidies open voor alle natuurlijke personen en rechtspersonen die krachtens lid 1 mogen deelnemen, en voor alle natuurlijke personen en rechtspersonen die krachtens het reglement van de organisatie mogen deelnemen; alle donoren moeten daarbij op gelijke voet worden behandeld. Deze regels gelden tevens voor leveringen en materialen.

  • 6.

    Indien de financiering uit het meerjarige financiële kader voor samenwerking op grond van deze overeenkomst betrekking heeft op een transactie in het kader van een regionaal initiatief, staat de deelname aan procedures voor de gunning van overheidsopdrachten of voor de toekenning van subsidies open voor alle natuurlijke personen en rechtspersonen die krachtens lid 1 mogen deelnemen, en voor alle natuurlijke personen en rechtspersonen van de landen die aan het betrokken initiatief deelnemen. Deze regels gelden tevens voor leveringen en materialen.

  • 7.

    Indien de financiering uit het meerjarige financiële kader voor samenwerking op grond van deze overeenkomst betrekking heeft op een transactie die mede door een partner of andere donor wordt gefinancierd of die via een door de Commissie opgezet trustfonds wordt uitgevoerd, staat de deelname aan procedures voor de gunning van overheidsopdrachten of voor de toekenning van subsidies open voor alle natuurlijke personen en rechtspersonen die krachtens lid 1, en voor alle natuurlijke personen en rechtspersonen die krachtens de voorschriften van de partner of andere donor, dan wel volgens de bepalingen in het oprichtingsbesluit van het trustfonds mogen deelnemen.

    Indien het acties betreft die worden uitgevoerd door daarmee belaste organisaties, die lidstaten zijn of agentschappen van lidstaten, de Europese Investeringsbank of internationale organisaties of hun agentschappen, staat de deelname ook open voor natuurlijke personen en rechtspersonen die krachtens de voorschriften van bedoelde daarmee belaste organisaties mogen deelnemen, zoals vastgesteld in de overeenkomsten die zijn gesloten met de medefinancierings- of tenuitvoerleggingsinstantie. Deze regels gelden tevens voor leveringen en materialen.

  • 8.

    Indien de financiering uit het meerjarige financiële kader voor samenwerking op grond van deze overeenkomst betrekking heeft op een transactie die mede in het kader van een ander financieel instrument van de EU wordt gefinancierd, staat de deelname aan procedures voor de gunning van overheidsopdrachten of voor de toekenning van subsidies open voor alle natuurlijke personen en rechtspersonen die krachtens lid 1 mogen deelnemen, en voor alle natuurlijke personen en rechtspersonen die krachtens de voorschriften van één van deze instrumenten mogen deelnemen. Deze regels gelden tevens voor leveringen en materialen.

  • 9.

    De mogelijkheid om deel te nemen, als bedoeld in dit artikel, kan worden beperkt wat de nationaliteit, de vestigingsplaats of de aard van de aanvragers betreft, indien het vereist is op grond van de aard en de doelstellingen van de actie en voor zover het met het oog op een doeltreffende uitvoering noodzakelijk is.

Artikel

21

Deelname op gelijke voorwaarden

Vervallen

Artikel

22

Uitzonderingen

Artikel

23

Aanbesteding

Vervallen

Artikel

24

Uitvoering in eigen beheer

Artikel

25

Opdrachten voor spoedhulp

Vervallen

Artikel

26

Preferenties

Artikel

27

Gunning van opdrachten

Vervallen

Artikel

28

Algemene voorschriften voor opdrachten

Vervallen

Artikel

29

Algemene voorwaarden voor opdrachten

Vervallen

Artikel

30

Geschillenbeslechting

Geschillen tussen enerzijds de overheidsinstanties van een ACS-staat of bevoegde organisatie of instantie op regionaal of intra-ACS-niveau en anderzijds een aannemer, leverancier of dienstverlener bij de uitvoering van een uit het meerjarige financiële kader voor samenwerking uit hoofde van deze Overeenkomst gefinancierde overeenkomst worden beslecht:

  • a.

    in geval van een nationale opdracht volgens de nationale wetgeving van de betrokken ACS-staat; en

  • b.

    in geval van een transnationale overeenkomst:

    • i.

      indien de partijen bij de overeenkomst zulks overeenkomen, overeenkomstig de nationale wetgeving van de betrokken ACS-staat of de gebruikelijke praktijk van die staat voor internationale overeenkomsten; of

    • ii.

      door arbitrage overeenkomstig de procesvoorschriften die tijdens de eerste vergadering na de ondertekening van de Overeenkomst op aanbeveling van het ACS-EG-Comité voor Samenwerking inzake Ontwikkelingsfinanciering, bij besluit van de Raad van Ministers zullen worden vastgesteld.

Artikel

31

Belasting- en douaneregelingen

HOOFDSTUK

5

FOLLOW-UP EN EVALUATIE

Artikel

32

Doelstellingen

De follow-up en de evaluatie hebben ten doel de ontwikkelingsactiviteiten (voorbereiding en uitvoering en daaropvolgende acties) op onafhankelijke wijze te evalueren ten einde de doeltreffendheid van lopende en toekomstige ontwikkelingsactiviteiten te verbeteren.

Artikel

33

Modaliteiten

HOOFDSTUK

6

FUNCTIONARISSEN DIE MET HET BEHEER EN DE UITVOERING VAN DE MIDDELEN VAN HET FONDS ZIJN BELAST

Artikel

34

Commissie

Artikel

35

Nationale ordonnateur

Artikel

36

Hoofd van de delegatie

Artikel

37

Betalingen

Bijlage

V

Handelsregeling die tijdens de in artikel 37, lid 1, bedoelde voorbereidingsperiode van toepassing is

HOOFDSTUK

1

ALGEMENE HANDELSREGELINGEN

Artikel

1

Vervallen

Artikel

2

Vervallen

Artikel

3

Vervallen

Artikel

4

Vervallen

Artikel

5

Vervallen

Artikel

6

Vervallen

Artikel

7

Vervallen

Artikel

8

Vervallen

Artikel

9

Vervallen

Artikel

10

Vervallen

Artikel

11

Vervallen

Artikel

12

Vervallen

HOOFDSTUK

2

BIJZONDERE VERBINTENISSEN INZAKE SUIKER, RUND- EN KALFSVLEES

Artikel

13

Vervallen

Artikel

14

Vervallen

HOOFDSTUK

3

SLOTBEPALINGEN

Artikel

15

Vervallen

Protocol

1

betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en de methoden van administratieve samenwerking

TITEL

I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel

1

Definities

Vervallen

TITEL

II

OMSCHRIJVING VAN HET BEGRIP „PRODUCTEN VAN OORSPRONG”

Artikel

2

Algemene voorwaarden

Vervallen

Artikel

3

Geheel en al verkregen producten

Vervallen

Artikel

4

Toereikende bewerking of verwerking

Vervallen

Artikel

5

Ontoereikende bewerking of verwerking

Vervallen

Artikel

6

Cumulatie van de oorsprong

Vervallen

Artikel

7

Determinerende eenheid

Vervallen

Artikel

8

Accessoires, vervangingsonderdelen en gereedschappen

Vervallen

Artikel

9

Stellen of assortimenten

Vervallen

Artikel

10

Neutrale elementen

Vervallen

TITEL

III

TERRITORIALE VOORWAARDEN

Artikel

11

Territorialiteitsbeginsel

Vervallen

Artikel

12

Rechtstreeks vervoer

Vervallen

Artikel

13

Tentoonstellingen

Vervallen

TITEL

IV

BEWIJS VAN DE OORSPRONG

Artikel

14

Algemene eisen

Vervallen

Artikel

15

Procedure voor de afgifte van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1

Vervallen

Artikel

16

Afgifte achteraf van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1

Vervallen

Artikel

17

Afgifte van een duplicaat van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1

Vervallen

Artikel

18

Afgifte van een EUR.1-certificaat aan de hand van een eerder opgesteld of afgegeven bewijs van oorsprong

Vervallen

Artikel

19

Voorwaarden voor het opstellen van een factuurverklaring

Vervallen

Artikel

20

Toegelaten exporteur

Vervallen

Artikel

21

Geldigheid van het bewijs van oorsprong

Vervallen

Artikel

22

Doorvoerprocedure

Vervallen

Artikel

23

Overlegging van het bewijs van oorsprong

Vervallen

Artikel

24

Invoer in deelzendingen

Vervallen

Artikel

25

Vrijstelling van bewijs van de oorsprong

Vervallen

Artikel

26

Inlichtingen ten behoeve van de cumulatie

Vervallen

Artikel

27

Bewijsstukken

Vervallen

Artikel

28

Bewaring van het bewijs van de oorsprong en de bewijsstukken

Vervallen

Artikel

29

Verschillen en vormfouten

Vervallen

Artikel

30

In euro uitgedrukte bedragen

Vervallen

TITEL

V

REGELINGEN VOOR ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel

31

Wederzijdse bijstand

Vervallen

Artikel

32

Controle van de bewijzen van de oorsprong

Vervallen

Artikel

33

Controle van de leveranciersverklaring

Vervallen

Artikel

34

Regeling van geschillen

Vervallen

Artikel

35

Sancties

Vervallen

Artikel

36

Vrije zones

Vervallen

Artikel

37

Comité voor douanesamenwerking

Vervallen

Artikel

38

Afwijkingen

Vervallen

TITEL

VI

CEUTA EN MELILLA

Artikel

39

Bijzondere voorwaarden

Vervallen

TITEL

VII

SLOTBEPALINGEN

Artikel

40

Herziening van de oorsprongsregels

Vervallen

Artikel

41

Bijlagen

Vervallen

Artikel

42

Tenuitvoerlegging

Vervallen

Protocol

2

betreffende de tenuitvoerlegging van artikel 9

Vervallen

Protocol

3

houdende de tekst van Protocol 3 betreffende ACS-suiker

bij de op 28 februari 1975 ondertekende ACS-EEG-Overeenkomst van Lomé met de hierop betrekking hebbende verklaringen die aan die Overeenkomst zijn gehecht

Artikel

1

Vervallen

Artikel

2

Vervallen

Artikel

3

Vervallen

Artikel

4

Vervallen

Artikel

5

Vervallen

Artikel

6

Vervallen

Artikel

7

Vervallen

Artikel

8

Vervallen

Artikel

9

Vervallen

Artikel

10

Vervallen

Protocol

4

betreffende rund- en kalfsvlees

Artikel

1

Vervallen

Artikel

2

Vervallen

Artikel

3

Vervallen

Artikel

4

Vervallen

Artikel

5

Vervallen

Artikel

6

Vervallen

Protocol

5

Het Tweede Bananenprotocol

Artikel

1

Vervallen

Artikel

2

Vervallen

Artikel

3

Vervallen

Artikel

4

Vervallen

BIJLAGE

VI

Lijsten van de minst ontwikkelde, de niet aan zee grenzende en de insulaire ACS-staten

Volgende lijsten bevatten de namen van de minst ontwikkelde, niet aan zee grenzende en insulaire ACS-Staten.

MINST ONTWIKKELDE ACS-STATEN

Artikel

1

In het kader van deze Overeenkomst worden als minst ontwikkelde ACS-Staten beschouwd:

Angola

Mozambique

Benin

Niger

Burkina Faso

Rwanda

Burundi

Samoa

Kaapverdië

SaoTomé en Principe

Centraal-Afrikaanse Republiek

Sierra Leone

Tsjaad

Salomonseilanden

Comoren

Somalië

Democratische Republiek Congo

Sudan

Djibouti

Tanzania

Ethiopië

Tuvalu

Eritrea

Togo

Gambia

Uganda

Guinee

Vanuatu

Guinee-Bissau

Zambia

Equatoriaal-Guinea

Haïti

Kiribati

Lesotho

Liberia

Malawi

Mali

Mauritanië

Madagaskar

NIET AAN ZEE GRENZENDE ACS-STATEN

Artikel

2

Er zijn specifieke bepalingen en maatregelen vastgesteld om de niet aan zee grenzende ACS-Staten te steunen in hun streven de geografische moeilijkheden en belemmeringen die hun ontwikkeling in de weg staan, te overwinnen zodat zij hun ontwikkelingstempo kunnen versnellen.

Artikel

3

De niet aan zee grenzende ACS-staten zijn:

Botswana

Mali

Burkina Faso

Niger

Burundi

Rwanda

Centraal-Afrikaanse Republiek

Swaziland

Tsjaad

Uganda

Ethiopië

Zambia

Lesotho

Zimbabwe

Malawi

INSULAIRE ACS-STATEN

Artikel

4

Er zijn specifieke bepalingen en maatregelen vastgesteld om de insulaire ACS-Staten te steunen in hun streven de natuurlijke en geografische moeilijkheden en andere belemmeringen die hun ontwikkeling in de weg staan, te overwinnen zodat zij hun ontwikkelingstempo kunnen versnellen.

Artikel

5

De insulaire ACS-Staten zijn:

Antigua en Barbuda

Micronesië

Bahama’s

Nauru

Barbados

Niue

Kaapverdië

Palau

Comoren

Papoea-Nieuw-Guinea

Cookeilanden

Saint Kitts en Nevis

Dominica

Saint Lucia

Dominicaanse Republiek

Saint Vincent en de Grenadines

Fiji

Samoa

Grenada

Sao Tomé en Principe

Haïti

Seychellen

Jamaica

Salomonseilanden

Kiribati

Tonga

Madagaskar

Trinidad en Tobago

Marshalleilanden

Tuvalu

Mauritius

Vanuatu

Protocol

1

betreffende de huishoudelijke uitgaven van de gezamenlijke instellingen

  • 1.

    De Lid-Staten en de Gemeenschap enerzijds en de ACS-Staten anderzijds nemen de uitgaven voor hun rekening die voortvloeien uit hun deelneming aan de zittingen van de Raad van Ministers en de vergaderingen van de organen die daarvan afhankelijk zijn, zowel wat de personeelsuitgaven, de reis- en verblijfkosten als de frankerings- en telecommunicatiekosten betreft.

    De uitgaven voor tolkendiensten bij vergaderingen, alsmede voor de vertaling en vermenigvuldiging van de documenten, en de uitgaven in verband met de praktische organisatie van de vergaderingen (vergaderruimten, benodigdheden, bodes, enz.) van de gezamenlijke instellingen waarin deze Overeenkomst voorziet, worden door de Gemeenschap of door een van de ACS-Staten gedragen, naargelang de vergadering op het grondgebied van een lidstaat of op het grondgebied van een ACS-Staat plaatsvindt.

  • 2.

    De overeenkomstig artikel 98 van de Overeenkomst aangewezen scheidsrechters hebben recht op vergoeding van hun reis- en verblijfkosten. Deze laatste worden vastgesteld door de Raad van Ministers.

    De reis- en verblijfkosten van de scheidsrechters worden voor de helft door de Gemeenschap en voor de helft door de ACS-Staten gedragen. De uitgaven voor de door de scheidsrechters opgerichte griffie, voor de instructie van geschillen en voor de materiële organisatie van de zittingen (vergaderruimten, personeel, tolkendiensten, enz.) worden door de Gemeenschap gedragen. De uitgaven voor buitengewone instructiemaatregelen worden met de overige uitgaven vereffend en worden door de partijen voorgeschoten op de in een beschikking van de scheidsrechters bepaalde wijze.

  • 3.

    De ACS-Staten stellen een door hun Algemeen Secretariaat te beheren Fonds in waaruit wordt bijgedragen aan de financiering van de door de ACS-deelnemers op de bijeenkomsten van de Paritaire Parlementaire Vergadering en de Raad van Ministers gedane uitgaven.

    De ACS-Staten leveren een bijdrage aan dit Fonds. Ten einde het actief deelnemen van alle ACS-Staten aan de binnen de ACS-EU-instellingen gevoerde dialoog aan te moedigen, levert de Gemeenschap aan dit Fonds een bijdrage overeenkomstig het bepaalde in het Financieel Protocol (EUR 4 miljoen in overeenstemming met het eerste financieel protocol).

    De voor het Fonds in aanmerking komende uitgaven beantwoorden aan de in punt 1 omschreven evenals aan de volgende voorwaarden:

    • Zij moeten zijn gedaan door parlementsleden of, bij hun afwezigheid, door andere overeenkomstige ACS-vertegenwoordigers die buiten het land dat zij vertegenwoordigen moeten reizen ten einde deel te nemen aan zittingen van de Paritaire Parlementaire Vergadering, vergaderingen van werkgroepen of missies in opdracht van deze instanties, of als gevolg van de deelname van bedoelde vertegenwoordigers en vertegenwoordigers van de civiele samenleving evenals economische en sociale actoren van de ACS-Staten aan in het kader van artikel 15 en 17 van de Overeenkomst gehouden overlegvergaderingen.

    • De besluiten inzake aard, organisatie, periodiciteit en plaats van vergaderingen, missies en werkgroepactiviteiten moeten zijn genomen in overeenstemming met de voorschriften en procedures van de Raad van Ministers en de Paritaire Parlementaire Vergadering.

  • 4.

    De overlegvergaderingen en vergaderingen van economische en sociale actoren van de ACS-Staten en de EU worden georganiseerd door het Economisch en Sociaal Comité van de Europese Unie. Met betrekking tot deze vergaderingen wordt de bijdrage van de Gemeenschap voor het dekken van de deelnemingskosten van de economische en sociale actoren van de ACS-Staten rechtstreeks aan het Economisch en Sociaal Comité betaald.

    Het ACS-Secretariaat, de Raad van Ministers en de Paritaire Parlementaire Vergadering kunnen, in overeenstemming met de Commissie, de organisatie van overlegbijeenkomsten met de civiele samenleving van de ACS-Staten delegeren aan door de partijen goedgekeurde representatieve organisaties.

Protocol

2

betreffende de voorrechten en immuniteiten

De partijen bij de Overeenkomst,

Verlangende de goede werking van de Overeenkomst alsmede de voorbereiding van de daarmee samenhangende werkzaamheden en de uitvoering van de ter toepassing daarvan getroffen maatregelen te bevorderen door het sluiten van een Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten,

Overwegende dat derhalve de voorrechten en immuniteiten waarop de deelnemers aan werkzaamheden betreffende de toepassing van de Overeenkomst aanspraak kunnen maken, alsmede de regeling voor de officiële mededelingen in verband met deze werkzaamheden dienen te worden bepaald, zulks onverminderd het op 8 april 1965 te Brussel ondertekende Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen;

Overwegende voorts dat er een regeling inzake de eigendommen, fondsen en bezittingen van de Raad van ACS-Ministers en inzake het personeel daarvan dient te worden vastgesteld;

Overwegende dat bij de Overeenkomst van Georgetown van 6 juni 1975 de groep van ACS-Staten is opgericht en een Raad van ACS-Ministers en een Comité van Ambassadeurs zijn ingesteld; dat het secretariaat van de organen van de groep van ACS-Staten wordt waargenomen door het secretariaat van de ACS-Staten,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen die aan de Overeenkomst zijn gehecht:

HOOFDSTUK

1

PERSONEN DIE DEELNEMEN AAN DE WERKZAAMHEDEN MET BETREKKING TOT DE OVEREENKOMST

Artikel

1

De vertegenwoordigers van de Regeringen van de lidstaten en van de ACS-Staten en de vertegenwoordigers van de Instellingen van de Europese Gemeenschappen alsmede hun adviseurs en deskundigen en de personeelsleden van het secretariaat van de ACS-Staten die op het grondgebied van de lidstaten of van de ACS-Staten deelnemen hetzij aan de werkzaamheden van de instellingen van de Overeenkomst of van de coördinatieorganen, hetzij aan werkzaamheden met betrekking tot de toepassing van de Overeenkomst, genieten aldaar gedurende de uitoefening van hun ambt en op hun reizen naar of van de plaats van hun missie de gebruikelijke voorrechten, immuniteiten en faciliteiten.

De vorige alinea is eveneens van toepassing op de leden van de Paritaire Vergadering van de Overeenkomst, op de scheidsrechters die krachtens deze Overeenkomst kunnen worden aangewezen, op de leden van de eventueel op te richten raadgevende instanties van de economische en sociale groeperingen, op de ambtenaren en andere personeelsleden daarvan, op de leden van de organen van de Europese Investeringsbank en het personeel daarvan, alsmede op het personeel van het Centrum voor industriële ontwikkeling en het Centrum voor ontwikkeling van de landbouw.

HOOFDSTUK

2

EIGENDOMMEN, FONDSEN EN BEZITTINGEN VAN DE RAAD VAN ACS-MINISTERS

Artikel

2

De door de Raad van ACS-Ministers voor officiële doeleinden gebruikte gebouwen en lokalen zijn onschendbaar. Zij zijn vrijgesteld van huiszoeking, vordering, verbeurdverklaring of onteigening.

Tenzij zulks noodzakelijk is voor onderzoek in verband met ongevallen veroorzaakt door een motorvoertuig dat aan deze Raad toebehoort of voor zijn rekening aan het verkeer deelneemt, en behoudens in geval van door een dergelijk motorvoertuig veroorzaakte overtredingen van de verkeerswetgeving of ongevallen, kunnen de eigendommen en bezittingen van de Raad van ACS-Ministers zonder toestemming van de bij de Overeenkomst ingestelde Raad van Ministers niet worden getroffen door enige dwangmaatregel van bestuursrechtelijke of gerechtelijke aard.

Artikel

3

Het archief van de Raad van ACS-Ministers is onschendbaar.

Artikel

4

De Raad van ACS-Ministers, zijn bezittingen, inkomsten en andere eigendommen zijn vrijgesteld van alle directe belastingen.

Wanneer de Raad van ACS-Ministers belangrijke aankopen doet van onroerende of roerende goederen welke strikt noodzakelijk zijn voor zijn officiële taakuitoefening, waarbij indirecte belastingen of belastingen op de verkoop in de prijs zijn begrepen, zal het gastland, telkens wanneer dit mogelijk is, passende maatregelen treffen tot kwijtschelding of teruggave van deze belastingen.

Geen enkele vrijstelling wordt verleend van belastingen, heffingen, rechten en retributies welke vergoedingen voor verrichte diensten vormen.

Artikel

5

De Raad van ACS-Ministers is vrijgesteld van alle douanerechten, in- en uitvoerverboden en in- en uitvoerbeperkingen met betrekking tot goederen bestemd voor zijn officiële gebruik; de aldus ingevoerde goederen mogen op het grondgebied van het land waar zij zijn ingevoerd, niet worden verkocht of anderszins onder bezwarende titel of om niet worden overgedragen, tenzij op voorwaarden welke door de Regering van dat land zijn goedgekeurd.

HOOFDSTUK

3

OFFICIËLE MEDEDELINGEN

Artikel

6

Voor hun officiële mededelingen en het overbrengen van al hun documenten genieten de Europese Gemeenschap, de gezamenlijke instellingen van de Overeenkomst en de coördinatieorganen op het grondgebied van de Staten die partij zijn bij de Overeenkomst, dezelfde behandeling als de internationale organisaties.

De officiële correspondentie en andere officiële mededelingen van de Europese Gemeenschap, van de gezamenlijke instellingen van de Overeenkomst en van de coördinatieorganen mogen niet aan censuur worden onderworpen.

HOOFDSTUK

4

PERSONEEL VAN HET SECRETARIAAT VAN DE ACS-STATEN

Artikel

7

Artikel

8

De Staat waar de Raad van ACS-Ministers is gevestigd, verleent aan de andere dan de in artikel 7, lid 1, bedoelde permanente personeelsleden van het secretariaat van de ACS-Staten slechts vrijstelling van rechtsvervolging voor daden die zij in hun officiële hoedanigheid en binnen de grenzen van hun ambtsbevoegdheden stellen. Deze vrijstelling geldt evenwel niet in geval van verkeersovertredingen door een permanent personeelslid van het secretariaat van de ACS-Staten of van schade veroorzaakt door een hem toebehorend of door hem bestuurd motorvoertuig.

Artikel

9

Naam, hoedanigheid en adres van de fungerend voorzitter van het Comité van Ambassadeurs, van de secretaris of secretarissen, de adjunct-secretaris of adjunct-secretarissen van de Raad van ACS-Ministers alsmede van de permanente personeelsleden van het secretariaat van de ACS-Staten worden op gezette tijden door de Voorzitter van de Raad van ACS-Ministers aan de Regering van de Staat waar deze Raad is gevestigd, medegedeeld.

HOOFDSTUK

5

DELEGATIES VAN DE COMMISSIE

Artikel

10

HOOFDSTUK

6

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel

11

De in dit Protocol bedoelde voorrechten, immuniteiten en faciliteiten worden aan de begunstigden uitsluitend in het belang van hun officiële ambt verleend.

De in dit Protocol bedoelde instellingen en organen moeten van de immuniteit afzien in alle gevallen waarin opheffing van de immuniteit naar hun mening niet strijdig is met hun belangen.

Artikel

12

Artikel 98 van de Overeenkomst is van toepassing op de geschillen betreffende dit Protocol. De Raad van ACS-Ministers en de Europese Investeringsbank kunnen tijdens een arbitrageprocedure partij zijn in een zaak.

Protocol

3

betreffende Zuid-Afrika

Artikel

1

Gekwalificeerde status

Artikel

2

Algemene bepalingen, politieke dialoog en gezamenlijke instellingen

Artikel

3

Samenwerkingsstrategieën

De bepalingen inzake samenwerkingsstategieën van deze Overeenkomst zijn van toepassing op de samenwerking tussen de EG en Zuid-Afrika.

Artikel

4

Financiële middelen

Artikel

5

Commerciële samenwerking

Artikel

6

Toepasselijkheid van protocollen en verklaringen

De aan deze overeenkomst gehechte protocollen en verklaringen betreffende niet op Zuid-Afrika toepasselijke gedeelten van de Overeenkomst, zijn niet op Zuid-Afrika van toepassing. Alle andere verklaringen en protocollen zijn op Zuid-Afrika van toepassing.

Artikel

7

Herzieningsclausule

Dit protocol kan bij besluit van de Raad van Ministers worden herzien.

Artikel

8

Toepasselijkheid

Onverminderd het bepaalde in voorgaande artikelen worden in volgende tabel de op Zuid-Afrika toepasselijke en niet toepasselijke artikelen van de Overeenkomst en haar bijlagen aangegeven.

Preambule

Deel 1, Titel I, Hoofdstuk 1: „Doeleinden, beginselen en actoren” (artikelen 1–7)

Deel 1, Titel II, „De politieke dimensie” artikelen 8–13

Deel 2, „Institutionele bepalingen”; artikelen 14–17

Overeenkomstig artikel 2 van dit protocol heeft Z-A in de gezamenlijke instellingen en organen geen stemrecht ten aanzien van besluiten die moeten worden genomen met betrekking tot bepalingen van de Overeenkomst welke niet op Z-A van toepassing zijn.

Deel 3, Titel I, „Ontwikkelingsstrategiën”.

Overeenkomstig artikel 5 wordt Zuid-Afrika als waarnemer betrokken bij de dialoog tussen de overeenkomstsluitende partijen zoals bedoeld in artikelen 34 tot en met 40.

Deel 3, Titel II, Economische en commerciële samenwerking.

Artikel 75.i (Bevordering van investeringen, steun voor de dialoog in het particuliere bedrijfsleven op regionaal niveau en tussen ACS en EU), Artikel 78 (Bescherming van investeringen)

Overeenkomstig artikel 4 heeft Zuid-Afrika het recht op bepaalde gebieden aan de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering deel te nemen, met dien verstande dat de deelname volledig wordt gefinancierd uit de middelen waarin wordt voorzien onder Titel VII van de TDCA. Overeenkomstig artikel 2 wordt Zuid-Afrika volledig betrokken bij de werkzaamheden van het bij artikel 83 opgerichte ACS-EG-Comité voor samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering zonder evenwel stemrecht te hebben met betrekking tot de bepalingen welke op Zuid-Afrika niet van toepassing zijn.

Deel 4, Samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering

Deel 5, Algemene bepalingen betreffende de minst ontwikkelde, niet aan zee grenzende en insulaire ACS-Staten, artikelen 84–90

Deel 6, Slotbepalingen, artikelen 91–100

Bijlage I (Financieel protocol)

Bijlage II, Financieringsvoorwaarden, Hoofdstuk 5 (link met artikel 78 / bescherming van investeringen)

Overeenkomstig artikel 4 heeft Zuid-Afrika het recht op bepaalde gebieden aan de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering deel te nemen, met dien verstande dat de deelname volledig wordt gefinancierd uit de middelen waarin wordt voorzien onder Titel VII van de TDCA.

Bijlage II,Financieringsvoorwaarden, Hoofdstukken 1, 2, 3 en 4

Bijlage III Institutionele ondersteuning (COD en TCLP)

Overeenkomstig artikel 4 heeft Zuid-Afrika het recht op bepaalde gebieden aan de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering deel te nemen, met dien verstande dat de deelname volledig wordt gefinancierd uit de middelen waarin wordt voorzien onder Titel VII van de TDCA.

Bijlage IV, Procedures voor tenuitvoerlegging en beheer: artikelen 6–14, (Regionale samenwerking) artikelen20–32 (Concurrentie en preferenties)

Overeenkomstig artikel 4 heeft Zuid-Afrika, voor zover TDCA-middelen worden aangewend voor het deelnemen aan maatregelen in het kader van de ACS-EG-samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering, het recht volwaardig deel te nemen aan de besluitvormingsprocedures betreffende de tenuitvoerlegging van bedoelde steunmaatregelen. Zuid-Afrikaanse natuurlijke personen en rechtspersonen komen bovendien in aanmerking voor het toegewezen krijgen van contracten welke worden gefinancierd uit de middelen waarin de Overeenkomst voorziet. Met betrekking daartoe worden aan Zuid-Afrikaanse inschrijvers echter niet dezelfde preferenties verleend als aan die uit de ACS-Staten.

Bijlage IV, artikelen 1–5 (nationale programmering); 15–19 (bepalingen betreffende projectcyclus), 27 (preferenties voor ACS-contractanten) en 34–38 (Uitvoerende instanties)

Bijlage V / Handelsregeling tijdens de voorbereidingsperiode

Bijlage VI; Lijsten van de minst ontwikkelde, niet aan zee grenzende en insulaire ACS-Staten

Bijlage

VII

Politieke dialoog inzake mensenrechten, democratische beginselen en de rechtsstaat

Artikel

1

Doelen

Artikel

2

Geïntensiveerde politieke dialoog voorafgaand aan overleg op grond van artikel 96

Artikel

3

Aanvullende regels inzake overleg op grond van artikel 96 van de Overeenkomst

Slotakte

De gevolmachtigden van:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

Hare Majesteit de Koningin van Denemarken,

De President van de Bondsrepubliek Duitsland,

De President van de Helleense Republiek,

Zijne Majesteit de Koning van Spanje,

De President van de Franse Republiek,

De President van Ierland,

De President van de Italiaanse Republiek,

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg,

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

De Federale President van de Republiek Oostenrijk,

De President van de Portugese Republiek,

De President van de Republiek Finland,

De Regering van het Koninkrijk Zweden,

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal en bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, hierna „de Gemeenschap” genoemd, wier staten hierna „de lidstaten” worden genoemd,

en van de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, enerzijds, en

de gevolmachtigden van:

De President van de Republiek Angola,

Hare Majesteit de Koningin van Antigua en Barbuda,

Het Staatshoofd van het Gemenebest van de Bahama's,

Het Staatshoofd van Barbados,

Hare Majesteit de Koningin van Belize,

De President van de Republiek Benin,

De President van de Republiek Botswana,

De President van Burkina Faso,

De President van de Republiek Boeroendi,

De President van de Republiek Kameroen,

De President van de Republiek Kaapverdië,

De President van de Centraal-Afrikaanse Republiek,

De President van de Republiek Tsjaad,

De President van de Islamitische Bondsrepubliek der Comoren,

De President van de Democratische Republiek Congo,

De President van de Republiek Congo,

De Regering van de Cookeilanden,

De President van de Republiek Ivoorkust,

De President van de Republiek Djibouti,

De Regering van het Gemenebest Dominica,

De President van de Dominicaanse Republiek,

De President van de Staat Eritrea,

De President van de Republiek Equatoriaal-Guinee,

De President van de Democratische Federale Republiek Ethiopië,

De President van de Soevereine Democratische Republiek Fiji,

De President van de Republiek Gabon,

De President en het Staatshoofd van de Republiek Gambia,

De President van de Republiek Ghana,

Hare Majesteit de Koningin van Grenada,

De President van de Republiek Guinee,

De President van de Republiek Guinee-Bissau,

De President van de Republiek Guyana,

De President van de Republiek Haïti,

Het Staatshoofd van Jamaica,

De President van de Republiek Kenia,

De President van de Republiek Kiribati,

Zijne Majesteit de Koning van het Koninkrijk Lesotho,

De President van de Republiek Liberia,

De President van de Republiek Madagaskar,

De President van de Republiek Malawi,

De President van de Republiek Mali,

De Regering van de Republiek der Marshalleilanden,

De President van de Islamitische Republiek Mauritanië,

De President van de Republiek Mauritius,

De Regering van de Federale Staten van Micronesië,

De President van de Republiek Mozambique,

De President van de Republiek Namibië,

De Regering van de Republiek Nauru,

De President van de Republiek Niger,

Het Hoofd van de Federale Republiek Nigeria,

De Regering van Niue,

De Regering van de Republiek Palau,

Hare Majesteit de Koningin van de Onafhankelijke Staat Papoea-Nieuw-Guinea,

De President van de Republiek Rwanda,

Hare Majesteit de Koningin van Saint Kitts en Nevis,

Hare Majesteit de Koningin van Saint Lucia,

Hare Majesteit de Koningin van Saint Vincent en de Grenadines,

Het Staatshoofd van de Onafhankelijke Staat Samoa,

De President van de Democratische Republiek Sao Tomé en Principe,

De President van de Republiek Senegal,

De President van de Republiek der Seychellen,

De President van de Republiek Sierra Leone,

Hare Majesteit de Koningin van de Salomonseilanden,

De President van de Democratische Republiek Somalië,

De President van de Republiek Zuid-Afrika,

De President van de Republiek Soedan,

De President van de Republiek Suriname,

Zijne Majesteit de Koning van het Koninkrijk Swaziland,

De President van de Verenigde Republiek Tanzania,

De President van de Republiek Togo,

Zijne Majesteit Koning Taufa'ahau Tupou IV van Tonga,

De President van de Republiek Trinidad en Tobago,

Hare Majesteit de Koningin van Tuvalu,

De President van de Republiek Oeganda,

De Regering van de Republiek Vanuatu,

De Regering van de Republiek Zambia,

De President van de Republiek Zimbabwe,

wier staten hierna „de ACS-staten” worden genoemd, anderzijds,

op 23 juni 2000 voor de ondertekening van de ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst te Cotonou bijeengekomen, hebben de volgende teksten goedgekeurd:

De ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst en de volgende bijlagen en Protocollen:

Bijlage I:

Financieel Protocol

Bijlage II:

Financieringsvoorwaarden

Bijlage III:

Institutionele steun – Centrum voor de ontwikkeling van het bedrijfsleven (CDE) en Technisch centrum voor landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling (CTA)

Bijlage IV:

Procedures voor de tenuitvoerlegging en het beheer

Bijlage V:

Handelsregeling die in de in artikel 37, lid 1, genoemde voorbereidingsperiode van toepassing is

Bijlage VI:

Lijst van minstontwikkelde insulaire en niet aan zee grenzende landen

Protocol 1

inzake werkingskosten van de gemeenschappelijke instellingen

Protocol 2

inzake voorrechten en immuniteiten

Protocol 3

inzake Zuid-Afrika

De gevolmachtigden van de lidstaten en van de Gemeenschap en de gevolmachtigden van de ACS-Staten hebben de teksten van de hieronder genoemde en bij deze slotakte gevoegde verklaringen goedgekeurd:

Verklaring I

Gemeenschappelijke Verklaring over de actoren van het partnerschap (Artikel 6)

Verklaring II

Verklaring van de Commissie en de Raad van de Europese Unie over de clausule betreffende de terugkeer en terugname van illegale immigranten (Artikel 13(5))

Verklaring III

Gemeenschappelijke Verklaring over deelneming aan de Gemengde Parlementaire Vergadering (Artikel 17, lid 1)

Verklaring IV

Verklaring van de Gemeenschap over de financiering van het ACS-Secretariaat

Verklaring V

Verklaring van de Gemeenschap over de financiering van de gemeenschappelijke instellingen

Verklaring VI

Verklaring van de Gemeenschap over het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten

Verklaring VII

Verklaring van de lidstaten over het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten

Verklaring VIII

Gemeenschappelijke Verklaring over het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten

Verklaring IX

Gemeenschappelijke Verklaring over artikel 49, lid 2, inzake handel en milieu

Verklaring X

Verklaring van de ACS-Staten over handel en milieu

Verklaring XI

Gemeenschappelijke Verklaring over het culturele erfgoed van de ACS-Staten

Verklaring XII

Verklaring van de ACS-Staten over de teruggave van cultuurgoederen

Verklaring XIII

Gemeenschappelijke Verklaring over auteursrechten

Verklaring XIV

Gemeenschappelijke Verklaring over regionale samenwerking en de meest afgelegen regio's (Artikel 28)

Verklaring XV

Gemeenschappelijke Verklaring over toetreding

Verklaring XVI

Gemeenschappelijke Verklaring over de toetreding van de in Deel Vier van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde landen en gebieden

Verklaring XVII

Gemeenschappelijke Verklaring over Artikel 66 (schuldenverlichting) van de Overeenkomst

Verklaring XVIII

Verklaring van de EU over het Financieel Protocol

Verklaring XIX

Verklaring door de Raad en de Commissie over het Programmeringsproces

Verklaring XX

Gemeenschappelijke Verklaring over de gevolgen van schommelingen in de exportopbrengsten voor kwetsbare kleine, insulaire en niet aan zee grenzende ACS-Staten

Verklaring XXI

Verklaring van de Gemeenschap over Bijlage IV, Artikel 3

Verklaring XXII

Gemeenschappelijke Verklaring over de in artikel 1, lid 2, onder a) van Bijlage V bedoelde landbouwproducten

Verklaring XXIII

Gemeenschappelijke Verklaring over toegang tot de markt in het kader van het EG-ACS-Partnerschap

Verklaring XXIV

Gemeenschappelijke Verklaring over rijst

Verklaring XXV

Gemeenschappelijke Verklaring over rum

Verklaring XXVI

Gemeenschappelijke Verklaring over rund- en kalfsvlees

Verklaring XXVII

Gemeenschappelijke Verklaring over de regelingen betreffende de toegang van de in artikel 1, lid 2, van Bijlage V genoemde producten uit de ACS-Staten tot de markten van de Franse overzeese departementen

Verklaring XXVIII

Gemeenschappelijke Verklaring over samenwerking tussen de ACS-Staten en de naburige landen en gebieden overzee en Franse overzeese departmenten

Verklaring XXIX

Gemeenschappelijke Verklaring over producten waarop het gemeenschappelijke landbouwbeleid van toepassing is

Verklaring XXX

Verklaring van de ACS-Staten over Artikel 1 van Bijlage V

Verklaring XXXI

Verklaring van de Gemeenschap over Artikel 5, lid 2, onder a), van Bijlage V

Verklaring XXXII

Gemeenschappelijke Verklaring over non-discriminatie

Verklaring XXXIII

Verklaring van de Gemeenschap over artikel 8, lid 3, van Bijlage V

Verklaring XXXIV

Gemeenschappelijke Verklaring over artikel 12 van Bijlage V

Verklaring XXXV

Gemeenschappelijke Verklaring over Protocol 1 betreffende Artikel 7 van Bijlage V

Verklaring XXXVI

Gemeenschappelijke Verklaring over Protocol 1 bij Bijlage V

Verklaring XXXVII

Gemeenschappelijke Verklaring over Protocol 1 van Bijlage V inzake de oorsprong van visserijproducten

Verklaring XXXVIII

Verklaring van de Gemeenschap over Protocol 1 van Bijlage V inzake de reikwijdte van territoriale wateren

Verklaring XXXIX

Verklaring van de ACS-Staten over Protocol 1 bij Bijlage V inzake de oorsprong van visserijproducten

Verklaring XL

Gemeenschappelijke Verklaring over de toepassing van de afwijkende waarderegel voor tonijn

Verklaring XLI

Gemeenschappelijke Verklaring over Artikel 6, lid 11, van Protocol 1 bij Bijlage V

Verklaring XLII

Gemeenschappelijke Verklaring over de oorsprongsregels: cumulatie met Zuid-Afrika

Verklaring XLIII

Gemeenschappelijke Verklaring over bijlage 2 bij Protocol 1 bij Bijlage V

GEDAAN te Cotonou, de drieëntwintigste juni 2000.

Verklaring

I

Gemeenschappelijke Verklaring over de actoren van het partnerschap (Artikel 6)

De partijen zijn het erover eens dat de omschrijving van de „civiele samenleving” (maatschappelijk middenveld) aanzienlijk kan verschillen al naar gelang de sociaal-economische en culturele omstandigheden van elk ACS-land. Zij gaan er evenwel van uit dat onder meer de volgende organisaties onder deze omschrijving kunnen vallen: organisaties en instanties voor de mensenrechten, organisaties van niet-deskundigen, vrouwenorganisaties, jeugdverenigingen, organisaties voor kinderbescherming, milieugroeperingen, boerenbonden, consumentenverenigingen, religieuze organisaties, structuren ter bevordering van de ontwikkeling (NGO's, onderwijs- en onderzoekinstellingen), culturele verenigingen en de media.

Verklaring

II

Verklaring van de Commissie en de Raad van de Europese Unie over de clausule betreffende de terugkeer en terugname van illegale immigranten (Artikel 13, lid 5)

Artikel 13, lid 5, doet geen afbreuk aan de interne scheiding van de machten tussen de Gemeenschap en haar lidstaten wat de sluiting van terugname-overeenkomsten betreft.

Verklaring

III

Gemeenschappelijke Verklaring over deelneming aan de Gemengde Parlementaire Vergadering (Artikel 17, lid 1)

De partijen bij de overeenkomst bevestigen de rol van de Gemengde Parlementaire Vergadering bij de bevordering en verdediging van democratische processen door middel van een dialoog tussen parlementsleden, en stemmen ermee in dat vertegenwoordigers die geen parlementsleden zijn, als in Artikel 17 bepaald, uitsluitend in buitengewone omstandigheden aan de vergadering mogen deelnemen. Een dergelijke deelname is uitsluitend toegestaan indien de Gemengde Parlementaire Vergadering voor elke sessie toestemming heeft verleend.

Verklaring

IV

Verklaring van de Gemeenschap over de financiering van het ACS-Secretariaat

De Gemeenschap zal bijdragen aan de werkingskosten van het ACS-Secretariaat waartoe zij intra-ACS-samenwerkingsmiddelen zal aanwenden.

Verklaring

V

Verklaring van de Gemeenschap over de financiering van de gemeenschappelijke instellingen

De Gemeenschap is zich ervan bewust dat de uitgaven voor tolken op vergaderingen en voor de vertaling van documenten voornamelijk uitgaven zijn voor haar eigen behoeften en is daarom bereid deze uitgaven op zich te nemen, zoals ook in het verleden is gebeurd, zowel voor vergaderingen van de instellingen van de Overeenkomst in een lidstaat als voor vergaderingen in een ACS-Staat.

Verklaring

VI

Verklaring van de Gemeenschap over het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten

Het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten is vanuit het standpunt van het internationale recht een multilateraal besluit. Mochten echter in de gaststaat problemen rijzen betreffende de toepassing van dit Protocol, dan dienen deze door middel van een bilaterale overeenkomst met die staat te worden geregeld.

De Gemeenschap heeft nota genomen van de verzoeken van de ACS-Staten om enkele bepalingen van Protocol 2 te wijzigen, met name wat de status betreft van het personeel van het ACS-Secretariaat, het Centrum voor de Ontwikkeling van het Bedrijfsleven (CDE) en het Centrum voor de ontwikkeling van de landbouw (CTA).

De Gemeenschap is bereid naar wederzijds aanvaardbare oplossingen te zoeken ten aanzien van de verzoeken van de ACS-Staten om bovenbedoeld afzonderlijk rechtsinstrument vast te stellen.

In dit verband zal het gastland, zonder afbreuk te doen aan de voordelen waarvoor het ACS-Secretariaat, het CDE, het CTA en hun personeel momenteel in aanmerking komen:

  • 1.

    begrip tonen voor de interpretatie van het begrip „hoger personeel”, hetgeen betekent dat een interpretatie van dit begrip in onderling overleg zal worden vastgesteld;

  • 2.

    de bevoegdheden erkennen die de Voorzitter van de Raad van ACS-Ministers aan de Voorzitter van het ACS-EG-Comité van Ambassadeurs heeft gedelegeerd ter vereenvoudiging van de toepassing van Artikel 9 van het Protocol;

  • 3.

    het personeel van het ACS-Secretariaat, het CDE en het CTA faciliteiten verlenen om hun eerste installatie in het gastland te vergemakkelijken;

  • 4.

    op passende wijze belastinggerelateerde vraagstukken onderzoeken betreffende het ACS-Secretariaat, het CDE, het CTA en hun personeel.

Verklaring

VII

Verklaring van de lidstaten over het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten

De lidstaten streven ernaar, in het kader van hun wetgeving, de bewegingen binnen hun gebied van de bij de Gemeenschap geaccrediteerde ACS-diplomaten, de leden van het in artikel 7 van Protocol 2 bedoelde ACS-Secretariaat en van het hogere ACS-personeel van het CDE en het CTA bij de uitoefening van hun officiële functies te vergemakkelijken. De namen en functies van de leden van het ACS-Secretariaat worden overeenkomstig artikel 9 van genoemd Protocol bekendgemaakt.

Verklaring

VIII

Gemeenschappelijke Verklaring over het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten

Binnen het kader van hun wetgeving verlenen de ACS-Staten de delegaties van de Commissie voorrechten en immuniteiten die gelijk zijn aan die welke aan diplomatieke missies worden verleend, zodat deze delegaties de hen krachtens de Overeenkomst toegekende functies op correcte en doelmatige wijze kunnen vervullen.

Verklaring

IX

Gemeenschappelijke Verklaring over artikel 49, lid 2, inzake handel en milieu

Daar de partijen bij de overeenkomst zich ten zeerste bewust zijn van de bijzondere risico's die aan radioactief afval zijn verbonden, zullen zij zich onthouden van het storten van dergelijk afval op een wijze die inbreuk zou maken op de soevereiniteit van staten of de volksgezondheid in andere landen in gevaar zou brengen. Zij hechten het grootste belang aan de ontwikkeling van een internationale samenwerking om het milieu en de volksgezondheid tegen dergelijke risico's te beschermen. Zij bevestigen vastberaden te zijn een actieve rol te spelen bij de werkzaamheden van de IAEA om een internationaal erkende gedragscode tot stand te brengen.

In Richtlijn 92/3/Euratom van de Raad van 3 februari 1992 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van radioactieve afvalstoffen tussen lidstaten en naar en vanuit de Gemeenschap wordt onder „radioactief afval” materiaal verstaan dat radionucliden bevat of door radionucliden is gecontamineerd en dat niet voor verder gebruik is bestemd. De richtlijn is van toepassing op het vervoer van radioactief materiaal tussen de lidstaten en vanuit en naar de Gemeenschap wanneer het om hoeveelheden en concentraties gaat die de in artikel 3, lid 2, onder a en b, van Richtlijn 96/29/Euratom van 13 mei 1996 vermelde niveaus overschrijden. De vermelde niveaus zijn basisveiligheidsnormen voor de bescherming van de gezondheid van de bevolking in het algemeen en van personen die met bedoelde stoffen werken tegen de gevaren van ioniserende straling.

Op het vervoer van radioactief afval is een systeem van voorafgaande vergunning van toepassing dat is omschreven in Richtlijn 92/3/Euratom van de Raad van 3 februari 1992 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van radioactieve afvalstoffen tussen lidstaten en naar en vanuit de Gemeenschap. Volgens artikel 11, lid 1, onder b), van deze richtlijn geven de bevoegde autoriteiten van een lidstaat geen vergunning af voor het vervoer van radioactief afval naar een staat buiten de Gemeenschap die partij is bij de Vierde ACS-EEG-Overeenkomst, waarbij echter rekening wordt gehouden met artikel 14. De Gemeenschap ziet erop toe dat artikel 11 van Richtlijn 92/3/Euratom in die zin zal worden herzien dat het betrekking heeft op alle partijen bij de huidige overeenkomst die geen lid van de Gemeenschap zijn. Tot dat ogenblik zal de Gemeenschap handelen alsof de overeenkomst reeds op die partijen van toepassing is.

De partijen bij de Overeenkomst stellen alles in het werk om het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan, alsmede de wijziging van 1995 op dit verdrag als vastgelegd in Besluit III/1, zo spoedig mogelijk te ondertekenen en te ratificeren.

Verklaring

X

Verklaring van de ACS-Staten over handel en milieu

De ACS-Staten zijn ernstig bezorgd over milieuproblemen in het algemeen en het grensoverschrijdende verkeer van gevaarlijk, nuclair en andere radioactief afval in het bijzonder.

Bij de interpretatie en toepassing van artikel 32, lid 1, onder d, van de Overeenkomst hebben de ACS-Staten verklaard vastbesloten te zijn zich te laten leiden door de beginselen en bepalingen van de Resolutie van de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid inzake de Beheersing van het grensoverschrijdende verkeer en de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen in Afrika die in document AHG 182 (XXV) is opgenomen.

Verklaring

XI

Gemeenschappelijke Verklaring over het culturele erfgoed van de ACS-Staten

  • 1.

    De partijen bij de overeenkomst geven uitdrukking aan hun gemeenschappelijke wil om het culturele erfgoed van elk ACS-land op internationaal, bilateraal en particulier niveau en in het kader van onderhavige overeenkomst te bewaren en te verrijken.

  • 2.

    De partijen bij de overeenkomst erkennen dat geschiedkundigen en onderzoekers uit de ACS-Staten toegang moeten hebben tot archieven ter bevordering van de informatie-uitwisseling over het culturele erfgoed van de ACS-Staten.

  • 3.

    Zij erkennen het nut van het verlenen van bijstand voor passende activiteiten, met name op het gebied van de opleiding, voor het behoud, de bescherming en het tentoonstellen van culturele eigendommen, monumenten en voorwerpen, met inbegrip van het uitvaardigen en toepassen van wetgeving terzake.

  • 4.

    Zij onderstrepen het belang van gemeenschappelijke culturele activiteiten, de vergemakkelijking van de mobiliteit van ACS- en Europese kunstenaars, alsmede de uitwisseling van voorwerpen die symbolisch zijn voor hun cultuur en beschaving om zodoende meer begrip en solidariteit tussen de bevolkingsgroepen te verkrijgen.

Verklaring

XII

Verklaring van de ACS-Staten over de teruggave van cultuurgoederen

De ACS-Staten dringen er bij de Gemeenschap en haar lidstaten op aan, daar deze het wettelijke recht van de ACS-Staten op culturele identiteit erkennen, stappen te ondernemen om uit de ACS-Staten weggenomen cultuurgoederen die zich nu in de lidstaten bevinden, terug te geven.

Verklaring

XIII

Gemeenschappelijke Verklaring over auteursrechten

De partijen bij de overeenkomst erkennen dat de bevordering van de bescherming van auteursrechten deel uitmaakt van de culturele samenwerking die ten doel heeft alle vormen van menselijke expressie te bevorderen. Voorts is een dergelijke bescherming een eerste vereiste om productie-, verspreidings- en publicatieactiviteiten te ontwikkelen.

Dienovereenkomstig zullen de beide partijen in het kader van de culturele samenwerking tussen de ACS-Staten en de EG de eerbiediging van de auteursrechten en naburige rechten trachten te bevorderen.

In dit kader en overeenkomstig de in de overeenkomst neergelegde regels en procedures kan de Gemeenschap financiële en technische steun verlenen voor de verspreiding van informatie over auteursrechten, de opleiding van bedrijven op het gebied van de bescherming van die rechten en het opstellen van nationale wetgeving voor een betere bescherming van die rechten.

Verklaring

XIV

Gemeenschappelijke Verklaring over regionale samenwerking en de meest afgelegen regio's (Artikel 28)

De verwijzing naar de meest afgelegen regio's hebben betrekking op de Spaanse autonome gemeenschap van de Canarische eilanden, de vier Franse overzeese departementen, namelijk Guadeloupe, Guyana, Martinique en Réunion, en de Portugese autonome regio's van de Azoren en Madeira.

Verklaring

XV

Gemeenschappelijke Verklaring over toetreding

Toetreding van een derde staat tot deze overeenkomst geschiedt overeenkomstig artikel 1 en de doelstellingen van artikel 2 die de ACP-Groep in de in november 1992 gewijzigde Overeenkomst van Georgetown heeft laten opnemen.

Verklaring

XVI

Gemeenschappelijke Verklaring over de toetreding van de in Deel Vier van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde landen en gebieden

De Gemeenschap en de ACS-Staten zijn bereid de in Deel Vier van het Verdrag bedoelde landen en gebieden die onafhankelijk zijn geworden toe te staan tot deze overeenkomst toe te treden indien zij hun betrekkingen met de Gemeenschap in deze vorm wensen te handhaven.

Verklaring

XVII

Gemeenschappelijke Verklaring over Artikel 66 (schuldenverlichting) van de Overeenkomst

De partijen zijn het eens over de volgende beginselen:

  • a.

    op langere termijn zullen de partijen trachten het initiatief voor arme landen met een zware schuldenlast te verbeteren en zullen zij een verdieping, verbreding en versnelling van de schuldenverlichting voor de ACS-Staten nastreven;

  • b.

    de partijen zullen tevens trachten steunmechanismen voor schuldenverlichting te mobiliseren en vast te stellen ten behoeve van ACS-Staten die nog niet voor het initiatief voor arme landen met een zware schuldenlast in aanmerking komen.

Verklaring

XVIII

Verklaring van de EU over het Financieel Protocol

Binnen het totaalbedrag van EUR 13 500 miljoen van het Negende EOF zal EUR 12 500 miljoen onmiddellijk beschikbaar worden gesteld zodra het Financieel Protocol in werking treedt. De resterende EUR 1 000 miljoen zal worden vrijgegeven op grond van de in punt 7 van het Financiële Protocol genoemde evaluatie van de resultaten die in 2004 zal worden uitgevoerd.

Bij de beoordeling van de behoeften aan nieuwe middelen zal geheel en al rekening worden gehouden met deze evaluatie en de uiterste datum waarop betalingsverplichtingen uit het Negende EOF kunnen worden aangegaan.

Verklaring

XIX

Verklaring door de Raad en de Commissie over het Programmeringsproces

De Gemeenschap en haar lidstaten verklaren nogmaals dat zij belang hechten aan de overeenkomst inzake een hervorming van het programmeringsproces voor de tenuitvoerlegging van bijstand uit het Negende EOF.

De Gemeenschap en haar lidstaten zijn van oordeel dat een correct toegepast controlemechanisme het belangrijkste instrument is voor een geslaagde programmering. Door de controles waarover ten behoeve van de implementatie van EOF 9 overeenstemming is bereikt, is de continuïteit van het programmeringproces gewaarborgd, terwijl ook de landenondersteuningsstrategie aan de hand van deze controles regelmatig kan worden bijgesteld in overeenstemming met de behoeften en de prestaties van de betrokken ACS-Staat.

Om de voordelen van de controles geheel te kunnen benutten en de doelmatigheid van het programmeringproces te waarborgen, verklaren de Gemeenschap en haar lidstaten nogmaals dat zij zich ertoe verbonden hebben zich aan de volgende beginselen te houden:

De controles moeten zoveel mogelijk in de betrokken ACS-Staat worden uitgevoerd. Dit doet echter geen afbreuk aan het recht van de lidstaten of de diensten van de Commissie het programmeringproces te volgen of zich in dit proces te mengen indien zij dit dienstig achten.

Er mag niet worden afgeweken van de termijnen die voor de voltooiing van de controles zijn vastgesteld.

De controles zijn geen geïsoleerd evenement in het programmeringproces. De controles zijn als beheerinstrumenten te beschouwen die ook rekening houden met de resultaten van de regelmatige (maandelijkse) dialoog tussen de Nationale Ordonnateur en het Hoofd van de Delegatie van de Commissie.

De controles mogen de administratieve werklast van een van de partijen niet zwaarder maken. De procedures en verslaggeving in verband met het programmeringproces moeten daarom op gedisciplineerde wijze verlopen. Te dien einde zal de rol van de lidstaten en van de Commissie in het besluitvormingsproces regelmatig aan een onderzoek worden onderworpen en zo nodig aangepast.

Verklaring

XX

Gemeenschappelijke Verklaring over de gevolgen van schommelingen in de exportopbrengsten voor kwetsbare kleine, insulaire en niet aan zee grenzende ACS-Staten

De partijen hebben nota genomen van de bezorgdheid van de ACS-Staten dat het mechanisme voor aanvullende steun geen voldoende bescherming zal bieden tegen de gevolgen van schommelingen in de exportopbrengsten van kwetsbare kleine, insulaire en niet aan zee grenzende staten waarvan de exportopbrengsten sterk schommelen.

De partijen komen overeen de wijze waarop dit mechanisme functioneert vanaf het tweede werkingsjaar op verzoek van een of meer ACS-Staten die problemen hebben ondervonden, op grond van een voorstel van de Commissie te onderzoeken om zo nodig een oplossing te vinden voor de nadelige gevolgen van de schommelingen.

Verklaring

XXI

Verklaring van de Gemeenschap over Bijlage IV, Artikel 3

De in Bijlage IV, artikel 3, bedoelde kennisgeving van het indicatieve bedrag is niet van toepassing op ACS-Staten waarmee de Gemeenschap haar samenwerking heeft geschorst.

Verklaring

XXII

Gemeenschappelijke Verklaring over de in artikel 1, lid 2, onder a, van Bijlage V bedoelde landbouwproducten

De Nederlandse tekst van de Verklaring is gepubliceerd in het Publicatieblad van de EG nr. L 317 van 15-12-2000, blz. 3

Verklaring

XXIII

Gemeenschappelijke Verklaring over toegang tot de markt in het kader van het EG-ACS- Partnerschap

De partijen aanvaarden het feit dat beide zijden verwachten deel te nemen aan de onderhandelingen over en de tenuitvoerlegging van multilaterale en bilaterale overeenkomsten voor een verdergaande handelsliberalisering.

De partijen nemen nota van de toezegging van de Gemeenschap de minstontwikkelde landen vanaf 2005 voor nagenoeg alle producten vrije toegang tot haar markt te verlenen.

Tevens erkennen zij, wat de preferentiële toegang van de ACS-Staten tot de markt van de Gemeenschap betreft, dat een verdere liberalisering tot een verslechtering van de relatieve concurrentiepositie van de ACS-Staten zou kunnen leiden en dus ten koste van hun ontwikkeling zou kunnen gaan, terwijl de Gemeenschap deze toch tracht te steunen.

De partijen komen derhalve overeen alle nodige maatregelen te onderzoeken om de concurrentiepositie van de ACS-Staten op de markt van de Gemeenschap in de voorbereidingsperiode te handhaven. Dit onderzoek kan onder meer betrekking hebben op tijdschema's, oorsprongsregels, sanitaire en fytosanitaire maatregelen en de toepassing van bijzondere maatregelen om aanbodproblemen in de ACS-Staten op te lossen. Doel van dit onderzoek is het de ACS-Staten mogelijk te maken te profiteren van hun bestaande en potentiële comparatieve voordeel op de EG-markt. Hun verplichtingen tot medewerking in het kader van de WTO in aanmerking genomen, komen de partijen overeen dat bij dit onderzoek ook rekening zal worden gehouden met een eventuele uitbreiding van de handelsvoordelen die lidstaten ontwikkelingslanden in het kader van de WTO kunnen aanbieden.

Te dien einde dient het Gemengde Ministeriële Handelscomité aanbevelingen te doen op grond van een eerste onderzoek dat de Commissie en het ACS-Secretariaat zullen voorbereiden. De EG-Raad zal deze aanbevelingen op grond van een voorstel van de Commissie onderzoeken, waarbij hij ernaar zal streven de voordelen van de ACS-EG-handelsregeling te handhaven.

De Raad van de Europese Unie van zijn kant wijst op zijn verplichting rekening te houden met de gevolgen van door de EG te sluiten overeenkomsten of door de EG te nemen maatregelen voor de handel tussen de ACS-Staten en de EG. Hij verzoekt de Commissie stelselmatig tot een evaluatie van deze gevolgen over te gaan.

Bij het nemen van de maatregelen voor de voorbereidingsperiode zal rekening worden gehouden met het gemeenschappelijke landbouwbeleid van de Gemeenschap.

Het Gemengde Ministeriële Handelscomité houdt toezicht op de tenuitvoerlegging van deze verklaring en zal de nodige verslagen uitbrengen bij de Raad van Ministers.

Verklaring

XXIV

Gemeenschappelijke verklaring over rijst

  • 1.

    De partijen erkennen het belang van rijst voor de economische ontwikkeling van een aantal ACS-Staten in termen van werkgelegenheid, deviezen en sociale en politieke stabiliteit.

  • 2.

    Zij erkennen voorts het belang van de markt van de Gemeenschap als afzetgebied voor rijst. De Gemeenschap wijst er nogmaals op dat zij het concurrentievermogen en de doelmatigheid van de rijstsector van de ACS-Staten zal helpen bevorderen teneinde een vitale en duurzame bedrijfstak in stand te houden, hetgeen bij zal dragen tot een soepele integratie van de ACS-Staten in de wereldeconomie.

  • 3.

    De Gemeenschap is bereid voldoende middelen te verstrekken om in de voorbereidingsperiode, in overleg met de betrokken ACS-sector, een geïntegreerd sectorspecifiek programma te financieren ter ontwikkeling van de rijstexport van de ACS-Staten, welk programma met name maatregelen op de volgende gebieden zou kunnen inhouden:

    • verbetering van de productievoorwaarden en van de kwaliteit door middel van acties op het gebied van onderzoek, het oogsten en op- en overslag;

    • vervoer en opslag ;

    • verbetering van het concurrentievermogen van bestaande rijstexporteurs;

    • hulp aan rijstproducenten in de ACS-Staten zodat deze kunnen voldoen aan de milieunormen, de normen op het gebied van afvalbeheer en de andere normen die op de internationale markten, waaronder die van de Gemeenschap, van toepassing zijn;

    • marketing en handelsbevordering;

    • programma's ter ontwikkeling van bijproducten met toegevoegde waarde.

    Dit pakket maatregelen zal in de rijstexporterende ACS-Staten op nationale basis worden gefinancierd in onderling overleg tussen beide partijen en door middel van sectorspecifieke programma's die in overeenstemming zijn met de programmeringsvoorschriften en -methoden. Op korte termijn geschiedt financiering uit niet-toegewezen EOF-middelen na een besluit van de Raad van Ministers.

  • 4.

    De partijen wijzen er nogmaals op dat zij nauw zullen samenwerken om te bewerkstelligen dat de ACS-Staten ten volle van de preferentiële regeling van de Gemeenschap voor ACS-rijst kunnen profiteren. Zij zijn het eens over het belang van een doelmatige en doorzichtige uitvoer van rijst van ACS-oorsprong naar de Gemeenschap.

  • 5.

    De Gemeenschap zal de toestand van de rijstsector van de ACS-Staten na de inwerkingtreding van de overeenkomst onderzoeken in het licht van eventuele wijzigingen op de markt van de Gemeenschap voor rijst. Te dien einde komen de partijen overeen met de ACS-Staten en vertegenwoordigers van de betrokken sector een gemeenschappelijke werkgroep op te richten die eens per jaar bijeen zal komen. De Gemeenschap verplicht zich er voorts toe de ACS-Staten over bilaterale of multilaterale besluiten te raadplegen die gevolgen kunnen hebben voor de concurrentiepositie van de ACS-rijst op de markt van de Gemeenschap.

Verklaring

XXV

Gemeenschappelijke Verklaring over rum

De partijen erkennen het belang van de rumsector voor de economische en sociale ontwikkeling van verscheidene ACS-landen en regio's en het grote aandeel van deze sector in de werkgelegenheid, de exportopbrengsten en de overheidsinkomsten. Zij erkennen dat rum een verwerkt ACS-landbouwproduct met toegevoegde waarde is dat, na de nodige inspanningen, op wereldniveau kan concurreren. Zij erkennen daarom dat alle nodige maatregelen moeten worden genomen om een einde te maken aan het concurrentienadeel waaronder ACS-producenten momenteel te lijden hebben. Zij wijzen in dit verband naar de Verklaring van de Raad en de Commissie van 24 maart 1997 waarin deze toezeggen bij toekomstige onderhandelingen en regelingen over de rumsector ten volle rekening te houden met de gevolgen van de overeenkomst tussen de EG en de VS van dezelfde datum het recht op bepaalde alcoholhoudende dranken af te schaffen. Zij erkennen voorts de dringende behoefte van ACS-producenten minder afhankelijk te worden van de grondstoffenmarkt voor rum.

De partijen komen daarom overeen dat de rumsector in de ACS-Staten snel ontwikkeld moet worden zodat rumexporteurs in die staten op de markt voor alcoholhoudende dranken van de Gemeenschap en op internationale markten kunnen concurreren. Te dien einde worden de volgende maatregelen genomen:

  • 1.

    Rum, arak en tafia, ingedeeld onder GS-code 22 08 40, van oorsprong uit de ACS-Staten, worden op grond van de huidige overeenkomst en de daarvoor in de plaats tredende overeenkomst vrij van rechten en zonder kwantitatieve beperkingen ingevoerd.

  • 2.

    De Gemeenschap verbindt zich ertoe zorg te dragen voor een eerlijke concurrentie op haar markt en erop toe te zien dat ACS-rum niet wordt benadeeld of gediscrimineerd ten opzichte van rum uit andere derde landen.

  • 3.

    De Gemeenschap zal bij het onderzoek van aanvragen om afwijkingen van het bepaalde in artikel 14, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 1576/89 van de Raad van 29 maart 1989 overleg plegen en rekening houden met de bijzondere belangen van de ACS-landen.

  • 4.

    De Gemeenschap is bereid voldoende middelen te verschaffen om tijdens de voorbereidingsperiode, in overleg met de betrokken ACS-sector, een geïntegreerd sectorspecifiek programma te financieren voor de ontwikkeling van de uitvoer van rum uit de ACS-Staten, dat met name uit de volgende maatregelen kan bestaan:

    • verbetering van het concurrentievermogen van de reeds aanwezige rumexporteurs;

    • hulp bij het creëren van rummerken per ACS-regio of -land;

    • bijstand bij de opzet en uitvoering van marketingcampages;

    • bijstand aan rumproducenten in de ACS-Staten, zodat deze aan milieunormen en normen op het gebied van het afvalbeheer en andere internationale normen, waaronder die van de Gemeenschap, kunnen voldoen;

    • bijstand aan de rumsector zodat deze niet slechts rum in bulk produceert voor de grondstoffenmarkt, maar ook actief wordt op de markt voor duurdere rumproducten met merknaam.

    Dit pakket maatregelen zal op nationale en regionale basis worden gefinancierd, in overleg tussen beide partijen, door middel van sectorspecifieke programma's die in overeenstemming zijn met de programmeringsvoorschriften en -methoden. Op korte termijn geschiedt financiering uit niet-toegewezen EOF-middelen na een besluit van de Raad van Ministers.

  • 5.

    De Gemeenschap verbindt zich ertoe de gevolgen te onderzoeken van de indexering van het in het Memorandum van Overeenstemming inzake rum opgenomen prijspunt, waarop rechten worden toegepast indien de rum niet uit een ACS-Staat komt. (Genoemd memorandum maakt deel uit van de overeenkomst inzake witte alcoholhoudende dranken van maart 1997.) Zij zal in dit verband zo nodig passende maatregelen nemen.

  • 6.

    De Gemeenschap verbindt zich ertoe over bijzondere, uit deze verbintenissen voortvloeiende kwesties, overleg te plegen met de ACS in een Gemengde Werkgroep die regelmatig bijeen zal komen. De Gemeenschap verbindt zich er voorts toe de ACS-Staten te raadplegen over bilaterale of multilaterale besluiten, met inbegrip van besluiten over de vermindering van douanerechten en de uitbreiding van de Gemeenschap, die van invloed kunnen zijn op de concurrentiepositie van ACS-rum in de Gemeenschap.

Verklaring

XXVI

Gemeenschappelijke Verklaring over rund- en kalfsvlees

  • 1.

    De Gemeenschap verbindt zich ertoe ervoor te zorgen dat de ACS-Staten die begunstigde zijn van het Protocol inzake rund- en kalfsvlees, de voordelen van dit protocol geheel en al kunnen benutten. Te dien einde verbindt zij zich ertoe de bepalingen van dit protocol door de tijdige opstelling van passende regels en procedures ten uitvoer te leggen.

  • 2.

    De Gemeenschap verbindt zich er voorts toe het protocol op zodanige wijze ten uitvoer te leggen dat de ACS-Staten hun rund- en kalfsvlees het gehele jaar door zonder onnodige beperkingen kunnen afzetten. Voorts zal de EG de exporteurs van rund- en kalfsvlees in de ACS-Staten bijstand verlenen bij het verbeteren van hun concurrentievermogen door, onder meer, oplossingen aan te bieden voor aanbodproblemen, zulks volgens de in de overeenkomst omschreven ontwikkelingsstrategieën en in het kader van de nationale en regionale indicatieve programma's.

  • 3.

    De Gemeenschap zal de verzoeken van de minstontwikkelde ACS-Staten om hun rund- en kalfsvlees op preferentiële voorwaarden uit te voeren onderzoeken in het licht van de acties die zij voornemens is te ondernemen op grond van het Geïntegreerde Kader voor de Minstontwikkelde Landen van de WTO.

Verklaring

XVII

Gemeenschappelijke Verklaring over de regelingen betreffende de toegang van de in artikel 1, lid 2, van Bijlage V genoemde producten uit de ACS-Staten tot de markten van de Franse overzeese departementen

De partijen bij de overeenkomst bevestigen dat de bepalingen van Bijlage V van toepassing zijn op de betrekkingen tussen de Franse overzeese departmenten en de ACS-Staten.

De Gemeenschap heeft tijdens de looptijd van de overeenkomst het recht de regelingen betreffende de toegang van de in artikel 1, lid 2, van Bijlage V, genoemde producten tot de markten van de Franse overzeese departementen in het licht van de behoeften aan economische ontwikkeling van deze departementen te wijzigen.

Bij het onderzoek naar de mogelijke uitoefening van dit recht zal de Gemeenschap rekening houden met de rechtstreekse handel tussen de ACS-Staten en de Franse overzeese departementen. De betrokken partijen passen hierbij de in artikel 12 van bijlage V omschreven informatie- en overlegprocedures toe.

Verklaring

XXVIII

Gemeenschappelijke Verklaring over samenwerking tussen de ACS-Staten en de naburige landen en gebieden overzee en Franse overzeese departementen

De partijen bij de overeenkomst stimuleren een nauwere regionale samenwerking tussen ACS-Staten en naburige landen en gebieden overzee en Franse overzeese departementen in het Caribisch gebied, het gebied van de Stille Oceaan en de Indische Oceaan.

De partijen bij de overeenkomst doen een beroep op betrokken partijen bij de overeenkomst elkaar te raadplegen over de te volgen procedures ter bevordering van deze samenwerking en in dit verband maatregelen te nemen die in overeenstemming zijn met hun beleid en hun bijzondere situatie in de regio waardoor initiatieven op economisch gebied, waaronder de ontwikkeling van de handel, alsmede op sociaal en cultureel gebied, kunnen worden genomen.

Handelsovereenkomsten waarbij Franse overzeese departementen zijn betrokken, kunnen voorzien in bijzondere maatregelen ten gunste van producten uit deze departementen.

Kwesties met betrekking tot de samenwerking in deze verschillende gebieden worden onder de aandacht van de Raad van Ministers gebracht ten einde deze op de hoogte te houden van de gemaakte vorderingen.

Verklaring

XXIX

Gemeenschappelijke Verklaring over producten waarop het gemeenschappelijk landbouwbeleid van toepassing is

De partijen bij de overeenkomst erkennen dat bijzondere regels en voorschriften, en met name vrijwaringsmaatregelen, gelden voor producten waarop het gemeenschappelijk landbouwbeleid van toepassing is. De bepalingen van de overeenkomst inzake de vrijwaringsclausule kunnen uitsluitend op deze producten worden toegepast voorzover zij verenigbaar zijn met de bijzondere aard van deze regels en voorschriften.

Verklaring

XXX

Verklaring van de ACS-Staten over Artikel 1 van Bijlage V

Zich bewust van het onevenwicht en de discriminerende gevolgen van de behandeling van meestbegunstigde natie die op grond van artikel 1, lid 2, onder a), van Bijlage V in de Gemeenschap van toepassing is op producten uit de ACS-Staten, wijzen de ACS-Staten er nogmaals op dat zij dit artikel zo opvatten dat het daarin bedoelde overleg zal waarborgen dat de voornaamste exportproducten van de ACS-Staten voor een behandeling in aanmerking komen die ten minste zo gunstig is als de behandeling die de Gemeenschap aan landen toekent die als meest begunstigde derde landen worden behandeld.

Voorts zal dergelijk overleg ook plaats vinden wanneer:

  • a.

    een of meer ACS-Staten potentieel vertonen voor een of meer specifieke producten waarvoor preferentiële derde landen een gunstiger behandeling verkrijgen;

  • b.

    een of meer ACS-Staten voornemens zijn een of meer specifieke producten naar de Gemeenschap uit te voeren waarvoor preferentiële derde landen een gunstiger behandeling verkrijgen.

Verklaring

XXXI

Verklaring van de Gemeenschap over Artikel 5, lid 2, onder a, van Bijlage V

De Gemeenschap stemt in met de overname van de tekst van artikel 9, lid 2, onder a, van de tweede ACS-EEG-Overeenkomst in artikel 5, lid 2, onder a van Bijlage V, en wijst op de interpretatie van die tekst, namelijk dat de ACS-Staten de Gemeenschap geen minder gunstige behandeling verlenen dan die welke zij op grond van handelsovereenkomsten aan ontwikkelde staten verlenen, wanneer deze staten de ACS-Staten niet meer preferenties verlenen dan die welke de Gemeenschap verleent.

Verklaring

XXXII

Gemeenschappelijke Verklaring over non-discriminatie

De partijen komen overeen dat, in afwijking van de bijzondere bepalingen in Bijlage V bij deze Overeenkomst, de Gemeenschap niet tussen ACS-Staten zal discrimineren bij de toepassing van de handelsregeling waarin deze Bijlage voorziet, waarbij evenwel rekening zal worden gehouden met de bepalingen van deze overeenkomst en van bijzondere autonome initiatieven in multilateraal verband van de Gemeenschap zoals die ten gunste van de minstontwikkelde landen.

Verklaring

XXIII

Verklaring van de Gemeenschap over artikel 8, lid 3, van Bijlage V

Indien de Gemeenschap de in dit artikel bedoelde strikt noodzakelijke maatregelen neemt, zal zij trachten het geografische toepassingsgebied van de maatregelen of de categorie producten waarop die maatregelen betrekking hebben zo af te bakenen dat de uitvoer van de ACS-Staten hierdoor het minst wordt verstoord.

Verklaring

XXXIV

Gemeenschappelijke Verklaring over artikel 12 van Bijlage V

De partijen bij de overeenkomst komen overeen dat de volgende procedures in acht worden genomen bij het in Artikel 12 van Bijlage V bedoelde overleg:

  • i.

    de twee partijen zorgen voor een tijdige verstrekking van alle nodige en ter zake dienende gegevens over de te behandelen kwestie(s), zodat de besprekingen in een vroeg stadium en uiterlijk een maand na ontvangst van het verzoek om overleg kunnen aanvangen;

  • ii.

    de drie maanden durende overlegperiode vangt aan op de dag van ontvangst van deze gegevens. Binnen deze drie maanden wordt het technisch onderzoek van de gegevens binnen een maand, en het gezamenlijk overleg op het niveau van het Comité van Ambassadeurs binnen de volgende twee maanden voltooid;

  • iii.

    indien geen voor beide partijen aanvaardbare conclusie wordt bereikt, wordt de kwestie aan de Raad van Ministers voorgelegd;

  • iv.

    indien de Raad van Ministers geen voor beide partijen aanvaardbare oplossing kan vaststellen, besluit hij welke andere stappen ondernomen moeten worden om de verschillen te regelen die bij de besprekingen naar voren zijn gekomen.

Verklaring

XXXV

Gemeenschappelijke Verklaring over Protocol 1 bij Bijlage V

Indien de ACS-Staten een bijzondere tariefbehandeling toepassen op producten van oorsprong uit de Gemeenschap, met inbegrip van Ceuta en Melilla, is Protocol 1 van overeenkomstige toepassing. In alle andere gevallen waarin, bij invoer in de ACS-Staten, een bewijs van de oorsprong moet worden overgelegd, aanvaarden deze staten certificaten van oorsprong die overeenkomstig de desbetreffende internationale overeenkomsten zijn opgesteld.

Verklaring

XXXVI

Gemeenschappelijke Verklaring over Protocol 1 bij Bijlage V

  • 1.

    Voor de toepassing van artikel 12, lid 2, onder c, van het Protocol wordt het vervoerdocument dat in de eerste haven van lading voor verzending naar de Gemeenschap is afgegeven gelijkgesteld met het doorvoercognossement voor producten die gedekt zijn door certificaten inzake goederenverkeer die in niet aan zee grenzende ACS-Staten zijn afgegeven.

  • 2.

    Voor producten die uit niet aan zee grenzende ACS-Staten zijn uitgevoerd en die elders zijn opgeslagen dan in de in Bijlage III bij het Protocol bedoelde landen en gebieden kunnen in de in artikel 16 bedoelde omstandigheden certificaten inzake goederenverkeer worden afgegeven.

  • 3.

    Voor de toepassing van artikel 15, lid 4, van het Protocol zullen door een bevoegde instantie afgegeven en door de douaneautoriteiten geviseerde EUR.1-certificaten worden aanvaard.

  • 4

    Om de ACS-bedrijven te helpen bij het zoeken naar nieuwe leveringsbronnen waardoor zij zoveel mogelijk van de bepalingen van het Protocol inzake de cumulatie van de oorsprong kunnen profiteren, zullen stappen worden ondernomen om ervoor te zorgen dat het Centrum voor de Ontwikkeling van het Bedrijfsleven (Centre for the Development of Enterprise of CDE) de ACS-bedrijven bijstand verleent bij het leggen van contacten met leveranciers in de ACS-Staten, de Gemeenschap en de landen en gebieden overzee en om de betrekkingen tussen de betrokken bedrijven op het gebied van de industriële samenwerking te bevorderen.

Verklaring

XXXVII

Gemeenschappelijke Verklaring over Protocol 1 van Bijlage V inzake de oorsprong van visserijproducten

De Gemeenschap erkent het recht van de aan zee grenzende ACS-Staten om in alle wateren die binnen hun rechtsgebied vallen de visstand te ontwikkelen en rationeel te exploiteren.

De partijen bij de overeenkomst komen overeen dat de bestaande oorsprongsregels onderzocht moeten worden om vast te stellen welke wijzigingen in het licht van de eerste alinea eventueel moeten worden aangebracht.

Zich van hun elkaars zorgen en belangen bewust komen de ACS-Staten en de Gemeenschap overeen het probleem van de toegang tot de markt van de Gemeenschap van visserijproducten gevangen in zones binnen de nationale jurisdictie van de ACS-Staten te blijven onderzoeken om tot een voor beide partijen bevredigende oplossing te komen. Na de inwerkingtreding van de overeenkomst zal dit onderzoek plaatsvinden binnen het Comité Douanesamenwerking dat zo nodig door deskundigen zal worden bijgestaan. De resultaten van dit onderzoek worden binnen het eerste jaar van toepassing van de overeenkomst aan het Comité van Ambassadeurs en uiterlijk in het tweede jaar aan de Raad van Ministers voorgelegd, zodat deze de resultaten kunnen bespreken om tot een voor beide partijen bevredigende oplossing te komen.

Wat de verwerking van visserijproducten in de ACS-Staten betreft, verklaart de Gemeenschap dat zij bereid is verzoeken om voor verwerkte producten in deze productiesector van de oorsprongsregels te mogen afwijken met een open geest te onderzoeken gezien de verplichtingen tot aanvoer die in visserijovereenkomsten met derde landen zijn aangegaan. Bij het door de Gemeenschap in te stellen onderzoek zal met name rekening worden gehouden met het feit dat de betrokken derde landen de normale markt voor deze producten, na verwerking, dienen te verzorgen voorzover deze producten niet bestemd zijn voor nationaal of regionaal verbruik.

Verklaring

XXXVIII

Verklaring van de Gemeenschap over Protocol 1 van Bijlage V inzake de afbakening van de territoriale wateren

De Gemeenschap wijst erop dat de territoriale wateren volgens erkende internationale rechtsbeginselen tot 12 zeemijl zijn beperkt en verklaart dat zij met deze afbakening rekening zal houden bij de toepassing van de bepalingen van het Protocol waarin naar dit begrip wordt verwezen.

Verklaring

XXXIX

Verklaring van de ACS-Staten over Protocol 1 bij Bijlage V inzake de oorsprong van visserijproducten

De ACS-Staten wijzen nogmaals op het standpunt dat zij tijdens de onderhandelingen over de oorsprongsregels voor visserijproducten herhaaldelijk tot uiting hebben gebracht en blijven derhalve van oordeel dat, op grond van de uitoefening van hun soevereine rechten op de visbestanden in de wateren binnen hun nationale jurisdictie, met inbegrip van de exclusieve economische zone, zoals gedefinieerd in het Zeerechtverdrag van de Verenigde Naties, alle vangsten in die wateren die ter verwerking in de havens van de ACS-Staten moeten worden aangevoerd als product van oorsprong dienen te worden beschouwd.

Verklaring

XL

Gemeenschappelijke Verklaring over de toepassing van de afwijkende waarderegel voor tonijn

De Europese Gemeenschap verbindt zich ertoe passende bepalingen op te stellen om de afwijkende waarderegel voor tonijn in artikel 4, lid 2, van protocol 1 bij Bijlage V geheel van kracht te doen worden. Te dien einde zal de Gemeenschap, voor de ondertekening van deze overeenkomst, de voorwaarden voorleggen waarop de 15% tonijn die niet van oorsprong is op grond van dat artikel kan worden gebruikt.

De Gemeenschap zal voorstellen op welke wijze de berekeningswijze op het certificaat inzake goederenverkeer EUR 1 wordt gebaseerd.

Beide partijen komen overeen deze berekeningswijze, indien de daarmee nagestreefde flexibiliteit niet wordt bereikt, na een tweejarige toepassing te herzien.

Verklaring

XLI

Gemeenschappelijke Verklaring over Artikel 6, lid 11, van Protocol 1 bij Bijlage V

De Gemeenschap stemt ermee in, in het licht van artikel 40 van Protocol 1, per geval, de met bewijsmateriaal gestelde aanvragen te onderzoeken die na de ondertekening van de overeenkomst worden ingediend betreffende textielproducten die van de cumulatie met naburige ontwikkelingslanden zijn uitgesloten (Artikel 6, lid 11, van Protocol 1).

Verklaring

XLII

Gemeenschappelijke Verklaring over de oorsprongsregels: cumulatie met Zuid-Afrika

Het ACS-EG-Comité Douanesamenwerking is bereid zo spoedig mogelijk aanvragen te onderzoeken voor de cumulatie van be- en verwerkingen op grond van artikel 6, lid 10, van Protocol 1 bij Bijlage V die afkomstig zijn van regionale instanties die een hoog niveau van regionale economische integratie vertegenwoordigen.

Verklaring

XLIII

Gemeenschappelijke Verklaring over bijlage 2 bij Protocol 1 bij Bijlage V

Indien de toepassing van de regels van Bijlage II een nadelige invloed heeft op de uitvoer van de ACS-Staten zal de Gemeenschap zo nodig corrigerende maatregelen nemen om uiteindelijk weer tot de situatie te komen die voorheen bestond (Besluit 2/97 van de Raad van Ministers).

De Gemeenschap heeft nota genomen van de verzoeken die de ACS-Staten in het kader van de onderhandelingen in verband met de oorsprongsregels hebben gedaan. De Gemeenschap stemt ermee in met bewijsmateriaal gestaafde verzoeken voor een verbetering van de in Bijlage II vervatte oorsprongsregels in het licht van artikel 40 van Protocol 1 per geval te onderzoeken.