Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa

Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa

Preambule

Zijne Majesteit de Koning der Belgen, de President van de Tsjechische Republiek, Hare Majesteit de Koningin van Denemarken, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Republiek Estland, de President van de Helleense Republiek, Zijne Majesteit de Koning van Spanje, de President van de Franse Republiek, de President van Ierland, de President van de Italiaanse Republiek, de President van de Republiek Cyprus, de President van de Republiek Letland, de President van de Republiek Litouwen, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, de President van de Republiek Hongarije, de President van Malta, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, de Federale President van de Republiek Oostenrijk, de President van de Republiek Polen, de President van de Portugese Republiek, de President van de Republiek Slovenië, de President van de Slowaakse Republiek, de President van de Republiek Finland, de Regering van het Koninkrijk Zweden, Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

Geïnspireerd door de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa, die ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van de universele waarden van de onschendbare en onvervreemdbare rechten van de mens en van vrijheid, democratie, gelijkheid en de rechtsstaat;

In de overtuiging dat Europa, na bittere ervaringen herenigd, op de ingeslagen weg van beschaving, vooruitgang en welvaart wil voortgaan, voor het goed van al zijn bewoners, ook van de meest kwetsbaren en de meest behoeftigen; dat Europa een werelddeel wil blijven dat openstaat voor cultuur, kennis en maatschappelijke vooruitgang; en dat Europa het democratische en transparante karakter van zijn openbare leven wil verdiepen en zich wil beijveren voor vrede, rechtvaardigheid en solidariteit in de wereld;

In het vertrouwen dat de volkeren van Europa, onverminderd trots op hun identiteit en hun nationale geschiedenis, vastbesloten zijn hun oude tegenstellingen te overwinnen, en, steeds hechter verenigd, vorm te geven aan hun gemeenschappelijke lotsbestemming;

Er vast van overtuigd dat Europa, „In verscheidenheid verenigd”, de volkeren de beste kansen biedt om, onder eerbiediging van eenieders rechten en in het besef van de verantwoordelijkheden jegens de toekomstige generaties en de aarde, voort te gaan met de grootse onderneming die van Europa bij uitstek een ruimte maakt waar mensen gestalte kunnen geven aan hun aspiraties;

Vastbesloten voort te bouwen op de verworvenheden van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en het Verdrag betreffende de Europese Unie, en daarbij de continuïteit van het Gemeenschapsacquis te verzekeren;

Erkentelijk jegens de leden van de Europese Conventie, omdat zij namens de burgers en de staten van Europa het ontwerp van deze Grondwet hebben opgesteld,

Hebben als hun gevolmachtigden aangewezen:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

Guy VERHOFSTADT

Eerste minister

Karel DE GUCHT

Minister van Buitenlandse Zaken

de President van de Tsjechische Republiek,

Stanislav GROSS

Minister-President

Cyril SVOBODA

Minister van Buitenlandse Zaken

Hare Majesteit de Koningin van Denemarken,

Anders Fogh RASMUSSEN

Minister-President

Per Stig MØLLER

Minister van Buitenlandse Zaken

de President van de Bondsrepubliek Duitsland,

Gerhard SCHRÖDER

Bondskanselier

Joseph FISCHER

Minister van Buitenlandse Zaken en Plaatsvervanger van de Bondskanselier

de President van de Republiek Estland,

Juhan PARTS

Eerste minister

Kristiina OJULAND

Minister van Buitenlandse Zaken

de President van de Helleense Republiek,

Kostas KARAMANLIS

Eerste minister

Petros G. MOLYVIATIS

Minister van Buitenlandse Zaken

Zijne Majesteit de Koning van Spanje,

José Luis RODRÍGUEZ ZAPATERO

Minister-President

Miguel Angel MORATINOS CUYAUBÉ

Minister van Buitenlandse Zaken en Samenwerking

de President van de Franse Republiek,

Jacques CHIRAC

President

Jean-Pierre RAFFARIN

Eerste minister

Michel BARNIER

Minister van Buitenlandse Zaken

de President van Ierland,

Bertie AHERN

Eerste minister (Taoiseach)

Dermot AHERN

Minister van Buitenlandse Zaken

de President van de Italiaanse Republiek,

Silvio BERLUSCONI

Minister-President

Franco FRATTINI

Minister van Buitenlandse Zaken

de President van de Republiek Cyprus,

Tassos PAPADOPOULOS

President

George LACOVOU

Minister van Buitenlandse Zaken

de President van de Republiek Letland,

Vaira VĨĶE FREIBERGA

President

Indulis EMSIS

Eerste minister

Artis PABRIKS

Minister van Buitenlandse Zaken

de President van de Republiek Litouwen,

Valdas ADAMKUS

President

Algirdas Mykolas BRAZAUSKAS

Eerste minister

Antanas VALIONIS

Minister van Buitenlandse Zaken

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg,

Jean-Claude JUNCKER

Minister-President, Minister van Staat

Jean ASSELBORN

Vice-Minister-President, Minister van Buitenlandse Zaken en Immigratie

de President van de Republiek Hongarije,

Ferenc GYURCSÁNY

Eerste minister

László KOVÁCS

Minister van Buitenlandse Zaken

de President van Malta,

The Hon Lawrence GONZI

Eerste minister

The Hon Michael FRENDO

Minister van Buitenlandse Zaken

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

Dr. J. P. BALKENENDE

Minister-President

Dr. B. R. BOT

Minister van Buitenlandse Zaken

de Federale President van de Republiek Oostenrijk,

Dr. Wolfgang SCHÜSSEL

Bondskanselier

Dr. Ursula PLASSNIK

Minister van Buitenlandse Zaken

de President van de Republiek Polen,

Marek BELKA

Eerste minister

Włodzimierz CIMOSZEWICZ

Minister van Buitenlandse Zaken

de President van de Portugese Republiek,

Pedro Miguel DE SANTANA LOPES

Minister-President

Victor MARTINS MONTEIRO

Minister van Buitenlandse Zaken en van de Portugese Gemeenschappen

de President van de Republiek Slovenië,

Anton ROP

Minister-President

Ivo VAJGL

Minister van Buitenlandse Zaken

de President van de Slowaakse Republiek,

Mikuláš DZURINDA

Eerste minister

Eduard KUKAN

Minister van Buitenlandse Zaken

de President van de Republiek Finland,

Matti VANHANEN

Minister-President

Erkki TUOMIOJA

Minister van Buitenlandse Zaken

de Regering van het Koninkrijk Zweden,

Göran PERSSON

Minister-President

Laila FREIVALDS

Minister van Buitenlandse Zaken

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

The Rt. Hon Tony BLAIR

Eerste minister

The Rt. Hon Jack STRAW

Minister van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken

Die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, als volgt zijn overeengekomen:

DEEL

I

TITEL

I

DEFINITIE EN DOELSTELLINGEN VAN DE UNIE

Artikel

I-1

Instelling van de Unie

Artikel

I-2

De waarden van de Unie

De waarden waarop de Unie berust, zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen.

Artikel

I-3

De doelstellingen van de Unie

Artikel

I-4

Fundamentele vrijheden en non-discriminatie

Artikel

I-5

De betrekkingen tussen de Unie en de lidstaten

Artikel

I-6

Het recht van de Unie

De Grondwet en het recht dat de instellingen van de Unie bij de uitoefening van de haar toegedeelde bevoegdheden vaststellen, hebben voorrang boven het recht van de lidstaten.

Artikel

I-7

Rechtspersoonlijkheid

De Unie bezit rechtspersoonlijkheid.

Artikel

I-8

De symbolen van de Unie

De vlag van de Unie stelt een cirkel van twaalf gouden sterren op een blauw veld voor.

De hymne van de Unie is ontleend aan de „Ode aan de Vreugde” uit de negende symfonie van Ludwig van Beethoven.

Het devies van de Unie luidt: „In verscheidenheid verenigd”.

De munt van de Unie is de euro.

De „Dag van Europa” wordt op 9 mei in de gehele Unie gevierd.

TITEL

II

GRONDRECHTEN EN BURGERSCHAP VAN DE UNIE

Artikel

I-9

De grondrechten

Artikel

I-10

Het burgerschap van de Unie

TITEL

III

BEVOEGDHEDEN VAN DE UNIE

Artikel

I-11

Grondbeginselen

Artikel

I-12

De categorieën van bevoegdheden

Artikel

I-13

De gebieden van exclusieve bevoegdheid

Artikel

I-14

De gebieden van gedeelde bevoegdheid

Artikel

I-15

De coördinatie van het economisch beleid en het werkgelegenheidsbeleid

Artikel

I-16

Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid

Artikel

I-17

De gebieden voor ondersteunend, coördinerend of aanvullend optreden

De Unie is bevoegd om ondersteunend, coördinerend of aanvullend op te treden. De gebieden voor dat optreden zijn, wat hun Europese dimensie betreft:

  • a.

    bescherming en verbetering van de volksgezondheid;

  • b.

    industrie;

  • c.

    cultuur;

  • d.

    toerisme;

  • e.

    onderwijs, jeugd, sport en de beroepsopleiding;

  • f.

    civiele bescherming;

  • g.

    administratieve samenwerking.

Artikel

I-18

Flexibiliteitsclausule

TITEL

IV

INSTELLINGEN EN ORGANEN VAN DE UNIE

HOOFDSTUK

I

INSTITUTIONEEL KADER

Artikel

I-19

De instellingen van de Unie

Artikel

I-20

Het Europees Parlement

Artikel

I-21

De Europese Raad

Artikel

I-22

De voorzitter van de Europese Raad

Artikel

I-23

De Raad van Ministers

Artikel

I-24

De formaties van de Raad van Ministers

Artikel

I-25

Definitie van gekwalificeerde meerderheid van stemmen in de Europese Raad en in de Raad

Artikel

I-26

De Europese Commissie

Artikel

I-27

De voorzitter van de Europese Commissie

Artikel

I-28

De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie

Artikel

I-29

Het Hof van Justitie van de Europese Unie

HOOFDSTUK

II

DE OVERIGE INSTELLINGEN EN ADVIESORGANEN VAN DE UNIE

Artikel

I-30

De Europese Centrale Bank

Artikel

I-31

De Rekenkamer

Artikel

I-32

De adviesorganen van de Unie

TITEL

V

UITOEFENING VAN DE BEVOEGDHEDEN VAN DE UNIE

HOOFDSTUK

I

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel

I-33

De rechtshandelingen van de Unie

Artikel

I-34

De wetgevingshandelingen

Artikel

I-35

Handelingen, niet zijnde wetgevingshandelingen

Artikel

I-36

Gedelegeerde Europese verordeningen

Artikel

I-37

De uitvoeringshandelingen

Artikel

I-38

Beginselen die de rechtshandelingen van de Unie gemeen hebben

Artikel

I-39

Bekendmaking en inwerkingtreding

HOOFDSTUK

II

BIJZONDERE BEPALINGEN

Artikel

I-40

Bijzondere bepalingen inzake het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid

Artikel

I-41

Bijzondere bepalingen inzake het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid

Artikel

I-42

Bijzondere bepalingen inzake de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht

Artikel

I-43

De solidariteitsclausule

HOOFDSTUK

III

NAUWERE SAMENWERKING

Artikel

I-44

Nauwere samenwerking

TITEL

VI

HET DEMOCRATISCH BESTEL VAN DE UNIE

Artikel

I-45

Het beginsel van democratische gelijkheid

De Unie eerbiedigt in al haar activiteiten het beginsel van gelijkheid van haar burgers, die gelijke aandacht genieten van haar instellingen, organen en instanties.

Artikel

I-46

Het beginsel van de representatieve democratie

Artikel

I-47

Het beginsel van de participerende democratie

Artikel

I-48

De sociale partners en de autonome sociale dialoog

De Unie erkent en bevordert de rol van de sociale partners op het niveau van de Unie, en houdt daarbij rekening met de verschillen tussen de nationale stelsels. Zij bevordert hun onderlinge dialoog, met inachtneming van hun autonomie.

De tripartiete sociale top voor groei en werkgelegenheid levert een bijdrage tot de sociale dialoog.

Artikel

I-49

De Europese ombudsman

Een door het Europees Parlement gekozen Europese ombudsman neemt onder de bij de Grondwet bepaalde voorwaarden kennis van klachten betreffende gevallen van wanbeheer in het optreden van de instellingen, organen en instanties van de Unie. Hij onderzoekt die klachten en brengt terzake verslag uit. De Europese ombudsman verricht zijn werkzaamheden in volledige onafhankelijkheid.

Artikel

I-50

Transparantie van de werkzaamheden van de instellingen, organen en instanties van de Unie

Artikel

I-51

De bescherming van persoonsgegevens

Artikel

I-52

De status van kerken en van niet-confessionele organisaties

TITEL

VII

FINANCIËN VAN DE UNIE

Artikel

I-53

De budgettaire en financiële beginselen

Artikel

I-54

De eigen middelen van de Unie

Artikel

I-55

Het meerjarig financieel kader

Artikel

I-56

De begroting van de Unie

De jaarlijkse begroting van de Unie wordt overeenkomstig artikel III-404 bij Europese wet vastgesteld.

TITEL

VIII

DE UNIE EN HAAR NAASTE OMGEVING

Artikel

I-57

De Unie en haar naaste omgeving

TITEL

IX

HET LIDMAATSCHAP VAN DE UNIE

Artikel

I-58

Criteria en procedure voor toetreding tot de Unie

Artikel

I-59

Schorsing van bepaalde rechten die uit het lidmaatschap van de Unie voortvloeien

Artikel

I-60

Vrijwillige terugtrekking uit de Unie

DEEL

II

HET HANDVEST VAN DE GRONDRECHTEN VAN DE EUROPESE UNIE

Preambule

De volkeren van Europa hebben besloten een op gemeenschappelijke waarden gegrondveste vreedzame toekomst te delen door onderling een steeds hechter verbond tot stand te brengen.

De Unie, die zich bewust is van haar geestelijke en morele erfgoed, heeft haar grondslag in de ondeelbare en universele waarden van menselijke waardigheid en van vrijheid, gelijkheid en solidariteit. Zij berust op het beginsel van democratie en het beginsel van de rechtsstaat. De Unie stelt de mens centraal in haar optreden, door het burgerschap van de Unie in te stellen en een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht tot stand te brengen.

De Unie draagt bij tot de instandhouding en de ontwikkeling van deze gemeenschappelijke waarden, met inachtneming van de verscheidenheid van cultuur en traditie van de volkeren van Europa, alsmede van de nationale identiteit van de lidstaten en van hun staatsinrichting op nationaal, regionaal en lokaal niveau. Zij streeft ernaar een evenwichtige en duurzame ontwikkeling te bevorderen en bewerkstelligt het vrije verkeer van personen, diensten, goederen en kapitaal, alsook de vrijheid van vestiging.

Te dien einde moet in het licht van de ontwikkelingen in de maatschappij, de sociale vooruitgang en de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen de bescherming van de grondrechten worden versterkt door deze rechten beter zichtbaar te maken in een Handvest.

Dit Handvest bevestigt, met inachtneming van de bevoegdheden en taken van de Unie en van het subsidiariteitsbeginsel, de rechten die in het bijzonder voortvloeien uit de constitutionele tradities en de internationale verplichtingen die de lidstaten gemeen hebben, uit het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, uit de door de Unie en de Raad van Europa aangenomen sociale handvesten, alsook uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de rechten van de mens. In dit verband zullen de rechterlijke instanties van de Unie en van de lidstaten bij de uitlegging van het Handvest naar behoren rekening houden met de toelichtingen die zijn opgesteld onder het gezag van het praesidium van de Conventie die het Handvest heeft opgesteld en bijgewerkt onder de verantwoordelijkheid van het praesidium van de Europese Conventie.

Het genot van deze rechten brengt verantwoordelijkheden en plichten mede jegens de medemens, de mensengemeenschap en de toekomstige generaties.

Derhalve erkent de Unie de hieronder genoemde rechten, vrijheden en beginselen.

TITEL

I

WAARDIGHEID

Artikel

II-61

De menselijke waardigheid

De menselijke waardigheid is onschendbaar. Zij moet worden geëerbiedigd en beschermd.

Artikel

II-62

Het recht op leven

Artikel

II-63

Het recht op menselijke integriteit

Artikel

II-64

Het verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen

Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Artikel

II-65

Het verbod van slavernij en dwangarbeid

TITEL

II

VRIJHEDEN

Artikel

II-66

Het recht op vrijheid en veiligheid

Eenieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon.

Artikel

II-67

De eerbiediging van het privé-leven en van het familie- en gezinsleven

Een ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.

Artikel

II-68

De bescherming van persoonsgegevens

Artikel

II-69

Het recht te huwen en het recht een gezin te stichten

Het recht te huwen en het recht een gezin te stichten worden gewaarborgd volgens de nationale wetten die de uitoefening van deze rechten beheersen.

Artikel

II-70

De vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst

Artikel

II-71

De vrijheid van meningsuiting en van informatie

Artikel

II-72

De vrijheid van vergadering en vereniging

Artikel

II-73

De vrijheid van kunsten en wetenschappen

De kunsten en het wetenschappelijk onderzoek zijn vrij. De academische vrijheid wordt geëerbiedigd.

Artikel

II-74

Het recht op onderwijs

Artikel

II-75

De vrijheid van beroep en het recht te werken

Artikel

II-76

De vrijheid van ondernemerschap

De vrijheid van ondernemerschap wordt erkend overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken.

Artikel

II-77

Het recht op eigendom

Artikel

II-79

Bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering

TITEL

III

GELIJKHEID

Artikel

II-80

Gelijkheid voor de wet

Eenieder is gelijk voor de wet.

Artikel

II-81

Non-discriminatie

Artikel

II-82

Verscheidenheid van cultuur, godsdienst en taal

De Unie eerbiedigt de verscheidenheid van cultuur, godsdienst en taal.

Artikel

II-83

De gelijkheid van vrouwen en mannen

De gelijkheid van vrouwen en mannen moet worden gewaarborgd op alle gebieden, met inbegrip van werkgelegenheid, beroep en beloning.

Het beginsel van gelijkheid belet niet dat maatregelen worden gehandhaafd of genomen waarbij specifieke voordelen worden ingesteld ten gunste van het ondervertegenwoordigde geslacht.

Artikel

II-84

De rechten van het kind

Artikel

II-85

De rechten van ouderen

De Unie erkent en eerbiedigt het recht van ouderen, een waardig en zelfstandig leven te leiden en aan het maatschappelijk en cultureel leven deel te nemen.

Artikel

II-86

De integratie van personen met een handicap

De Unie erkent en eerbiedigt het recht van personen met een handicap op maatregelen die beogen hun zelfstandigheid, hun maatschappelijke en beroepsintegratie en hun deelname aan het gemeenschapsleven te bewerkstelligen.

TITEL

IV

SOLIDARITEIT

Artikel

II-87

Het recht op informatie en raadpleging van de werknemers binnen de onderneming

Werknemers en hun vertegenwoordigers moeten in de gevallen en onder de voorwaarden waarin het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken voorzien, de zekerheid hebben, dat zij op passende niveaus tijdig worden geïnformeerd en geraadpleegd.

Artikel

II-88

Het recht op collectieve onderhandelingen en op collectieve actie

Werkgevers en werknemers of hun respectieve organisaties hebben overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken het recht, op passende niveaus collectief te onderhandelen en collectieve arbeidsovereenkomsten te sluiten, alsmede, in geval van belangenconflicten, collectieve actie te ondernemen ter verdediging van hun belangen, met inbegrip van staking.

Artikel

II-89

Het recht op toegang tot arbeidsbemiddeling

Eenieder heeft recht op toegang tot kosteloze arbeidsbemiddeling.

Artikel

II-90

Bescherming bij kennelijk onredelijk ontslag

Iedere werknemer heeft overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken recht op bescherming tegen iedere vorm van kennelijk onredelijk ontslag.

Artikel

II-91

Rechtvaardige en billijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden

Artikel

II-92

Het verbod van kinderarbeid en de bescherming van jongeren op het werk

Kinderarbeid is verboden. De minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces mag niet lager zijn dan de leeftijd waarop de leerplicht ophoudt, onverminderd voor jongeren gunstiger regels en behoudens beperkte afwijkingen.

Werkende jongeren hebben recht op arbeidsvoorwaarden die aangepast zijn aan hun leeftijd en zij moeten worden beschermd tegen economische uitbuiting en tegen arbeid die hun veiligheid, hun gezondheid of hun lichamelijke, geestelijke, morele of maatschappelijke ontwikkeling kan schaden, dan wel hun opvoeding in gevaar kan brengen.

Artikel

II-93

Het beroeps- en gezinsleven

Artikel

II-94

Sociale zekerheid en sociale bijstand

Artikel

II-95

De gezondheidszorg

Eenieder heeft recht op toegang tot preventieve gezondheidszorg en op medische verzorging onder de door de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden. Bij de bepaling en de uitvoering van het beleid en het optreden van de Unie wordt een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid verzekerd.

Artikel

II-96

De toegang tot diensten van algemeen economisch belang

De Unie erkent en eerbiedigt overeenkomstig de Grondwet de toegang tot diensten van algemeen economisch belang zoals die in de nationale wetgevingen en praktijken is geregeld, teneinde de sociale en territoriale samenhang van de Unie te bevorderen.

Artikel

II-97

Milieubescherming

Een hoog niveau van milieubescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu moeten worden geïntegreerd in het beleid van de Unie en worden gewaarborgd overeenkomstig het beginsel van duurzame ontwikkeling.

Artikel

II-98

Consumentenbescherming

In het beleid van de Unie wordt zorg gedragen voor een hoog niveau van consumentenbescherming.

TITEL

V

BURGERSCHAP

Artikel

II-99

Actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement

Artikel

II-100

Actief en passief kiesrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen

Iedere burger van de Unie heeft actief en passief kiesrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar hij verblijf houdt, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.

Artikel

II-101

Recht op behoorlijk bestuur

Artikel

II-102

Recht van inzage in documenten

Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft een recht van inzage in de documenten van de instellingen, organen en instanties van de Unie, ongeacht het medium waarop zij zijn vastgelegd.

Artikel

II-103

Europees Ombudsman

Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft het recht zich tot de Europese ombudsman te wenden in verband met gevallen van wanbeheer in het optreden van de instellingen, organen en instanties van de Unie, met uitzondering van het Hof van Justitie van de Europese Unie bij de uitoefening van zijn gerechtelijke taak.

Artikel

II-104

Recht van petitie

Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft het recht een verzoekschrift tot het Europees Parlement te richten.

Artikel

II-105

Vrijheid van verkeer en van verblijf

Artikel

II-106

Diplomatieke en consulaire bescherming

Iedere burger van de Unie geniet op het grondgebied van derde landen waar de lidstaat waarvan hij onderdaan is, niet vertegenwoordigd is, de bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van de andere lidstaten, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat.

TITEL

VI

RECHTSPLEGING

Artikel

II-107

Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht

Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.

Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.

Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voorzover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.

Artikel

II-108

Vermoeden van onschuld en rechten van de verdediging

Artikel

II-109

Legaliteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel inzake delicten en straffen

Artikel

II-110

Recht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde delict te worden berecht of gestraft

Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit waarvoor hij in de Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet.

TITEL

VII

ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE DE UITLEGGING EN DE TOEPASSING VAN HET HANDVEST

Artikel

II-111

Toepassingsgebied

Artikel

II-112

Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen

Artikel

II-113

Beschermingsniveau

Geen van de bepalingen van dit Handvest mag worden uitgelegd als zou zij een beperking vormen van of afbreuk doen aan de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden welke binnen hun respectieve toepassingsgebieden worden erkend door het recht van de Unie, het internationaal recht en de internationale overeenkomsten waarbij de Unie of alle lidstaten partij zijn, met name het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsmede door de grondwetten van de lidstaten.

Artikel

II-114

Verbod van misbruik van recht

Geen van de bepalingen van dit Handvest mag worden uitgelegd als zou zij het recht inhouden enige activiteit te ontplooien of enige daad te verrichten met als doel de in dit Handvest erkende rechten of vrijheden teniet te doen of de rechten en vrijheden verdergaand te beperken dan door dit Handvest is toegestaan.

DEEL

III

BELEID EN WERKING VAN DE UNIE

TITEL

I

ALGEMEEN TOEPASSELIJKE BEPALINGEN

Artikel

III-115

De Unie ziet toe op de samenhang tussen ieder beleid en optreden bedoeld in dit deel, rekening houdend met het geheel van haar doelstellingen en met inachtneming van het beginsel van bevoegdheidstoedeling.

Artikel

III-116

Bij ieder in dit deel bedoeld optreden streeft de Unie naar opheffing van de ongelijkheden tussen vrouwen en mannen en naar bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen.

Artikel

III-117

Bij de bepaling en de uitvoering van ieder beleid en optreden bedoeld in dit deel houdt de Unie rekening met de eisen in verband met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting alsmede een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de volksgezondheid.

Artikel

III-118

Bij de bepaling en de uitvoering van ieder beleid en optreden bedoeld in dit deel streeft de Unie naar bestrijding van iedere discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid.

Artikel

III-119

Bij de bepaling en de uitvoering van ieder beleid en optreden bedoeld in dit deel moeten de eisen inzake milieubescherming worden geïntegreerd, teneinde in het bijzonder duurzame ontwikkeling te bevorderen.

Artikel

III-120

Bij de bepaling en de uitvoering van ieder ander beleid en optreden van de Unie wordt rekening gehouden met de eisen inzake consumentenbescherming.

Artikel

III-121

Bij de bepaling en de uitvoering van het beleid van de Unie op het gebied van landbouw, visserij, vervoer, de interne markt, onderzoek en technologische ontwikkeling en de ruimte houden de Unie en de lidstaten ten volle rekening met de eisen inzake het welzijn van dieren als wezens met gevoel, onder eerbiediging van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en de gebruiken van de lidstaten, met name met betrekking tot godsdienstige riten, culturele tradities en regionaal erfgoed.

Artikel

III-122

Onverminderd de artikelen I-5, III-166, III-167 en III-238 en gezien de plaats die de diensten van algemeen economisch belang innemen als diensten waaraan eenieder in de Unie waarde hecht, alsook de rol die zij vervullen bij de bevordering van de sociale en territoriale samenhang van de Unie, dragen de Unie en de lidstaten er overeenkomstig hun onderscheiden bevoegdheden en binnen het toepassingsgebied van de Grondwet zorg voor dat deze diensten functioneren op basis van beginselen en onder voorwaarden, met name economische en financiële, die hen in staat stellen hun taken te vervullen. Deze beginselen en voorwaarden worden bij Europese wet vastgesteld, onverminderd de bevoegdheid van de lidstaten om, met inachtneming van de Grondwet, dergelijke diensten te verstrekken, te laten verrichten en te financieren.

TITEL

II

NON-DISCRIMINATIE EN BURGERSCHAP

Artikel

III-123

Het in artikel I-4, lid 2, bedoelde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit kan bij Europese wet of kaderwet worden geregeld.

Artikel

III-124

Artikel

III-125

Artikel

III-126

Bij Europese wet of kaderwet van de Raad worden de nadere regelingen vastgesteld waaronder iedere burger van de Unie het in artikel I-10, lid 2, onder b, bedoelde actieve en passieve kiesrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement kan uitoefenen in de lidstaat waar hij verblijf houdt, maar waarvan hij geen onderdaan is. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement. Deze nadere regelingen kunnen voorzien in afwijkingen, indien zulks gerechtvaardigd wordt door problemen die eigen zijn aan een lidstaat.

Het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement wordt uitgeoefend onverminderd artikel III-330, lid 1, en de voor de toepassing daarvan vastgestelde maatregelen.

Artikel

III-127

De lidstaten treffen de nodige regelingen met het oog op de diplomatieke en consulaire bescherming van de burgers van de Unie in derde landen, als bedoeld in artikel I-10, lid 2, onder c.

De lidstaten beginnen de internationale onderhandelingen die met het oog op deze bescherming vereist zijn.

Bij Europese wet van de Raad kunnen de nodige maatregelen ter bevordering van deze bescherming worden vastgesteld. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel

III-129

De Commissie brengt om de drie jaar aan het Europees Parlement, aan de Raad en aan het Economisch en Sociaal Comité verslag uit over de toepassing van artikel I-10 en van deze titel. In dat verslag wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van de Unie.

Op basis van dat verslag en onverminderd de overige bepalingen van de Grondwet, kunnen de in artikel I-10 bepaalde rechten bij Europese wet of kaderwet van de Raad worden aangevuld. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement. Deze wet of kaderwet treedt pas in werking nadat zij door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen is goedgekeurd.

TITEL

III

INTERN BELEID EN OPTREDEN

HOOFDSTUK

I

INTERNE MARKT

AFDELING

I

TOTSTANDBRENGING EN WERKING VAN DE INTERNE MARKT

Artikel

III-130

Artikel

III-131

De lidstaten plegen onderling overleg teneinde gezamenlijk het nodige te doen om te voorkomen dat de werking van de interne markt ongunstig wordt beïnvloed door de maatregelen waartoe een lidstaat zich genoopt kan voelen in geval van ernstige binnenlandse onlusten die de openbare orde verstoren, in geval van oorlog of van ernstige internationale spanning welke oorlogsgevaar inhoudt, of om te voldoen aan de verplichtingen die hij met het oog op het behoud van de vrede en de internationale veiligheid is aangegaan.

Artikel

III-132

Indien maatregelen die zijn genomen in de gevallen bedoeld in de artikelen III-131 en III-436 tot gevolg hebben dat de mededingingsverhoudingen in de interne markt worden vervalst, gaat de Commissie samen met de betrokken lidstaat na onder welke voorwaarden die maatregelen kunnen worden aangepast aan de bij de Grondwet vastgestelde regels.

In afwijking van de procedure bepaald in de artikelen III-360 en III-361, kan de Commissie of iedere lidstaat zich rechtstreeks tot het Hof van Justitie wenden, indien de Commissie of de lidstaat van oordeel is dat een andere lidstaat misbruik maakt van de bevoegdheden bedoeld in de artikelen III-131 en III-436. Het Hof van Justitie beslist met gesloten deuren.

AFDELING

2

VRIJ VERKEER VAN PERSONEN EN DIENSTEN

Onderafdeling

1

Werknemers

Artikel

III-133

Artikel

III-134

Bij Europese wet of kaderwet worden de maatregelen vastgesteld die nodig zijn om tot een vrij verkeer van werknemers te komen zoals dit in artikel III-133 is omschreven. Deze wetten of kaderwetten worden vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité. De Europese wetten en kaderwetten beogen met name het volgende:

  • a.

    het bewerkstelligen van nauwe samenwerking tussen de nationale instanties op het gebied van de arbeid;

  • b.

    het afschaffen van de administratieve procedures en praktijken, alsmede van de wachttijden voor het aanvaarden van aangeboden arbeidsbetrekkingen, die voortvloeien uit de nationale wetgeving of uit eerder tussen de lidstaten gesloten overeenkomsten en waarvan de handhaving een beletsel zou vormen voor de liberalisering van het verkeer van werknemers;

  • c.

    het afschaffen van alle wachttijden en andere beperkingen die in de nationale wetgeving of in eerder tussen de lidstaten gesloten overeenkomsten zijn gesteld en die aan werknemers uit de overige lidstaten andere voorwaarden voor de vrije keuze van een arbeidsbetrekking opleggen dan aan werknemers van het eigen land;

  • d.

    het instellen van structuren die vraag en aanbod op de arbeidsmarkt bij elkaar brengen en die het evenwicht daartussen bevorderen onder voorwaarden welke uitsluiten dat de levensstandaard en de werkgelegenheid in de verschillende regio's en industrieën ernstig in gevaar komen.

Artikel

III-135

De lidstaten werken in het kader van een gemeenschappelijk programma de uitwisseling van jonge werknemers in de hand.

Artikel

III-136

Onderafdeling

2

Vrijheid van vestiging

Artikel

III-137

In het kader van deze onderafdeling zijn beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verboden. Dit verbod geldt ook voor beperkingen van de oprichting van agentschappen, bijkantoren of dochterondernemingen door onderdanen van een lidstaat die zich op het grondgebied van een lidstaat hebben gevestigd.

De onderdanen van een lidstaat hebben, behoudens afdeling 4 betreffende kapitaal en betalingen, op het grondgebied van een andere lidstaat het recht van toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en het recht op de uitoefening daarvan, alsmede het recht ondernemingen, met name vennootschappen in de zin van artikel III-142, tweede alinea, op te richten en te beheren, onder de voorwaarden waarin de wetgeving van de lidstaat van vestiging voor de eigen onderdanen voorziet.

Artikel

III-138

Artikel

III-139

Deze onderafdeling is, wat een bepaalde lidstaat betreft, niet van toepassing op de werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag in een staat, ook niet indien deze slechts voor een bepaalde gelegenheid worden verricht.

Bij Europese wet of kaderwet kunnen bepaalde werkzaamheden van de toepassing van deze onderafdeling worden uitgesloten.

Artikel

III-140

Artikel

III-141

Artikel

III-142

Vennootschappen die overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat zijn opgericht en die hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Unie hebben, worden voor de toepassing van deze onderafdeling gelijkgesteld met natuurlijke personen die onderdaan van de lidstaten zijn.

Onder „vennootschappen” worden verstaan vennootschappen naar burgerlijk recht of handelsrecht, coöperatieve verenigingen of vennootschappen daaronder begrepen, en de overige rechtspersonen naar publiek- of privaatrecht, met uitzondering van vennootschappen die geen winst beogen.

Artikel

III-143

Onverminderd de toepassing van de overige bepalingen van de Grondwet, passen de lidstaten nationale behandeling toe wat betreft financiële deelneming door onderdanen van de andere lidstaten in het kapitaal van vennootschappen in de zin van artikel III-142, tweede alinea.

Onderafdeling

3

De vrijheid van dienstverrichting

Artikel

III-144

In het kader van deze onderafdeling zijn beperkingen van het vrij verrichten van diensten binnen de Unie verboden ten aanzien van onderdanen van de lidstaten die zich in een andere lidstaat hebben gevestigd dan die waar degene gevestigd is voor wie de dienst wordt verricht.

Bij Europese wet of kaderwet kan het genot van deze onderafdeling worden uitgebreid tot onderdanen van een derde staat die diensten verrichten en zich binnen de Unie hebben gevestigd.

Artikel

III-145

Voor de toepassing van de Grondwet worden als diensten beschouwd, diensten die gewoonlijk tegen vergoeding worden verricht, voorzover de bepalingen betreffende het vrij verkeer van personen, goederen en kapitaal op deze diensten niet van toepassing zijn. Deze diensten omvatten werkzaamheden:

  • a.

    van industriële aard;

  • b.

    van commerciële aard;

  • c.

    van ambachtelijke aard;

  • d.

    van de vrije beroepen.

Onverminderd onderafdeling 2 betreffende de vrijheid van vestiging, kan degene die de diensten verricht, zijn werkzaamheden tijdelijk uitoefenen in de lidstaat waar de dienst wordt verricht, onder voorwaarden welke die staat aan zijn eigen onderdanen oplegt.

Artikel

III-146

Artikel

III-147

Artikel

III-148

De lidstaten spannen zich in om bij de liberalisering van de dienstverrichting verder te gaan dan waartoe zij op grond van de krachtens artikel III-147, lid 1, vastgestelde Europese kaderwet verplicht zijn, indien hun algemene economische toestand en de toestand in de betrokken sector dit toelaten.

De Commissie doet de betrokken lidstaten daartoe aanbevelingen.

Artikel

III-149

Zolang de beperkingen op het vrij verrichten van diensten niet zijn opgeheven, passen de lidstaten deze zonder onderscheid naar nationaliteit of naar verblijfplaats toe op al degenen die diensten verrichten als bedoeld in artikel III-144, eerste alinea.

AFDELING

3

VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN

Onderafdeling

1

De douane-unie

Artikel

III-151

Onderafdeling

2

Douanesamenwerking

Artikel

III-152

Binnen het toepassingsgebied van de Grondwet worden bij Europese wet of kaderwet maatregelen vastgesteld ter versterking van de douane-samenwerking tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Commissie.

Onderafdeling

3

Het verbod op kwantitatieve beperkingen

Artikel

III-153

Kwantitatieve invoer- en uitvoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten verboden.

Artikel

III-154

Artikel III-153 vormt geen beletsel voor een verbod of beperking van invoer, uitvoer of doorvoer dat, respectievelijk die gerechtvaardigd is uit hoofde van de bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren en planten, het nationaal artistiek, historisch en archeologisch bezit, of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom. Dit verbod of deze beperking mag echter geen middel tot willekeurige discriminatie, noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen.

Artikel

III-155

AFDELING

4

KAPITAAL EN BETALINGEN

Artikel

III-156

In het kader van deze afdeling zijn beperkingen van het kapitaalverkeer en van betalingen tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden.

Artikel

III-157

Artikel

III-158

Artikel

III-159

Wanneer in uitzonderlijke omstandigheden het kapitaalverkeer naar of uit derde landen ernstige moeilijkheden voor de werking van de economische en monetaire unie veroorzaakt of dreigt te veroorzaken, kan de Raad op voorstel van de Commissie bij Europese verordening Europese vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van derde landen vaststellen voor een periode van ten hoogste zes maanden, voor zover deze maatregelen strikt noodzakelijk zijn. De Raad besluit na raadpleging van de Europese Centrale Bank.

Artikel

III-160

Indien zulks noodzakelijk is om de in artikel III-257 genoemde doelstellingen te verwezenlijken, wat betreft de preventie en de bestrijding van terrorisme en aanverwante activiteiten, wordt bij Europese wet een kader vastgesteld voor beheersmaatregelen met betrekking tot het kapitaal- en betalingsverkeer, zoals het bevriezen van tegoeden, financiële activa of economische baten waarvan de bezitters, de eigenaars of de houders natuurlijke personen, rechtspersonen dan wel niet-statelijke groepen of entiteiten zijn.

De Raad stelt op voorstel van de Commissie Europese verordeningen of besluiten vast ter uitvoering van de in de eerste alinea bedoelde Europese wet.

De in dit artikel bedoelde handelingen bevatten de nodige bepalingen inzake juridische waarborgen.

AFDELING

5

REGELS BETREFFENDE DE MEDEDINGING

Onderafdeling

1

Regels voor ondernemingen

Artikel

III-161

Artikel

III-162

Onverenigbaar met de interne markt en verboden, voorzover de handel tussen lidstaten daardoor ongunstig kan worden beïnvloed, is misbruik door een of meer ondernemingen van een machtspositie op de interne markt of op een wezenlijk deel daarvan.

Dit misbruik kan met name bestaan in:

  • a.

    het rechtstreeks of onrechtstreeks opleggen van onbillijke aan- of verkoopprijzen of van andere onbillijke contractuele voorwaarden;

  • b.

    het beperken van de productie, de afzet of de technische ontwikkeling ten nadele van verbruikers;

  • c.

    het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging;

  • d.

    het feit dat het sluiten van overeenkomsten afhankelijk wordt gesteld van het aanvaarden door de handelspartners van bijkomende prestaties, welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.

Artikel

III-163

De Raad stelt op voorstel van de Commissie Europese verordeningen vast voor de toepassing van de in de artikelen III-161 en III-162 neergelegde beginselen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement. Die Europese verordeningen hebben met name ten doel:

  • a.

    de nakoming van de in artikel III-161, lid 1, en in artikel III-162 bedoelde verbodsbepalingen te bewerkstelligen door de instelling van geldboeten en dwangsommen;

  • b.

    de regels voor de toepassing van artikel III-161, lid 3, vast te stellen met inachtneming van de noodzaak, enerzijds een doeltreffend toezicht te verzekeren en anderzijds de administratieve controle zoveel mogelijk te vereenvoudigen;

  • c.

    in voorkomende gevallen de werkingssfeer van de artikelen III-161 en III-162 voor de verschillende bedrijfstakken nader vast te stellen;

  • d.

    de taak van de Commissie, respectievelijk van het Hof van Justitie van de Europese Unie bij de toepassing van de in deze alinea bedoelde bepalingen vast te stellen;

  • e.

    de verhouding vast te stellen tussen de wetgevingen van de lidstaten enerzijds en deze onderafdeling en de ter uitvoering van dit artikel vastgestelde Europese verordeningen, anderzijds.

Artikel

III-164

Tot de inwerkingtreding van de Europese verordeningen die op grond van artikel III-163 worden vastgesteld, beslissen de autoriteiten van de lidstaten, in overeenstemming met hun nationale recht, met artikel III-161, met name lid 3, en artikel III-162, over de toelaatbaarheid van mededingingsregelingen en over het misbruik van een machtspositie op de interne markt.

Artikel

III-165

Artikel

III-166

Onderafdeling

2

Steunmaatregelen van de lidstaten

Artikel

III-167

Artikel

III-168

Artikel

III-169

De Raad kan op voorstel van de Commissie Europese verordeningen vaststellen voor de toepassing van de artikelen III-167 en III-168, en met name om de voorwaarden voor de toepassing van artikel III-168, lid 3, te bepalen, alsmede de van de in dat lid bedoelde procedure vrijgestelde soorten van steunmaatregelen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

AFDELING

6

BEPALINGEN BETREFFENDE BELASTINGEN

Artikel

III-170

Artikel

III-171

De Raad stelt bij Europese wet of kaderwet maatregelen vast betreffende de harmonisatie van de wetgevingen inzake de omzetbelasting, de accijnzen en andere indirecte belastingen, voorzover deze harmonisatie geboden is om de totstandbrenging of de werking van de interne markt te bewerkstelligen en concurrentieverstoringen te voorkomen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement en van het Economisch en Sociaal Comité.

AFDELING

7

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel

III-172

Artikel

III-173

Onverminderd artikel III-172, stelt de Raad bij Europese kaderwet maatregelen vast voor de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die rechtstreeks van invloed zijn op de instelling of de werking van de interne markt. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen na raadpleging van het Europees Parlement en van het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel

III-174

Ingeval de Commissie constateert dat een verschil tussen de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten de mededingingsvoorwaarden op de interne markt vervalst en een distorsie veroorzaakt welke moet worden opgeheven, raadpleegt zij de betrokken lidstaten.

Indien deze raadpleging niet tot overeenstemming leidt, worden bij Europese kaderwet de nodige maatregelen vastgesteld om de betrokken distorsie op te heffen. Ook andere dienstige maatregelen waarin de Grondwet voorziet, kunnen worden vastgesteld.

Artikel

III-175

Artikel

III-176

In het kader van de totstandbrenging en de werking van de interne markt worden bij Europese wet of kaderwet de maatregelen vastgesteld voor de invoering van Europese titels om een eenvormige bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten in de hele Unie te bewerkstelligen, en voor de instelling van op het niveau van de Unie gecentraliseerde machtigings-, coördinatie- en controleregelingen.

De regelingen van het taalgebruik met betrekking tot de titels worden geregeld bij Europese wet van de Raad. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

HOOFDSTUK

II

HET ECONOMISCH EN MONETAIR BELEID

Artikel

III-177

Voor de toepassing van artikel I-3 omvat het optreden van de lidstaten en de Unie, onder de bij de Grondwet bepaalde voorwaarden, de invoering van een economisch beleid dat gebaseerd is op nauwe coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten, de interne markt en de bepaling van gemeenschappelijke doelstellingen, en dat wordt gevoerd met eerbiediging van het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging.

Parallel daaraan omvat dit optreden, onder de voorwaarden en volgens de procedures van de Grondwet, één munt, de euro, alsmede het bepalen en voeren van één monetair en wisselkoersbeleid, beide met als hoofddoel het handhaven van prijsstabiliteit en, onverminderd deze doelstelling, het ondersteunen van het algemene economisch beleid in de Unie, overeenkomstig het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging. Dit optreden van de lidstaten en van de Unie impliceert de eerbiediging van de volgende grondbeginselen: stabiele prijzen, gezonde overheidsfinanciën en monetaire condities en een stabiele betalingsbalans.

AFDELING

1

HET ECONOMISCH BELEID

Artikel

III-178

De lidstaten voeren hun economisch beleid om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie, als omschreven in artikel I-3, en in het kader van de in artikel III-179, lid 2, bedoelde globale richtsnoeren. De lidstaten en de Unie handelen in overeenstemming met het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging, waarbij een doelmatige allocatie van middelen wordt bevorderd, en met inachtneming van de in artikel III-177 neergelegde beginselen.

Artikel

III-179

Artikel

III-180

Artikel

III-181

Artikel

III-182

Niet op overwegingen van bedrijfseconomisch toezicht gebaseerde maatregelen en bepalingen waardoor instellingen, organen of instanties van de Unie, centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van de lidstaten een bevoorrechte toegang tot de financiële instellingen krijgen, zijn verboden.

Artikel

III-183

Artikel

III-184

AFDELING

2

HET MONETAIR BELEID

Artikel

III-185

Artikel

III-186

Artikel

III-187

Artikel

III-188

Bij de uitoefening van de bevoegdheden en het vervullen van de taken en plichten die bij de Grondwet en het statuut van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank aan hen zijn opgedragen, is het noch de Europese centrale bank, noch een nationale centrale bank, noch enig lid van hun besluitvormende organen toegestaan, instructies te vragen aan dan wel te aanvaarden van instellingen, organen of instanties van de Unie, van regeringen van lidstaten of van enige andere instantie. De instellingen, organen en instanties van de Unie en de regeringen van de lidstaten verplichten zich ertoe dit beginsel te eerbiedigen en niet te trachten de leden van de besluitvormende organen van de Europese Centrale Bank of van de nationale centrale banken bij de uitvoering van hun taken te beïnvloeden.

Artikel

III-189

Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat zijn nationale wetgeving, met inbegrip van het statuut van zijn nationale centrale bank, verenigbaar is met de Grondwet en met het statuut van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank.

Artikel

III-190

Artikel

III-191

Onverminderd de bevoegdheden van de Europese Centrale Bank, worden bij Europese wet of kaderwet de maatregelen vastgesteld die nodig zijn voor het gebruik van de euro als enige munteenheid. De Europese wet of kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van de Europese Centrale Bank.

AFDELING

3

INSTITUTIONELE BEPALINGEN

Artikel

III-192

AFDELING

4

SPECIFIEKE BEPALINGEN VOOR DE LIDSTATEN DIE DE EURO ALS MUNT HEBBEN

Artikel

III-194

Artikel

III-195

De nadere regels voor vergaderingen van de ministers van de lidstaten die de euro als munt hebben, worden vastgesteld door het Protocol betreffende de Eurogroep.

Artikel

III-196

AFDELING

5

OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel

III-197

Artikel

III-198

Artikel

III-199

Artikel

III-200

Iedere lidstaat die onder een derogatie valt, behandelt zijn wisselkoersbeleid als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang. Daarbij houdt hij rekening met de ervaring die is opgedaan bij de samenwerking in het kader van het wisselkoersmechanisme.

Artikel

III-201

Artikel

III-202

HOOFDSTUK

III

BELEID OP ANDERE GEBIEDEN

AFDELING

I

WERKGELEGENHEID

Artikel

III-203

De lidstaten en de Unie streven overeenkomstig deze afdeling naar de ontwikkeling van een gecoördineerde strategie voor de werkgelegenheid en in het bijzonder voor de bevordering van de scholing, de opleiding en het aanpassingsvermogen van de werknemers en van arbeidsmarkten die soepel reageren op economische veranderingen teneinde de in artikel I-3 genoemde doelstellingen te bereiken.

Artikel

III-204

Artikel

III-205

Artikel

III-206

Artikel

III-207

Bij Europese wet of kaderwet kunnen stimuleringsmaatregelen worden vastgesteld die erop gericht zijn de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en hun werkgelegenheidsbeleid te ondersteunen door middel van initiatieven ter ontwikkeling van de uitwisseling van informatie en optimale praktijken, verstrekking van vergelijkende analyses en advies, alsmede bevordering van een innovatieve aanpak en evaluatie van ervaringen, in het bijzonder door gebruik te maken van proefprojecten. Deze wet wordt vastgesteld na raadpleging van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité.

De Europese wet of kaderwet houdt generlei harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten in.

Artikel

III-208

De Raad stelt bij gewone meerderheid van stemmen een Europees besluit vast tot instelling van een raadgevend comité voor de werkgelegenheid, teneinde de coördinatie van het werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid van de lidstaten te bevorderen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

Dit comité heeft tot taak:

  • a.

    toe te zien op de werkgelegenheidssituatie en het werkgelegenheidsbeleid in de Unie en in de lidstaten;

  • b.

    onverminderd artikel III-344, adviezen uit te brengen, hetzij op verzoek van de Raad of van de Commissie, hetzij op eigen initiatief, en bij te dragen tot de voorbereiding van de in artikel III-206 bedoelde werkzaamheden van de Raad.

Het comité raadpleegt voor de vervulling van zijn opdracht de sociale partners.

Iedere lidstaat en de Commissie benoemen elk twee leden van het comité.

AFDELING

2

HET SOCIAAL BELEID

Artikel

III-209

De Unie en de lidstaten stellen zich, indachtig de sociale grondrechten zoals vastgelegd in het op 18 oktober 1961 te Turijn ondertekend Europees Sociaal Handvest en in het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden van 1989, ten doel de bevordering van de werkgelegenheid, de verbetering van de levensomstandigheden en van de arbeidsvoorwaarden, zodat de onderlinge aanpassing daarvan op de weg van de vooruitgang wordt mogelijk gemaakt, alsmede een adequate sociale bescherming, de sociale dialoog, de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen om een duurzaam hoog werkgelegenheidsniveau mogelijk te maken, en de bestrijding van uitsluiting.

Te dien einde houden de Unie en de lidstaten in hun handelen rekening met de verscheidenheid van de nationale gebruiken, met name op het gebied van contractuele betrekkingen, alsmede met de noodzaak het concurrentievermogen van de economie van de Unie te handhaven.

De Unie en de lidstaten zijn van oordeel dat de bovengeschetste ontwikkeling zowel uit de werking van de interne markt – waardoor de harmonisatie der sociale stelsels zal worden bevorderd – als uit de in de Grondwet bepaalde procedures en de onderlinge aanpassing van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten zal voortvloeien.

Artikel

III-210

Artikel

III-211

Artikel

III-212

Artikel

III-213

Ter verwezenlijking van de doelstellingen van artikel III-209 en onverminderd de andere bepalingen van de Grondwet, bevordert de Commissie de samenwerking tussen de lidstaten en vergemakkelijkt zij de coördinatie van hun optreden op alle door deze afdeling bestreken gebieden van het sociaal beleid, met name op het terrein van:

  • a

    de werkgelegenheid;

  • b.

    het arbeidsrecht en de arbeidsvoorwaarden;

  • c.

    de beroepsopleiding en de bijscholing;

  • d.

    de sociale zekerheid;

  • e.

    de voorkoming van arbeidsongevallen en beroepsziekten;

  • f.

    de arbeidshygiëne;

  • g.

    het recht zich te organiseren in vakverenigingen en het recht van collectieve onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers.

Te dien einde werkt de Commissie nauw samen met de lidstaten bij het verrichten van studies, het uitbrengen van adviezen en het organiseren van overleg, zowel omtrent vraagstukken op nationaal niveau als omtrent vraagstukken die de internationale organisaties aangaan, met name door middel van initiatieven om richtsnoeren en indicatoren vast te stellen, de uitwisseling van beste praktijken te regelen en de nodige elementen met het oog op periodieke controle en evaluatie te verzamelen. Het Europees Parlement wordt ten volle in kennis gesteld.

Alvorens de in dit artikel bedoelde adviezen uit te brengen, raadpleegt de Commissie het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel

III-214

Artikel

III-215

De lidstaten streven ernaar de bestaande gelijkwaardigheid van de bepalingen omtrent betaalde vakantie te handhaven.

Artikel

III-216

De Commissie stelt ieder jaar een voortgangsverslag op over de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel III-209, waarin ook de demografische situatie in de Unie wordt behandeld. Zij zendt dit verslag toe aan het Europees Parlement, aan de Raad en aan het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel

III-217

De Raad stelt bij gewone meerderheid een Europees besluit vast tot instelling van een comité voor sociale bescherming met een adviestaak, teneinde de samenwerking tussen de lidstaten onderling en met de Commissie op het gebied van de sociale bescherming te bevorderen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

Het comité heeft tot taak:

  • a.

    toe te zien op de sociale toestand en de ontwikkeling van het beleid inzake sociale bescherming in de lidstaten en de Unie;

  • b.

    de uitwisseling van informatie, ervaringen en goede praktijken tussen de lidstaten onderling en met de Commissie te vergemakkelijken;

  • c.

    onverminderd artikel III-344, verslagen op te stellen, adviezen uit te brengen of andere activiteiten te ontplooien op gebieden die onder zijn bevoegdheden vallen, hetzij op verzoek van de Raad of van de Commissie, hetzij op eigen initiatief.

Voor de vervulling van zijn opdracht legt het comité de nodige contacten met de sociale partners.

Iedere lidstaat en de Commissie benoemen twee leden van het comité.

Artikel

III-218

De Commissie wijdt in haar jaarverslag aan het Europees Parlement een afzonderlijk hoofdstuk aan de ontwikkeling van de sociale toestand in de Unie.

Het Europees Parlement kan de Commissie verzoeken verslagen op te stellen over bijzondere vraagstukken betreffende de sociale toestand.

Artikel

III-219

AFDELING

3

ECONOMISCHE, SOCIALE EN TERRITORIALE SAMENHANG

Artikel

III-220

Teneinde de harmonische ontwikkeling van de Unie in haar geheel te bevorderen, ontwikkelt en vervolgt de Unie haar optreden ter versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang.

De Unie stelt zich in het bijzonder ten doel, de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's te verkleinen.

Wat betreft die regio's wordt bijzondere aandacht besteed aan de plattelandsgebieden, de regio's die een industriële overgang doormaken, en de regio's die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, zoals de meest noordelijke regio's met een zeer geringe bevolkingsdichtheid, alsmede insulaire, grensoverschrijdende en berggebieden.

Artikel

III-221

De lidstaten voeren en coördineren hun economisch beleid mede met het oog op het verwezenlijken van de doelstellingen van artikel III-220. Bij de vaststelling en de uitvoering van het beleid en van de maatregelen van de Unie en bij de totstandbrenging van de interne markt wordt rekening gehouden met en bijgedragen tot verwezenlijking van deze doelstellingen. De Unie ondersteunt deze verwezenlijking tevens door haar optreden via de structuurfondsen (Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw, afdeling Oriëntatie, Europees Sociaal Fonds, Europees Fonds voor regionale ontwikkeling), de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten.

De Commissie brengt om de drie jaar aan het Europees Parlement, aan de Raad, aan het Comité van de Regio's en aan het Economisch en Sociaal Comité verslag uit over de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de economische, sociale en territoriale samenhang, alsmede over de wijze waarop de diverse in dit artikel bedoelde middelen daartoe hebben bijgedragen. Dit verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van passende voorstellen.

Bij Europese wet of kaderwet kunnen specifieke maatregelen buiten de fondsen om worden vastgesteld, onverminderd de maatregelen die in het kader van ander beleid van de Unie worden vastgesteld. De Europese wet of kaderwet wordt na raadpleging van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité vastgesteld.

Artikel

III-222

Het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling is bedoeld om een bijdrage te leveren aan het ongedaan maken van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Unie, door deel te nemen aan de ontwikkeling en de structurele aanpassing van regio's met een ontwikkelingsachterstand en aan de omschakeling van industriegebieden met teruglopende economische activiteit.

Artikel

III-223

Artikel

III-224

De toepassingsmaatregelen met betrekking tot het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling worden bij Europese wet vastgesteld. De wet wordt na raadpleging van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité vastgesteld.

Ten aanzien van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw, afdeling Oriëntatie, en het Europees Sociaal Fonds zijn onderscheidenlijk artikel III-231 en artikel III-219, lid 3, van toepassing.

AFDELING

4

LANDBOUW EN VISSERIJ

Artikel

III-225

De Unie stelt een gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid vast en voert dit uit.

Onder „landbouwproducten” worden verstaan de voortbrengselen van bodem, veeteelt en visserij, alsmede de producten in eerste graad van bewerking welke met de genoemde voortbrengselen rechtstreeks verband houden. Verwijzingen naar het gemeenschappelijk landbouwbeleid of naar de landbouw worden geacht tevens te gelden als verwijzing naar de visserij, met inachtneming van de bijzondere kenmerken van de visserijsector.

Artikel

III-226

Artikel

III-227

Artikel

III-228

Artikel

III-229

Ter verwezenlijking van de in artikel III-227 genoemde doeleinden kunnen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid met name maatregelen worden getroffen met betrekking tot:

  • a.

    een doeltreffende coördinatie van hetgeen ondernomen wordt op het gebied van beroepsopleiding, landbouwkundig onderzoek en landbouwkundige voorlichting, welke coördinatie gemeenschappelijk gefinancierde projecten of instellingen kan omvatten;

  • b.

    gemeenschappelijke acties voor de ontwikkeling van het verbruik van bepaalde producten.

Artikel

III-230

Artikel

III-231

Artikel

III-232

Wanneer in een lidstaat een product onder een nationale marktorganisatie valt of onder een binnenlandse regeling van gelijke werking welke een gelijksoortige productie in een andere lidstaat bij de concurrentiepositie nadelig beïnvloedt, leggen de lidstaten een compenserende heffing op de invoer van dat product uit de lidstaat waar de organisatie of de regeling bestaat, tenzij deze lidstaat een compenserende heffing op de uitvoer toepast.

De Commissie regelt bij Europese verordening of Europees besluit de hoogte van deze heffingen zodanig als nodig is om het evenwicht te herstellen. Zij kan eveneens machtiging verlenen tot het nemen van andere maatregelen waarvan zij de voorwaarden en wijze van toepassing vaststelt.

AFDELING

5

HET MILIEU

Artikel

III-233

Artikel

III-234

De voor de uitvoering van die programma's nodige maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig lid 1, respectievelijk lid 2.

AFDELING

6

CONSUMENTENBESCHERMING

Artikel

III-235

AFDELING

7

VERVOER

Artikel

III-236

Artikel

III-237

Totdat de in artikel III-236, lid 2, bedoelde Europese wet of kaderwet is vastgesteld, en behoudens vaststelling met eenparigheid van stemmen van een Europees besluit van de Raad waarbij een afwijking wordt toegestaan, mag geen enkele lidstaat de onderscheiden bepalingen, die terzake gelden vanaf 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, vanaf de datum van hun toetreding, zodanig veranderen, dat zij daardoor in hun rechtstreekse of onrechtstreekse uitwerking minder gunstig worden voor vervoerondernemers uit overige lidstaten dan voor de nationale vervoerondernemers.

Artikel

III-238

Met deze Grondwet zijn verenigbaar steunmaatregelen die beantwoorden aan de behoeften van de coördinatie van het vervoer of die overeenkomen met de vergoeding van bepaalde met het begrip „openbare dienst” verbonden, verplichte dienstverrichtingen.

Artikel

III-239

Bij iedere in het kader van deze Grondwet vastgestelde maatregel op het gebied van vrachtprijzen en vervoervoorwaarden dient de economische toestand van de vervoerondernemers in aanmerking te worden genomen.

Artikel

III-240

Artikel

III-241

Artikel

III-242

De heffingen of andere rechten welke naast de vervoerprijs door een vervoerondernemer in verband met grensoverschrijding in rekening worden gebracht, mogen een redelijk peil niet te boven gaan, gelet op de werkelijke kosten die door de grensoverschrijding feitelijk zijn veroorzaakt. De lidstaten streven naar een verlaging van deze kosten.

De Commissie kan de lidstaten aanbevelingen doen voor de toepassing van dit artikel.

Artikel

III-243

De bepalingen van deze afdeling staan in de BondsRepubliek Duitsland genomen maatregelen niet in de weg, voorzover deze noodzakelijk zijn om de economische nadelen welke door de deling van Duitsland zijn berokkend aan de economie van de door de deling getroffen streken in de BondsRepubliek te compenseren. Vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag tot vaststelling voor een Grondwet voor Europa kan de Raad op voorstel van de Commissie een Europees besluit tot intrekking van dit artikel vaststellen.

Artikel

III-244

Een comité van raadgevende aard, bestaande uit door de regeringen van de lidstaten aangewezen deskundigen, wordt aan de Commissie toegevoegd. De Commissie raadpleegt het comité over vervoeraangelegenheden zo dikwijls zij dat nodig acht.

Artikel

III-245

AFDELING

8

TRANS-EUROPESE NETWERKEN

Artikel

III-246

Artikel

III-247

AFDELING

9

ONDERZOEK EN TECHNOLOGISCHE ONTWIKKELING EN RUIMTE

Artikel

III-248

Artikel

III-249

Voor de verwezenlijking van de in artikel III-248 genoemde doelstellingen onderneemt de Unie de volgende activiteiten, die de activiteiten van de lidstaten aanvullen:

  • a.

    uitvoering van programma's voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, waarbij de samenwerking met en tussen ondernemingen, onderzoekcentra en universiteiten wordt bevorderd;

  • b.

    bevordering van de samenwerking van de Unie met derde landen en internationale organisaties inzake onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie;

  • c.

    verspreiding en exploitatie van de resultaten van de activiteiten van de Unie inzake onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie;

  • d.

    stimulering van de opleiding en de mobiliteit van onderzoekers in de Unie.

Artikel

III-250

Artikel

III-251

Artikel

III-252

Artikel

III-253

De Raad kan op voorstel van de Commissie bij Europese verordening of Europees besluit vaststellen, dat gemeenschappelijke ondernemingen of andere structuren worden opgericht ten dienste van de goede uitvoering van programma's van de Unie voor onderzoek en technologische ontwikkeling en demonstratie. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel

III-254

Artikel

III-255

Aan het begin van ieder jaar legt de Commissie aan het Europees Parlement en aan de Raad een verslag voor. Dit verslag heeft betrekking op de activiteiten inzake onderzoek en technologische ontwikkeling en inzake verspreiding van de resultaten in het voorafgaande jaar, alsmede op het werkprogramma van het lopende jaar.

AFDELING

10

ENERGIE

Artikel

III-256

HOOFDSTUK

IV

RUIMTE VAN VRIJHEID, VEILIGHEID EN RECHT

AFDELING

1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel

III-257

Artikel

III-258

De Europese Raad stelt de strategische richtsnoeren van de wetgevende en operationele programmering in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht vast.

Artikel

III-259

Met betrekking tot de wetgevingsvoorstellen en -initiatieven die worden ingediend in het kader van de afdelingen 4 en 5 zien de nationale parlementen erop toe dat het subsidiariteitsbeginsel wordt geëerbiedigd, overeenkomstig het protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.

Artikel

III-260

Onverminderd de artikelen III-360 tot en met III-362, kan de Raad op voorstel van de Commissie bij Europese verordening of Europees besluit vaststellen, dat de lidstaten in samenwerking met de Commissie een objectieve en onpartijdige evaluatie van de uitvoering, door de autoriteiten van de lidstaten, van het door dit hoofdstuk bestreken beleid van de Unie kunnen verrichten, met name ter bevordering van de volledige toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning. Het Europees Parlement en de nationale parlementen worden op de hoogte gebracht van de inhoud en de resultaten van die evaluatie.

Artikel

III-261

Binnen de Raad wordt een permanent comité opgericht om ervoor te zorgen dat binnen de Unie de operationele samenwerking op het gebied van de binnenlandse veiligheid wordt bevorderd en versterkt. Onverminderd artikel III-344, bevordert het comité de coördinatie van het optreden van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. De vertegenwoordigers van de betrokken organen en instanties van de Unie kunnen bij de werkzaamheden van het comité worden betrokken. Het Europees Parlement en de nationale parlementen worden over deze werkzaamheden geïnformeerd.

Artikel

III-262

Dit hoofdstuk laat de uitoefening van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid onverlet.

Artikel

III-263

De Raad stelt bij Europese verordening regels vast voor de administratieve samenwerking tussen de diensten van de lidstaten die bevoegd zijn op de door dit hoofdstuk bestreken gebieden, en tussen deze diensten en de Commissie. De Raad besluit op voorstel van de Commissie, onder voorbehoud van artikel III-264, en na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel

III-264

De in de afdelingen 4 en 5 bedoelde handelingen alsmede de in artikel III-263 bedoelde Europese verordeningen tot vaststelling van regels voor administratieve samenwerking op de door die afdelingen bestreken gebieden worden vastgesteld:

  • a.

    op voorstel van de Commissie, of

  • b.

    op initiatief van een kwart van de lidstaten.

AFDELING

2

BELEID INZAKE GRENSCONTROLES, ASIEL EN IMMIGRATIE

Artikel

III-265

Artikel

III-266

Artikel

III-267

Artikel

III-268

Aan het in deze afdeling bedoelde beleid van de Unie en de uitvoering daarvan liggen het beginsel van solidariteit en van billijke verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de lidstaten, ook op financieel vlak, ten grondslag. De handelingen van de Unie die uit hoofde van deze afdeling worden vastgesteld, bevatten passende bepalingen voor de toepassing van dit beginsel.

AFDELING

3

JUSTITIËLE SAMENWERKING IN BURGERLIJKE ZAKEN

Artikel

III-269

AFDELING

4

JUSTITIËLE SAMENWERKING IN STRAFZAKEN

Artikel

III-270

Artikel

III-271

Artikel

III-272

Bij Europese wet of kaderwet kunnen maatregelen worden vastgesteld ter stimulering en ondersteuning van het optreden van de lidstaten op het gebied van misdaadpreventie, met uitsluiting van enige harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten.

Artikel

III-273

Artikel

III-274

AFDELING

5

POLITIËLE SAMENWERKING

Artikel

III-275

Artikel

III-276

Artikel

III-277

De voorwaarden en de beperkingen waarbinnen de in de artikelen III-270 en III-275 bedoelde bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het grondgebied van een andere lidstaat in overleg en overeenstemming met de autoriteiten van die staat mogen optreden worden bij Europese wet of kaderwet van de Raad vastgesteld. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

HOOFDSTUK

V

DE GEBIEDEN WAAROP DE UNIE KAN BESLUITEN ONDERSTEUNEND, COÖRDINEREND, OF AANVULLEND OP TE TREDEN

AFDELING

1

VOLKSGEZONDHEID

Artikel

III-278

AFDELING

2

DE INDUSTRIE

Artikel

III-279

AFDELING

3

CULTUUR

Artikel

III-280

AFDELING

4

TOERISME

Artikel

III-281

AFDELING

5

ONDERWIJS, JEUGD, SPORT EN BEROEPSOPLEIDING

Artikel

III-282

Artikel

III-283

AFDELING

6

CIVIELE BESCHERMING

Artikel

III-284

AFDELING

7

ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel

III-285

TITEL

IV

ASSOCIATIE VAN DE LANDEN EN GEBIEDEN OVERZEE

Artikel

III-286

Artikel

III-287

Door de associatie worden de volgende doeleinden nagestreefd:

  • a.

    de lidstaten passen op hun handelsverkeer met deze landen en gebieden de regeling toe welke zij krachtens de Grondwet met elkaar overeenkomen;

  • b.

    ieder land of gebied past op zijn handelsverkeer met de lidstaten en de andere landen en gebieden de regeling toe die het toepast op de Europese staat waarmede het bijzondere betrekkingen onderhoudt;

  • c.

    de lidstaten dragen bij in de investeringen welke vereist zijn voor de ontwikkeling van die landen en gebieden;

  • d.

    wat betreft de door de Unie gefinancierde investeringen, staat de deelneming in aanbestedingen en leveranties onder gelijke voorwaarden open voor alle onderdanen en rechtspersonen van de lidstaten en van de landen en gebieden;

  • e.

    in de betrekkingen tussen de lidstaten en deze landen en gebieden wordt het recht van vestiging van de onderdanen en rechtspersonen op voet van non-discriminatie geregeld overeenkomstig de bepalingen van titel III, hoofdstuk I, afdeling 2, onderafdeling 2, betreffende het recht van vestiging en met toepassing van de daarin vastgestelde procedures, behoudens de krachtens artikel III-291 vastgestelde handelingen.

Artikel

III-288

Artikel

III-289

Indien het peil van de rechten op goederen van herkomst uit een derde land bij invoer in een land of gebied van dien aard is dat, als gevolg van de toepassing van artikel III-288, lid 1, het handelsverkeer zich ten nadele van een der lidstaten kan verleggen, kan deze staat de Commissie verzoeken, de overige lidstaten voor te stellen de nodige corrigerende maatregelen te treffen.

Artikel

III-290

Behoudens de bepalingen betreffende de volksgezondheid, de openbare veiligheid en de openbare orde, wordt het vrije verkeer van werknemers uit de landen en gebieden binnen de lidstaten en van werknemers uit de lidstaten binnen de landen en gebieden geregeld bij overeenkomstig artikel III-291 vastgestelde handelingen.

Artikel

III-291

De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, op basis van de resultaten die in het kader van de associatie van de landen en gebieden met de Unie zijn bereikt, met eenparigheid van stemmen bij Europese wet, kaderwet, verordening en bij Europees besluit de regels en de procedure voor de associatie van de landen en gebieden met de Unie vast. Deze wetten en kaderwetten worden vastgesteld na raadpleging van het Europees Parlement.

TITEL

V

HET EXTERN OPTREDEN VAN DE UNIE

HOOFDSTUK

I

ALGEMEEN TOEPASSELIJKE BEPALINGEN

Artikel

III-292

Artikel

III-293

HOOFDSTUK

II

HET GEMEENSCHAPPELIJK BUITENLANDS EN VEILIGHEIDSBELEID

AFDELING

1

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel

III-294

Artikel

III-295

Artikel

III-296

Artikel

III-297

Artikel

III-298

De Raad stelt Europese besluiten vast waarin de aanpak van de Unie ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid van geografische of thematische aard wordt bepaald. De lidstaten dragen er zorg voor dat hun nationaal beleid met de standpunten van de Unie overeenstemt.

Artikel

III-299

Artikel

III-300

Artikel

III-301

Artikel

III-302

De Raad kan, op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, een speciale vertegenwoordiger benoemen aan wie hij een mandaat voor specifieke beleidsvraagstukken verleent. De speciale vertegenwoordiger voert zijn mandaat uit onder het gezag van de minister.

Artikel

III-303

De Unie kan met één of meer staten of internationale organisaties overeenkomsten sluiten op de gebieden die onder dit hoofdstuk vallen.

Artikel

III-304

Artikel

III-305

Artikel

III-306

De diplomatieke en consulaire missies van de lidstaten en de delegaties van de Unie in derde landen en op internationale conferenties, alsmede hun vertegenwoordigingen bij internationale organisaties werken samen om te verzekeren dat de krachtens dit hoofdstuk vastgestelde Europese besluiten die standpunten en optredens van de Unie bepalen, in acht worden genomen en worden uitgevoerd. Zij intensiveren hun samenwerking door inlichtingen uit te wisselen en gezamenlijke evaluaties te verrichten.

Zij dragen bij tot de uitvoering van het recht op bescherming van de Europese burgers op het grondgebied van derde landen als bedoeld in de artikelen I-10, lid 2, onder c, alsmede van de overeenkomstig artikel III-127 vastgestelde maatregelen.

Artikel

III-307

Artikel

III-308

De uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid heeft geen gevolgen voor de toepassing van de procedures en de respectieve omvang van de bevoegdheden van de instellingen, waarin de Grondwet voorziet voor de uitoefening van de in de artikelen I-13 tot en met I-15, en I-17 bedoelde bevoegdheden van de Unie.

Evenmin heeft de uitvoering van de in deze artikelen bedoelde beleidsonderdelen gevolgen voor de procedures en de respectieve omvang van de bevoegdheden van de instellingen, waarin de Grondwet voorziet voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Unie op grond van dit hoofdstuk.

AFDELING

2

HET GEMEENSCHAPPELIJK VEILIGHEIDS- EN DEFENSIEBELEID

Artikel

III-309

Artikel

III-310

Artikel

III-311

Artikel

III-312

AFDELING

3

FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel

III-313

HOOFDSTUK

III

DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK

Artikel

III-314

Door de oprichting van een douane-unie, overeenkomstig artikel III-151, levert de Unie in het gemeenschappelijk belang een bijdrage tot een harmonische ontwikkeling van de wereldhandel, tot de geleidelijke afschaffing van de beperkingen voor het internationale handelsverkeer en voor buitenlandse directe investeringen, en tot de vermindering van de douane- en andere belemmeringen.

Artikel

III-315

HOOFDSTUK

IV

SAMENWERKING MET DERDE LANDEN EN HUMANITAIRE HULP

AFDELING

1

ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Artikel

III-316

Artikel

III-317

Artikel

III-318

AFDELING

2

ECONOMISCHE, FINANCIËLE EN TECHNISCHE SAMENWERKING MET DERDE LANDEN

Artikel

III-319

Artikel

III-320

Wanneer er wegens de situatie in een derde land dringende financiële hulp van de Unie vereist is, stelt de Raad op voorstel van de Commissie de nodige Europese besluiten vast.

AFDELING

3

HUMANITAIRE HULP

Artikel

III-321

HOOFDSTUK

V

BEPERKENDE MAATREGELEN

Artikel

III-322

HOOFDSTUK

VI

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

Artikel

III-323

Artikel

III-324

De Unie kan met een of meer derde landen of internationale organisaties een associatieovereenkomst sluiten waarbij een associatie wordt ingesteld die wordt gekenmerkt door wederkerige rechten en verplichtingen, gemeenschappelijke optredens en bijzondere procedures.

Artikel

III-325

Artikel

III-326

HOOFDSTUK

VII

BETREKKINGEN VAN DE UNIE MET INTERNATIONALE ORGANISATIES EN DERDE LANDEN EN DELEGATIES VAN DE UNIE

Artikel

III-327

Artikel

III-328

HOOFDSTUK

VIII

TOEPASSING VAN DE SOLIDARITEITSCLAUSULE

Artikel

III-329

TITEL

VI

WERKING VAN DE UNIE

HOOFDSTUK

I

INSTITUTIONELE BEPALINGEN

AFDELING

I

INSTELLINGEN

Onderafdeling

1

Europees Parlement

Artikel

III-330

Artikel

III-331

Bij Europese wet worden het statuut, en in het bijzonder de regels inzake de financiering, van de in artikel I-46, lid 4, bedoelde Europese politieke partijen vastgesteld.

Artikel

III-332

Het Europees Parlement kan bij meerderheid van zijn leden de Commissie verzoeken passende voorstellen in te dienen inzake aangelegenheden die naar het oordeel van het Europees Parlement een handeling van de Unie voor de uitvoering van de Grondwet vergen. Indien de Commissie geen voorstel indient, deelt zij de redenen daarvoor aan het Europees Parlement mee.

Artikel

III-333

Het Europees Parlement kan in het kader van de vervulling van zijn taken op verzoek van eenvierde van zijn leden een tijdelijke enquêtecommissie instellen die, onverminderd de in de Grondwet aan andere instellingen of organen toegedeelde bevoegdheden, beweringen inzake inbreuken op het recht van de Unie of wanbeheer bij de toepassing van het recht van de Unie onderzoekt, behalve wanneer de beweerde feiten het voorwerp uitmaken van een gerechtelijke procedure die nog niet is voltooid.

De tijdelijke enquêtecommissie houdt op te bestaan wanneer zij haar verslag indient.

Bij Europese wet van het Europees Parlement wordt de uitoefening van het enquêterecht nader geregeld. Het Europees Parlement besluit op eigen initiatief, na goedkeuring door de Raad en door de Commissie.

Artikel

III-334

Iedere burger van de Unie, alsmede iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft, overeenkomstig artikel I-10, lid 2, onder d, het recht om individueel of samen met andere personen een verzoekschrift bij het Europees Parlement in te dienen betreffende een onderwerp dat tot het werkterrein van de Unie behoort en dat hem rechtstreeks aangaat.

Artikel

III-335

Artikel

III-336

Het Europees Parlement houdt jaarlijks een zitting. Het komt van rechtswege op de tweede dinsdag van maart bijeen.

Het Europees Parlement kan op verzoek van de meerderheid van zijn leden, dan wel op verzoek van de Raad of van de Commissie in buitengewone vergaderperiode bijeenkomen.

Artikel

III-337

Artikel

III-338

Tenzij in de Grondwet anders is bepaald, besluit het Europees Parlement bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Het quorum wordt bepaald in het reglement van orde.

Artikel

III-339

Het Europees Parlement stelt zijn reglement van orde vast bij meerderheid van zijn leden.

De handelingen van het Europees Parlement worden bekendgemaakt onder de voorwaarden waarin de Grondwet en het reglement van orde van het Europees Parlement voorzien.

Artikel

III-340

Wanneer aan het Europees Parlement een motie van afkeuring betreffende het beleid van de Commissie wordt voorgelegd, kan het Parlement zich niet eerder dan drie dagen na de indiening ervan en slechts bij openbare stemming over deze motie uitspreken.

Indien de motie van afkeuring wordt aangenomen met een meerderheid van tweederde van de uitgebrachte stemmen, welke een meerderheid van de leden van het Europees Parlement vertegenwoordigt, moeten de leden van de Commissie collectief ontslag nemen en moet ook de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie zijn functie in de Commissie neerleggen. Zij blijven in functie en blijven de lopende zaken behartigen totdat overeenkomstig de artikelen I-26 en I-27 in hun vervanging is voorzien. In dat geval verstrijkt de ambtsperiode van de ter vervanging benoemde Commissieleden op de datum waarop de ambtstermijn van de collectief tot ontslag gedwongen Commissieleden zou zijn verstreken.

Onderafdeling

2

Europese Raad

Artikel

III-341

Onderafdeling

3

Raad van ministers

Artikel

III-342

De Raad wordt door zijn voorzitter, op diens initiatief of op initiatief van een van zijn leden of van de Commissie, in vergadering bijeengeroepen.

Artikel

III-343

Artikel

III-344

Artikel

III-345

De Raad kan met gewone meerderheid van stemmen de Commissie verzoeken, alle studies die hij wenselijk acht ter verwezenlijking van de gemeenschappelijke doelstellingen te verrichten en hem alle terzake dienende voorstellen voor te leggen. Indien de Commissie geen voorstellen doet, stelt zij de Raad in kennis van de redenen daarvoor.

Artikel

III-346

De Raad stelt bij Europees besluit het statuut van de door de Grondwet ingestelde comités vast. Hij besluit met gewone meerderheid van stemmen, na raadpleging van de Commissie.

Onderafdeling

4

Europese Commissie

Artikel

III-347

De leden van de Commissie onthouden zich van iedere handeling die onverenigbaar is met hun ambt. De lidstaten eerbiedigen hun onafhankelijkheid en trachten niet hen te beïnvloeden bij de uitvoering van hun taak.

De leden van de Commissie mogen gedurende hun ambtstermijn geen andere, al dan niet bezoldigde, beroepswerkzaamheden verrichten. Bij hun ambtsaanvaarding verbinden zij zich plechtig ertoe, gedurende hun ambtstermijn en na afloop daarvan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen na te komen, en in het bijzonder eerlijkheid en kiesheid te betrachten bij het aanvaarden van bepaalde functies of voordelen na afloop van hun ambtstermijn. Indien deze verplichtingen niet worden nagekomen, kan de Raad, met gewone meerderheid van stemmen, of de Commissie zich wenden tot het Hof van Justitie, dat, naargelang van het geval, ontslag ambtshalve overeenkomstig de in artikel III-349 bepaalde voorwaarden of verval van het recht op pensioen of van andere als zodanig geldende voordelen kan uitspreken.

Artikel

III-348

Artikel

III-349

Op verzoek van de Raad, die besluit bij gewone meerderheid van stemmen, of van de Commissie, kan een lid van de Commissie dat niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten, door het Hof van Justitie uit zijn ambt worden ontzet.

Artikel

III-350

Onverminderd artikel I-28, lid 4, worden de taken van de Commissie overeenkomstig artikel I-27, lid 3, door de voorzitter gestructureerd en over de leden van de Commissie verdeeld. De voorzitter kan de taakverdeling tijdens de ambtstermijn wijzigen. De leden van de Commissie oefenen de hun door de voorzitter toegewezen taak onder diens gezag uit.

Artikel

III-351

De Commissie neemt haar besluiten met meerderheid van stemmen van haar leden. Het quorum wordt bepaald in het reglement van orde.

Artikel

III-352

Onderafdeling

5

Hof van Justitie van de Europese Unie

Artikel

III-353

Het Hof van Justitie houdt zitting in kamers, als grote kamer of in voltallige zitting, overeenkomstig het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Artikel

III-354

Het Hof van Justitie wordt bijgestaan door acht advocaten-generaal. Indien het Hof van Justitie zulks verzoekt, kan de Raad met eenparigheid van stemmen een Europees besluit houdende verhoging van het aantal advocaten-generaal vaststellen.

De advocaat-generaal heeft tot taak, in het openbaar en in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies voor te leggen aangaande zaken waarin zulks overeenkomstig het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vereist is.

Artikel

III-355

De rechters en de advocaten-generaal van het Hof van Justitie, die worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en die aan alle gestelde eisen voldoen om in hun onderscheiden landen de hoogste rechterlijke ambten te bekleden, of die bekend staan als kundige rechtsgeleerden, worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten benoemd, na raadpleging van het comité van artikel III-357.

Om de drie jaar vindt, op de wijze die in het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is bepaald, een gedeeltelijke vervanging van de rechters en de advocaten-generaal plaats.

De rechters wijzen uit hun midden voor drie jaar de president van het Hof van Justitie aan. Hij is herbenoembaar.

Het Hof van Justitie stelt zijn reglement voor de procesvoering vast. Dit reglement wordt ter goedkeuring aan de Raad voorgelegd.

Artikel

III-356

Het aantal rechters van het Gerecht wordt vastgesteld bij het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het statuut kan bepalen dat het Gerecht wordt bijgestaan door advocaten-generaal.

De leden van het Gerecht worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en bekwaam zijn hoge rechterlijke ambten te bekleden. Zij worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten benoemd, na raadpleging van het Comité van artikel III-357.

Om de drie jaar vindt een gedeeltelijke vervanging van het Gerecht plaats.

De rechters wijzen uit hun midden voor drie jaar de president van het Gerecht aan. Hij is herbenoembaar.

Het Gerecht stelt in overeenstemming met het Hof van Justitie zijn reglement voor de procesvoering vast. Dit reglement wordt ter goedkeuring aan de Raad voorgelegd.

Tenzij in het statuut anders is bepaald, zijn de bepalingen van de Grondwet betreffende het Hof van Justitie op het Gerecht van toepassing.

Artikel

III-357

Er wordt een comité opgericht dat de lidstaten van advies dient over de geschiktheid van de kandidaten voor de uitoefening van de ambten van rechter en advocaat-generaal van het Hof van Justitie en van het Gerecht, voordat de regeringen van de lidstaten overgaan tot de benoemingen overeenkomstig de artikelen III-355 en III-356.

Het comité bestaat uit zeven voormalige leden van het Hof van Justitie en van het Gerecht, personen die de hoogste nationale rechterlijke ambten bekleden en personen die bekend staan als kundige rechtsgeleerden, waarvan er één wordt voorgedragen door het Europees Parlement. De Raad stelt een Europees besluit vast houdende bepaling van de werkwijze van dit comité, alsmede een Europees besluit tot benoeming van de leden. De Raad besluit op initiatief van de president van het Hof van Justitie.

Artikel

III-358

Artikel

III-359

Artikel

III-360

Indien de Commissie van oordeel is dat een lidstaat een krachtens de Grondwet op hem rustende verplichting niet is nagekomen, brengt zij dienaangaande een met redenen omkleed advies uit, na de lidstaat in de gelegenheid te hebben gesteld zijn opmerkingen te maken.

Indien de betrokken staat het advies niet binnen de door de Commissie gestelde termijn opvolgt, kan de Commissie de zaak aanhangig maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Artikel

III-361

Een lidstaat die van mening is dat een andere lidstaat een krachtens de Grondwet op hem rustende verplichting niet is nagekomen, kan zich tot het Hof van Justitie van de Europese Unie wenden.

Voordat een lidstaat tegen een andere lidstaat een klacht indient wegens een beweerde schending van diens verplichtingen krachtens de Grondwet, legt hij deze klacht voor aan de Commissie.

De Commissie brengt een met redenen omkleed advies uit, nadat de betrokken staten de gelegenheid is gegeven over en weer schriftelijk en mondeling opmerkingen te maken.

Indien de Commissie binnen drie maanden na indiening van de klacht geen advies heeft uitgebracht, kan de klacht desalniettemin bij het Hof worden ingediend.

Artikel

III-362

Artikel

III-363

De Europese wetten en de Europese verordeningen van de Raad kunnen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie volledige rechtsmacht verlenen ten aanzien van de sancties waarin zij voorzien.

Artikel

III-364

Onverminderd de overige bepalingen van de Grondwet kan aan het Hof van Justitie van de Europese Unie bij Europese wet, in een in die wet te bepalen mate, de bevoegdheid worden verleend uitspraak te doen in geschillen die verband houden met de toepassing van krachtens de Grondwet vastgestelde handelingen waarbij Europese intellectuele-eigendomsrechten worden ingesteld.

Artikel

III-365

Artikel

III-366

Indien het beroep gegrond is, wordt de betwiste handeling door het Hof van Justitie van de Europese Unie nietig verklaard.

Het Hof van Justitie bepaalt evenwel, zo het dit nodig oordeelt, welke gevolgen van de vernietigde handeling als definitief moeten worden beschouwd.

Artikel

III-367

Indien het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, de Commissie of de Europese Centrale Bank, in strijd met de Grondwet, nalaat te besluiten, kunnen de lidstaten en de overige instellingen van de Unie zich tot het Hof van Justitie van de Europese Unie wenden om deze schending te doen vaststellen. Dit artikel is onder dezelfde voorwaarden van toepassing op de organen en de instanties van de Unie die nalaten een besluit te nemen.

Dit beroep is slechts ontvankelijk indien de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie vooraf is verzocht te handelen. Indien de instelling, het orgaan of de instantie niet binnen twee maanden, te rekenen vanaf het verzoek, een standpunt heeft bepaald, kan binnen een nieuwe termijn van twee maanden beroep worden ingesteld.

Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan zich onder de in de eerste en de tweede alinea bepaalde voorwaarden tot het Hof wenden om bezwaar te maken tegen het feit dat een instelling, orgaan of instantie van de Unie heeft nagelaten tot hem een andere handeling te richten dan een aanbeveling of een advies.

Artikel

III-368

De instelling, het orgaan of de instantie waarvan de handeling nietig is verklaard of waarvan de nalatigheid strijdig met de Grondwet is verklaard, is gehouden het nodige te doen om gevolg te geven aan het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Deze verplichting geldt onverminderd die welke uit de toepassing van artikel III-431, tweede alinea, kan voortvloeien.

Artikel

III-369

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak te doen over:

  • a.

    de uitlegging van de Grondwet;

  • b.

    de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie.

Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een der lidstaten, kan deze instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen.

Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is deze instantie gehouden zich tot het Hof te wenden.

Indien een dergelijke vraag wordt opgeworpen in een bij een nationale rechterlijke instantie aanhangige zaak betreffende een gedetineerde persoon, doet het Hof zo spoedig mogelijk uitspraak.

Artikel

III-371

Het Hof van Justitie kan uitsluitend op verzoek van de lidstaat ten aanzien waarvan de Europese Raad of de Raad een constatering heeft gedaan en uitsluitend wat de naleving van de procedurele bepalingen van artikel I-59 betreft uitspraak doen over de wettigheid van een handeling die door de Europese Raad of door de Raad krachtens artikel I-59 is vastgesteld.

Dit verzoek moet binnen een maand na de constatering worden gedaan. Het Hof doet een uitspraak binnen een maand na de datum van het verzoek.

Artikel

III-372

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen de Unie en haar personeelsleden, binnen de grenzen en onder de voorwaarden vastgesteld in het statuut van de ambtenaren van de Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie.

Artikel

III-373

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd, binnen de hierna aangegeven grenzen, kennis te nemen van geschillen betreffende:

  • a.

    de uitvoering van de verplichtingen der lidstaten voortvloeiende uit het statuut van de Europese Investeringsbank. De Raad van bewind van de Bank beschikt dienaangaande over de bevoegdheden die bij artikel III-360 aan de Commissie zijn toegekend;

  • b.

    de beslissingen van de Raad van gouverneurs van de Europese Investeringsbank. Iedere lidstaat, de Commissie en de Raad van bewind van de Bank kunnen onder de in artikel III-365 gestelde voorwaarden beroep instellen tegen deze besluiten;

  • c.

    de beslissingen van de Raad van bewind van de Europese Investeringsbank. Beroep tegen deze beslissingen kan onder de in artikel III-365 gestelde voorwaarden slechts worden ingesteld door de lidstaten of de Commissie, en alleen in geval van schending van de vormvoorschriften bedoeld in artikel 19, leden 2, 5, 6 en 7, van het statuut van de Bank;

  • d.

    de uitvoering van de verplichtingen van de nationale centrale banken voortvloeiende uit deze Grondwet en uit het statuut van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank. De Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank beschikt dienaangaande ten aanzien van de nationale centrale banken over de bevoegdheden welke bij artikel III-360 aan de Commissie zijn toegekend ten aanzien van de lidstaten. Indien het Hof van Justitie van de Europese Unie vaststelt dat een nationale centrale bank een van de krachtens deze Grondwet op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, is deze bank gehouden die voorzieningen te treffen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof.

Artikel

III-374

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd uitspraak te doen krachtens een arbitragebeding vervat in een door of namens de Unie gesloten publiekrechtelijke of privaatrechtelijke overeenkomst.

Artikel

III-375

Artikel

III-376

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is niet bevoegd ten aanzien van de artikelen I-40 en I-41 en van de bepalingen van titel V, hoofdstuk II, betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en artikel III-293 voorzover het betrekking heeft op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.

Het Hof is evenwel bevoegd om toezicht te houden op de naleving van artikel III-308 en uitspraak te doen inzake beroepen die onder de in artikel III-365, lid 4, bepaalde voorwaarden worden ingesteld betreffende het toezicht op de wettigheid van Europese besluiten houdende beperkende maatregelen jegens natuurlijke personen of rechtspersonen, die door de Raad op grond van titel V, hoofdstuk II, zijn vastgesteld.

Artikel

III-377

Bij de uitoefening van zijn taken in verband met de bepalingen in de afdelingen 4 en 5 van titel III, hoofdstuk IV betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht is het Hof van Justitie van de Europese Unie niet bevoegd de geldigheid of de evenredigheid na te gaan van operaties van de politie of van andere instanties van een lidstaat belast met wetshandhaving of de uitoefening van de verantwoordelijkheden van de lidstaten ten aanzien van de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid.

Artikel

III-378

Iedere partij kan, ook na het verstrijken van de in artikel III-365, lid 6, bedoelde termijn, naar aanleiding van een geschil waarbij een door een instelling, een orgaan of een instantie van de Unie vastgestelde handeling van algemene strekking in het geding is, de in artikel III-365, lid 2, bedoelde middelen aanvoeren om voor het Hof van Justitie van de Europese Unie de niet-toepasselijkheid van deze handeling in te roepen.

Artikel

III-379

Artikel

III-380

De arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn uitvoerbaar overeenkomstig het bepaalde in artikel III-401.

Artikel

III-381

Het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt vastgesteld bij een protocol.

De bepalingen van het statuut kunnen bij Europese wet worden gewijzigd, met uitzondering van titel I en artikel 64 daarvan. De wet wordt vastgesteld hetzij op verzoek van het Hof van Justitie en na raadpleging van de Commissie, hetzij op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Hof van Justitie.

Onderafdeling

6

Europese Centrale Bank

Artikel

III-382

Artikel

III-383

Onderafdeling

7

Rekenkamer

Artikel

III-384

Artikel

III-385

AFDELING

2

DE ADVIESORGANEN VAN DE EUROPESE UNIE

Onderafdeling

1

Het Comité van de Regio's

Artikel

III-386

Het aantal leden van het Comité van de Regio's bedraagt ten hoogste 350. De Raad stelt op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen een Europees besluit vast waarbij de samenstelling van het Comité wordt bepaald.

De leden van het Comité en een gelijk aantal plaatsvervangers worden voor vijf jaar benoemd. Zij zijn herbenoembaar. Zij kunnen niet tegelijkertijd lid van het Europees Parlement zijn.

De Raad stelt bij Europees besluit de overeenkomstig de voordrachten van de onderscheiden lidstaten opgestelde lijst van leden en plaatsvervangers vast.

Bij het verstrijken van het in artikel I-32, lid 2, bedoelde mandaat uit hoofde waarvan zij zijn voorgedragen, eindigt de ambtstermijn van de leden van het Comité van rechtswege en worden zij volgens dezelfde procedure voor de verdere duur van de ambtstermijn vervangen.

Artikel

III-387

Het Comité van de regio's kiest, voor een periode van tweeënhalf jaar, uit zijn midden zijn voorzitter en zijn bureau.

Het Comité wordt door zijn voorzitter bijeengeroepen op verzoek van het Europees Parlement, van de Raad of van de Commissie. Het kan eveneens op eigen initiatief bijeenkomen.

Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel

III-388

Het Comité van de Regio's wordt door het Europees Parlement, door de Raad of door de Commissie geraadpleegd in de door de Grondwet bepaalde gevallen en in alle andere gevallen waarin een van deze instellingen zulks wenselijk acht, in het bijzonder die welke grensoverschrijdende samenwerking betreffen.

Indien zulks noodzakelijk wordt geacht, stelt het Europees Parlement, de Raad of de Commissie aan het Comité een termijn voor het uitbrengen van het advies; deze termijn mag niet korter zijn dan een maand, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de desbetreffende mededeling aan de voorzitter wordt gericht. Na afloop van de gestelde termijn kan worden gehandeld zonder het advies af te wachten.

Wanneer het Economisch en Sociaal Comité wordt geraadpleegd, wordt het Comité van de regio's door het Europees Parlement, de Raad of de Commissie in kennis gesteld van dat verzoek om advies. Het Comité van de Regio's kan, wanneer het van mening is dat er specifieke regionale belangen op het spel staan, terzake eveneens advies uitbrengen. Het kan tevens op eigen initiatief een advies uitbrengen.

Het advies van het Comité alsmede een verslag van zijn besprekingen worden aan het Europees Parlement, aan de Raad en aan de Commissie gezonden.

Onderafdeling

2

Het Economisch en Sociaal Comité

Artikel

III-389

Het aantal leden van het Economisch en Sociaal Comité bedraagt ten hoogste 350. De Raad stelt op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen een Europees besluit vast waarbij de samenstelling van het Comité wordt bepaald.

Artikel

III-390

De leden van het Economisch en Sociaal Comité worden voor vijf jaar benoemd. Zij zijn herbenoembaar.

De Raad stelt het Europees besluit vast met de lijst van leden die overeenkomstig de voordrachten van de onderscheiden lidstaten is opgesteld.

De Raad besluit na raadpleging van de Commissie. Hij kan de mening vragen van de Europese organisaties die representatief zijn voor de verschillende economische en sociale sectoren, en van het maatschappelijk middenveld, welke betrokken zijn bij de activiteit van de Unie.

Artikel

III-391

Het Economisch en Sociaal Comité kiest, voor de periode van tweeënhalf jaar, uit zijn midden zijn voorzitter en zijn bureau.

Het Comité wordt door zijn voorzitter bijeengeroepen op verzoek van het Europees Parlement, van de Raad of van de Commissie. Het kan tevens op eigen initiatief bijeenkomen.

Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel

III-392

Het Economisch en Sociaal Comité wordt door het Europees Parlement, door de Raad of door de Commissie geraadpleegd in de door de Grondwet bepaalde gevallen. Het kan door deze instellingen worden geraadpleegd in alle gevallen waarin deze zulks wenselijk achten. Het Comité kan tevens op eigen initiatief advies uitbrengen.

Indien zulks noodzakelijk wordt geacht, stelt het Europees Parlement de Raad of de Commissie aan het Comité een termijn voor het uitbrengen van advies; deze termijn mag niet korter zijn dan een maand, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de desbetreffende mededeling aan de voorzitter wordt gericht. Na afloop van de gestelde termijn kan worden gehandeld zonder het advies af te wachten.

Het advies van het Comité, alsmede een verslag van zijn besprekingen, worden aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie gezonden.

AFDELING

3

DE EUROPESE INVESTERINGSBANK

Artikel

III-393

De Europese Investeringsbank bezit rechtspersoonlijkheid.

De leden van de Bank zijn de lidstaten.

Het statuut van de Europese Investeringsbank is opgenomen in een protocol.

Het statuut van de Europese Investeringsbank kan worden gewijzigd bij Europese wet van de Raad. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, hetzij op verzoek van de Europese Investeringsbank en na raadpleging van het Europees Parlement en van de Commissie, hetzij op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en van de Europese Investeringsbank.

Artikel

III-394

De Europese Investeringsbank heeft tot taak, met een beroep op de kapitaalmarkten en met gebruikmaking van haar eigen middelen bij te dragen tot een evenwichtige en ongestoorde ontwikkeling van de interne markt in het belang van de Unie. Te dien einde vergemakkelijkt zij, met name door zonder winstoogmerk leningen en waarborgen te verstrekken, de financiering van de volgende projecten in alle sectoren van het economisch leven:

  • a.

    projecten tot ontwikkeling van minder-ontwikkelde gebieden;

  • b.

    projecten tot modernisering of omschakeling van ondernemingen of voor het scheppen van nieuwe bedrijvigheid, voortvloeiende uit de totstandbrenging en werking van de interne markt, welke projecten door hun omvang of aard niet geheel kunnen worden gefinancierd uit de verschillende middelen welke in ieder van de lidstaten voorhanden zijn;

  • c.

    projecten welke voor verscheidene lidstaten van gemeenschappelijk belang zijn en die door hun omvang of aard niet geheel kunnen worden gefinancierd uit de verschillende middelen welke in ieder van de lidstaten voorhanden zijn.

Bij de vervulling van haar taak vergemakkelijkt de Europese Investeringsbank de financiering van investeringsprogramma's in samenhang met de bijstandsverlening van de structuurfondsen en van de andere financieringsinstrumenten van de Unie.

AFDELING

4

BEPALINGEN DIE DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE UNIE GEMEEN HEBBEN

Artikel

III-395

Artikel

III-396

Eerste lezing

Tweede lezing

Bemiddeling

Derde lezing

Bijzondere bepalingen

Artikel

III-397

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie raadplegen elkaar en bepalen in onderlinge overeenstemming de wijze waarop zij samenwerken. Daartoe kunnen zij, met inachtneming van de Grondwet, interinstitutionele akkoorden sluiten die een bindend karakter kunnen hebben.

Artikel

III-398

Artikel

III-399

Artikel

III-400

Artikel

III-401

De handelingen van de Raad, de Commissie of de Europese Centrale Bank welke ten laste van natuurlijke of rechtspersonen, met uitzondering van de lidstaten, een geldelijke verplichting inhouden, vormen executoriale titel.

De tenuitvoerlegging geschiedt volgens de bepalingen van burgerlijke rechtsvordering die van kracht zijn in de staat op het grondgebied waarvan zij plaatsvindt. De formule van tenuitvoerlegging wordt, zonder andere controle dan de verificatie van de echtheid van de titel, aangebracht door de nationale autoriteit die door de regering van iedere lidstaat daartoe wordt aangewezen. Van de aanwijzing stelt zij de Commissie en het Hof van Justitie van de Europese Unie in kennis.

Nadat de bedoelde formaliteiten op verzoek van de belanghebbende zijn vervuld, kan deze de tenuitvoerlegging voortzetten door zich rechtstreeks te wenden tot de bevoegde autoriteit overeenkomstig de nationale wetgeving.

De tenuitvoerlegging kan alleen worden geschorst krachtens een beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het toezicht op de regelmatigheid van de wijze van tenuitvoerlegging behoort evenwel tot de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties.

HOOFDSTUK

II

FINANCIËLE BEPALINGEN

AFDELING

1

MEERJARIG FINANCIEEL KADER

Artikel

III-402

AFDELING

2

DE JAARLIJKSE BEGROTING VAN DE UNIE

Artikel

III-403

Het begrotingsjaar begint op 1 januari en verstrijkt op 31 december.

Artikel

III-404

De jaarlijkse begroting van de Unie wordt bij Europese wet vastgesteld overeenkomstig de volgende bepalingen:

  • 1.

    Iedere instelling maakt voor 1 juli een raming op van haar uitgaven voor het volgende begrotingsjaar. De Commissie voegt die ramingen samen in een ontwerpbegroting, die afwijkende ramingen mag inhouden.

    Dit ontwerp omvat een raming van de uitgaven en een raming van de ontvangsten.

  • 2.

    De Commissie dient uiterlijk op 1 september van het jaar dat voorafgaat aan het betrokken begrotingsjaar bij het Europees Parlement en bij de Raad een voorstel in dat de ontwerpbegroting bevat.

    De Commissie kan de ontwerpbegroting in de loop van de procedure wijzigen totdat het in punt 5 bedoelde bemiddelingscomité bijeen wordt geroepen.

  • 3.

    De Raad stelt zijn standpunt over de ontwerpbegroting vast en deelt dit standpunt uiterlijk op 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het betrokken begrotingsjaar aan het Europees Parlement mee. De Raad stelt het Europees Parlement ten volle in kennis van de redenen die hem hebben geleid tot het vaststellen van zijn standpunt.

  • 4.

    Indien het Europees Parlement binnen een termijn van tweeënveertig dagen na deze mededeling:

    • a.

      het standpunt van de Raad goedkeurt, wordt de Europese wet houdende vaststelling van de begroting vastgesteld;

    • b.

      geen besluit heeft genomen, wordt de Europese wet houdende vaststelling van de begroting geacht te zijn vastgesteld;

    • c.

      met een meerderheid van zijn leden amendementen aanneemt, wordt het aldus geamendeerde ontwerp toegezonden aan de Raad en aan de Commissie. De voorzitter van het Europees Parlement roept in overleg met de voorzitter van de Raad onverwijld het bemiddelingscomité bijeen. Het bemiddelingscomité komt evenwel niet bijeen indien de Raad het Europees Parlement binnen een termijn van tien dagen na de toezending van het ontwerp meedeelt dat hij alle amendementen van het Parlement aanvaardt.

  • 5.

    Het bemiddelingscomité bestaat uit de leden van de Raad of hun vertegenwoordigers en een gelijk aantal leden die het Europees Parlement vertegenwoordigen en heeft tot taak om, op basis van de standpunten van het Europees Parlement en van de Raad, binnen een termijn van eenentwintig dagen nadat het is bijeengeroepen, met een gekwalificeerde meerderheid van de leden van de Raad of hun vertegenwoordigers en met een meerderheid van de leden die het Europees Parlement vertegenwoordigen, overeenstemming te bereiken over een gemeenschappelijk ontwerp.

    De Commissie neemt deel aan de werkzaamheden van het bemiddelingscomité en neemt alle initiatieven die nodig zijn om de standpunten van het Europees Parlement en de Raad nader tot elkaar te brengen.

  • 6.

    Indien het bemiddelingscomité binnen de in punt 5 bedoelde termijn van eenentwintig dagen overeenstemming bereikt over een gemeenschappelijk ontwerp, beschikken het Europees Parlement en de Raad over een termijn van veertien dagen, te rekenen vanaf de datum van deze overeenstemming, om het gemeenschappelijk ontwerp goed te keuren.

  • 7.

    Indien, binnen de in punt 6 genoemde termijn van veertien dagen:

    • a.

      zowel het Europees Parlement als de Raad het gemeenschappelijk ontwerp goedkeurt of geen besluit neemt, of één van deze instellingen het gemeenschappelijk ontwerp goedkeurt terwijl de andere geen besluit neemt, wordt de Europese wet houdende vaststelling van de begroting geacht definitief te zijn vastgesteld overeenkomstig het gemeenschappelijk ontwerp, of

    • b.

      zowel het Europees Parlement met een meerderheid van zijn leden, als de Raad het gemeenschappelijk ontwerp afwijst, of indien één van deze instellingen het gemeenschappelijk ontwerp afwijst en de andere geen besluit neemt, wordt door de Commissie een nieuwe ontwerp-begroting ingediend, of

    • c.

      het Europees Parlement met een meerderheid van zijn leden het gemeenschappelijk ontwerp afwijst terwijl de Raad het goedkeurt, wordt door de Commissie een nieuwe ontwerpbegroting ingediend, of

    • d.

      het Europees Parlement het gemeenschappelijk ontwerp goedkeurt, terwijl de Raad het afwijst, kan het Europees Parlement binnen veertien dagen na de afwijzing door de Raad met een meerderheid van zijn leden en van drievijfde van het aantal uitgebrachte stemmen besluiten alle of een aantal van de in punt 4, onder c, bedoelde amendementen te bevestigen. Indien een amendement van het Europees Parlement niet wordt bevestigd, wordt het in het bemiddelingscomité overeengekomen standpunt ten aanzien van de begrotingsonderdelen waarop het amendement betrekking heeft, ingenomen. De Europese wet houdende vaststelling van de begroting wordt geacht op deze basis definitief te zijn vastgesteld.

  • 8.

    Indien het bemiddelingscomité niet binnen de in punt 5 genoemde termijn van eenentwintig dagen overeenstemming bereikt over een gemeenschappelijk ontwerp, wordt door de Commissie een nieuwe ontwerp-begroting ingediend.

  • 9.

    Wanneer de in dit artikel omschreven procedure is afgesloten, constateert de voorzitter van het Europees Parlement dat de Europese wet houdende vaststelling van de begroting definitief is vastgesteld.

  • 10.

    Iedere instelling oefent de haar bij dit artikel toegekende bevoegdheden uit met inachtneming van de Grondwet en van de krachtens de Grondwet vastgestelde handelingen, in het bijzonder die welke betrekking hebben op de eigen middelen van de Unie en op het evenwicht tussen ontvangsten en uitgaven.

Artikel

III-405

Artikel

III-406

Onder de voorwaarden bepaald bij de in artikel III-412 bedoelde Europese wet, kunnen de niet op personeelsuitgaven betrekking hebbende kredieten welke aan het einde van het begrotingsjaar ongebruikt zijn gebleven, worden overgedragen, evenwel uitsluitend naar het eerstvolgende begrotingsjaar.

De kredieten worden ingedeeld in hoofdstukken, waarin de uitgaven worden gegroepeerd naar hun aard en bestemming en onderverdeeld overeenkomstig de in artikel III-412 bedoelde Europese wet.

De uitgaven:

  • van het Europees Parlement,

  • van de Europese Raad en van de Raad,

  • van de Commissie, en

  • van het Hof van Justitie van de Europese Unie,

worden als afzonderlijke afdelingen in de begroting opgenomen, onverminderd een speciale regeling voor bepaalde gemeenschappelijke uitgaven.

AFDELING

3

DE UITVOERING VAN DE BEGROTING EN DE KWIJTING

Artikel

III-407

De Commissie voert overeenkomstig de in artikel III-412 bedoelde Europese wet onder eigen verantwoordelijkheid de begroting uit in samenwerking met de lidstaten, binnen de grenzen der toegekende kredieten en in overeenstemming met het beginsel van goed financieel beheer. De lidstaten werken met de Commissie samen om te verzekeren dat de toegekende kredieten volgens datzelfde beginsel worden gebruikt.

Bij de in artikel III-412 bedoelde Europese wet worden de met de uitvoering van de begroting verbandhoudende controle- en auditverplichtingen van de lidstaten en de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheden vastgesteld en worden de verantwoordelijkheden en de nadere bepalingen betreffende de inbreng van iedere instelling bij de uitvoering van haar eigen uitgaven, vastgesteld.

Binnen de begroting kan de Commissie, binnen de grenzen en onder de voorwaarden als bepaald bij de in artikel III-412 bedoelde Europese wet, kredieten overschrijven hetzij van het ene hoofdstuk naar het andere, hetzij van de ene onderafdeling naar de andere.

Artikel

III-408

De Commissie legt elk jaar aan het Europees Parlement en aan de Raad de rekeningen over het afgelopen begrotingsjaar voor welke betrekking hebben op de uitvoering van de begroting. Bovendien doet zij hun een financiële balans van de activa en passiva van de Unie toekomen.

De Commissie dient bij het Europees Parlement en de Raad ook een evaluatieverslag over de financiën van de Unie in, waarin de bereikte resultaten worden getoetst aan de door het Europees Parlement en de Raad krachtens artikel III-409 verstrekte aanwijzingen.

Artikel

III-409

AFDELING

4

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel

III-410

Het meerjarig financieel kader en de jaarlijkse begroting luiden in euro.

Artikel

III-411

De Commissie kan, onder voorbehoud dat zij daarvan de bevoegde instanties van de betrokken lidstaten in kennis stelt, de saldi welke zij in de valuta van een van de lidstaten in haar bezit heeft, overmaken in de valuta van een andere lidstaat, voorzover die saldi gebruikt moeten worden voor de doeleinden die in de Grondwet zijn bepaald. De Commissie vermijdt dergelijke overmakingen zoveel mogelijk, indien zij saldi beschikbaar heeft of beschikbaar kan maken in de valuta waaraan zij behoefte heeft.

De Commissie onderhoudt de betrekkingen met iedere van de betrokken lidstaten door tussenkomst van de door deze aangewezen autoriteit. Voor de uitvoering van financiële verrichtingen heeft zij toegang tot de centrale bank van de betrokken lidstaat of tot een andere door deze lidstaat gemachtigde financiële instelling.

Artikel

III-412

Artikel

III-413

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie zien erop toe dat de Unie beschikt over de financiële middelen waarmee de Unie haar juridische verplichtingen jegens derden kan voldoen.

Artikel

III-414

In het kader van de in dit hoofdstuk bedoelde begrotingsprocedures roept de Commissie regelmatig de voorzitters van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie bijeen. De voorzitters nemen alle maatregelen die nodig zijn om het overleg te bevorderen en de standpunten van hun respectieve instellingen dichter bij elkaar te brengen, om de uitvoering van dit hoofdstuk te vergemakkelijken.

AFDELING

5

FRAUDEBESTRIJDING

Artikel

III-415

HOOFDSTUK

III

NAUWERE SAMENWERKING

Artikel

III-416

Bij nauwere samenwerking worden de Grondwet en het recht van de Unie geëerbiedigd.

Nauwere samenwerking mag geen afbreuk doen aan de interne markt, noch aan de economische, sociale en territoriale samenhang. Zij mag geen belemmering of discriminatie in de handel tussen de lidstaten vormen, en zij mag de mededinging tussen de lidstaten niet verstoren.

Artikel

III-417

Bij nauwere samenwerking worden de bevoegdheden, rechten en verplichtingen van de lidstaten die er niet aan deelnemen, geëerbiedigd. De niet-deelnemende lidstaten belemmeren niet de uitvoering ervan door de deelnemende lidstaten.

Artikel

III-418

Artikel

III-419

Artikel

III-420

Artikel

III-421

De uitgaven die voortvloeien uit de uitvoering van een nauwere samenwerking, met uitzondering van de administratieve kosten voor de instellingen, komen ten laste van de deelnemende lidstaten, tenzij de Raad, na raadpleging van het Europees Parlement, met eenparigheid van stemmen van al zijn leden anders besluit.

Artikel

III-422

Artikel

III-423

De Raad en de Commissie zorgen voor de samenhang van ieder optreden in het kader van een nauwere samenwerking, zowel onderling als met het beleid van de Unie, en werken daartoe samen.

TITEL

VII

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel

III-424

Gezien de structurele economische en sociale situatie van Guadeloupe, Frans Guyana, Martinique, Réunion, de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden, die wordt bemoeilijkt door de grote afstand, het insulaire karakter, de kleine oppervlakte, een moeilijk reliëf en klimaat en de economische afhankelijkheid van een gering aantal producten, welke factoren door hun blijvende en cumulatieve karakter de ontwikkeling van deze gebieden ernstig schaden, stelt de Raad, op voorstel van de Commissie, Europese wetten, kaderwetten, verordeningen en besluiten vast die er met name op gericht zijn de voorwaarden voor de toepassing van de Grondwet, met inbegrip van gemeenschappelijk beleid, op deze gebieden vast te stellen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

De in de eerste alinea bedoelde handelingen hebben met name betrekking op het douane- en handelsbeleid, het fiscaal beleid, vrijhandelszones, het landbouw- en visserijbeleid, voorwaarden voor de voorziening met grondstoffen en essentiële consumptiegoederen, staatssteun en de voorwaarden voor toegang tot structuurfondsen en tot horizontale programma's van de Unie.

De Raad stelt de in de eerste alinea bedoelde handelingen vast, rekening houdend met de bijzondere kenmerken en beperkingen van de ultraperifere gebieden en zonder afbreuk te doen aan de integriteit en de samenhang van de rechtsorde van de Unie, waaronder de interne markt en het gemeenschappelijk beleid.

Artikel

III-425

De Grondwet laat de regeling van het eigendomsrecht in de lidstaten geheel onverlet.

Artikel

III-426

In elk van de lidstaten heeft de Unie de ruimste handelingsbevoegdheid die door de nationale wetgevingen aan rechtspersonen wordt toegekend. Zij kan met name roerende en onroerende goederen verkrijgen of vervreemden en in rechte optreden. Te dien einde wordt zij door de Commissie vertegenwoordigd. De Unie wordt evenwel door elk van de instellingen vertegenwoordigd, uit hoofde van hun administratieve autonomie, voor de aangelegenheden die verband houden met hun respectieve werking.

Artikel

III-427

Het statuut van de ambtenaren van de Unie, alsmede de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie, worden bij Europese wet vastgesteld. Deze wet wordt vastgesteld na raadpleging van de betrokken instellingen.

Artikel

III-428

Voor de vervulling van de haar opgedragen taken kan de Commissie alle gegevens verzamelen en alle noodzakelijke verificaties verrichten, binnen de grenzen en onder de voorwaarden waarin wordt voorzien bij een door de Raad met gewone meerderheid van stemmen vastgestelde Europese verordening of Europees besluit.

Artikel

III-429

Artikel

III-430

De leden van de instellingen van de Unie, de leden van de comités, alsmede de ambtenaren en personeelsleden van de Unie zijn gehouden, zelfs na neerlegging van hun functie, de inlichtingen die naar hun aard onder de geheimhoudingsplicht vallen, met name de inlichtingen betreffende de ondernemingen en hun handelsbetrekkingen of de bestanddelen van hun kostprijzen, niet openbaar te maken.

Artikel

III-431

De contractuele aansprakelijkheid van de Unie wordt beheerst door het recht dat op het betrokken contract van toepassing is.

Inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid moet de Unie overeenkomstig de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, de schade vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functie is veroorzaakt.

In afwijking van de tweede alinea moet de Europese Centrale Bank overeenkomstig de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, de schade vergoeden die door haar zelf of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functie is veroorzaakt.

De persoonlijke aansprakelijkheid van de personeelsleden jegens de Unie wordt geregeld bij de bepalingen tot vaststelling van hun statuut of de op hen toepasselijke regeling.

Artikel

III-432

De zetel van de instellingen van de Unie wordt in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten vastgesteld.

Artikel

III-433

De Raad stelt met eenparigheid van stemmen een Europese verordening vast houdende regeling van het taalgebruik door de instellingen van de Unie, onverminderd het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Artikel

III-435

De rechten en verplichtingen voortvloeiende uit overeenkomsten die vóór 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, vóór de datum van hun toetreding zijn gesloten tussen een of meer lidstaten enerzijds en een of meer derde staten anderzijds, worden door de Grondwet onverlet gelaten.

Voorzover die overeenkomsten niet verenigbaar zijn met de Grondwet maken de betrokken lidstaat of lidstaten gebruik van alle passende middelen om de vastgestelde punten van onverenigbaarheid op te heffen. Indien nodig verlenen de lidstaten elkaar bijstand teneinde dat doel te bereiken en volgen zij in voorkomende gevallen een gemeenschappelijke gedragslijn.

Wanneer de lidstaten de in de eerste alinea bedoelde overeenkomsten toepassen, houden zij rekening met het feit dat de door iedere lidstaat in de Grondwet toegestane voordelen een wezenlijk bestanddeel uitmaken van de Unie en dientengevolge onverbrekelijk verbonden zijn met de oprichting van instellingen waaraan bij de Grondwet bevoegdheden zijn toegedeeld, en met het toekennen van identieke voordelen door alle overige lidstaten.

Artikel

III-436

DEEL

IV

ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel

IV-437

Intrekking van de vroegere verdragen

Artikel

IV-438

Rechtsopvolging en rechtscontinuïteit

Artikel

IV-439

Overgangsbepalingen betreffende bepaalde instellingen

De overgangsbepalingen betreffende de samenstelling van het Europees Parlement, betreffende de omschrijving van de gekwalificeerde meerderheid van stemmen in de Europese Raad en in de Raad, ook in de gevallen waarin niet alle leden van de Europese Raad of de Raad aan de stemming deelnemen, alsmede betreffende de samenstelling van de Commissie, daaronder begrepen de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, zijn opgenomen in het Protocol betreffende de overgangsbepalingen inzake de instellingen en organen van de Unie.

Artikel

IV-440

Territoriaal toepassingsgebied

Artikel

IV-441

Regionale unies

Dit Verdrag vormt geen beletsel voor het bestaan en de voltooiing van de regionale unies tussen België en Luxemburg alsmede tussen België, Luxemburg en Nederland, voorzover de doelstellingen van die regionale unies niet worden bereikt door toepassing van dit Verdrag.

Artikel

IV-442

Protocollen en bijlagen

De protocollen en bijlagen bij dit Verdrag maken een integrerend deel daarvan uit.

Artikel

IV-443

Gewone herzieningsprocedure

Artikel

IV-444

Vereenvoudigde herzieningsprocedure

Artikel

IV-445

Vereenvoudigde herzieningsprocedure voor het intern beleid en optreden van de Unie

Artikel

IV-446

Duur

Dit Verdrag wordt voor onbeperkte tijd gesloten.

Artikel

IV-447

Bekrachtiging en inwerkingtreding

Artikel

IV-448

Authentieke teksten en vertalingen

A

Protocollen gehecht aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa

1

Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Eraan herinnerend dat de wijze waarop de nationale parlementen de controle uitoefenen op hun regering met betrekking tot de activiteiten van de Unie, valt onder de eigen constitutionele inrichting en praktijk van de lidstaten,

Geleid door de wens om een grotere betrokkenheid van de nationale parlementen bij de activiteiten van de Europese Unie te stimuleren en hun betere mogelijkheden te bieden om uiting te geven aan hun zienswijze op de ontwerpen van Europese wetgevingshandelingen en andere aangelegenheden die voor hen van bijzonder belang kunnen zijn,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden gehecht:

TITEL

I

INFORMATIE VOOR DE NATIONALE PARLEMENTEN

Artikel

1

Discussiedocumenten van de Europese Commissie (groenboeken, witboeken en mededelingen) worden bij publicatie door de Commissie rechtstreeks aan de nationale parlementen toegezonden. De Commissie zendt de nationale parlementen ook het jaarlijkse wetgevingsprogramma en alle andere instrumenten voor wetgevingsprogrammering en beleidsstrategie, op hetzelfde tijdstip als aan het Europees Parlement en de Raad.

Artikel

2

De tot het Europees Parlement en de Raad gerichte ontwerpen van Europese wetgevingshandelingen worden aan de nationale parlementen toegezonden.

Voor de toepassing van dit Protocol worden onder „ontwerp van een Europese wetgevingshandeling” verstaan, de voorstellen van de Commissie, de initiatieven van een groep lidstaten, de initiatieven van het Europees Parlement, de verzoeken van het Hof van Justitie, de aanbevelingen van de Europese Centrale Bank en de verzoeken van de Europese Investeringsbank met het oog op de vaststelling van een Europese wetgevingshandeling.

De Commissie zendt haar ontwerpen van Europese wetgevingshandelingen rechtstreeks toe aan de nationale parlementen op hetzelfde tijdstip als aan het Europees Parlement en de Raad.

Het Europees Parlement zendt zijn ontwerpen van Europese wetgevingshandelingen rechtstreeks toe aan de nationale parlementen.

De ontwerpen van Europese wetgevingshandelingen die uitgaan van een groep lidstaten, het Hof van Justitie, de Europese Centrale Bank of de Europese Investeringsbank worden door de Raad aan de nationale parlementen toegezonden.

Artikel

3

De nationale parlementen kunnen de voorzitter van het Europees Parlement, van de Raad en van de Europese Commissie een met redenen omkleed advies toezenden betreffende de overeenstemming van een ontwerp van een Europese wetgevingshandeling met het subsidiariteitsbeginsel, volgens de procedure van het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.

Indien het ontwerp van een Europese wetgevingshandeling uitgaat van een groep lidstaten zendt de voorzitter van de Raad het/de met redenen omklede advies/adviezen toe aan de regeringen van deze lidstaten.

Indien het ontwerp van een Europese wetgevingshandeling uitgaat van het Hof van Justitie, de Europese Centrale Bank of de Europese Investeringsbank zendt de voorzitter van de Raad het/de met redenen omklede advies/adviezen toe aan de/het betrokken instelling of orgaan.

Artikel

4

Er dient een periode van zes weken te verstrijken tussen het tijdstip waarop een ontwerp van een Europese wetgevingshandeling aan de nationale parlementen in de officiële talen van de Unie beschikbaar wordt gesteld, en de datum waarop het met het oog op de vaststelling ervan of op de vaststelling van een standpunt in het kader van een wetgevingsprocedure op de voorlopige agenda van de Raad wordt geplaatst. Uitzonderingen zijn mogelijk in spoedeisende gevallen, waarvoor de redenen in de handeling of het standpunt van de Raad worden aangegeven. Behalve in naar behoren gemotiveerde dringende gevallen kan tijdens deze zes weken niet worden geconstateerd dat er over een ontwerp van een Europese wetgevingshandeling een akkoord bestaat. Behalve in naar behoren gemotiveerde dringende gevallen moeten tussen de plaatsing van een ontwerp van een Europese wetgevingshandeling op de voorlopige agenda van de Raad en de vaststelling van een standpunt tien dagen verstrijken.

Artikel

5

De agenda's en de resultaten van de Raadszittingen, waaronder begrepen de notulen van de Raadszittingen waarin over ontwerpen van Europese wetgevingshandelingen is beraadslaagd, worden rechtstreeks naar de nationale parlementen gezonden, op hetzelfde tijdstip als aan de regeringen van de lidstaten.

Artikel

6

Indien de Europese Raad artikel IV-444, lid 1 of lid 2, van de Grondwet wil toepassen, worden de nationale parlementen tenminste zes maanden voordat een Europees besluit wordt vastgesteld op de hoogte gebracht van het initiatief van de Europese Raad.

Artikel

7

De Rekenkamer zendt haar jaarverslag ter informatie toe aan de nationale parlementen, op hetzelfde tijdstip als aan het Europees Parlement en de Raad.

Artikel

8

Wanneer het nationale parlementaire stelsel geen eenkamerstelsel is, gelden de artikelen 1 tot en met 7 voor de kamers waaruit het bestaat.

TITEL

II

SAMENWERKING TUSSEN DE PARLEMENTEN

Artikel

9

Het Europees Parlement en de nationale parlementen bepalen samen hoe binnen de Unie een efficiënte en regelmatige samenwerking tussen de verschillende parlementen kan worden georganiseerd en gestimuleerd.

Artikel

10

Een conferentie van de organen van de nationale parlementen die gespecialiseerd zijn in de aangelegenheden van de Unie kan iedere door haar passend geachte bijdrage ter attentie van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie leveren. Deze conferentie bevordert voorts de uitwisseling van informatie en beste praktijken tussen de nationale parlementen en het Europees Parlement, alsook tussen hun respectieve gespecialiseerde commissies. Zij kan ook interparlementaire conferenties over specifieke onderwerpen organiseren, met name om vraagstukken op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, waaronder het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, te bespreken. De bijdragen van de conferentie binden de nationale parlementen niet en laten hun standpunt onverlet.

2

Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Geleid door de wens ervoor te zorgen dat besluiten zo dicht mogelijk bij de burgers van de Unie worden genomen;

Vastbesloten de voorwaarden vast te stellen voor de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid van artikel I-11 van de Grondwet en een systeem in te stellen voor toezicht op de toepassing van deze beginselen;

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel

1

Iedere instelling draagt er voortdurend zorg voor dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid van artikel I-11 van de Grondwet in acht worden genomen.

Artikel

2

Alvorens een Europese wetgevingshandeling voor te stellen, houdt de Commissie brede raadplegingen. Daarbij wordt, in voorkomend geval, rekening gehouden met de regionale en de lokale dimensie van het beoogde optreden. In buitengewoon dringende gevallen houdt de Commissie geen raadplegingen. Zij motiveert haar beslissing in haar voorstel.

Artikel

3

Voor de toepassing van dit Protocol worden onder „ontwerp van Europese wetgevingshandeling” verstaan de voorstellen van de Commissie, de initiatieven van een groep lidstaten, de initiatieven van het Europees Parlement, de verzoeken van het Hof van Justitie, de aanbevelingen van de Europese Centrale Bank en de verzoeken van de Europese Investeringsbank met het oog op de vaststelling van een Europese wetgevingshandeling.

Artikel

4

De Commissie zendt haar ontwerpen voor Europese wetgevingshandelingen en gewijzigde ontwerpen gelijktijdig toe aan de nationale parlementen en aan de wetgever van de Unie.

Het Europees Parlement zendt zijn ontwerpen van Europese wetgevingshandelingen en gewijzigde ontwerpen toe aan de nationale parlementen.

De Raad zendt de ontwerpen van Europese wetgevingshandelingen en gewijzigde ontwerpen die uitgaan van een groep lidstaten, het Hof van Justitie, de Europese Centrale Bank of de Europese Investeringsbank toe aan de nationale parlementen.

De wetgevingsresoluties van het Europees Parlement en de standpunten van de Raad worden, zodra zij zijn aangenomen respectievelijk vastgesteld, door de betrokken instelling aan de nationale parlementen toegezonden.

Artikel

5

De ontwerpen van Europese wetgevingshandelingen worden gemotiveerd in het licht van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid. Ieder ontwerp van een Europese wetgevingshandeling bevat een subsidiariteits- en evenredigheidsmemorandum, met een uitgebreide toelichting van de elementen op basis waarvan de naleving van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid kan worden beoordeeld. Dat memorandum moet elementen bevatten waarmee de financiële gevolgen van het voorstel kunnen worden beoordeeld, alsook – in het geval van een Europese kaderwet – het effect ervan op de door de lidstaten vast te stellen regelgeving, inclusief – waar toepasselijk – de regionale regelgeving. De redenen voor de conclusie dat een doelstelling van de Unie beter bereikt kan worden door de Unie, worden met kwalitatieve en, zo mogelijk, kwantitatieve indicatoren gestaafd. In de ontwerpen van Europese wetgevingshandelingen wordt er rekening mee gehouden dat alle, financiële of administratieve, lasten voor de Unie, de nationale regeringen, de regionale of lokale overheden, het bedrijfsleven en de burgers tot een minimum moeten worden beperkt en in verhouding moeten staan tot het te bereiken doel.

Artikel

6

Ieder nationaal parlement en iedere kamer van een van die parlementen kan binnen een termijn van zes weken vanaf de datum van toezending van een ontwerp van Europese wetgevingshandeling aan de voorzitters van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie een gemotiveerd advies toezenden waarin wordt uiteengezet waarom het betrokken ontwerp zijns inziens niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel. Ieder nationaal parlement of iedere kamer van een nationaal parlement raadpleegt, in voorkomend geval, de regionale parlementen met wetgevingsbevoegdheid.

Indien het ontwerp van Europese wetgevingshandeling uitgaat van een groep lidstaten zendt de voorzitter van de Raad het advies toe aan de regeringen van die lidstaten.

Indien het ontwerp van Europese wetgevingshandeling afkomstig is van het Hof van Justitie, de Europese Centrale Bank of de Europese Investeringsbank zendt de voorzitter van de Raad het advies toe aan de betrokken instelling of het betrokken orgaan.

Artikel

7

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, alsmede in voorkomend geval, de groep van lidstaten, het Hof van Justitie, de Europese Centrale Bank of de Europese Investeringsbank houden, indien het ontwerp van wetgevingshandeling van hen uitgaat, rekening met de gemotiveerde adviezen die de nationale parlementen of een kamer van een van deze parlementen tot hen richten.

Ieder nationaal parlement heeft twee stemmen, die worden toegewezen op grond van het nationale parlementaire stelsel. In een nationaal parlementair stelsel met twee kamers heeft elk van de twee kamers een stem.

Indien gemotiveerde adviezen waarin wordt gesteld dat een ontwerp van Europese wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel, ten minste eenderde vertegenwoordigen van alle stemmen die aan de nationale parlementen zijn toegedeeld overeenkomstig de tweede alinea, moet het ontwerp opnieuw in overweging worden genomen. Deze drempel bedraagt eenvierde indien het een ontwerp van een Europese wetgevingshandeling betreft dat is ingediend op grond van artikel III-264 van de Grondwet, betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht.

Op grond van de heroverweging kan de Commissie of, in voorkomend geval, de groep lidstaten, het Europees Parlement, het Hof van Justitie, de Europese Centrale Bank of de Europese Investeringsbank, indien het ontwerp van Europese wetgevingshandeling van hen uitgaat, besluiten het ontwerp te handhaven, te wijzigen of in te trekken. Dit besluit moet worden gemotiveerd.

Artikel

8

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd uitspraak te doen inzake ieder beroep wegens schending door een Europese wetgevingshandeling van het subsidiariteitsbeginsel, dat op de wijze als bepaald in artikel III-365 van de Grondwet wordt ingesteld door een lidstaat, of door een lidstaat overeenkomstig zijn rechtsorde wordt toegezonden namens zijn nationaal parlement of een kamer van dat parlement.

Op de wijze als bepaald in datzelfde artikel kan ook het Comité van de Regio's een dergelijk beroep instellen tegen Europese wetgevingshandelingen voor de vaststelling waarvan het volgens de Grondwet moet worden geraadpleegd.

Artikel

9

De Commissie brengt jaarlijks aan de Europese Raad, aan het Europees Parlement, aan de Raad en aan de nationale parlementen verslag uit over de toepassing van artikel I-11 van de Grondwet. Dit jaarverslag wordt ook aan het Comité van de Regio's en aan het Economisch en Sociaal Comité toegezonden.

3

Protocol tot vaststelling van het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Wensende, het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, bedoeld in artikel III-381van de Grondwet, vast te stellen,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden gehecht:

TITEL

I

STATUS VAN DE RECHTERS EN VAN DE ADVOCATEN-GENERAAL

Artikel

2

Alvorens zijn ambt te aanvaarden, moet iedere rechter voor het Hof van Justitie in openbare zitting bijeen, de eed afleggen, dat hij zijn functie zal uitoefenen in volkomen onpartijdigheid en geheel overeenkomstig zijn geweten en dat hij niets van het geheim der beraadslagingen openbaar zal maken.

Artikel

3

De rechters zijn vrijgesteld van rechtsvervolging. Met betrekking tot hetgeen zij in hun officiële hoedanigheid hebben gedaan, gezegd of geschreven, blijven zij deze immuniteit genieten ook nadat zij hun ambt hebben neergelegd.

Het Hof van Justitie kan, in voltallige zitting, de immuniteit opheffen. Wanneer de beslissing betrekking heeft op een lid van het Gerecht of van een gespecialiseerde rechtbank, beslist het Hof na raadpleging van het betrokken rechtscollege.

Ingeval tegen een rechter wiens immuniteit is opgeheven, een strafvervolging wordt ingesteld, kan hij in elk der lidstaten slechts worden berecht door de instantie die bevoegd is tot berechting van de leden van het hoogste nationale rechterlijke college.

De artikelen 11 tot en met 14 en artikel 17 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Unie zijn van toepassing op de rechters, de advocaten-generaal, de griffiers en de toegevoegde rapporteurs van het Hof van Justitie van de Europese Unie, onverminderd de bepalingen van de eerste, de tweede en de derde alinea van dit artikel nopens de vrijstelling van rechtsvervolging van de rechters.

Artikel

4

De rechters mogen geen politieke functie of bestuursambt uitoefenen.

Zij mogen geen al dan niet bezoldigde beroepswerkzaamheid verrichten, tenzij van deze bepaling krachtens een bij gewone meerderheid vastgesteld Europees besluit van de Raad bij uitzondering afwijking is toegestaan.

Bij hun ambtsaanvaarding verbinden zij zich plechtig om gedurende hun ambtsperiode en na afloop daarvan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen na te komen, in het bijzonder eerlijkheid en kiesheid te betrachten in het aanvaarden van bepaalde functies of voordelen na afloop van die ambtsperiode.

In geval van twijfel beslist het Hof van Justitie. Wanneer de beslissing betrekking heeft op een lid van het Gerecht of van een gespecialiseerde rechtbank, beslist het Hof na raadpleging van het betrokken rechtscollege.

Artikel

5

Behalve door periodieke vervanging of door overlijden eindigt de ambtsuitoefening van een rechter door ontslag.

Ingeval een rechter om ontslag verzoekt, richt hij daartoe tot de president van het Hof van Justitie een brief, die aan de voorzitter van de Raad wordt doorgezonden. Door laatstbedoelde kennisgeving ontstaat een vacature.

Met uitzondering van de gevallen waarin artikel 6 van toepassing is, blijft elke rechter zitting hebben totdat zijn opvolger in functie treedt.

Artikel

6

Een rechter kan slechts van zijn ambt worden ontheven of van zijn recht op pensioen of van andere als zodanig geldende gunsten vervallen worden verklaard, wanneer hij, naar het eenstemmig oordeel van de rechters van en de advocaten-generaal bij het Hof van Justitie, heeft opgehouden aan de gestelde voorwaarden of aan de uit zijn ambt voortvloeiende verplichtingen te voldoen. De betrokkene neemt niet aan die beraadslagingen deel. Wanneer de betrokkene lid is van het Gerecht of van een gespecialiseerde rechtbank, beslist het Hof na raadpleging van het betrokken rechtscollege.

De griffier deelt de beslissing van het Hof mede aan de voorzitters van het Europees Parlement en van de Commissie en geeft van die beslissing kennis aan de voorzitter van de Raad.

In geval van een beslissing waarbij een rechter van zijn ambt wordt ontheven, ontstaat door laatstbedoelde kennisgeving een vacature.

Artikel

7

De rechters wier ambtsuitoefening vóór het verstrijken van hun mandaat eindigt, worden voor de verdere duur van het mandaat vervangen.

TITEL

II

ORGANISATIE VAN HET HOF VAN JUSTITIE

Artikel

9

De gedeeltelijke vervanging van de rechters, die om de drie jaar plaatsvindt, heeft beurtelings betrekking op dertien en op twaalf rechters.

De gedeeltelijke vervanging van de advocaten-generaal, die om de drie jaar plaatsvindt, heeft telkens betrekking op vier advocaten-generaal.

Artikel

10

De griffier legt voor het Hof van Justitie de eed af dat hij zijn functie zal uitoefenen in volkomen onpartijdigheid en geheel overeenkomstig zijn geweten en dat hij niets van het geheim der beraadslagingen openbaar zal maken.

Artikel

11

Het Hof van Justitie regelt de vervanging van de griffier, voor het geval dat deze verhinderd is.

Artikel

12

In het belang van de dienst worden aan het Hof van Justitie ambtenaren en andere personeelsleden verbonden. Zij ressorteren onder de griffier, onder het gezag van de president.

Artikel

13

Bij Europese wet kan worden voorzien in de benoeming van toegevoegde rapporteurs en kan hun statuut worden bepaald. Deze wet wordt vastgesteld op verzoek van het Hof van Justitie. De toegevoegde rapporteurs kunnen overeenkomstig de in het reglement voor de procesvoering vastgestelde bepalingen worden geroepen om deel te nemen aan het onderzoek van de bij het Hof aanhangige zaken en om de rechter-rapporteur bij te staan.

De toegevoegde rapporteurs, gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en de nodige bewijzen van juridische bekwaamheid bezitten, worden bij een met gewone meerderheid vastgesteld Europees besluit van de Raad benoemd. Zij leggen voor het Hof de eed af dat zij hun ambt zullen uitoefenen in volkomen onpartijdigheid en geheel overeenkomstig hun geweten en dat zij niets van het geheim der beraadslagingen openbaar zullen maken.

Artikel

14

De rechters, de advocaten-generaal en de griffier zijn verplicht verblijf te houden in de plaats waar het Hof van Justitie is gevestigd.

Artikel

15

Het Hof van Justitie is permanent in functie. De rechterlijke vakanties worden door het Hof met inachtneming van de eisen van de dienst vastgesteld.

Artikel

16

Het Hof van Justitie vormt uit zijn midden kamers van drie en vijf rechters. De rechters kiezen uit hun midden de presidenten van de kamers. De presidenten van de kamers van vijf rechters worden voor drie jaar gekozen. Zij zijn eenmaal herbenoembaar.

De grote kamer bestaat uit dertien rechters. Zij wordt voorgezeten door de president van het Hof. Voorts maken van de grote kamer deel uit de presidenten van de kamers van vijf rechters, alsmede andere rechters die worden aangewezen overeenkomstig de in het reglement voor de procesvoering vastgestelde bepalingen.

Het Hof houdt zitting in grote kamer, wanneer een lidstaat of een instelling van de Unie die partij is bij het geding daarom verzoekt.

Het Hof komt in voltallige zitting bijeen wanneer een zaak aanhangig is gemaakt op grond van artikel III-335, lid 2, artikel III-347, tweede alinea, artikel III-349 of artikel III-385, lid 6, van de Grondwet.

Verder kan het Hof, wanneer het van oordeel is dat een aanhangige zaak van uitzonderlijk belang is, nadat de advocaat-generaal is gehoord, besluiten deze zaak naar de voltallige zitting te verwijzen.

Artikel

17

Het Hof van Justitie kan slechts in oneven getal op geldige wijze beslissen.

De beslissingen van de uit drie of vijf rechters bestaande kamers zijn geldig, wanneer zij door drie rechters zijn genomen.

De beslissingen van de grote kamer zijn geldig, wanneer negen rechters tegenwoordig zijn.

De in voltallige zitting genomen beslissingen van het Hof zijn geldig, wanneer vijftien rechters tegenwoordig zijn.

In geval van verhindering van één der rechters van een kamer kan, overeenkomstig de in het reglement voor de procesvoering vastgestelde bepalingen een beroep worden gedaan op een rechter die deel uitmaakt van een andere kamer.

Artikel

18

De rechters en de advocaten-generaal mogen niet deelnemen aan de berechting van enige zaak, waarin zij vroeger zijn opgetreden als gemachtigde, raadsman of advocaat van één van beide partijen, of waarover zij geroepen zijn geweest zich uit te spreken als lid van een rechtbank, van een commissie van onderzoek of in enige andere hoedanigheid.

Wanneer een rechter of advocaat-generaal om een bijzondere reden meent niet te kunnen deelnemen aan de berechting of het onderzoek van een bepaalde zaak, deelt hij dit aan de president mede. Ingeval de president van oordeel is, dat een rechter of een advocaat-generaal om een bijzondere reden niet over een bepaalde zaak dient te zitten of te concluderen, stelt hij de betrokkene hiervan in kennis.

In geval van moeilijkheden nopens de toepassing van dit artikel beslist het Hof van Justitie.

Partijen kunnen geen wijziging in de samenstelling van het Hof of van een van zijn kamers verlangen met een beroep op de nationaliteit van een rechter, of op het feit, dat in het Hof of in een van zijn kamers een rechter van hun nationaliteit ontbreekt.

TITEL

III

PROCEDURE VOOR HET HOF VAN JUSTITIE

Artikel

19

De lidstaten zowel als de instellingen van de Unie worden voor het Hof van Justitie vertegenwoordigd door een voor elke zaak benoemde gemachtigde. De gemachtigde kan door een raadsman of door een advocaat worden bijgestaan.

De staten – niet zijnde lidstaten – die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, alsmede de in die Overeenkomst bedoelde Toezichthoudende Autoriteit van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) worden op gelijke wijze vertegenwoordigd.

De andere partijen moeten door een advocaat worden vertegenwoordigd.

Alleen een advocaat die bevoegd is om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat of van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, kan een partij voor het Hof vertegenwoordigen of bijstaan.

De gemachtigden, raadslieden en advocaten, die voor het Hof verschijnen, genieten de voor de onafhankelijke uitoefening van hun functies nodige rechten en waarborgen, overeenkomstig de in het reglement voor de procesvoering vastgestelde bepalingen.

Ten aanzien van de raadslieden en advocaten die voor het Hof optreden, geniet het Hof dezelfde bevoegdheden als op dit gebied in de regel zijn toegekend aan gerechtshoven en rechtbanken, overeenkomstig de in het reglement voor de procesvoering vastgestelde bepalingen.

Hoogleraren die onderdaan zijn van een lidstaat waarvan de wetgeving hun het recht toekent te pleiten, genieten voor het Hof de rechten die in dit artikel aan de advocaten zijn toegekend.

Artikel

20

De procedure voor het Hof van Justitie bestaat uit twee gedeelten: de schriftelijke en de mondelinge behandeling.

De schriftelijke behandeling omvat het toezenden aan partijen en aan de instellingen, organen of instanties van de Unie waarvan de handelingen in het geding zijn, van de verzoekschriften, memories, verweerschriften en opmerkingen en, eventueel, replieken, alsmede van alle stukken en documenten welke ter ondersteuning in het geding worden gebracht of van hun voor eensluidend gewaarmerkte afschriften.

De toezending geschiedt door tussenkomst van de griffier in de volgorde en binnen de in het reglement voor de procesvoering vastgestelde termijnen.

De mondelinge behandeling omvat de voorlezing van het rapport van de rechter-rapporteur, alsmede het horen door het Hof van de gemachtigden, raadslieden en advocaten, en van de advocaat-generaal in zijn conclusie, benevens, zo nodig, het horen van getuigen en deskundigen.

Wanneer het Hof van oordeel is dat in de zaak geen nieuwe rechtsvraag aan de orde is, kan het Hof, de advocaat-generaal gehoord, beslissen dat de zaak zonder conclusie van de advocaat-generaal zal worden berecht.

Artikel

21

Een zaak wordt bij het Hof van Justitie aanhangig gemaakt door middel van een verzoekschrift, dat aan de griffier wordt toegezonden. Het verzoekschrift moet inhouden de naam en woonplaats van de verzoeker en de hoedanigheid van de ondertekenaar, de aanduiding van de partij of partijen tegen wie het verzoekschrift is gericht, het onderwerp van het geschil, de conclusies en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen.

Het moet, indien daartoe aanleiding bestaat, vergezeld gaan van de handeling waarvan nietigverklaring wordt gevraagd, of, in het geval bedoeld in artikel III-367 van de Grondwet, van een bewijsstuk van de datum van de in dit artikel bedoelde uitnodiging. Indien deze stukken niet bij het verzoekschrift zijn gevoegd, nodigt de griffier de betrokkene uit deze alsnog binnen een redelijke termijn over te leggen; verval van het recht tot beroep kan niet worden tegengeworpen, indien het verzuim eerst is hersteld na het verstrijken van de termijn van beroep.

Artikel

22

In de in artikel 18 van het EGA-Verdrag bedoelde gevallen wordt bij het Hof van Justitie beroep ingesteld door middel van een verzoekschrift, dat aan de griffier wordt toegezonden. Het verzoekschrift moet inhouden de naam en woonplaats van de verzoeker en de hoedanigheid van de ondertekenaar, de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld, de tegenpartijen, het onderwerp van het geschil, de conclusies en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen.

Het moet vergezeld gaan van een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de betwiste beslissing van de arbitragecommissie.

Indien het Hof het beroep verwerpt, wordt de beslissing van de arbitragecommissie onherroepelijk.

Indien het Hof de beslissing van de arbitragecommissie vernietigt, kan de procedure, wanneer daartoe grond bestaat, op initiatief van een der partijen in het geding voor de arbitragecommissie worden hervat. Deze is aan de door het Hof besliste rechtsvragen gebonden.

Artikel

23

In de in artikel III-369 van de Grondwet bedoelde gevallen wordt van de beslissing van de nationale rechterlijke instantie die de procedure schorst en een beroep doet op het Hof van Justitie, aan het Hof kennis gegeven op initiatief van die instantie. De griffier van het Hof geeft van deze beslissing vervolgens kennis aan de betrokken partijen, de lidstaten en de Commissie, alsmede aan de instelling, het orgaan of de instantie van de Unie die de handeling waarvan de geldigheid of de uitlegging wordt betwist, heeft vastgesteld.

Binnen twee maanden na deze laatste kennisgeving hebben de partijen, de lidstaten, de Commissie en, in voorkomend geval, de instelling, het orgaan of de instantie van de Unie die de handeling waarvan de geldigheid of de uitlegging wordt betwist, heeft vastgesteld, het recht bij het Hof memories of schriftelijke opmerkingen in te dienen.

Van de beslissing van de nationale rechterlijke instantie wordt door de griffier van het Hof voorts kennis gegeven aan de staten – niet zijnde lidstaten – die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte alsmede aan de in die overeenkomst bedoelde Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, die binnen twee maanden na de kennisgeving bij het Hof memories of schriftelijke opmerkingen kunnen indienen wanneer de beslissing een van de toepassingsgebieden van de overeenkomst betreft. Deze alinea is niet van toepassing op aangelegenheden die onder het toepassingsgebied van het EGA-Verdrag vallen.

Indien in een door de Raad met een of meer derde landen op een bepaald gebied gesloten overeenkomst is bepaald, dat deze landen het recht hebben memories of schriftelijke opmerkingen in te dienen ingeval een rechterlijke instantie van een lidstaat het Hof een prejudiciële vraag stelt die op het toepassingsgebied van de overeenkomst betrekking heeft, wordt van de beslissing van de nationale rechterlijke instantie waarin een dergelijke vraag is gesteld, eveneens kennis gegeven aan de betrokken derde landen, die binnen een termijn van twee maanden na deze kennisgeving memories of schriftelijke opmerkingen kunnen indienen bij het Hof.

Artikel

24

Het Hof van Justitie kan partijen verzoeken alle stukken over te leggen en alle inlichtingen te verstrekken, die het nuttig acht. In geval van weigering neemt het Hof hiervan akte.

Het Hof kan eveneens aan de lidstaten en aan de instellingen, organen of instanties van de Unie die geen partij in het proces zijn, verzoeken alle inlichtingen te verstrekken die het voor het proces nodig acht.

Artikel

25

Het Hof van Justitie kan te allen tijde een deskundigenonderzoek opdragen aan personen, lichamen, bureaus, commissies of organen te zijner keuze.

Artikel

26

Getuigen kunnen worden gehoord overeenkomstig de in het reglement voor de procesvoering vastgestelde bepalingen.

Artikel

27

Ten aanzien van gebrekkige getuigen geniet het Hof van Justitie dezelfde bevoegdheden als op dit gebied in de regel zijn toegekend aan gerechtshoven en rechtbanken, en kan het geldboeten opleggen, een en ander overeenkomstig de in het reglement voor de procesvoering vastgestelde bepalingen.

Artikel

28

Getuigen en deskundigen kunnen onder ede worden gehoord volgens de in het reglement voor de procesvoering vastgestelde formule of op de wijze, die in de nationale wetgeving van de getuige of de deskundige is voorgeschreven.

Artikel

29

Het Hof van Justitie kan bevelen, dat een getuige of deskundige door de rechterlijke instantie van zijn woonplaats wordt gehoord.

Dit bevel wordt ter uitvoering gericht tot de bevoegde rechterlijke instantie overeenkomstig de bepalingen van het reglement voor de procesvoering. De stukken ter uitvoering van de moratoire commissie worden op dezelfde wijze aan het Hof teruggezonden.

Het Hof draagt de kosten, doch kan deze eventueel ten laste van partijen brengen.

Artikel

30

Elke lidstaat beschouwt iedere schending van de eed der getuigen en deskundigen als het overeenkomstige strafbare feit bedreven voor een nationale rechtbank die in burgerlijke zaken uitspraak doet. Op aangifte van het Hof van Justitie vervolgt hij de daders van dit strafbare feit voor de bevoegde nationale rechterlijke instantie.

Artikel

31

De zittingen zijn openbaar, tenzij het Hof van Justitie ambtshalve of op verzoek van partijen om gewichtige redenen anders beslist.

Artikel

32

Tijdens de mondelinge behandeling kan het Hof van Justitie de deskundigen, de getuigen alsook de partijen zelf, horen. Deze laatsten kunnen evenwel slechts pleiten bij monde van hun vertegenwoordiger.

Artikel

33

Van iedere zitting wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat door de president en de griffier wordt ondertekend.

Artikel

34

De rol der terechtzittingen wordt door de president vastgesteld.

Artikel

35

De beraadslagingen van het Hof van Justitie zijn en blijven geheim.

Artikel

36

De arresten zijn met redenen omkleed. Zij vermelden de namen van de rechters die hebben beslist.

Artikel

37

De arresten worden ondertekend door de president en de griffier. Zij worden in openbare zitting uitgesproken.

Artikel

38

Het Hof van Justitie geeft een beslissing ten aanzien van de proceskosten.

Artikel

39

De president van het Hof van Justitie kan volgens een summiere procedure, die voorzover nodig afwijkt van sommige regels van dit statuut en die wordt vastgesteld bij het reglement voor de procesvoering, uitspraak doen op conclusies, strekkende ofwel tot verkrijging van de in artikel III-379, lid 1, van de Grondwet en artikel 157 van het EGA-Verdrag bedoelde opschorting, ofwel tot toepassing van voorlopige maatregelen krachtens artikel III-379, lid 2, van de Grondwet, ofwel tot schorsing van de gedwongen tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel III-401, vierde alinea, van de Grondwet of artikel 164, derde alinea, van het EGA-Verdrag.

Bij verhindering van de president wordt deze door een andere rechter vervangen overeenkomstig de in het reglement voor de procesvoering vastgestelde bepalingen.

De door de president of zijn plaatsvervanger gegeven beschikking heeft slechts een voorlopig karakter en prejudicieert niet op de beslissing van het Hof ten principale.

Artikel

40

De lidstaten en de instellingen van de Unie kunnen zich voegen in een voor het Hof van Justitie aanhangig rechtsgeding.

Hetzelfde recht komt toe aan de organen en instanties van de Unie en elke andere persoon indien zij aannemelijk kunnen maken belang te hebben bij de beslissing van het voor het Hof aanhangige rechtsgeding. Natuurlijke of rechtspersonen kunnen zich niet voegen in rechtsgedingen tussen lidstaten, tussen instellingen van de Unie, of tussen lidstaten enerzijds en instellingen van de Unie anderzijds.

Onverminderd het bepaalde in de tweede alinea kunnen de staten – niet zijnde lidstaten – die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, alsmede de in die overeenkomst bedoelde Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, zich voegen in een voor het Hof aanhangig rechtsgeding, wanneer dit een der toepassingsgebieden van die overeenkomst betreft.

De conclusies van het verzoek tot voeging kunnen slechts strekken tot ondersteuning van de conclusies van een der partijen.

Artikel

41

Wanneer de verwerende partij, ofschoon regelmatig in het geding geroepen, nalaat schriftelijk conclusies in te dienen, wordt het arrest tegen haar bij verstek gewezen. Het arrest is vatbaar voor verzet binnen een maand na zijn betekening. Tenzij het Hof van Justitie anders bepaalt, schorst het verzet de tenuitvoerlegging van het bij verstek gewezen arrest niet.

Artikel

42

De lidstaten, de instellingen, organen en bureaus van de Unie en alle andere natuurlijke of rechtspersonen kunnen, in de gevallen en overeenkomstig de bepalingen die worden vastgesteld in het reglement voor de procesvoering, derdenverzet instellen tegen de arresten gewezen in rechtsgedingen waarin zij niet geroepen zijn geweest, indien hun rechten door deze arresten worden geschaad.

Artikel

43

In geval van moeilijkheden aangaande de betekenis en de strekking van een arrest, legt het Hof van Justitie dit uit, op verzoek van een der partijen of van een instelling van de Unie die haar belang terzake aannemelijk maakt.

Artikel

44

Het Hof van Justitie kan slechts om herziening van een arrest worden verzocht op grond van de ontdekking van een feit dat van beslissende invloed kan zijn en dat vóór de uitspraak van het arrest onbekend was aan het Hof en aan de partij die om herziening verzoekt.

De herzieningsprocedure begint met een arrest waarbij het Hof uitdrukkelijk het bestaan van een nieuw feit vaststelt, oordeelt dat het grond tot herziening oplevert en uit dien hoofde het verzoek ontvankelijk verklaart.

Om herziening kan niet meer worden verzocht na verloop van tien jaar te rekenen van de dagtekening van het arrest.

Artikel

45

In het reglement voor de procesvoering worden termijnen wegens afstand vastgesteld.

Verval van instantie wegens het verstrijken van een procestermijn kan niet worden tegengeworpen, wanneer de betrokkene toeval of overmacht aantoont.

Artikel

46

De vorderingen tegen de Unie inzake niet-contractuele aansprakelijkheid verjaren vijf jaar na het feit dat tot deze vordering aanleiding heeft gegeven. De verjaring wordt gestuit, hetzij door een bij het Hof van Justitie ingesteld beroep, hetzij door een eerder gedaan verzoek, dat de benadeelde kan richten tot de bevoegde instelling van de Unie. In het laatste geval moet het beroep worden ingesteld binnen de termijn van twee maanden, bepaald in artikel III-365 van de Grondwet. Artikel III-367, tweede alinea, van de Grondwet is van toepassing.

Dit artikel is tevens van toepassing op vorderingen tegen de Europese Centrale Bank inzake niet-contractuele aansprakelijkheid.

TITEL

IV

HET GERECHT

Artikel

48

Het Gerecht bestaat uit vijfentwintig rechters.

Artikel

49

De leden van het Gerecht kunnen worden aangewezen om de functie van advocaat-generaal te bekleden.

De advocaat-generaal heeft tot taak in het openbaar in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken die aan het Gerecht zijn voorgelegd, teneinde dit ter zijde te staan bij de vervulling van zijn taak.

De criteria voor de selectie van de zaken en de wijze waarop de advocaten-generaal worden aangewezen, worden vastgesteld in het reglement voor de procesvoering van het Gerecht.

Een lid van het Gerecht dat is aangewezen om in een zaak de functie van advocaat-generaal te bekleden, mag niet deelnemen aan de berechting van die zaak.

Artikel

50

Het Gerecht houdt zitting in kamers bestaande uit drie of vijf rechters. De rechters kiezen uit hun midden de kamerpresident. De presidenten van de kamers van vijf rechters worden voor drie jaar gekozen. Zij zijn eenmaal herbenoembaar.

Het reglement voor de procesvoering regelt de samenstelling van de kamers en bepaalt van welke zaken zij kennis nemen. In sommige, door het reglement voor de procesvoering vastgestelde gevallen, kan het Gerecht voltallig of in enkelvoudige kamer zitting houden.

Het reglement voor de procesvoering kan ook bepalen dat, in de gevallen en onder de voorwaarden die daarin worden vastgesteld, het Gerecht in grote kamer zitting houdt.

Artikel

51

In afwijking van het bepaalde in artikel III-358, lid 1, van de Grondwet zijn aan het Hof van Justitie voorbehouden de in de artikelen III-365 en III-367 van de Grondwet bedoelde beroepen die door een lidstaat worden ingesteld tegen

Eveneens aan het Hof van Justitie voorbehouden zijn de in voornoemde artikelen bedoelde beroepen die door een instelling van de Unie worden ingesteld tegen een handeling of een nalaten te besluiten van het Europees Parlement, de Raad, deze beide instellingen tezamen of de Commissie, en door een instelling tegen een handeling of een nalaten te besluiten van de Europese Centrale Bank.

Artikel

52

De president van het Hof van Justitie en de president van het Gerecht bepalen in onderlinge overeenstemming de wijze waarop ambtenaren en andere personeelsleden bij het Hof in het belang van de dienst hun diensten aan het Gerecht verlenen. Bepaalde ambtenaren of andere personeelsleden ressorteren onder de griffier van het Gerecht, onder het gezag van de president van het Gerecht.

Artikel

53

De procedure voor het Gerecht wordt geregeld in titel III.

De procedure voor het Gerecht wordt, voorzover nodig, gepreciseerd en aangevuld door het reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Het reglement voor de procesvoering kan afwijken van artikel 40, vierde alinea, en van artikel 41, wanneer dat wegens de bijzonderheden van de geschillen op het gebied van de intellectuele eigendom noodzakelijk is.

In afwijking van artikel 20, vierde alinea, kan de advocaat-generaal zijn met redenen omklede conclusie schriftelijk nemen.

Artikel

54

Wanneer een tot het Gerecht gericht verzoekschrift of ander processtuk bij vergissing wordt neergelegd bij de griffier van het Hof van Justitie, wordt het door hem onverwijld doorgezonden naar de griffier van het Gerecht. Evenzo, wanneer een tot het Hof gericht verzoekschrift of ander processtuk bij vergissing wordt neergelegd bij de griffier van het Gerecht, wordt het door hem onverwijld doorgezonden naar de griffier van het Hof.

Wanneer het Gerecht vaststelt dat het niet bevoegd is kennis te nemen van een beroep ten aanzien waarvan het Hof bevoegd is, verwijst het de zaak naar het Hof. Evenzo, wanneer het Hof vaststelt dat een beroep tot de bevoegdheid van het Gerecht behoort, verwijst het de zaak naar het Gerecht dat zich dan niet onbevoegd kan verklaren.

Wanneer bij het Hof en het Gerecht zaken aanhangig worden gemaakt die hetzelfde voorwerp hebben of die dezelfde vraag van uitlegging dan wel de geldigheid van dezelfde handeling betreffen, kan het Gerecht, de partijen gehoord, de behandeling schorsen totdat het Hof arrest heeft gewezen, dan wel, als het beroepen op grond van artikel III-365 van de Grondwet of artikel 146 van het EGA-Verdrag betreft, zich onbevoegd verklaren opdat het Hof uitspraak kan doen op die beroepen. Onder dezelfde voorwaarden kan ook het Hof besluiten zijn behandeling te schorsen. De procedure voor het Gerecht vindt dan doorgang.

Wanneer een lidstaat en een instelling eenzelfde handeling betwisten, verklaart het Gerecht zich onbevoegd opdat het Hof uitspraak kan doen op die beroepen.

Artikel

55

Van eindbeslissingen van het Gerecht, beslissingen die het geding ten gronde slechts gedeeltelijk beslechten of die een einde maken aan een procesincident terzake van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid, geeft de griffier van het Gerecht kennis aan alle partijen, alsook aan alle lidstaten en aan de instellingen van de Unie, zelfs indien deze zich niet in de zaak voor het Gerecht hebben gevoegd.

Artikel

56

Uiterlijk binnen twee maanden te rekenen vanaf de betekening van de bestreden beslissing kan bij het Hof van Justitie een verzoek om hogere voorziening worden ingediend tegen eindbeslissingen van het Gerecht, alsmede tegen beslissingen die het geding ten gronde slechts gedeeltelijk beslechten of die een einde maken aan een procesincident terzake van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid.

Hogere voorziening staat open voor iedere partij die geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld. Voor andere interveniërende partijen dan lidstaten en instellingen van de Unie staat hogere voorziening evenwel slechts open, wanneer de beslissing van het Gerecht hun situatie rechtstreeks aantast.

Met uitzondering van zaken betreffende geschillen tussen de Unie en hun personeelsleden, staat hogere voorziening eveneens open voor de lidstaten en de instellingen van de Unie die zich niet in het geding voor het Gerecht hebben gevoegd. In dit geval verschilt de positie van die lidstaten en instellingen niet van de positie van lidstaten of instellingen die in eerste aanleg zouden zijn geïntervenieerd.

Artikel

57

Hogere voorziening bij het Hof van Justitie staat open tegen beslissingen van het Gerecht waarbij een verzoek tot interventie wordt afgewezen. Het verzoek om hogere voorziening moet door degene wiens verzoek is afgewezen, worden ingediend binnen twee weken, te rekenen vanaf de betekening van de afwijzende beslissing.

Tegen iedere beslissing die door het Gerecht krachtens artikel III-379, lid 1 en 2 of artikel III-401, vierde alinea, van de Grondwet dan wel krachtens artikel 157 of artikel 164, derde alinea, van het EGA-Verdrag wordt genomen, staat voor de partijen in het geding hogere voorziening open gedurende twee maanden vanaf de betekening ervan.

Over de in de eerste en tweede alinea bedoelde hogere voorziening wordt beslist volgens de in artikel 39 bedoelde procedure.

Artikel

58

Het verzoek aan het Hof van Justitie om hogere voorziening kan alleen rechtsvragen betreffen. Het kan gebaseerd zijn op middelen, ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, op onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, of op schending van het recht van de Unie door het Gerecht.

Het verzoek om hogere voorziening kan niet uitsluitend betrekking hebben op de veroordeling in of het bedrag van de proceskosten.

Artikel

59

In geval van hogere voorziening tegen een beslissing van het Gerecht omvat de procedure voor het Hof van Justitie een schriftelijk en een mondeling gedeelte. Onder de in het reglement voor de procesvoering vastgestelde voorwaarden kan het Hof, de advocaat-generaal en de partijen gehoord, zonder mondelinge behandeling beslissen.

Artikel

60

Onverminderd artikel III-379, leden 1 en 2, van de Grondwet dan wel artikel 157 van het EGA-Verdrag, heeft het verzoek om hogere voorziening geen opschortende werking.

In afwijking van artikel III-380 van de Grondwet treden beslissingen van het Gerecht houdende nietigverklaring van een Europese wet of een Europese verordening die verbindend is in al haar onderdelen en die rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat, eerst in werking na afloop van de termijn bedoeld in artikel 56, eerste alinea, van dit statuut, of, indien binnen deze termijn een verzoek om hogere voorziening is ingediend, nadat dit verzoek is verworpen, onverminderd het feit dat een partij het Hof van Justitie krachtens artikel III-379, leden 1 en 2, van de Grondwet dan wel artikel 157 van het EGA-Verdrag kan verzoeken om opschorting van de werking van de nietig verklaarde Europese wet of Europese verordening of om enige andere voorlopige maatregel.

Artikel

61

In geval van gegrondheid van het verzoek om hogere voorziening vernietigt het Hof van Justitie de beslissing van het Gerecht. Het kan dan zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht.

Indien de zaak wordt verwezen, is het Gerecht gebonden aan de beslissing van het Hof over de rechtsvragen.

In geval van gegrondheid van een verzoek om hogere voorziening van een lidstaat of een instelling van de Unie die zich niet in de zaak voor het Gerecht heeft gevoegd, kan het Hof, indien het zulks noodzakelijk acht, verklaren welke gevolgen van de vernietigde beslissing van het Gerecht als definitief worden beschouwd ten aanzien van de andere partijen in het geschil.

Artikel

62

In de in artikel III-358, leden 2 en 3, van de Grondwet bedoelde gevallen kan de eerste advocaat-generaal het Hof van Justitie voorstellen, de beslissing van het Gerecht te heroverwegen, wanneer hij van oordeel is dat er een ernstig risico bestaat dat de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie wordt aangetast.

Het voorstel moet binnen een maand na de uitspraak van het Gerecht gedaan worden. Het Hof beslist binnen een maand na het door de eerste advocaat-generaal gedane voorstel of heroverweging van de uitspraak noodzakelijk is.

TITEL

V

SLOTBEPALINGEN

Artikel

63

Het reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie en van het Gerecht bevat alle bepalingen die nodig zijn voor de toepassing en, voor zover nodig, de aanvulling van dit statuut.

Artikel

64

De bepalingen inzake de talenregeling die van toepassing is op het Hof van Justitie van de Europese Unie worden door de Raad met eenparigheid van stemmen vastgesteld bij Europese verordening. Die verordening wordt vastgesteld op verzoek van het Hof van Justitie en na raadpleging van de Commissie en het Europees Parlement, of op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Hof van Justitie en het Europees Parlement.

Zolang die bepalingen niet zijn vastgesteld, zijn de bepalingen van het reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie en die van het reglement voor de procesvoering van het Gerecht inzake de talenregeling van toepassing. In afwijking van het bepaalde in de artikelen III-355 en III-356 van de Grondwet, moet iedere wijziging of intrekking van die bepalingen door de Raad met eenparigheid van stemmen worden goedgekeurd.

Artikel

65

4

Protocol tot vaststelling van het statuut van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Geleid door de wens het statuut van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank, bedoeld in de artikelen I-30 en III-187, lid 2, van de Grondwet, vast te stellen,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

HOOFDSTUK

I

EUROPEES STELSEL VAN CENTRALE BANKEN

Artikel

1

EUROPEES STELSEL VAN CENTRALE BANKEN

HOOFDSTUK

II

DOELSTELLINGEN EN TAKEN VAN HET EUROPEES STELSEL VAN CENTRALE BANKEN

Artikel

2

Doelstellingen

Overeenkomstig artikel I-30, lid 2, en artikel III-185, lid 1, van de Grondwet is het hoofddoel van het Europees Stelsel van Centrale Banken het handhaven van prijsstabiliteit. Onverminderd dit doel ondersteunt het Europees Stelsel van Centrale Banken het algemene economische beleid in de Unie teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de in artikel I-3 van de Grondwet omschreven doelstellingen van de Unie. Het Europees Stelsel van Centrale Banken handelt in overeenstemming met het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging, waarbij een doelmatige allocatie van middelen wordt bevorderd, en met inachtneming van de beginselen die zijn neergelegd in artikel III-177 van de Grondwet.

Artikel

3

Taken

Artikel

4

Adviesfuncties

Overeenkomstig artikel III-185, lid 4, van de Grondwet wordt de Europese Centrale Bank geraadpleegd:

  • a.

    over elk voorstel voor een handeling van de Unie op de gebieden die onder haar verantwoordelijkheid vallen;

  • b.

    door de nationale autoriteiten over ieder ontwerp van regelgeving op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen, doch binnen de grenzen en onder de voorwaarden die de Raad volgens de procedure van artikel 41 vaststelt.

De Europese Centrale Bank kan advies uitbrengen aan de instellingen, organen of instanties van de Unie of aan nationale autoriteiten omtrent aangelegenheden op de gebieden die onder haar verantwoordelijkheid vallen.

Artikel

5

Verzamelen van statistische gegevens

Artikel

6

Internationale samenwerking

HOOFDSTUK

III

ORGANISATIE VAN HET EUROPEES STELSEL VAN CENTRALE BANKEN

Artikel

7

Onafhankelijkheid

Overeenkomstig artikel III-188 van de Grondwet is het de Europese Centrale Bank, noch een nationale centrale bank noch enig lid van hun besluitvormende organen toegestaan bij de uitoefening van de bevoegdheden en het vervullen van de taken en plichten die bij de Grondwet en dit statuut aan hen zijn opgedragen, instructies te vragen aan dan wel te aanvaarden van instellingen, organen of instanties van de Unie, van regeringen van lidstaten of van enig ander orgaan. De instellingen, organen of instanties van de Unie alsmede de regeringen van de lidstaten verplichten zich ertoe dit beginsel te eerbiedigen en niet te trachten de leden van de besluitvormende organen van de Europese Centrale Bank of van de nationale centrale banken bij de uitvoering van hun taken te beïnvloeden.

Artikel

8

Algemene grondslag

Het Europees Stelsel van Centrale Banken wordt bestuurd door de besluitvormende organen van de Europese Centrale Bank.

Artikel

9

Europese Centrale Bank

Artikel

10

Raad van bestuur

Artikel

11

Directie

Artikel

12

Verantwoordelijkheden van de besluitvormende organen

Artikel

13

President

Artikel

14

Nationale centrale banken

Artikel

15

Rapportageplicht

Artikel

16

Bankbiljetten

Overeenkomstig artikel III-186, lid 1, van de Grondwet heeft de Raad van bestuur het alleenrecht machtiging te geven tot de uitgifte van eurobankbiljetten binnen de Unie. De Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken mogen dergelijke bankbiljetten uitgeven. De door de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken uitgegeven bankbiljetten zijn de enige bankbiljetten die binnen de Unie de hoedanigheid van wettig betaalmiddel hebben.

De Europese Centrale Bank eerbiedigt zoveel mogelijk de bestaande gebruiken inzake de uitgifte en het ontwerp van bankbiljetten.

HOOFDSTUK

IV

MONETAIRE FUNCTIES EN WERKZAAMHEDEN VAN HET EUROPEES STELSEL VAN CENTRALE BANKEN

Artikel

17

Rekeningen aangehouden bij de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken

Teneinde hun werkzaamheden te kunnen verrichten, zijn de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken gerechtigd rekeningen te openen ten behoeve van kredietinstellingen, openbare lichamen en andere marktpartijen, en activa, waaronder girale effecten, in onderpand te aanvaarden.

Artikel

18

Open markt- en krediettransacties

Artikel

19

Minimumreserves

Artikel

20

Andere instrumenten van monetair beleid

De Raad van bestuur kan, bij meerderheid van tweederde van de uitgebrachte stemmen, met inachtneming van artikel 2 besluiten tot het gebruik van alle andere door hem passend geachte instrumenten van monetair beleid.

Indien die instrumenten verplichtingen voor derden meebrengen stelt de Raad, volgens de procedure van artikel 41, de reikwijdte ervan vast.

Artikel

21

Transacties met openbare lichamen

Artikel

22

Verrekenings- en betalingssystemen

De Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken zijn gerechtigd faciliteiten ter beschikking te stellen en de Europese Centrale Bank kan verordeningen vaststellen ter verzekering van doelmatige en deugdelijke verrekenings- en betalingssystemen binnen de Unie en met derde landen.

Artikel

23

Externe werkzaamheden

De Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken mogen:

  • a.

    betrekkingen aangaan met centrale banken en financiële instellingen in andere landen en, waar passend, met internationale organisaties;

  • b.

    zowel contant als op termijn alle soorten deviezen en edele metalen kopen en verkopen. Het begrip „deviezen” omvat effecten en alle overige activa luidende in de valuta van enig land of in rekeneenheden, ongeacht de vorm waarin zij worden aangehouden;

  • c.

    de in dit artikel bedoelde activa aanhouden en beheren;

  • d.

    alle soorten bancaire transacties verrichten met derde landen en internationale organisaties, waaronder mede begrepen het verstrekken en opnemen van leningen.

Artikel

24

Overige werkzaamheden

Naast de uit hun taken voortvloeiende werkzaamheden mogen de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken werkzaamheden verrichten voor eigen administratieve doeleinden en ten behoeve van hun personeel.

HOOFDSTUK

V

BEDRIJFSECONOMISCH TOEZICHT

Artikel

25

Bedrijfseconomisch toezicht

HOOFDSTUK

VI

FINANCIËLE BEPALINGEN BETREFFENDE HET EUROPEES STELSEL VAN CENTRALE BANKEN

Artikel

26

Financiële rekeningen

Artikel

27

Accountantscontrole

Artikel

28

Kapitaal van de Europese Centrale Bank

Artikel

29

Verdeelsleutel voor de inschrijving op het kapitaal

Artikel

30

Overdracht van externe reserves aan de Europese Centrale Bank

Artikel

31

Door nationale centrale banken aangehouden externe reserves

Artikel

32

Toedeling van monetaire inkomsten van de nationale centrale banken

Artikel

33

Toedeling van nettowinst en -verlies van de Europese Centrale Bank

HOOFDSTUK

VII

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel

34

Rechtshandelingen

Artikel

35

Toetsing door de rechter en aanverwante aangelegenheden

Artikel

36

Personeel

Artikel

37

Beroepsgeheim

Artikel

38

Tekenbevoegdheid

De Europese Centrale Bank wordt tegenover derden in rechte gebonden door de president of door twee leden van de directie of door de handtekeningen van twee personeelsleden van de Europese Centrale Bank die door de president naar behoren zijn gemachtigd om namens de Europese Centrale Bank te tekenen.

HOOFDSTUK

VIII

WIJZIGING VAN HET STATUUT EN AANVULLENDE REGELGEVING

Artikel

40

Vereenvoudigde wijzigingsprocedures

Artikel

41

Aanvullende regelgeving

Overeenkomstig artikel III-187, lid 4, van de Grondwet stelt de Raad de Europese verordeningen en besluiten vast betreffende de maatregelen bedoeld in artikel 4, artikel 5, lid 4, artikel 19, lid 2, artikel 20, artikel 28, lid 1, artikel 29, lid 2, artikel 30, lid 4, en artikel 34, lid 3, van dit statuut. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement:

  • a.

    hetzij op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale Bank;

  • b.

    hetzij op aanbeveling van de Europese Centrale Bank en na raadpleging van de Commissie.

HOOFDSTUK

IX

OVERGANGSBEPALINGEN EN ANDERE BEPALINGEN BETREFFENDE HET EUROPEES STELSEL VAN CENTRALE BANKEN

Artikel

42

Algemene bepalingen

Artikel

43

Overgangstaken van de Europese Centrale Bank

De Europese Centrale Bank neemt de in artikel III-199, lid 2, van de Grondwet bedoelde vroegere functies van het Europees Monetair Instituut over die na de invoering van de euro wegens de derogaties van een of meer lidstaten nog moeten worden vervuld.

De Europese Centrale Bank verstrekt advies bij de voorbereiding van het intrekken van de derogaties bedoeld in artikel III-198 van de Grondwet.

Artikel

44

Algemene Raad van de Europese Centrale Bank

Artikel

45

Werking van de Algemene Raad

Artikel

46

Verantwoordelijkheden van de Algemene Raad

Artikel

47

Overgangsbepalingen voor het kapitaal van de Europese Centrale Bank

Overeenkomstig artikel 29 wordt aan elke nationale centrale bank een weging toegekend in de verdeelsleutel voor inschrijving op het kapitaal van de Europese Centrale Bank. In afwijking van artikel 28, lid 3, storten de centrale banken van de lidstaten die vallen onder een derogatie het kapitaal waarop zij hebben ingeschreven niet, tenzij de Algemene Raad met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen die ten minste tweederde van het geplaatste kapitaal van de Europese Centrale Bank en ten minste de helft van de aandeelhouders vertegenwoordigt, besluit dat een minimumpercentage moet worden gestort als bijdrage aan de bedrijfskosten van de Europese Centrale Bank.

Artikel

48

Latere storting van kapitaal, reserves en voorzieningen van de Europese Centrale Bank

Artikel

49

Afwijking van artikel 32

Artikel

50

Inwisseling van bankbiljetten in de valuta's van de lidstaten

Na de onherroepelijke vaststelling van de wisselkoersen overeenkomstig artikel III-198, lid 3, van de Grondwet treft de Raad van bestuur de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat bankbiljetten luidende in valuta's van de lidstaten met onherroepelijk vastgestelde wisselkoersen door de nationale centrale banken worden ingewisseld tegen hun respectieve pari-waarden.

Artikel

51

Toepasselijkheid van de overgangsbepalingen

Indien en zolang er lidstaten zijn die onder een derogatie vallen, zijn de artikelen 42 tot en met 47 van toepassing.

5

Protocol tot vaststelling van het statuut van de Europese Investeringsbank

De Hoge Verdragsluitende partijen,

Wensende, het in artikel III-393 van de Grondwet bedoelde statuut van de Europese Investeringsbank vast te stellen,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel

1

De in artikel III-393 van de Grondwet bedoelde Europese Investeringsbank, hierna te noemen, „de Bank”, wordt opgericht en oefent haar functies en werkzaamheden uit overeenkomstig de Grondwet en dit statuut.

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

De Bank wordt bestuurd en beheerd door een Raad van gouverneurs, een Raad van bewind en een directie.

Artikel

7

Hij ziet erop toe dat deze richtlijnen worden opgevolgd.

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

De Bank onderhoudt de betrekkingen met elke lidstaat door tussenkomst van de door deze aangewezen autoriteit. Voor de uitvoering van financiële verrichtingen doet zij een beroep op de nationale centrale bank van de betrokken lidstaat of op andere door die staat gemachtigde financiële instellingen.

Artikel

14

Artikel

15

Op verzoek van een lidstaat of van de Commissie dan wel ambtshalve worden de richtlijnen die door de Raad van gouverneurs krachtens artikel 7 zijn vastgesteld, door hem uitgelegd of aangevuld op dezelfde wijze als waarop zij tot stand zijn gekomen.

Artikel

16

Artikel

17

Artikel

18

De Bank neemt bij zijn financieringsverrichtingen de navolgende beginselen in acht.

  • 1.

    Zij ziet erop toe dat haar gelden op de meest rationele wijze in het belang van de Unie worden aangewend.

    Zij kan slechts leningen verstrekken of op te nemen leningen garanderen:

    • a.

      wanneer bij investeringen die worden uitgevoerd door ondernemingen in de productieve sector, rente en aflossing zijn gewaarborgd door de exploitatieopbrengsten, of, bij andere investeringen, door een verbintenis die wordt aangegaan door de staat waarin de investering wordt uitgevoerd dan wel op enigerlei andere wijze, en

    • b.

      wanneer de uitvoering van de investering bijdraagt tot een verhoging van de economische productiviteit in het algemeen en eveneens tot de totstandbrenging en werking van de interne markt.

  • 2.

    Zij neemt op generlei wijze deel in ondernemingen en neemt geen verantwoordelijkheid voor het beheer daarvan op zich, tenzij beveiliging van haar rechten dit als waarborg voor de inning van haar schuldvordering vereist.

    In het kader van de door de Raad van gouverneurs krachtens artikel 7, lid 3, onder b, vastgestelde beginselen en indien de verwezenlijking van de projecten bedoeld in artikel III-394 van de Grondwet zulks vereist, stelt de Raad van bewind evenwel met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de voorwaarden voor en bijzonderheden van een deelneming in het kapitaal van een commerciële onderneming vast in de regel ter aanvulling van een lening of een garantie, indien zulks nodig is voor de financiering van een investering of van een programma.

  • 3.

    Zij kan haar schuldvorderingen cederen op de kapitaalmarkt en te dien einde van haar geldnemers de uitgifte van obligaties of andere effecten verlangen.

  • 4.

    Noch de Bank noch de lidstaten stellen als voorwaarde dat uitgeleende gelden in een bepaalde lidstaat moeten worden besteed.

  • 5.

    Zij kan het verstrekken van leningen afhankelijk stellen van het uitschrijven van internationale aanbestedingen.

  • 6.

    Zij financiert noch geheel noch gedeeltelijk een investering waartegen de lidstaat op wiens grondgebied de investering moet worden uitgevoerd, zich verzet.

  • 7.

    Ter aanvulling van haar kredietverlening kan de Bank zorgen voor technische bijstand volgens de voorwaarden en bijzonderheden die door de Raad van gouverneurs worden bepaald met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en met inachtneming van dit statuut.

Artikel

19

Artikel

20

Artikel

21

Artikel

22

Artikel

23

Artikel

24

Indien een lidstaat zijn uit dit statuut voortvloeiende verplichtingen als lid niet nakomt, met name de verplichting zijn aandeel te storten of aan zijn verbintenissen ter zake van opgenomen leningen te voldoen, kan de verstrekking van leningen of van garanties aan deze lidstaat of aan zijn onderdanen worden geschorst door een met gekwalificeerde meerderheid van stemmen genomen besluit van de Raad van gouverneurs.

Dit besluit bevrijdt de lidstaat noch zijn onderdanen van hun verplichtingen jegens de Bank.

Artikel

25

Artikel

26

Artikel

27

Artikel

28

6

Protocol betreffende de plaats van de zetels van de instellingen en van bepaalde organen, instanties en diensten van de Europese Unie

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Gelet op artikel III-432 van de Grondwet;

Wijzend op en bevestigend het Besluit van 8 april 1965, zulks onverminderd de toekomstige besluiten betreffende de zetel van de instellingen, organen, instanties en diensten,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden gehecht:

Enig

Artikel

7

Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Overwegende dat de Unie, met inbegrip van de Europese Centrale Bank en de Europese Investeringsbank, krachtens artikel III-434 van de Grondwet, op het grondgebied van de lidstaten de voorrechten en immuniteiten geniet welke nodig zijn ter vervulling van haar taak,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden gehecht:

HOOFDSTUK

I

EIGENDOMMEN, FONDSEN, BEZITTINGEN EN VERRICHTINGEN VAN DE UNIE

Artikel

1

De gebouwen en terreinen van de Unie zijn onschendbaar. Zij zijn vrijgesteld van huiszoeking, vordering, verbeurdverklaring of onteigening. De eigendommen en bezittingen van de Unie kunnen zonder toestemming van het Hof van Justitie niet worden getroffen door enige dwangmaatregel van bestuursrechtelijke of gerechtelijke aard.

Artikel

2

Het archief van de Unie is onschendbaar.

Artikel

3

De Unie, haar bezittingen, inkomsten en andere eigendommen zijn vrijgesteld van alle directe belastingen. Telkens wanneer hun dit mogelijk is, treffen de regeringen van de lidstaten passende maatregelen tot kwijtschelding of teruggave van het bedrag der indirecte belastingen en van belastingen op de verkoop, welke een deel vormen van de prijs van onroerende of roerende goederen, wanneer de Unie voor haar officieel gebruik belangrijke aankopen doet van goederen in de prijs waarvan zodanige belastingen begrepen zijn. De toepassing van deze bepalingen mag evenwel niet tot gevolg hebben dat de mededinging binnen de Unie wordt vervalst.

Geen enkele vrijstelling wordt verleend van belastingen, heffingen en rechten die niet anders zijn dan eenvoudige vergoedingen voor diensten van openbaar nut.

Artikel

4

De Unie is vrijgesteld van alle douanerechten, in- en uitvoerverboden en -beperkingen met betrekking tot goederen bestemd voor haar officieel gebruik. De aldus ingevoerde goederen mogen op het grondgebied van de lidstaat alwaar zij zijn ingevoerd niet onder bezwarende titel of om niet worden overgedragen, tenzij op voorwaarden welke door de regering van die staat zijn goedgekeurd.

Zij is tevens vrijgesteld van alle douanerechten, in- en uitvoerverboden en -beperkingen met betrekking tot haar publicaties.

HOOFDSTUK

II

MEDEDELINGEN EN LAISSEZ-PASSER

Artikel

5

De instellingen van de Unie genieten, voor hun officiële mededelingen en het overbrengen van al hun documenten op het grondgebied van iedere lidstaat de behandeling, welke door deze staat aan diplomatieke missies wordt toegestaan.

De officiële correspondentie en andere officiële mededelingen van de instellingen van de Unie zijn niet aan censuur onderworpen.

Artikel

6

Laissez-passer, waarvan de vorm in een bij gewone meerderheid van stemmen door de Raad vastgestelde Europese verordening wordt bepaald en die als geldige reispapieren door de overheidsinstanties van de lidstaten worden erkend, kunnen door de voorzitters van de instellingen van de Unie aan de leden en het personeel van deze instellingen worden verstrekt. Deze laissez-passer worden aan de ambtenaren en overige personeelsleden verstrekt overeenkomstig de bepalingen van het statuut van de ambtenaren en de regeling voor de andere personeelsleden van de Unie.

De Commissie kan overeenkomsten sluiten teneinde deze laissez-passers te doen erkennen als geldige reispapieren voor het grondgebied van derde staten.

HOOFDSTUK

III

LEDEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT

Artikel

7

De bewegingsvrijheid der leden van het Europees Parlement die zich naar de plaats van bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren wordt op geen enkele wijze beperkt door voorschriften van bestuursrechtelijke of andere aard.

Aan de leden van het Europees Parlement worden, wat betreft douane en deviezencontrole, toegekend:

  • a.

    door hun eigen regering, dezelfde faciliteiten als aan hoge ambtenaren, die zich, belast met een tijdelijke officiële zending, naar het buitenland begeven;

  • b.

    door de regeringen van de andere lidstaten, dezelfde faciliteiten als aan vertegenwoordigers van buitenlandse regeringen, belast met een tijdelijke officiële zending.

Artikel

8

Tegen de leden van het Europees Parlement kan geen onderzoek worden ingesteld, noch kunnen zij worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht.

Artikel

9

Tijdens de duur van de zittingen van het Europees Parlement genieten de leden:

  • a.

    op hun eigen grondgebied, de immuniteiten die aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun staat worden verleend;

  • b.

    op het grondgebied van elke andere lidstaat, vrijstelling van aanhouding en gerechtelijke vervolging in welke vorm ook.

De immuniteit beschermt hen eveneens, wanneer zij zich naar de plaats van bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren.

Op deze immuniteit kan geen beroep worden gedaan in geval van ontdekking op heterdaad, terwijl zij evenmin kan verhinderen dat het Europees Parlement het recht uitoefent de immuniteit van een van zijn leden op te heffen.

HOOFDSTUK

V

AMBTENAREN EN OVERIGE PERSONEELSLEDEN VAN DE UNIE

Artikel

11

De ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie zijn, ongeacht hun nationaliteit, op het grondgebied van iedere lidstaat:

  • a.

    vrijgesteld van rechtsvervolging voor hetgeen zij in hun officiële hoedanigheid hebben gedaan, gezegd of geschreven, behoudens de toepassing van de bepalingen van de Grondwet, die betrekking hebben op de verantwoordelijkheid van de ambtenaren en overige personeelsleden tegenover de Unie, en voorts op de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie om uitspraak te doen in geschillen tussen de Unie en haar ambtenaren en overige personeelsleden. Zij blijven deze immuniteit genieten nadat zij hun ambt hebben neergelegd;

  • b.

    tezamen met hun echtgenoten en de te hunnen laste zijnde verwanten vrijgesteld van immigratiebeperkingen en vreemdelingenregistratie;

  • c.

    inzake monetaire of deviezenregelingen in het genot van de gebruikelijke faciliteiten welke aan ambtenaren van internationale organisaties worden toegekend;

  • d.

    gerechtigd om de eerste maal, dat zij hun post bezetten, in de betrokken lidstaat hun huisraad en goederen voor persoonlijk gebruik vrij van rechten in te voeren, en bij het neerleggen van hun ambt hun huisraad en goederen voor persoonlijk gebruik uit bedoelde lidstaat vrij van rechten weder uit te voeren, in beide gevallen met inachtneming van de voorwaarden welke de regering van de lidstaat waar dit recht wordt uitgeoefend, als noodzakelijk beschouwt;

  • e.

    gerechtigd uit een staat hun voor persoonlijk gebruik bestemde personenauto die in de staat waar zij het laatst hun verblijfplaats hebben gehad of in de staat waarvan zij onderdaan zijn, verkregen is op de voorwaarden die op de binnenlandse markt van die staat gelden, vrij van rechten in te voeren, en deze vrij van rechten weder uit te voeren, in beide gevallen met inachtneming van de voorwaarden welke de regering van de betrokken staat als noodzakelijk beschouwt.

Artikel

12

Onder de voorwaarden en volgens de procedure welke bij Europese wet worden vastgesteld, worden de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie onderworpen aan een belasting ten bate van de Unie op de door haar betaalde salarissen, lonen en emolumenten. Deze wet wordt vastgesteld na raadpleging van de betrokken instellingen.

De ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie zijn vrijgesteld van nationale belastingen op de door de Unie betaalde salarissen, lonen en emolumenten.

Artikel

13

De ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie, die zich uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van hun ambt in dienst van de Unie vestigen op het grondgebied van een andere lidstaat dan de staat van de fiscale woonplaats, die zij bezitten op het ogenblik van hun indiensttreding bij de Unie, worden voor de toepassing van de inkomsten-, vermogens- en successiebelastingen, alsmede van de tussen de lidstaten van de Unie gesloten overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting, zowel in de staat waar zij zich gevestigd hebben als in de staat van de fiscale woonplaats, geacht hun woonplaats te hebben behouden in de laatstgenoemde staat, indien deze lid is van de Unie. Deze bepaling geldt eveneens voor de echtgenoot voorzover deze geen eigen beroepsbezigheden uitoefent, alsmede voor de kinderen die ten laste zijn en onder toezicht staan van de in dit artikel bedoelde personen.

De roerende goederen welke toebehoren aan de in de eerste alinea bedoelde personen en zich bevinden op het grondgebied van de staat van verblijf, worden in de staat vrijgesteld van successiebelasting. Voor de heffing van die belasting worden die roerende goederen geacht zich in de staat van de fiscale woonplaats te bevinden, onder voorbehoud van de rechten van derde staten en de mogelijke toepassing van de bepalingen der internationale overeenkomsten betreffende dubbele belasting.

De uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van een ambt in dienst van andere internationale organisaties verkregen woonplaats wordt niet in aanmerking genomen bij de toepassing van de bepalingen van dit artikel.

Artikel

14

Bij Europese wet wordt de regeling vastgesteld inzake de sociale voorzieningen die op de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie van toepassing zijn. Zij wordt vastgesteld na raadpleging van de betrokken instellingen.

Artikel

15

Bij Europese wet wordt bepaald op welke categorieën van ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie artikel 11, artikel 12, tweede alinea, en artikel 13 geheel of ten dele van toepassing zijn. Zij wordt vastgesteld na raadpleging van de betrokken instellingen.

De namen, hoedanigheden en adressen der ambtenaren en overige personeelsleden, welke onder deze categorieën zijn begrepen, worden op gezette tijden aan de regeringen van de lidstaten medegedeeld.

HOOFDSTUK

VI

VOORRECHTEN EN IMMUNITEITEN VAN DE BIJ DE UNIE GEACCREDITEERDE MISSIES VAN DERDE STATEN

Artikel

16

De lidstaat, op wiens grondgebied de zetel van de Unie is gevestigd, verleent aan de missies van de bij de Unie geaccrediteerde derde staten de gebruikelijke diplomatieke voorrechten en immuniteiten.

HOOFDSTUK

VII

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel

17

De voorrechten, immuniteiten en faciliteiten worden aan de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie uitsluitend in het belang van de Unie verleend.

Elke instelling van de Unie is gehouden de aan een ambtenaar of ander personeelslid verleende immuniteit op te heffen in alle gevallen waarin zulks naar haar mening niet strijdig is met de belangen van de Unie.

Artikel

18

Voor de toepassing van dit Protocol handelen de instellingen van de Unie in overeenstemming met de verantwoordelijke autoriteiten van de betrokken lidstaten.

Artikel

20

De artikelen 11 tot en met 14 en 17 zijn van toepassing op de rechters, de advocaten-generaal, de griffiers en de toegevoegde rapporteurs van het Hof van Justitie van de Europese Unie, onverminderd de bepalingen van artikel 3 van het Protocol tot vaststelling van het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie nopens de vrijstelling van rechtsvervolging van de rechters en de advocaten-generaal.

De artikelen 11 tot en met 14 en 17 zijn tevens van toepassing op de leden van de Rekenkamer.

Artikel

21

Dit Protocol is tevens van toepassing op de Europese Centrale Bank, de leden van haar organen en haar personeel, onverminderd het Protocol tot vaststelling van het statuut van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank.

De Europese Centrale Bank wordt voorts vrijgesteld van elke fiscale en parafiscale heffing bij de uitbreiding van haar kapitaal, alsmede van de verschillende formaliteiten die hieraan verbonden zijn in de staat waar de zetel gevestigd is. De werkzaamheden van de Bank en van haar organen, die worden uitgeoefend overeenkomstig het statuut van het Europese Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, geven geen aanleiding tot de heffing van omzetbelasting.

Artikel

22

Dit Protocol is tevens van toepassing op de Europese Investeringsbank, de leden van haar organen, haar personeel en de vertegenwoordigers van de lidstaten, die aan haar werkzaamheden deelnemen, onverminderd het Protocol tot vaststelling van haar statuut.

De Europese Investeringsbank is voorts vrijgesteld van elke fiscale en parafiscale heffing bij de uitbreiding van haar kapitaal, alsmede van de verschillende formaliteiten die hieraan verbonden zijn in de staat waar de zetel gevestigd is. Haar opheffing en liquidering brengen evenmin enige heffing mede. Ten slotte geven de werkzaamheden van de Bank en van haar organen, die worden uitgeoefend overeenkomstig de statutaire voorwaarden, geen aanleiding tot de heffing van omzetbelasting.

8

Protocol betreffende de Verdragen en Akten inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, alsmede de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Memorerende dat het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland op 1 januari 1973 tot de Europese Gemeenschappen zijn toegetreden; dat de Helleense Republiek op 1 januari 1981 tot de Europese Gemeenschappen is toegetreden; dat het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek op 1 januari 1986 tot de Europese Gemeenschappen zijn toegetreden; dat de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden op 1 januari 1995 tot de Europese Gemeenschappen en tot de bij het Verdrag betreffende de Europese Unie ingestelde Europese Unie zijn toegetreden;

Overwegende dat in artikel IV-437, lid 2, van de Grondwet wordt bepaald dat de verdragen betreffende de bovengenoemde toetredingen worden ingetrokken;

Overwegende dat bepaalde bepalingen in deze toetredingsverdragen en in de daarbij gevoegde akten relevant blijven; dat in artikel IV-437, lid 2, van de Grondwet wordt bepaald dat deze bepalingen in een protocol moeten worden opgenomen dan wel vermeld, zodat zij van kracht blijven en de rechtsgevolgen ervan worden gehandhaafd;

Overwegende dat die bepalingen met behoud van de juridische strekking technisch moeten worden aangepast, zodat zij overeenkomen met de Grondwet,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden gehecht:

TITEL

I

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel

1

De rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de in artikel IV-437, lid 2, onder a tot en met d, van de Grondwet genoemde toetredingsverdragen, zijn onder de in deze verdragen gestelde voorwaarden op de volgende data van kracht geworden:

  • a.

    1 januari 1973 wat betreft het Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland;

  • b.

    1 januari 1981 wat betreft het Verdrag betreffende de toetreding van de Helleense Republiek;

  • c.

    1 januari 1986 wat betreft het Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek;

  • d.

    1 januari 1995 wat betreft het Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.

Artikel

2

Artikel

3

Bepalingen van de akten van toetreding, als uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en het Gerecht van eerste aanleg, die tot doel of tot gevolg hebben de intrekking of de wijziging, anders dan bij wijze van overgangsmaatregel, van de handelingen die zijn vastgesteld door de instellingen, organen of instanties van de Europese Gemeenschappen of van de bij het Verdrag betreffende de Europese Unie ingestelde Europese Unie, blijven van kracht, behoudens de tweede alinea.

De in de eerste alinea bedoelde bepalingen hebben hetzelfde rechtskarakter als de handelingen die door deze bepalingen worden ingetrokken of gewijzigd en zij zijn aan dezelfde regels onderworpen.

Artikel

4

De teksten van de handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Europese Gemeenschappen en van de bij het Verdrag betreffende de Europese Unie ingestelde Europese Unie die vóór de in artikel 1 genoemde toetredingen zijn vastgesteld en die achtereenvolgens in de Engelse en de Deense, de Griekse, de Spaanse en de Portugese, en de Finse en de Zweedse taal zijn opgesteld, zijn gelijkelijk authentiek vanaf de toetreding van de in artikel 1 genoemde staten, onder dezelfde voorwaarden als de in de overige talen opgestelde en gelijkelijk authentieke teksten.

Artikel

5

De in dit Protocol opgenomen overgangsbepalingen kunnen bij Europese wet van de Raad worden ingetrokken indien zij niet meer van toepassing zijn. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

TITEL

II

BEPALINGEN UIT DE AKTE BETREFFENDE DE TOETREDINGSVOORWAARDEN VOOR HET KONINKRIJK DENEMARKEN, IERLAND, EN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND

AFDELING

1

BEPALINGEN BETREFFENDE GIBRALTAR

Artikel

6

AFDELING

2

BEPALINGEN BETREFFENDE DE FAERÖER

Artikel

7

Deense onderdanen die op de Faeröer woonachtig zijn, worden slechts als onderdanen van een lidstaat krachtens de Grondwet beschouwd vanaf de datum waarop deze op de Faeröer van toepassing wordt.

AFDELING

3

BEPALINGEN BETREFFENDE DE KANAALEILANDEN EN HET EILAND MAN

Artikel

8

Artikel

9

Aan de rechten van onderdanen van de in artikel 8 genoemde gebieden in het Verenigd Koninkrijk wordt geen afbreuk gedaan door het recht van de Unie. De bepalingen van het recht van de Unie betreffende het vrije verkeer van personen en diensten is echter niet op hen van toepassing.

Artikel

11

De autoriteiten van de in artikel 8 genoemde gebieden behandelen alle natuurlijke of rechtspersonen van de Unie op dezelfde wijze.

Artikel

12

Indien zich bij toepassing van de in deze afdeling neergelegde regeling aan deze of gene zijde moeilijkheden voordoen in de betrekkingen tussen de Unie en de in artikel 8 genoemde gebieden, stelt de Commissie onverwijld aan de Raad de beschermingsmaatregelen voor die zij nodig acht en geeft zij de voorwaarden en de wijze van toepassing aan.

De Raad stelt in voorkomend geval binnen een maand een Europese verordening of een Europees besluit vast.

Artikel

13

In de zin van deze afdeling wordt als onderdaan van de Kanaaleilanden of van het eiland Man beschouwd, iedere Britse burger die deze hoedanigheid bezit op grond van de omstandigheid dat een van zijn ouders of een van zijn grootouders aldaar is geboren, geadopteerd, genaturaliseerd of er in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven; in dit opzicht wordt evenwel iemand niet als onderdaan van deze gebieden beschouwd indien hijzelf, een van zijn ouders of een van zijn grootouders in het Verenigd Koninkrijk is geboren, geadopteerd, genaturaliseerd of daar in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven. Als onderdaan wordt evenmin beschouwd degene die, in welk tijdvak dan ook, gedurende vijf jaar in het Verenigd Koninkrijk woonachtig is geweest.

De Commissie wordt in kennis gesteld van de bestuursrechtelijke bepalingen die nodig zijn om de identiteit van deze personen vast te stellen.

AFDELING

4

BEPALINGEN BETREFFENDE DE UITVOERING VAN EEN POLITIEK INZAKE INDUSTRIALISATIE EN ECONOMISCHE ONTWIKKELING IN IERLAND

Artikel

14

De lidstaten nemen ervan kennis dat de Ierse regering een aanvang heeft gemaakt met de uitvoering van een politiek inzake industrialisatie en economische ontwikkeling die ten doel heeft de levensstandaard in Ierland nader te brengen tot die in de andere lidstaten en het tekort aan werkgelegenheid op te heffen, en tegelijk de regionale verschillen in ontwikkeling geleidelijk weg te werken.

Zij erkennen dat het in hun gemeenschappelijk belang is dat de doelstellingen van deze politiek worden verwezenlijkt en komen overeen te dien einde tot de instellingen de aanbeveling te richten alle middelen en procedures aan te wenden waarin de Grondwet voorziet, met name door op doeltreffende wijze gebruik te maken van de middelen van de Unie die dienen ter verwezenlijking van haar doelstellingen.

De lidstaten erkennen in het bijzonder dat in geval van toepassing van de artikelen III-167 en III-168 van de Grondwet, rekening dient te worden gehouden met de doelstellingen van economische expansie en verhoging van de levensstandaard van de bevolking.

AFDELING

5

BEPALINGEN BETREFFENDE DE UITWISSELING VAN KENNIS OP NUCLEAIR GEBIED MET DENEMARKEN

Artikel

15

Artikel

16

AFDELING

6

BEPALINGEN BETREFFENDE DE UITWISSELING VAN KENNIS OP NUCLEAIR GEBIED MET IERLAND

Artikel

17

Artikel

18

AFDELING

7

BEPALINGEN BETREFFENDE DE UITWISSELING VAN KENNIS OP NUCLEAIR GEBIED MET HET VERENIGD KONINKRIJK

Artikel

19

Artikel

20

TITEL

III

BEPALINGEN UIT DE AKTE BETREFFENDE DE TOETREDINGSVOORWAARDEN VOOR DE HELLEENSE REPUBLIEK

AFDELING

1

BEPALINGEN BETREFFENDE DE TOEKENNING VAN VRIJSTELLING VAN INVOERRECHTEN VOOR BEPAALDE GOEDEREN DOOR DE HELLEENSE REPUBLIEK

Artikel

21

Artikel III-151 van de Grondwet vormt geen beletsel voor de Helleense Republiek om de vrijstellingen te handhaven die vóór 1 januari 1979 waren toegekend krachtens:

  • a.

    wet nr. 4171/61 – Algemene maatregelen ter stimulering van de ontwikkeling van de economie;

  • b.

    wetsbesluit nr. 2687/53 – Investering en bescherming van buitenlands kapitaal;

  • c.

    wet nr. 289/76 – Stimuleringsmaatregelen voor de ontwikkeling van grensgebieden en daarmede verband houdende vraagstukken,

tot het verstrijken van de geldigheidsduur van de overeenkomsten tussen de Griekse regering en degenen die voor deze maatregelen in aanmerking kwamen.

AFDELING

2

BEPALINGEN BETREFFENDE BELASTINGEN

Artikel

22

De in punt II.2 van bijlage VIII1)PB L 291 van 19.11.1979, blz. 163. bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Helleense Republiek genoemde handelingen zijn ten aanzien van de Helleense Republiek van toepassing op de in genoemde bijlage bepaalde wijze, met uitzondering van de handelingen bedoeld in de punten 9 en 18 b.

AFDELING

3

BEPALINGEN BETREFFENDE KATOEN

Artikel

23

AFDELING

4

BEPALINGEN BETREFFENDE DE ECONOMISCHE EN INDUSTRIËLE ONTWIKKELING VAN GRIEKENLAND

Artikel

24

De lidstaten nemen ervan kennis dat de Griekse Regering een aanvang heeft gemaakt met de uitvoering van een politiek inzake industrialisatie en economische ontwikkeling die ten doel heeft de levensstandaard in Griekenland nader te brengen tot die in de andere lidstaten en het tekort aan werkgelegenheid op te heffen, en tegelijk de regionale verschillen in ontwikkeling geleidelijk weg te werken.

Zij erkennen dat het in hun gemeenschappelijk belang is dat de doelstellingen van dit beleid worden verwezenlijkt.

Te dien einde wenden de instellingen alle middelen en procedures aan waarin de Grondwet voorziet, met name door op doeltreffende wijze gebruik te maken van de middelen van de Unie die dienen ter verwezenlijking van haar doelstellingen.

In het bijzonder dient in geval van toepassing van de artikelen III-167 en III-168 van de Grondwet rekening te worden gehouden met de doelstellingen van economische expansie en verhoging van de levensstandaard van de bevolking.

AFDELING

5

BEPALINGEN BETREFFENDE DE UITWISSELING VAN KENNIS OP NUCLEAIR GEBIED MET DE HELLEENSE REPUBLIEK

Artikel

25

Artikel

26

TITEL

IV

BEPALINGEN UIT DE AKTE BETREFFENDE DE TOETREDINGSVOORWAARDEN VOOR HET KONINKRIJK SPANJE EN DE PORTUGESE REPUBLIEK

AFDELING

1

FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel

27

De eigen middelen afkomstig uit de belasting over de toegevoegde waarde worden berekend en gecontroleerd alsof de Canarische Eilanden en Ceuta en Melilla binnen de territoriale werkingssfeer vallen van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag.

AFDELING

2

BEPALINGEN BETREFFENDE OCTROOIEN

Artikel

28

De Spaanse nationale wetgeving inzake bewijslast, vastgesteld overeenkomstig punt 2 van Protocol nr. 8 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, is niet van toepassing indien de rechtsvordering ter zake van inbreuk wordt ingesteld tegen de houder van een ander werkwijze-octrooi voor de vervaardiging van hetzelfde product als het product dat het resultaat is van de werkwijze waarop de eiser een octrooi heeft, indien dit andere octrooi vóór 1 januari 1986 is verleend.

In de gevallen waarin de omkering van de bewijslast niet van toepassing is, kan het Koninkrijk Spanje de bewijslast voor de inbreuk blijven leggen bij de octrooihouder. In al deze gevallen past het Koninkrijk Spanje een gerechtelijke procedure van „beschrijvend beslag” toe.

Onder beschrijvend beslag wordt in het kader van de in de eerste en de tweede alinea bedoelde regeling een procedure verstaan volgens welke eenieder die gerechtigd is een rechtsvordering ter zake van inbreuk in te stellen, bij een op zijn verzoek gedane rechterlijke uitspraak, kan verkrijgen dat een deurwaarder, bijgestaan door deskundigen, op de plaats waar de vermoedelijke inbreukmaker is gevestigd, overgaat tot een gedetailleerde beschrijving van de betwiste werkwijzen, met name door het maken van fotokopieën van technische documenten, al dan niet met zakelijk beslag. In deze rechterlijke uitspraak kan het betalen van een borgsom worden gelast, die bestemd is om aan de vermoedelijke inbreukmaker schadevergoeding toe te kennen wanneer door het beschrijvend beslag schade is veroorzaakt.

Artikel

29

De Portugese nationale wetgeving inzake bewijslast, vastgesteld overeenkomstig punt 2 van Protocol nr. 19 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, is niet van toepassing indien de rechtsvordering ter zake van inbreuk wordt ingesteld tegen de houder van een ander werkwijze-octrooi voor de vervaardiging van hetzelfde product als het product dat het resultaat is van de werkwijze waarop de eiser een octrooi heeft, indien dit andere octrooi vóór 1 januari 1986 is verleend.

In de gevallen waarin de omkering van de bewijslast niet van toepassing is, kan de Portugese Republiek de bewijslast voor de inbreuk blijven leggen bij de octrooihouder. In al deze gevallen past de Portugese Republiek een gerechtelijke procedure van „beschrijvend beslag” toe.

Onder beschrijvend beslag wordt in het kader van de in de eerste en de tweede alinea bedoelde regeling een procedure verstaan volgens welke eenieder die gerechtigd is een rechtsvordering ter zake van inbreuk in te stellen, bij een op zijn verzoek gedane rechterlijke uitspraak, kan verkrijgen dat een deurwaarder, bijgestaan door deskundigen, op de plaats waar de vermoedelijke inbreukmaker is gevestigd, overgaat tot een gedetailleerde beschrijving van de betwiste werkwijzen, met name door het maken van fotokopieën van technische documenten, al dan niet met zakelijk beslag. In deze rechterlijke uitspraak kan het betalen van een borgsom worden gelast, die bestemd is om aan de vermoedelijke inbreukmaker schadevergoeding toe te kennen wanneer door het beschrijvend beslag schade is veroorzaakt.

AFDELING

3

BEPALINGEN BETREFFENDE HET MECHANISME HOUDENDE AANVULLING VAN DE TEGENPRESTATIES IN HET KADER VAN DOOR DE UNIE MET DERDE LANDEN GESLOTEN VISSERIJOVEREENKOMSTEN

Artikel

30

AFDELING

4

BEPALINGEN BETREFFENDE CEUTA EN MELILLA

Onderafdeling

1

Algemene bepalingen

Artikel

31

Onderafdeling

2

Bepalingen betreffende het gemeenschappelijk visserijbeleid

Artikel

32

Onderafdeling

3

Bepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen, de douanewetgeving en de handelspolitiek

Artikel

33

Artikel

34

Onder voorbehoud van artikel 35 worden de douanerechten bij invoer op het douanegebied van de Unie van producten van oorsprong uit Ceuta of Melilla afgeschaft.

Artikel

35

Artikel

36

Artikel

37

De douanerechten bij invoer in Ceuta of Melilla van producten van oorsprong uit het douanegebied van de Unie, alsmede de heffingen van gelijke werking als deze rechten worden afgeschaft.

Artikel

38

De douanerechten en heffingen van gelijke werking als deze rechten alsmede de regeling voor het handelsverkeer die worden toegepast op de invoer in Ceuta of Melilla van goederen uit een derde land, mogen niet minder gunstig zijn dan die welke de Unie overeenkomstig haar internationale verbintenissen of haar preferentiële regelingen toepast jegens dit derde land, onder het voorbehoud dat dit derde land de invoer uit Ceuta en Melilla op dezelfde wijze behandelt als de invoer uit de Unie. De regeling die bij invoer in Ceuta of Melilla wordt toegepast ten aanzien van goederen uit dit derde land, mag evenwel niet gunstiger zijn dan de regeling die wordt toegepast ten aanzien van de invoer van producten van oorsprong uit het douanegebied van de Unie.

Artikel

39

Op voorstel van de Commissie stelt de Raad bij Europese verordening of Europees besluit de voorschriften voor de toepassing van deze onderafdeling vast, met name de oorsprongregels die van toepassing zijn in het handelsverkeer bedoeld in de artikelen 34, 35 en 37, met inbegrip van de bepalingen betreffende de identificatie van de producten van oorsprong en de controle van de oorsprong.

Deze regels bevatten met name bepalingen inzake het merken en/of etiketteren van producten, de voorwaarden voor het registreren van vaartuigen, de toepassing van de regel van cumulatie van oorsprong voor visserijproducten, alsmede bepalingen om de oorsprong van de producten te kunnen vaststellen.

AFDELING

5

BEPALINGEN BETREFFENDE DE REGIONALE ONTWIKKELING VAN SPANJE

Artikel

40

De lidstaten nemen ervan kennis dat de Spaanse regering een aanvang heeft gemaakt met de uitvoering van een beleid inzake regionale ontwikkeling dat met name ten doel heeft de economische groei in de minst ontwikkelde gebieden en zones van Spanje te stimuleren.

Zij erkennen dat het in hun gemeenschappelijk belang is dat de doelstellingen van dit beleid worden verwezenlijkt.

Zij komen overeen, teneinde het de Spaanse regering gemakkelijker te maken deze taak te vervullen, tot de instellingen de aanbeveling te richten alle middelen en procedures aan te wenden waarin de Grondwet voorziet, met name door op doeltreffende wijze gebruik te maken van de middelen van de Unie die dienen ter verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie

De lidstaten erkennen in het bijzonder dat in geval van toepassing van de artikelen III-167 en III-168 van de Grondwet, rekening dient te worden gehouden met de doelstellingen van economische expansie en verhoging van de levensstandaard van de bevolking van de minst ontwikkelde gebieden en zones van Spanje.

AFDELING

6

BEPALINGEN BETREFFENDE DE ECONOMISCHE EN INDUSTRIËLE ONTWIKKELING VAN PORTUGAL

Artikel

41

De lidstaten nemen ervan kennis dat de Portugese regering een aanvang heeft gemaakt met de uitvoering van een beleid inzake industrialisatie en economische ontwikkeling dat ten doel heeft de levensstandaard in Portugal nader te brengen tot die van de andere lidstaten en het tekort aan werkgelegenheid op te heffen, en tegelijk de regionale verschillen in ontwikkeling geleidelijk weg te werken.

Zij erkennen dat het in hun gemeenschappelijk belang is dat de doelstellingen van dit beleid worden verwezenlijkt.

Zij komen overeen te dien einde tot de instellingen de aanbeveling te richten alle middelen en procedures aan te wenden waarin de Grondwet voorziet, met name door op doeltreffende wijze gebruik te maken van de middelen van de Unie die dienen ter verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie.

De lidstaten erkennen in het bijzonder dat in geval van toepassing van de artikelen III-167 en III-168 van de Grondwet, rekening dient te worden gehouden met de doelstellingen van economische expansie en verhoging van de levensstandaard van de bevolking.

AFDELING

7

BEPALINGEN BETREFFENDE DE UITWISSELING VAN KENNIS OP NUCLEAIR GEBIED MET HET KONINKRIJK SPANJE

Artikel

42

Artikel

43

AFDELING

8

BEPALINGEN BETREFFENDE DE UITWISSELING VAN KENNIS OP NUCLEAIR GEBIED MET DE PORTUGESE REPUBLIEK

Artikel

44

Artikel

45

TITEL

V

BEPALINGEN UIT DE AKTE BETREFFENDE DE TOETREDINGSVOORWAARDEN VOOR DE REPUBLIEK OOSTENRIJK, DE REPUBLIEK FINLAND EN HET KONINKRIJK ZWEDEN

AFDELING

1

FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel

46

De eigen ontvangsten afkomstig uit de belasting over de toegevoegde waarde worden berekend en gecontroleerd alsof de Åland-eilanden onder het territoriale toepassingsgebied vielen van de Zesde Richtlijn van de Raad (77/388/EEG) van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag.

AFDELING

2

BEPALINGEN INZAKE DE LANDBOUW

Artikel

47

Indien ten gevolge van de toetreding ernstige moeilijkheden blijven bestaan ook nadat het bepaalde in artikel 48 en in de andere maatregelen voortvloeiende uit in de Unie bestaande voorschriften volledig zijn toegepast, kan de Commissie bij Europees besluit Finland machtigen, nationale steun aan producenten toe te kennen ten einde hun integratie in het gemeenschappelijk landbouwbeleid te vergemakkelijken.

Artikel

48

Artikel

49

Artikel

50

Wat de in de artikelen III-167 en III-168 van de Grondwet bedoelde steunmaatregelen betreft:

  • a.

    worden van de vóór 1 januari 1995 in Oostenrijk, Finland en Zweden toepasselijke steunmaatregelen alleen de maatregelen die vóór 30 april 1995 ter kennis van de Commissie zijn gebracht, beschouwd als „bestaande” steunmaatregelen in de zin van artikel III-168, lid 1, van de Grondwet;

  • b.

    worden bestaande steunmaatregelen en plannen om steunmaatregelen in te voeren of te wijzigen die vóór 1 januari 1995 ter kennis van de Commissie zijn gebracht, beschouwd als steunmaatregelen en plannen waarvan op die datum kennis is gegeven.

Artikel

51

Artikel

52

Artikel

53

De artikelen 51 en 52 zijn van toepassing op visserijproducten.

AFDELING

3

BEPALINGEN BETREFFENDE OVERGANGSMAATREGELEN

Artikel

54

De besluiten die worden genoemd in de punten VII.B.I, VII.D.1, VII.D.2.c, IX.2.b, c, f, g, h, i, j, l, m, n, x, y, z en aa, X.a, b en c van bijlage XV1)PB C 241 van 29.8.1994, blz. 322. van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden zijn ten aanzien van Oostenrijk, Finland en Zweden van toepassing zoals in die bijlage is bepaald.

Ten aanzien van punt IX.2.x van de in de eerste alinea bedoelde bijlage XV geldt dat de verwijzing naar de artikelen 90 en 91 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap beschouwd moet worden als een verwijzing naar artikel III-170, leden 1 en 2, van de Grondwet.

AFDELING

4

BEPALINGEN BETREFFENDE DE TOEPASBAARHEID VAN BEPAALDE HANDELINGEN

Artikel

55

AFDELING

5

BEPALINGEN INZAKE DE ÅLAND-EILANDEN

Artikel

56

De Grondwet belet niet de toepassing van de op 1 januari 1994 op de Åland-eilanden bestaande bepalingen inzake:

  • a.

    beperkingen, op niet-discriminatoire basis, van het recht van natuurlijke personen die niet het regionale burgerschap „hembygdsrätt/kotiseutuoikeus” in Åland genieten, en van rechtspersonen, om onroerend goed te verkrijgen en in eigendom te hebben op de Åland-eilanden zonder toestemming van de bevoegde autoriteiten van de Åland-eilanden;

  • b.

    beperkingen, op niet-discriminatoire basis, van het recht van natuurlijke personen die niet het regionale burgerschap „hembygdsrätt/kotiseutuoikeus” in Åland genieten, en van rechtspersonen, om zich op de Åland-eilanden te vestigen en er diensten te verlenen zonder de toestemming van de bevoegde autoriteiten van de Åland-eilanden.

Artikel

57

Artikel

58

Finland draagt er zorg voor dat alle natuurlijke en rechtspersonen van de lidstaten op de Åland-eilanden op eendere wijze worden behandeld.

Artikel

59

De bepalingen van deze afdeling worden toegepast in het licht van de verklaring betreffende de Åland-eilanden, waarin met behoud van de juridische strekking de bewoordingen zijn overgenomen van de preambule van Protocol nr. 2 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.

AFDELING

6

BEPALINGEN INZAKE DE LAPSE BEVOLKING

Artikel

60

Niettegenstaande de bepalingen van de Grondwet, kunnen aan de Lapse bevolking exclusieve rechten inzake rendierhouderij binnen de traditionele Lapse gebieden worden toegekend.

Artikel

61

Deze afdeling kan worden uitgebreid om rekening te houden met eventuele toekomstige ontwikkelingen van de exclusieve rechten van de Lapse bevolking in verband met hun traditionele middelen van bestaan. De Raad kan bij Europese wet de nodige wijzigingen van deze afdeling vaststellen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement en van het Comité van de Regio's.

Artikel

62

De bepalingen van deze afdeling worden toegepast in het licht van de verklaring betreffende het Lapse volk, waarin met behoud van de juridische strekking de bewoordingen zijn overgenomen van de preambule van Protocol nr. 3 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.

AFDELING

7

BIJZONDERE BEPALINGEN IN HET KADER VAN DE FONDSEN MET STRUCTURELE STREKKING MET BETREKKING TOT FINLAND EN ZWEDEN

Artikel

63

De regio's die vallen onder de doelstelling, de ontwikkeling en de structurele aanpassing van de regio's met een zeer lage bevolkingsdichtheid te bevorderen, komen overeen met of behoren in principe tot regio's van niveau II van NUTS met een bevolkingsdichtheid van ten hoogste acht personen per vierkante kilometer. De bijstandsverlening van de Unie kan, op voorwaarde dat zij daadwerkelijk wordt geconcentreerd, ook worden uitgebreid tot aangrenzende en kleinere gebieden die aan hetzelfde criterium inzake bevolkingsdichtheid voldoen. De in dit artikel bedoelde regio's en gebieden staan in de lijst van bijlage I1)PB C 241 van 29.8.1994, blz. 355. van Protocol nr. 6 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.

AFDELING

8

BEPALINGEN BETREFFENDE VERVOER PER SPOOR EN GECOMBINEERD VERVOER IN OOSTENRIJK

Artikel

64

Artikel

65

De Unie en de betrokken lidstaten treffen, in het kader van hun onderscheiden bevoegdheden, maatregelen voor de ontwikkeling en de bevordering van het vervoer per spoor en het gecombineerd vervoer voor het vervoeren van goederen door de Alpen; zij stemmen deze maatregelen nauw op elkaar af.

Artikel

66

De Unie draagt er bij de vaststelling van de in artikel III-247 van de Grondwet bedoelde richtsnoeren zorg voor dat de in bijlage 11)PB C 241 van 29.8.1994, blz. 364.van Protocol nr. 9 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden vermelde hoofdroutes deel uitmaken van de trans-Europese netwerken voor vervoer per spoor en gecombineerd vervoer en dat deze bovendien worden aangemerkt als projecten van gemeenschappelijk belang.

Artikel

67

De Unie en de betrokken lidstaten voeren in het kader van hun onderscheiden bevoegdheden de in bijlage 22)PB C 241 van 29.8.1994, blz. 365. van Protocol nr. 9 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden vermelde maatregelen uit.

Artikel

68

De Unie en de betrokken lidstaten stellen alles in het werk om de in bijlage 33)PB C 241 van 29.8.1994, blz. 367. van Protocol nr. 9 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden bedoelde aanvullende spoorwegcapaciteit te ontwikkelen en te gebruiken.

Artikel

69

De Unie en de betrokken lidstaten nemen maatregelen ter bevordering van het vervoer per spoor en het gecombineerd vervoer. Indien passend, worden deze maatregelen, behoudens de bepalingen van de Grondwet, vastgesteld in nauwe samenwerking met spoorwegondernemingen en andere entiteiten die vervoer per spoor aanbieden. Er zal voorrang worden gegeven aan de in het Unierecht vervatte maatregelen betreffende vervoer per spoor en gecombineerd vervoer. Bij de uitvoering van deze maatregelen wordt bijzondere aandacht besteed aan het concurrentievermogen, de doeltreffendheid en de kostentransparantie van het vervoer per spoor en het gecombineerd vervoer. De betrokken lidstaten dienen deze maatregelen inzonderheid te nemen om ervoor te zorgen dat de prijzen voor gecombineerd vervoer concurrerend zijn met de prijzen van andere wijzen van vervoer. Eventuele steun in dit verband moet verenigbaar zijn met de voorschriften van het Unierecht.

Artikel

70

De Unie en de betrokken lidstaten treden in geval van een ernstige verstoring van het transitovervoer per spoor, bijvoorbeeld bij natuurrampen, zoveel mogelijk gezamenlijk op om de verkeersstroom in stand te houden. Daarbij moet voorrang worden gegeven aan gevoelige ladingen, zoals bederfelijke levensmiddelen.

Artikel

71

De Commissie evalueert de uitvoering van deze afdeling volgens de procedure van artikel 73, lid 2.

Artikel

72

Artikel

73

AFDELING

9

BEPALINGEN INZAKE HET GEBRUIK VAN SPECIFIEKE OOSTENRIJKSE TERMEN BINNEN DE DUITSE TAAL IN HET KADER VAN DE EUROPESE UNIE

Artikel

74

9

Protocol betreffende het Verdrag en de Akte inzake de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Memorerende dat de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek op 1 mei 2004 tot de Europese Gemeenschappen en tot de bij het Verdrag betreffende de Europese Unie ingestelde Europese Unie zijn toegetreden;

Overwegende dat artikel IV-437, lid 2, onder e, van de Grondwet bepaalt dat het Verdrag van 16 april 2003 betreffende de bovengenoemde toetredingen wordt ingetrokken;

Overwegende dat een groot aantal bepalingen van de aan het voornoemde Toetredingsverdrag gehechte Akte relevant blijven; dat in artikel IV-437, lid 2, van de Grondwet wordt bepaald dat deze bepalingen in een protocol moeten worden opgenomen dan wel vermeld, zodat zij van kracht blijven en de rechtsgevolgen ervan worden gehandhaafd;

Overwegende dat een aantal van die bepalingen met behoud van de juridische strekking technisch moeten worden aangepast, zodat zij overeenkomen met de Grondwet;

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden gehecht:

EERSTE

DEEL

BEPALINGEN BETREFFENDE DE AKTE VAN TOETREDING VAN 16 APRIL 2003

TITEL

I

BEGINSELEN

Artikel

1

Voor de toepassing van dit Protocol:

  • a.

    wordt met de uitdrukking „Akte van toetreding van 16 april 2003” bedoeld, de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de verdragen waarop de Europese Unie is gegrond;

  • b.

    worden met de uitdrukkingen „Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap” („EG-Verdrag”) en „Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie” („EGA-Verdrag”) bedoeld, deze Verdragen zoals aangevuld of gewijzigd bij verdragen of andere akten die vóór 1 mei 2004 in werking zijn getreden;

  • c.

    wordt met de uitdrukking „Verdrag betreffende de Europese Unie” („EU-Verdrag”) bedoeld, dit Verdrag zoals aangevuld of gewijzigd bij verdragen of andere akten die vóór 1 mei 2004 in werking zijn getreden;

  • d.

    wordt met de uitdrukking „de Gemeenschap” bedoeld, één of beide van de onder b vermelde Gemeenschappen, naargelang van het geval;

  • e.

    worden met de uitdrukking „huidige lidstaten” de volgende lidstaten bedoeld, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland;

  • f.

    worden met de uitdrukking „nieuwe lidstaten” bedoeld de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek.

Artikel

2

De rechten en verplichtingen die voortvloeien uit het in artikel IV-437, lid 2, onder e, van de Grondwet bedoelde Verdrag betreffende de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek, zijn onder de in dat Verdrag gestelde voorwaarden op 1 mei 2004 van kracht geworden.

Artikel

3

Artikel

4

Vanaf 1 mei 2004 neemt iedere nieuwe lidstaat aan de economische en monetaire unie deel als lidstaat die onder een derogatie valt in de zin van artikel III-197 van de Grondwet.

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

De door de instellingen vastgestelde handelingen waarop de in dit Protocol vastgestelde overgangsmaatregelen zijn gebaseerd, behouden hun eigen rechtskarakter; met name blijven de voor deze handelingen geldende wijzigingsprocedures van toepassing.

Artikel

8

Bepalingen van de Akte van toetreding van 16 april 2003, als uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en het Gerecht van eerste aanleg, die tot doel of tot gevolg hebben de intrekking of de wijziging, anders dan bij wijze van overgangsmaatregel, van de handelingen die zijn vastgesteld door de instellingen, organen of instanties van de Gemeenschap of van de bij het Verdrag betreffende de Europese Unie ingestelde Europese Unie, blijven van kracht, behoudens toepassing van de tweede alinea.

De in de eerste alinea bedoelde bepalingen hebben hetzelfde rechtskarakter als de handelingen die door deze bepalingen worden ingetrokken of gewijzigd, en zij zijn aan dezelfde regels onderworpen.

Artikel

9

De teksten van de handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Gemeenschap en van de bij het Verdrag betreffende de Europese Unie ingestelde Europese Unie alsmede de teksten van de handelingen van de Europese Centrale Bank die vóór 1 mei 2004 zijn vastgesteld en die in de Tsjechische, de Estse, de Hongaarse, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Poolse, de Slowaakse en de Sloveense taal zijn opgesteld, zijn gelijkelijk authentiek vanaf die datum, onder dezelfde voorwaarden als de in de overige talen opgestelde en gelijkelijk authentieke teksten.

Artikel

10

De bij dit Protocol vastgestelde overgangsbepalingen kunnen bij Europese wet van de Raad worden ingetrokken indien zij niet meer van toepassing zijn. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel

11

Ten aanzien van de toepassing van de Grondwet en van de door de instellingen vastgestelde handelingen gelden, bij wijze van overgang, de in dit Protocol neergelegde afwijkende bepalingen.

TITEL

II

PERMANENTE BEPALINGEN

Artikel

12

De ingevolge de toetreding noodzakelijke aanpassingen van de handelingen genoemd in de lijst in bijlage III van de Akte van toetreding van 16 april 2003 worden verricht overeenkomstig de in die bijlage vervatte richtsnoeren en volgens de procedure en op de wijze bepaald in artikel 36.

Artikel

13

De in bijlage IV van de Akte van toetreding van 16 april 2003 opgesomde maatregelen worden toegepast op de in die bijlage bepaalde wijze.

Artikel

14

Bij Europese wet van de Raad kunnen in de bepalingen van dit Protocol de aanpassingen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid worden aangebracht die nodig kunnen blijken ten gevolge van een wijziging van het recht van de Unie. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

TITEL

III

TIJDELIJKE BEPALINGEN

Artikel

15

De in de bijlagen V tot en met XIV van de Akte van toetreding van 16 april 2003 genoemde maatregelen zijn ten opzichte van de nieuwe lidstaten van toepassing op de wijze als bepaald in die bijlagen.

Artikel

16

Artikel

17

Artikel

18

De Unie stort op de eerste werkdag van elke maand aan de Tsjechische Republiek, Cyprus, Malta en Slovenië, uit hoofde van de uitgaven van de begroting van de Unie, één achtste in 2004 vanaf 1 mei 2004 en één twaalfde in 2005 en 2006 van de volgende bedragen bij wijze van tijdelijke begrotingscompensatie:

Tsjechische Republiek

125,4

178,0

85,1

Cyprus

68,9

119,2

112,3

Malta

37,8

65,6

62,9

Slovenië

29,5

66,4

35,5.

Artikel

19

De Unie stort op de eerste werkdag van elke maand aan de Tsjechische Republiek, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, uit hoofde van de uitgaven van de begroting van de Unie, één achtste in 2004 vanaf de datum van toetreding en één twaalfde in 2005 en 2006 van de volgende bedragen bij wijze van forfaitaire speciale cash flow-faciliteit:

Tsjechische Republiek

174,7

91,55

91,55

Estland

15,8

2,9

2,9

Cyprus

27,7

5,05

5,05

Letland

19,5

3,4

3,4

Litouwen

34,8

6,3

6,3

Hongarije

155,3

27,95

27,95

Malta

12,2

27,15

27,15

Polen

442,8

550,0

450,0

Slovenië

65,4

17,85

17,85

Slowakije

63,2

11,35

11,35.

Een in de forfaitaire speciale cash flow-faciliteit opgenomen bedrag van 1 miljard euro voor Polen en van 100 miljoen euro voor de Tsjechische Republiek wordt in aanmerking genomen voor de berekeningen betreffende de verdeling van de fondsen met structurele strekking voor de jaren 2004, 2005 en 2006.

Artikel

20

Artikel

21

Artikel

22

Artikel

23

Artikel

24

Estland

22,9

22,9

22,9

Letland

23,7

23,7

23,7

Litouwen

44,78

61,07

29,85

Hongarije

49,3

49,3

49,3

Polen

93,34

93,33

93,33

Slovenië

35,64

35,63

35,63

Slowakije

15,94

15,93

15,93

Artikel

25

De in de artikelen 18, 19, 23 en 24 genoemde bedragen worden jaarlijks aangepast in het kader van de technische aanpassing op grond van punt 15 van het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999.

Artikel

26

Artikel

27

Wanneer een nieuwe lidstaat van in het kader van de toetredingsonderhandelingen aangegane verbintenissen, met inbegrip van verbintenissen inzake sectoraal beleid betreffende economische activiteiten met grensoverschrijdende gevolgen niet naleeft, zodat de werking van de interne markt ernstig wordt verstoord of op zeer korte termijn dreigt te worden verstoord, kan de Commissie tot aan het einde van een periode van ten hoogste drie jaar vanaf 1 mei 2004 op een met redenen omkleed verzoek van een lidstaat dan wel op eigen initiatief bij Europese verordening of besluit passende maatregelen vaststellen. Deze maatregelen moeten evenredig zijn aan de marktverstoring en er moet voorrang worden gegeven aan maatregelen die de werking van de interne markt het minst verstoren en, in voorkomend geval, aan de toepassing van de bestaande sectorale vrijwaringsmechanismen. Deze vrijwaringsmaatregelen mogen echter niet worden gebruikt als middel tot willekeurige discriminatie noch als verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten. De maatregelen worden niet langer gehandhaafd dan strikt noodzakelijk is en zij worden in elk geval ingetrokken wanneer de betrokken verplichting is nagekomen. Zij kunnen evenwel tot na de in de eerste alinea bedoelde periode worden toegepast indien de betrokken verplichtingen niet zijn nagekomen. De Commissie kan de vastgestelde maatregelen aanpassen afhankelijk van de mate waarin de betrokken nieuwe lidstaat zijn verplichtingen nakomt. De Commissie stelt de Raad tijdig in kennis alvorens zij de Europese verordeningen of besluiten tot vaststelling van de vrijwaringsmaatregelen intrekt, en zij houdt terdege rekening met eventuele desbetreffende opmerkingen van de Raad.

Artikel

28

Indien er zich in een nieuwe lidstaat ernstige tekortkomingen of directe risico's op dergelijke tekortkomingen voordoen bij de omzetting, de stand van de uitvoering of de toepassing van de kaderbesluiten of andere ter zake doende verbintenissen, samenwerkingsinstrumenten en besluiten betreffende wederzijdse erkenning in strafzaken op grond van titel VI van het EU-Verdrag en richtlijnen en verordeningen inzake wederzijdse erkenning in burgerlijke zaken op grond van titel IV van het EG-Verdrag, alsook van de Europese wetten en kaderwetten die op grond van deel III, titel III, hoofdstuk IV, afdelingen 3 en 4, van de Grondwet worden vastgesteld, kan de Commissie gedurende drie jaar vanaf 1 mei 2004 op een met redenen omkleed verzoek van een lidstaat dan wel op eigen initiatief en na overleg met de lidstaten bij Europese verordening of Europees besluit passende maatregelen vaststellen, waarbij zij de voorwaarden en praktische regels voor de toepassing ervan aangeeft.

Deze maatregelen kunnen de vorm aannemen van een tijdelijke schorsing van de toepassing van de betrokken bepalingen en besluiten in de betrekkingen tussen een nieuwe lidstaat en een andere lidstaat of andere lidstaten, zonder afbreuk te doen aan de verdere nauwe justitiële samenwerking. De maatregelen worden niet langer gehandhaafd dan strikt noodzakelijk is en zij worden in elk geval ingetrokken wanneer de betrokken tekortkomingen zijn verholpen. Zij kunnen evenwel tot na de in de eerste alinea bedoelde periode worden toegepast zo lang de betrokken tekortkomingen blijven bestaan. De Commissie kan, na overleg met de lidstaten, de vastgestelde maatregelen aanpassen, afhankelijk van de mate waarin de nieuwe lidstaat de aangegeven tekortkomingen verhelpt. De Commissie stelt de Raad tijdig in kennis alvorens zij de vrijwaringsmaatregelen intrekt, en zij houdt terdege rekening met eventuele desbetreffende opmerkingen van de Raad.

Artikel

29

Teneinde de goede werking van de interne markt niet te verstoren mag de uitvoering van de nationale voorschriften van de nieuwe lidstaten gedurende de in de bijlagen V tot en met XIV van de Akte van toetreding van 16 april 2003 bedoelde overgangsperioden niet leiden tot grenscontroles tussen de lidstaten.

Artikel

30

Indien overgangsmaatregelen nodig zijn ter vergemakkelijking van de overgang van de in de nieuwe lidstaten bestaande regeling naar die welke voortvloeit uit de toepassing van het gemeenschappelijk landbouwbeleid overeenkomstig dit Protocol, worden deze maatregelen door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 42, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker1)PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1. of, naargelang van het geval, van de desbetreffende artikelen van de andere verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten of van de Europese wetten ter vervanging daarvan, of volgens de desbetreffende procedure van de toepasselijke wetgeving. De in dit artikel bedoelde overgangsmaatregelen kunnen worden vastgesteld gedurende een tijdvak dat drie jaar na 1 mei 2004 verstrijkt; de toepassing ervan is beperkt tot dat tijdvak. Bij Europese wet van de Raad kan dit tijdvak worden verlengd. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel

31

Indien er overgangsmaatregelen nodig zijn om de overgang te vergemakkelijken van de in de nieuwe lidstaten bestaande regeling naar de regeling die voortvloeit uit de toepassing van de veterinaire en fytosanitaire wetgeving van de Unie, dienen deze maatregelen door de Commissie volgens de in de toepasselijke wetgeving vastgestelde procedure te worden aangenomen. Deze maatregelen worden vastgesteld gedurende een tijdvak dat drie jaar na 1 mei 2004 verstrijkt; de toepassing ervan is beperkt tot dat tijdvak.

Artikel

32

TITEL

IV

TOEPASSING VAN DE HANDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN

Artikel

33

Vanaf 1 mei 2004 wordt ervan uitgegaan dat de richtlijnen en beschikkingen in de zin van artikel 249 van het EG-Verdrag en artikel 161 van het EGA-Verdrag, eveneens tot de nieuwe lidstaten zijn gericht, voorzover deze richtlijnen en beschikkingen tot alle huidige lidstaten zijn gericht. Behoudens wat betreft richtlijnen en beschikkingen die in werking treden overeenkomstig artikel 254, leden 1 en 2, van het EG-Verdrag, wordt ervan uitgegaan dat van deze richtlijnen en beschikkingen op 1 mei 2004 kennis is gegeven aan de nieuwe lidstaten.

Artikel

34

De nieuwe lidstaten stellen de maatregelen in werking die nodig zijn om vanaf 1 mei 2004 uitvoering te geven aan de richtlijnen en beschikkingen in de zin van artikel 249 van het EG-Verdrag en van artikel 161 van het EGA-Verdrag, tenzij in de in artikel 15 bedoelde bijlagen of in andere bepalingen van dit Protocol een andere termijn is vastgesteld.

Artikel

35

Behoudens andersluidende bepalingen, stelt de Raad, op voorstel van de Commissie, de Europese verordeningen en besluiten vast ter uitvoering van het bepaalde in de bijlagen III en IV van de Akte van toetreding van 16 april 2003, waarnaar wordt verwezen in de artikelen 12 en 13 van dit Protocol.

Artikel

36

Artikel

37

De wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen voor de bescherming van de gezondheid van de bevolking en de werknemers op het grondgebied van de nieuwe lidstaten tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren worden overeenkomstig artikel 33 van het EGA-Verdrag door deze staten aan de Commissie medegedeeld binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf 1 mei 2004.

TWEEDE

DEEL

BEPALINGEN BETREFFENDE DE PROTOCOLLEN DIE ZIJN GEHECHT AAN DE AKTE VAN TOETREDING VAN 16 APRIL 2003

TITEL

I

OVERGANGSBEPALINGEN BETREFFENDE DE EUROPESE INVESTERINGSBANK

Artikel

38

Het Koninkrijk Spanje stort het bedrag van 309 686 775 euro, als aandeel in het kapitaal gestort voor de verhoging van het geplaatste kapitaal. Deze bijdrage wordt gestort in acht gelijke termijnen die vervallen op 30 september 2004, 30 september 2005, 30 september 2006, 31 maart 2007, 30 september 2007, 31 maart 2008, 30 september 2008 en 31 maart 2009.

Het Koninkrijk Spanje draagt in acht gelijke termijnen die vervallen op de bovengenoemde data bij tot de reserves en de met reserves gelijk te stellen voorzieningen, alsmede tot het nog naar de reserves en voorzieningen over te boeken bedrag, bevattende het saldo van de verlies- en winstrekening, zoals deze aan het einde van de maand april 2004 zijn vastgesteld en in de balans van de Bank voorkomen, door storting van bedragen die overeenkomen met 4,1292% van de reserves en voorzieningen.

Artikel

39

Vanaf 1 mei 2004 storten de nieuwe lidstaten de volgende bedragen overeenkomende met hun aandeel in het kapitaal gestort voor het geplaatste kapitaal als gedefinieerd in artikel 4 van het statuut van de Europese Investeringsbank:

Polen

EUR 170 563 175

Tsjechische Republiek

EUR 62 939 275

Hongarije

EUR 59 543 425

Slowakije

EUR 21 424 525

Slovenië

EUR 19 890 750

Litouwen

EUR 12 480 875

Cyprus

EUR 9 169 100

Letland

EUR 7 616 750

Estland

EUR 5 882 000

Malta

EUR 3 490 200.

Deze bijdragen worden gestort in acht gelijke termijnen die vervallen op 30 september 2004, 30 september 2005, 30 september 2006, 31 maart 2007, 30 september 2007, 31 maart 2008, 30 september 2008 en 31 maart 2009.

Artikel

40

De nieuwe lidstaten dragen in acht gelijke termijnen die vervallen op de in artikel 39 genoemde data bij tot de reserves, de met de reserves gelijk te stellen voorzieningen, alsmede tot het nog naar de reserves en voorzieningen over te boeken bedrag, bevattende het saldo van de verlies- en winstrekening, zoals deze aan het einde van de maand april 2004 zijn vastgesteld en in de balans van de Europese Investeringsbank voorkomen, door storting van bedragen die overeenkomen met de volgende percentages van de reserves en voorzieningen:

Polen

2,2742%

Tsjechische Republiek

0,8392%

Hongarije

0,7939%

Slowakije

0,2857%

Slovenië

0,2652%

Litouwen

0,1664%

Cyprus

0,1223%

Letland

0,1016%

Estland

0,0784%

Malta

0,0465%.

Artikel

41

De in de artikelen 38, 39 en 40 bedoelde stortingen worden door het Koninkrijk Spanje en de nieuwe lidstaten verricht in contanten in euro, behoudens afwijkingen waartoe door de Raad van gouverneurs met eenparigheid van stemmen wordt besloten.

TITEL

II

BEPALINGEN BETREFFENDE DE HERSTRUCTURERING VAN DE TSJECHISCHE IJZER- EN STAALINDUSTRIE

Artikel

42

TITEL

III

BEPALINGEN BETREFFENDE DE ZONES VAN CYPRUS DIE ONDER DE SOEVEREINITEIT VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND VALLEN

Artikel

43

Artikel

45

Personen die wonen of werken op het grondgebied van de SBA's en die krachtens de regelingen die zijn getroffen uit hoofde van het Oprichtingsverdrag en de daarmee verband houdende notawisseling van 16 augustus 1960 onderworpen zijn aan de socialezekerheidswetgeving van de Republiek Cyprus, worden voor Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen1)PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2.behandeld alsof zij op het grondgebied van de Republiek Cyprus wonen of werken.

Artikel

46

Artikel

47

De Raad kan, in het belang van een doeltreffende uitvoering van de doelstellingen van deze titel, op voorstel van de Commissie, bij Europees besluit de artikelen 43 tot en met 46, alsook de bijlage bij Protocol nr. 3 bij de Akte van toetreding van 16 april 2003, wijzigen, dan wel andere bepalingen van de Grondwet, alsook handelingen van de Unie, onder de door hem bepaalde voorwaarden van toepassing verklaren op de SBA's. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen. De Commissie raadpleegt het Verenigd Koninkrijk en de Republiek Cyprus alvorens een voorstel in te dienen.

Artikel

48

Artikel

49

De in deze titel vastgelegde regeling heeft uitsluitend betrekking op de speciale situatie van de SBA's en kan op geen enkel ander grondgebied van de Unie worden toegepast, noch geheel of gedeeltelijk als precedent dienen voor enige andere speciale regeling die reeds bestaat of kan worden ingevoerd op een ander Europees grondgebied als bedoeld in artikel IV-440 van de Grondwet.

Artikel

50

De Commissie brengt vanaf 1 mei 2004, om de vijf jaar, verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van deze titel.

Artikel

51

De bepalingen van deze titel worden toegepast in het licht van de verklaring betreffende de SBA's, waarin, met behoud van de juridische strekking, de voorwaarden zijn overgenomen van de preambule van Protocol nr. 3 bij de Akte van toetreding van 16 april 2003.

TITEL

IV

BEPALINGEN BETREFFENDE DE KERNCENTRALE VAN IGNALINA IN LITOUWEN

Artikel

52

Uit erkentelijkheid voor de bereidheid van de Unie om voldoende aanvullende steun te verlenen voor de ontmanteling van de kerncentrale van Ignalina door Litouwen en ter onderstreping van dit blijk van solidariteit, zegt Litouwen toe eenheid 1 en eenheid 2 van de kerncentrale van Ignalina respectievelijk vóór 2005 en uiterlijk 31 december 2009 te sluiten en vervolgens te ontmantelen.

Artikel

53

Artikel

54

Artikel

55

Onverminderd artikel 52 is tot en met 31 december 2012 de algemene vrijwaringsclausule bedoeld in artikel 26 van toepassing indien de energievoorziening in Litouwen verstoord wordt.

Artikel

56

Deze titel is van toepassing in het licht van de verklaring betreffende de kerncentrale van Ignalina in Litouwen; waarin, met behoud van de juridische strekking, de voorwaarden zijn overgenomen van de preambule van Protocol nr. 4 bij de Akte van toetreding van 16 april 2003.

TITEL

V

BEPALINGEN BETREFFENDE DE DOORREIS VAN PERSONEN OVER LAND TUSSEN DE REGIO KALININGRAD EN DE ANDERE DELEN VAN DE RUSSISCHE FEDERATIE

Artikel

57

De voorschriften en regelingen van de Unie voor de doorreis van personen over land tussen de regio Kaliningrad en de andere delen van de Russische Federatie, met name Verordening (EG) nr. 693/2003 van de Raad van 14 april 2003 tot invoering van een specifiek Doorreisfaciliteringsdocument, een Doorreisfaciliteringsdocument voor treinreizigers en tot wijziging van de Gemeenschappelijke Visum-instructie en het Gemeenschappelijk Handboek1)PB L 99 van 17.4.2003, blz. 8., vormen als zodanig geen reden tot uitstel of belemmering voor de volledige deelneming van Litouwen aan het Schengenacquis, inclusief de opheffing van de binnengrenscontroles.

Artikel

58

De Unie verleent Litouwen assistentie bij de implementatie van de voorschriften en regelingen voor de doorreis van personen tussen de regio Kaliningrad en de andere delen van de Russische Federatie, opdat Litouwen zo spoedig mogelijk ten volle aan het Schengenacquis kan deelnemen.

De Unie verleent Litouwen assistentie bij het beheer van de doorreis van personen tussen de regio Kaliningrad en de andere delen van de Russische Federatie en draagt met name de extra kosten voor de implementatie van de desbetreffende bijzondere voorschriften van het acquis.

Artikel

59

Onverminderd de soevereine rechten van Litouwen worden verdere handelingen inzake de doorreis van personen tussen de regio Kaliningrad en de andere delen van de Russische Federatie door de Raad op voorstel van de Commissie vastgesteld. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen.

Artikel

60

Deze titel is van toepassing in het licht van de verklaring betreffende de doorreis van personen over land tussen de regio Kaliningrad en de andere delen van de Russische Federatie; waarin, met behoud van de juridische strekking, de voorwaarden zijn overgenomen van de preambule van Protocol nr. 5 bij de Akte van toetreding van 16 april 2003.

TITEL

VI

BEPALINGEN BETREFFENDE HET VERWERVEN VAN TWEEDE WONINGEN IN MALTA

Artikel

61

Gelet op het zeer beperkte aantal woningen op Malta en de zeer beperkt beschikbare bouwgrond, die ten gevolge van de demografische ontwikkeling slechts de basisbehoeften van de huidige bewoners kan dekken, mag Malta op niet-discriminerende basis de in de wet inzake eigendom van onroerend goed (verwerving door niet-ingezetenen (hoofdstuk 246) vastgestelde regels handhaven ten aanzien van het recht van onderdanen van de lidstaten die nog niet ten minste vijf jaar legaal ingezetene van Malta zijn om tweede woningen te verwerven en te bezitten.

Malta zal daartoe vergunningsprocedures toepassen voor de verwerving van tweede woningen in Malta die gebaseerd zijn op algemeen bekende, objectieve, duurzame en transparante criteria. Die criteria dienen op niet-discriminerende wijze te worden toegepast en mogen geen onderscheid maken tussen onderdanen van Malta en van de overige lidstaten. Malta dient ervoor te zorgen dat onderdanen van de lidstaten onder geen beding een meer restrictieve behandeling krijgen dan een onderdaan van een derde land.

Indien de waarde van het onroerend goed dat een onderdaan van de lidstaten wil kopen hoger is dan de in de Maltese wetgeving vastgestelde grens van 30.000 MTL voor appartementen en 50.000 MTL voor andere woningen dan appartementen en woningen van historisch belang, zal een vergunning verleend worden. Malta mag de in die wetgeving vastgestelde grenzen herzien om rekening te houden met de ontwikkeling van de prijzen op de Maltese vastgoedmarkt.

TITEL

VII

BEPALINGEN BETREFFENDE ABORTUS IN MALTA

TITEL

VIII

BEPALINGEN BETREFFENDE DE HERSTRUCTURERING VAN DE POOLSE IJZER- EN STAALINDUSTRIE

Artikel

63

TITEL

IX

BEPALINGEN BETREFFENDE EENHEID 1 EN EENHEID 2 VAN DE V 1-KERNCENTRALE VAN BOHUNICE IN SLOWAKIJE

Artikel

64

Slowakije zegt toe eenheid 1 en eenheid 2 van de V 1-kerncentrale van Bohunice uiterlijk op respectievelijk 31 december 2006 en 31 december 2008 te sluiten en vervolgens te ontmantelen.

Artikel

65

Artikel

66

De Unie geeft er zich rekenschap van dat de ontmanteling van de V 1-kerncentrale van Bohunice moet doorgaan na het tijdvak van de financiële vooruitzichten als bepaald in het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 en dat deze inspanning een aanzienlijke financiële last vormt voor Slowakije. In besluiten over de voortzetting van steun van de Unie op dit gebied na 2006 zal met deze situatie rekening worden gehouden.

Artikel

67

Deze titel is van toepassing in het licht van de verklaring betreffende eenheid 1 en eenheid 2 van de V 1-kerncentrale van Bohunice in Slowakije; waarin, met behoud van de juridische strekking, de voorwaarden zijn overgenomen van de preambule van protocol nr. 9 bij de Akte van toetreding van 16 april 2003.

TITEL

X

BEPALINGEN BETREFFENDE CYPRUS

Artikel

68

Artikel

69

Artikel

70

Artikel

71

Indien een regeling voor de Cypriotische kwestie tot stand komt, besluit de Raad, op voorstel van de Commissie, over de aanpassingen die met betrekking tot de Turks-Cypriotische gemeenschap worden aangebracht in de voorwaarden betreffende de toetreding van Cyprus tot de Unie. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen.

Artikel

72

Deze titel is van toepassing in het licht van de verklaring betreffende Cyprus, waarin, met behoud van de juridische strekking, de voorwaarden zijn overgenomen van de preambule van Protocol nr. 10 bij de Akte van toetreding van 16 april 2003.

DERDE

DEEL

BEPALINGEN BETREFFENDE DE BIJLAGEN BIJ DE AKTE VAN TOETREDING VAN 16 APRIL 2003

Artikel

73

De bijlagen I en III tot en met XVII bij de Akte van toetreding van 16 april 2003, de aanhangsels daarvan, alsook de bijlagen bij de Protocollen 2, 3 en 8 bij de Akte van toetreding van 16 april 20031)PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33. maken een integrerend deel uit van dit Protocol.

Artikel

74

10

Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Geleid door de wens nadere bepalingen vast te stellen voor de procedure bij de in artikel III-184 van de Grondwet bedoelde buitensporige tekorten,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel

1

De in artikel III-184, lid 2, van de Grondwet bedoelde referentiewaarden zijn:

  • a.

    3 % voor de ratio tussen het voorziene of feitelijke overheidstekort en het bruto binnenlands product tegen marktprijzen;

  • b.

    60 % voor de ratio tussen de overheidsschuld en het bruto binnenlands product tegen marktprijzen.

Artikel

2

Voor de toepassing van artikel III-184 van de Grondwet en van dit Protocol wordt verstaan onder:

  • a.

    overheid: de algemene overheid, dat wil zeggen de centrale overheid, de regionale of lokale overheid en de fondsen voor sociale zekerheid onder uitsluiting van commerciële transacties, als omschreven in het Europees Stelsel van economische rekeningen;

  • b.

    tekort: netto financieringstekort als omschreven in het Europees Stelsel van economische rekeningen;

  • c.

    investeringen: bruto-investeringen in vaste activa als omschreven in het Europees Stelsel van economische rekeningen;

  • d.

    schuld: totale aan het eind van het jaar uitstaande brutoschuld tegen nominale waarde, geconsolideerd tussen en binnen de sectoren van de algemene overheid als omschreven onder a.

Artikel

3

Teneinde een doeltreffende werking van de procedure bij buitensporige tekorten te verzekeren, zijn de regeringen van de lidstaten in het kader van deze procedure aansprakelijk voor de tekorten van de algemene overheid als omschreven in artikel 2, onder a. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale procedures op begrotingsgebied hen in staat stellen hun uit de Grondwet voortvloeiende verplichtingen op dit gebied na te komen. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld en regelmatig in kennis van hun voorziene en feitelijke tekorten en van de omvang van hun schuld.

Artikel

4

De voor de toepassing van dit Protocol benodigde statistische gegevens worden door de Commissie verstrekt.

11

Protocol betreffende de convergentiecriteria

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Geleid door de wens nadere regels vast te stellen voor de convergentiecriteria die de Unie moet hanteren wanneer zij overeenkomstig artikel III-198 van de Grondwet besluit de derogaties in te trekken van de lidstaten die vallen onder een derogatie,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel

1

Het in artikel III-198, lid 1, onder a, van de Grondwet bedoelde criterium inzake prijsstabiliteit betekent dat de betrokken lidstaat een houdbare prijsontwikkeling heeft en een gemiddeld inflatiepercentage dat, gemeten over een periode van één jaar vóór het onderzoek, niet meer dan 1,5 procentpunt hoger ligt dan dat van ten hoogste de drie lidstaten die op het gebied van prijsstabiliteit het best presteren. De inflatie wordt gemeten aan de hand van het indexcijfer van de consumptieprijzen op een vergelijkbare basis, rekening houdend met verschillen in de nationale definities.

Artikel

3

Het in artikel III-198, lid 1, onder c, van de Grondwet bedoelde criterium inzake deelneming aan het wisselkoersmechanisme van het Europees Monetair Stelsel betekent dat de betrokken lidstaat ten minste gedurende de laatste twee jaren vóór het onderzoek zonder grote spanningen de normale fluctuatiemarges van het wisselkoersmechanisme van het Europees Monetair Stelsel heeft kunnen aanhouden. Met name mag de betrokken lidstaat tijdens die periode de bilaterale spilkoers van zijn valuta tegenover de euro niet op eigen initiatief hebben gedevalueerd.

Artikel

4

Het in artikel III-198, lid 1, onder d, van de Grondwet genoemde criterium inzake de convergentie van het niveau van de rentevoet betekent dat de betrokken lidstaat, gemeten over een periode van één jaar vóór het onderzoek, een gemiddelde nominale langetermijnrente heeft gehad die niet meer dan 2 procentpunten hoger ligt dan die van ten hoogste de drie lidstaten die op het gebied van prijsstabiliteit het best presteren. De rentevoet wordt gemeten op basis van langlopende staatsobligaties of vergelijkbare waardepapieren, rekening houdend met verschillen in de nationale definities.

Artikel

5

De voor de toepassing van dit Protocol benodigde statistische gegevens worden door de Commissie verstrekt.

Artikel

6

De Raad stelt op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, de Europese Centrale Bank, en het Economisch en Financieel Comité bedoeld in artikel III-192 van de Grondwet, met eenparigheid van stemmen de passende bepalingen vast betreffende de nadere regels voor de in artikel III-198 van de Grondwet bedoelde convergentiecriteria, die dan in de plaats van dit Protocol komen.

12

Protocol betreffende de eurogroep

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Verlangend de voorwaarden voor een sterkere economische groei in de Europese Unie te bevorderen en daartoe een steeds nauwere coördinatie van het economisch beleid in de eurozone te ontwikkelen,

Zich ervan bewust dat er bijzondere bepalingen voor een versterkte dialoog tussen de staten die de euro als munt hebben, moeten worden vastgesteld, in afwachting dat de euro de munt van alle lidstaten van de Unie wordt,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel

1

De ministers van de lidstaten die de euro als munt hebben vergaderen in informeel verband. De vergaderingen worden, voorzover nodig, gehouden om van gedachten te wisselen over aangelegenheden die verband houden met de specifieke bevoegdheden van de ministers inzake de ene munt. De Commissie neemt deel, en de Europese Centrale Bank wordt uitgenodigd deel te nemen, aan deze vergaderingen, die worden voorbereid door de vertegenwoordigers van de ministers van Financiën van de lidstaten die de euro als munt hebben en de Commissie.

Artikel

2

De ministers van de lidstaten die de euro als munt hebben, kiezen met een meerderheid van die lidstaten een voorzitter voor de duur van tweeëneenhalf jaar.

13

Protocol betreffende enkele bepalingen met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland ten aanzien van de Economische en Monetaire Unie

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Erkennende dat het Verenigd Koninkrijk niet verplicht of gehouden is de euro in te voeren zonder een daartoe strekkend afzonderlijk besluit van zijn regering en parlement;

Gezien het feit dat de regering van het Verenigd Koninkrijk op 16 oktober 1996 en op 30 oktober 1997 de Raad ervan in kennis heeft gesteld dat het niet wenst deel te nemen aan de derde fase van de economische en monetaire unie, zulks overeenkomstig punt 1 van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte protocol betreffende enkele bepalingen met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland;

Kennis nemend van de praktijk van de regering van het Verenigd Koninkrijk om voor de financiering van haar leningsbehoeften gebruik te maken van de verkoop van schuldbewijzen aan de particuliere sector,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel

1

Tenzij het Verenigd Koninkrijk de Raad ervan in kennis stelt dat het voornemens is de euro in te voeren, is het daartoe niet verplicht.

Artikel

2

De artikelen 3 tot en met 8 en artikel 10 zijn van toepassing op het Verenigd Koninkrijk, gezien de kennisgeving van de regering van het Verenigd Koninkrijk aan de Raad van 16 oktober 1996 en 30 oktober 1997.

Artikel

3

Het Verenigd Koninkrijk behoudt zijn bevoegdheden op het gebied van het monetaire beleid overeenkomstig de nationale wetgeving.

Artikel

4

Artikel I-30, lid 2, uitgezonderd de eerste en de laatste zin, artikel I-30, lid 5, artikel III-177, tweede alinea, artikel III-184, leden 1, 9 en 10, artikel III-185, leden 1 tot en met 5, artikel III-186, de artikelen III-188, III-189, III-190 en artikel III-191, artikel III-196, artikel III-198, lid 3, de artikelen III-326 en III-382 van de Grondwet zijn niet van toepassing op het Verenigd Koninkrijk. Dat geldt ook voor artikel III-179, lid 2, van de Grondwet wat betreft de aanneming van de onderdelen van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid die in algemene zin betrekking hebben op de eurozone.

Verwijzingen in de in de eerste alinea genoemde bepalingen naar de Unie of de lidstaten betreffen niet het Verenigd Koninkrijk en verwijzingen naar de nationale centrale banken betreffen niet de Bank of England.

Artikel

6

Het stemrecht van het Verenigd Koninkrijk wordt geschorst wanneer de Raad maatregelen als bedoeld in de in artikel 4 genoemde artikelen vaststelt en in de in artikel III-197, lid 4, eerste alinea, van de Grondwet bedoelde gevallen. Daartoe is artikel III-197, lid 4, tweede en derde alinea, van de Grondwet van toepassing.

Het Verenigd Koninkrijk heeft ook geen recht om deel te nemen aan de benoeming van de president, de vice-president en de overige leden van de directie van de Europese Centrale Bank overeenkomstig artikel III-382, lid 2, tweede, derde en vierde alinea, van de Grondwet.

Artikel

7

De artikelen 3, 4, 6 en 7, artikel 9, lid 2, artikel 10, leden 1, 2 en 3, artikel 11, lid 2, artikel 12, lid 1, de artikelen 14, 16, 18, 19, 20, 22, 23, 26, 27, 30, 31, 32, 33, 34 en 50 van het Protocol tot vaststelling van het statuut van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank („het statuut”) zijn niet van toepassing op het Verenigd Koninkrijk.

Verwijzingen in die artikelen naar de Unie of de lidstaten betreffen niet het Verenigd Koninkrijk en verwijzingen naar de nationale centrale banken of aandeelhouders betreffen niet de Bank of England.

De verwijzingen in artikel 10, lid 3, en artikel 30, lid 2, van het statuut naar het geplaatste kapitaal van de Europese Centrale Bank omvatten niet het kapitaal waarop door de Bank of England is ingeschreven.

Artikel

8

Artikel III-199 van de Grondwet en de artikelen 43 tot en met 47 van het statuut zijn van toepassing, ongeacht of een lidstaat onder een derogatie valt, behoudens de volgende wijzigingen:

  • a.

    verwijzingen in artikel 43 van het statuut naar de taken van de Europese Centrale Bank en het Europees Monetair Instituut omvatten mede de taken die na de invoering van de euro nog vervuld moeten worden vanwege het besluit van het Verenigd Koninkrijk om de euro niet in te voeren.

  • b.

    naast de in artikel 46 van het statuut bedoelde taken geeft de Europese Centrale Bank ook advies met betrekking tot en draagt zij bij tot de voorbereiding van iedere Europese verordening of ieder Europees besluit van de Raad betreffende het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig de bepalingen van artikel 9, onder a en c, van dit Protocol.

  • c.

    de Bank of England stort haar aandeel in het kapitaal van de Europese Centrale Bank als bijdrage in de bedrijfskosten van de ECB op dezelfde basis als de nationale centrale banken van lidstaten die onder een derogatie vallen.

Artikel

9

Het Verenigd Koninkrijk kan te allen tijde de Raad ervan in kennis stellen dat het voornemens is de euro in te voeren. In dat geval:

  • a.

    heeft het Verenigd Koninkrijk het recht de euro in te voeren, mits het voldoet aan de nodige voorwaarden. De Raad besluit op verzoek van het Verenigd Koninkrijk en overeenkomstig de voorwaarden en volgens de procedure van artikel III-198, leden 1 en 2, van de Grondwet, of het Verenigd Koninkrijk aan de nodige voorwaarden voldoet;

  • b.

    stort de Bank of England haar aandeel in het kapitaal, draagt zij aan de Europese Centrale Bank externe reserves over en draagt zij bij aan de reserves van de ECB op dezelfde grondslag als de nationale centrale bank van een lidstaat waarvan de derogatie is ingetrokken;

  • c.

    neemt de Raad, onder de voorwaarden en volgens de procedure van artikel III-198, lid 3, van de Grondwet, alle andere nodige besluiten om het Verenigd Koninkrijk in staat te stellen de euro in te voeren.

Indien het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig onderhavig artikel de euro invoert, treden de artikelen 3 tot en met 8 buiten werking.

14

Protocol betreffende enkele bepalingen inzake Denemarken ten aanzien van de Economische en Monetaire Unie

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Rekening houdende met het feit dat de Deense grondwet bepalingen bevat die kunnen impliceren dat voordat Denemarken van zijn derogatie afziet een referendum wordt gehouden;

Gezien het feit dat de Deense regering op 3 november 1993 de Raad ervan in kennis heeft gesteld dat het niet wenst deel te nemen aan de derde fase van de economische en monetaire unie, zulks overeenkomstig punt 1 van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte protocol betreffende enkele bepalingen inzake Denemarken,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel

1

Voor Denemarken geldt een derogatie, gezien de kennisgeving van de Deense regering aan de Raad van 3 november 1993. Deze derogatie heeft ten gevolge dat alle artikelen en bepalingen van de Grondwet en het statuut van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank die betrekking hebben op een derogatie, op Denemarken van toepassing zijn.

Artikel

2

Wat de intrekking van de derogatie betreft, wordt de in artikel III-198 van de Grondwet bedoelde procedure alleen ingeleid op verzoek van Denemarken.

Artikel

3

In geval van intrekking van de derogatie, is dit Protocol niet langer van toepassing.

15

Protocol betreffende bepaalde taken van de nationale bank van Denemarken

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Geleid door de wens bepaalde bijzondere problemen betreffende Denemarken te regelen,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

16

Protocol betreffende de regeling voor de frank van de Financiële Gemeenschap van de Stille Oceaan

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Geleid door de wens rekening te houden met een bijzondere aangelegenheid betreffende Frankrijk,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Enig

Artikel

Frankrijk mag het privilege van geldemissie in Nieuw-Caledonië, Frans-Polynesië en Wallis en Futuna behouden onder de in zijn nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden, en is als enige gerechtigd om de pariteit van de frank van de Financiële Gemeenschap van de Stille Oceaan vast te stellen.

17

Protocol betreffende het in het kader van de Europese Uunie geïntegreerde Schengenacquis

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Eraan herinnerend dat de bepalingen van het Schengenacquis, bestaande uit de door sommige lidstaten van de Europese Unie op 14 juni 1985 en 19 juni 1990 te Schengen ondertekende overeenkomsten inzake de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, alsmede uit de daarmee samenhangende overeenkomsten en de op grond daarvan vastgestelde voorschriften, is opgenomen in het kader van de Europese Unie, door middel van een aan het verdrag betreffende de Europese Unie en het verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehecht protocol;

Geleid door de wens het Schengenacquis, zoals dat sedert de inwerkingtreding van voornoemd protocol is ontwikkeld, in het kader van de Grondwet te behouden en te ontwikkelen teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstelling aan de burgers van de Unie een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zonder binnengrenzen te bieden;

Rekening houdend met de bijzondere positie van Denemarken;

In aanmerking nemend dat Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland niet aan alle bepalingen van het Schengenacquis deelnemen; dat deze lidstaten evenwel de mogelijkheid moet worden geboden andere bepalingen van dit acquis geheel of gedeeltelijk te aanvaarden;

Erkennend dat het bijgevolg noodzakelijk is gebruik te maken van de bepalingen van de Grondwet die betrekking hebben op nauwere samenwerking tussen sommige lidstaten;

In aanmerking nemend dat het noodzakelijk is bevoorrechte betrekkingen in stand te houden met de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen, die beide gebonden zijn door de bepalingen van de Noordse paspoortunie, tezamen met de Noordse staten die lid zijn van de Europese Unie,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel

1

Het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden worden gemachtigd onderling een nauwere samenwerking aan te gaan op de gebieden die vallen onder de door de Raad aangegeven bepalingen die samen het Schengen-acquis vormen. Deze samenwerking vindt plaats binnen het institutionele en juridische kader van de Unie en met inachtneming van de toepasselijke bepalingen van de Grondwet.

Artikel

2

Het Schengenacquis is met onmiddellijke ingang van toepassing op de in artikel 1 genoemde lidstaten, onverminderd artikel 3 van het Protocol betreffende het verdrag en de akte inzake de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek. De Raad treedt in de plaats van het bij de Overeenkomsten van Schengen ingestelde Uitvoerend Comité.

Artikel

3

De deelneming van Denemarken aan de vaststelling van maatregelen die een verdere ontwikkeling van het Schengenacquis inhouden en de uitvoering en toepassing van deze maatregelen in Denemarken vallen onder de toepasselijke bepalingen van het Protocol betreffende de positie van Denemarken.

Artikel

4

Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland kunnen te allen tijde verzoeken om aan alle of aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis deel te mogen nemen.

De Raad stelt een Europees besluit over dit verzoek vast. Hij besluit met eenparigheid van stemmen van de in artikel 1 genoemde leden en van het lid dat de regering van de betrokken staat vertegenwoordigt.

Artikel

5

Voorstellen en initiatieven om voort te bouwen op het Schengen-acquis vallen onder de toepasselijke bepalingen van de Grondwet.

Wanneer Ierland of het Verenigd Koninkrijk of beide de voorzitter van de Raad niet binnen een redelijke termijn schriftelijk hebben meegedeeld dat zij wensen deel te nemen, wordt de in artikel III-419, lid 1, van de Grondwet bedoelde machtiging in dit verband geacht te zijn verleend aan de in artikel 1 genoemde lidstaten, en aan Ierland of het Verenigd Koninkrijk indien een van beide aan de samenwerking op de gebieden in kwestie wenst deel te nemen.

Artikel

6

De Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering van het Schengen-acquis en de verdere ontwikkeling ervan. Te dien einde worden passende procedures overeengekomen in een overeenkomst die de Raad, met eenparigheid van stemmen van zijn in artikel 1 genoemde leden, met die staten sluit. In die overeenkomst worden bepalingen opgenomen inzake de bijdrage van IJsland en Noorwegen in de kosten die aan de uitvoering van dit Protocol zijn verbonden.

De Raad sluit, met eenparigheid van stemmen, met IJsland en Noorwegen een afzonderlijke overeenkomst voor de vaststelling van de wederzijdse rechten en verplichtingen van Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland enerzijds en IJsland en Noorwegen anderzijds, op de gebieden van het Schengenacquis die op deze staten van toepassing zijn.

Artikel

7

Voor de onderhandelingen met het oog op de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Unie worden het Schengen acquis en de verdere maatregelen die de Instellingen binnen de werkingssfeer van dat acquis vaststellen, beschouwd als een acquis dat door alle staten die kandidaat zijn voor toetreding volledig moet worden aanvaard.

18

Protocol betreffende de toepassing van bepaalde aspecten van artikel III-130 van de Grondwet op het Verenigd Koninkrijk en Ierland

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Geleid door de wens bepaalde vraagstukken met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk en Ierland te regelen;

Gelet op het feit dat tussen het Verenigd Koninkrijk en Ierland al sedert vele jaren bijzondere reisregelingen bestaan;

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel

1

Niettegenstaande de artikelen III-130 en III-265 van de Grondwet, de andere bepalingen van de Grondwet, de uit hoofde daarvan vastgestelde maatregelen en de internationale overeenkomsten die door de Unie of door de Unie en haar lidstaten met één of meer derde landen zijn gesloten, heeft het Verenigd Koninkrijk het recht aan zijn grenzen met andere lidstaten ten aanzien van personen die het Verenigd Koninkrijk wensen binnen te komen de controles te verrichten die het nodig acht om:

  • a.

    het recht op binnenkomst in het Verenigd Koninkrijk te verifiëren van burgers van lidstaten en hun gezinsleden die bij het recht van de Unie verleende rechten uitoefenen, alsmede van burgers van andere staten aan wie dergelijke rechten zijn toegekend bij een overeenkomst waardoor het Verenigd Koninkrijk gebonden is, en

  • b.

    te bepalen of aan andere personen al dan niet toelating wordt verleend om het Verenigd Koninkrijk binnen te komen.

Niets in de artikelen III-130en III-265 van de Grondwet, in een andere bepaling van de Grondwet of in een uit hoofde daarvan vastgestelde maatregel doet afbreuk aan het recht van het Verenigd Koninkrijk om dergelijke controles in te voeren of uit te oefenen. Onder het Verenigd Koninkrijk worden in dit artikel ook de grondgebieden verstaan waarvan de externe betrekkingen onder de verantwoordelijkheid van het Verenigd Koninkrijk vallen.

Artikel

2

Het Verenigd Koninkrijk en Ierland kunnen onderling regelingen blijven treffen betreffende het personenverkeer tussen hun grondgebieden („het gemeenschappelijk reisgebied” of „the Common Travel Area”), met volledige inachtneming van de rechten van de in artikel 1, eerste alinea, onder a, bedoelde personen. Zolang zij dergelijke regelingen handhaven, zijn de bepalingen van artikel 1 derhalve van toepassing op Ierland op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als op het Verenigd Koninkrijk. Niets in de artikelen III-130 en III-265 van de Grondwet of in een andere bepaling van deze Grondwet of in een uit hoofde daarvan vastgestelde maatregel doet afbreuk aan deze regelingen.

Artikel

3

De andere lidstaten hebben het recht aan hun grenzen of op enig punt van binnenkomst op hun grondgebied voor de in artikel 1 genoemde doeleinden dergelijke controles te verrichten op personen die hun grondgebied wensen binnen te komen vanuit het Verenigd Koninkrijk, of enig ander grondgebied waarvan de externe betrekkingen onder de verantwoordelijkheid van het Verenigd Koninkrijk vallen, dan wel vanuit Ierland, zolang de bepalingen van artikel 1 op Ierland van toepassing zijn.

Niets in de artikelen III-130 en III-265 van de Grondwet of in een andere bepaling van deze Grondwet of in een uit hoofde daarvan vastgestelde maatregel doet afbreuk aan het recht van de overige lidstaten om dergelijke controles in te voeren of te verrichten.

19

Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van het beleid inzake grenscontrole, asiel en immigratie, evenals ten aanzien van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken en politiële samenwerking

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Geleid door de wens bepaalde vraagstukken met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk en Ierland te regelen;

Gelet op het Protocol betreffende de toepassing van bepaalde aspecten van artikel III-130 van de Grondwet op het Verenigd Koninkrijk en Ierland;

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel

1

Onder voorbehoud van artikel 3 nemen het Verenigd Koninkrijk en Ierland niet deel aan de vaststelling door de Raad van maatregelen voorgesteld in het kader van deel III, titel III, hoofdstuk IV, afdelingen 2 en 3 van de Grondwet, van artikel III-260 van de Grondwet, voor zover dit artikel betrekking heeft op de door deze afdelingen bestreken onderwerpen, van artikel III-263, en van artikel III-275, lid 2, onder a, van de Grondwet. Voor handelingen van de Raad die met eenparigheid van stemmen moeten worden vastgesteld, is eenparigheid van de leden van de Raad vereist, met uitzondering van de vertegenwoordigers van de regeringen van het Verenigd Koninkrijk en van Ierland.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gekwalificeerde meerderheid van stemmen verstaan ten minste 55% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van die staten.

Een blokkerende minderheid moet ten minste uit het minimumaantal van de leden van de Raad bestaan die meer dan 35% van de bevolking van de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen, plus één lid; in het andere geval wordt de gekwalificeerde meerderheid van stemmen geacht te zijn verkregen.

In afwijking van de tweede en de derde alinea wordt, wanneer de Raad niet besluit op voorstel van de Commissie of van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, onder de vereiste gekwalificeerde meerderheid van stemmen verstaan ten minste 72% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van die staten.

Artikel

2

Ingevolge artikel 1 en onder voorbehoud van de artikelen 3, 4 en 6 zijn de bepalingen van deel III, titel III, hoofdstuk IV, afdelingen 2 en 3 van de Grondwet, van artikel III-260 van de Grondwet, voor zover dit artikel betrekking heeft op de door deze afdelingen bestreken onderwerpen, van artikel III-263, en van artikel III-275, lid 2, onder a, van de Grondwet, de overeenkomstig die afdelingen of artikelen vastgestelde maatregelen, de bepalingen in door de Unie overeenkomstig die afdelingen of artikelen gesloten internationale overeenkomsten en de beslissingen van het Hof van Justitie van de Unie ter uitlegging van die bepalingen of maatregelen niet verbindend voor, noch van toepassing op het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Bedoelde bepalingen, maatregelen en beslissingen laten de bevoegdheden, rechten en verplichtingen van deze staten onverlet. Bedoelde bepalingen, maatregelen en beslissingen laten het acquis communautaire en het acquis van de Unie geheel onverlet en maken geen deel uit van recht van de Unie, zoals dat op het Verenigd Koninkrijk en Ierland van toepassing is.

Artikel

3

Artikel

6

Indien het Verenigd Koninkrijk of Ierland in gevallen als bedoeld in dit Protocol gebonden is door een maatregel vastgesteld op grond van deel III, titel III, hoofdstuk IV, afdelingen 2 en 3 van de Grondwet of artikel III-260 van de Grondwet, voor zover dit artikel betrekking heeft op de door deze afdelingen bestreken onderwerpen, of artikel III-263 of artikel III-275, lid 2, onder a, van de Grondwet, zijn de desbetreffende bepalingen van de Grondwet op die staat van toepassing wat betreft die maatregel.

Artikel

8

Ierland kan de Raad er schriftelijk van in kennis stellen dat het niet langer onder de bepalingen van dit Protocol wenst te vallen. In dat geval zijn deze bepalingen niet meer van toepassing op Ierland.

20

Protocol betreffende de positie van Denemarken

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Herinnerend aan het Besluit van de staatshoofden en regeringsleiders, in het kader van de Europese Raad in Edinburgh bijeen op 12 december 1992, met betrekking tot bepaalde problemen die Denemarken met betrekking tot het Verdrag betreffende de Europese Unie aan de orde heeft gesteld;

Kennis genomen hebbend van de positie van Denemarken met betrekking tot het burgerschap, de economische en monetaire unie, het defensiebeleid en justitie en binnenlandse zaken zoals neergelegd in het besluit van Edinburgh;

Zich bewust van het feit dat de handhaving, in het kader van de Grondwet, van de wettelijke regeling die voortvloeit uit het besluit van Edinburgh de deelneming van Denemarken op belangrijke gebieden van samenwerking van de Unie aanzienlijk zal beperken, en dat het in het belang van de Unie is de integriteit van het acquis op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht te waarborgen;

Wensend om die reden een wettelijk kader vast te stellen dat Denemarken de mogelijkheid geeft deel te nemen aan de vaststelling van maatregelen die voorgesteld worden uit hoofde van deel III, titel III, hoofdstuk IV van de Grondwet, en met waardering voor het voornemen van Denemarken om van die mogelijkheid gebruik te maken wanneer dat volgens zijn grondwettelijke bepalingen mogelijk is;

Er nota van nemend dat Denemarken de overige lidstaten niet zal beletten hun samenwerking verder te versterken met betrekking tot maatregelen die voor Denemarken niet verbindend zijn;

Indachtig het Protocol tot opneming van het Schengenacquis in het kader van de Europese Unie,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

DEEL

I

Artikel

1

Denemarken neemt niet deel aan de vaststelling door de Raad van overeenkomstig deel III, titel III, hoofdstuk IV, van de Grondwet voorgestelde handelingen. Voor handelingen van de Raad die met eenparigheid van stemmen moeten worden vastgesteld, is eenparigheid van de leden van de Raad vereist, met uitzondering van de vertegenwoordiger van de Deense regering.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gekwalificeerde meerderheid van stemmen verstaan ten minste 55% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van die staten.

Een blokkerende minderheid moet ten minste uit het minimumaantal van de leden van de Raad bestaan die meer dan 35% van de bevolking van de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen, plus één lid; in het andere geval wordt de gekwalificeerde meerderheid van stemmen geacht te zijn verkregen.

In afwijking van de tweede en de derde alinea wordt, wanneer de Raad niet besluit op voorstel van de Commissie of van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, onder de vereiste gekwalificeerde meerderheid van stemmen verstaan ten minste 72% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van die staten.

Artikel

2

Deel III, titel III, hoofdstuk IV, van de Grondwet, de overeenkomstig dat hoofdstuk vastgestelde maatregelen, de door de Unie overeenkomstig dat hoofdstuk gesloten internationale overeenkomsten en de beslissingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie ter uitlegging van deze bepalingen of maatregelen zijn niet verbindend voor, noch van toepassing op Denemarken. Bedoelde bepalingen, maatregelen en beslissingen laten de bevoegdheden, rechten en verplichtingen van Denemarken onverlet. Bedoelde bepalingen, maatregelen en beslissingen laten het acquis communautaire en het acquis van de Unie geheel onverlet en maken geen deel uit van het recht van de Unie, zoals dat op Denemarken van toepassing is.

Artikel

3

Voor Denemarken hebben de in artikel 1 bedoelde maatregelen geen andere financiële gevolgen dan de ermee gepaard gaande administratieve kosten voor de Instellingen.

Artikel

4

DEEL

II

Artikel

5

Wat betreft de maatregelen die door de Raad worden vastgesteld op grond van artikel I-41, artikel III-295, lid 1, en de artikelen III-309 tot en met III-313 van de Grondwet, neemt Denemarken niet deel aan de uitwerking en de uitvoering van de besluiten en het optreden van de Unie welke gevolgen hebben op defensiegebied. Daarom neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van die besluiten en dat optreden. Denemarken belet de overige lidstaten niet hun samenwerking op dit gebied verder te ontwikkelen. Denemarken is niet verplicht bij te dragen aan de financiering van operationele uitgaven die voortvloeien uit dergelijke maatregelen, noch om militaire vermogens ter beschikking van de Unie te stellen.

Voor handelingen van de Raad die met eenparigheid van stemmen moeten worden vastgesteld, is eenparigheid van de leden van de Raad vereist, met uitzondering van de vertegenwoordiger van de Deense regering.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gekwalificeerde meerderheid van stemmen verstaan ten minste 55% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van die staten.

Een blokkerende minderheid moet ten minste uit het minimumaantal van de leden van de Raad bestaan die meer dan 35% van de bevolking van de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen, plus één lid; in het andere geval wordt de gekwalificeerde meerderheid van stemmen geacht te zijn verkregen.

In afwijking van de derde en de vierde alinea wordt, wanneer de Raad niet besluit op voorstel van de Commissie of van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, onder de vereiste gekwalificeerde meerderheid van stemmen verstaan ten minste 72% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van die staten.

DEEL

III

Artikel

7

De artikelen 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op de maatregelen tot bepaling van de derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten in het bezit moeten zijn van een visum of op de maatregelen betreffende een uniform visummodel.

DEEL

IV

Artikel

8

Denemarken kan te allen tijde overeenkomstig zijn grondwettelijke bepalingen de andere lidstaten mededelen dat het niet langer een beroep wenst te doen op dit protocol in zijn geheel of op gedeelten ervan. In dat geval past Denemarken alle geldende desbetreffende maatregelen die in het kader van de Unie zijn genomen, volledig toe.

Artikel

9

Bijlage

Artikel

1

Onder voorbehoud van artikel 3 neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling door de Raad van de overeenkomstig deel III, titel III, hoofdstuk IV, van de Grondwet voorgestelde handelingen. Voor handelingen van de Raad die met eenparigheid van stemmen moeten worden vastgesteld, is eenparigheid van de leden van de Raad vereist, met uitzondering van de vertegenwoordiger van de Deense regering.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gekwalificeerde meerderheid van stemmen verstaan ten minste 55% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van die staten.

Een blokkerende minderheid moet ten minste uit het minimumaantal van de leden van de Raad bestaan die meer dan 35% van de bevolking van de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen, plus één lid; in het andere geval wordt de gekwalificeerde meerderheid van stemmen geacht te zijn verkregen.

In afwijking van de tweede en de derde alinea wordt, wanneer de Raad niet besluit op voorstel van de Commissie of van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, onder de vereiste gekwalificeerde meerderheid van stemmen verstaan ten minste 72% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van die staten.

Artikel

2

Ingevolge artikel 1 en onder voorbehoud van de artikelen 3, 4 en 6 zijn deel III, titel III, hoofdstuk IV, van de Grondwet, de overeenkomstig dat hoofdstuk vastgestelde maatregelen, de door de Unie overeenkomstig dat hoofdstuk gesloten internationale overeenkomsten en de beslissingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie ter uitlegging van die bepalingen of maatregelen niet verbindend voor, noch van toepassing op Denemarken. Bedoelde bepalingen, maatregelen en beslissingen laten de bevoegdheden, rechten en verplichtingen van Denemarken onverlet. Bedoelde bepalingen, maatregelen en beslissingen laten het acquis communautaire en het acquis van de Unie geheel onverlet en maken geen deel uit van het recht van de Unie, zoals die op Denemarken van toepassing zijn.

Artikel

3

Artikel

5

Artikel

6

Indien Denemarken, in gevallen als bedoeld in dit deel, gebonden is door een door de Raad overeenkomstig deel III, titel III, hoofdstuk IV, van de Grondwet vastgestelde maatregel, zijn de desbetreffende bepalingen van de Grondwet van toepassing op Denemarken wat betreft die maatregel.

Artikel

7

Indien Denemarken niet gebonden is door een overeenkomstig deel III, titel III, hoofdstuk IV, van de Grondwet vastgestelde maatregel, mag deze maatregel voor Denemarken geen andere financiële gevolgen hebben dan de ermee gepaard gaande administratieve kosten voor de Instellingen, tenzij de Raad met eenparigheid van stemmen anders besluit, na raadpleging van het Europees Parlement.

21

Protocol betreffende de buitenlandse betrekkingen van de lidstaten in verband met de overschrijding van de buitengrenzen

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

in aanmerking nemend dat de lidstaten doeltreffende controles aan hun buitengrenzen moeten kunnen garanderen, waar nodig in samenwerking met derde landen,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepaling, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa wordt gehecht:

Enig

Artikel

De bepalingen betreffende de maatregelen inzake de overschrijding van de buitengrenzen in artikel III-265, lid 2, onder b, van de Grondwet laten de bevoegdheid van de lidstaten om met derde landen over overeenkomsten te onderhandelen of overeenkomsten te sluiten onverlet, mits daarbij het recht van de Unie en andere internationale overeenkomsten terzake worden geëerbiedigd.

22

Protocol betreffende asiel voor onderdanen van lidstaten

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Overwegende dat in artikel I-9, lid 1, van de Grondwet wordt bepaald dat de Unie de rechten, vrijheden en beginselen erkent die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten;

Overwegende dat in artikel I-9, lid 3, van de Grondwet wordt bepaald dat de grondrechten, zoals zij worden gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, als algemene beginselen deel uitmaken van het recht van de Unie;

Overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd is om de eerbiediging van het recht door de Unie bij de uitlegging en toepassing van artikel I-9, leden 1 en 3, van de Grondwet te verzekeren;

Overwegende dat overeenkomstig artikel I-58 van de Grondwet iedere Europese staat die verzoekt lid te worden van de Unie, de in artikel I-2 van de Grondwet bedoelde waarden dient te eerbiedigen;

In aanmerking nemend dat bij artikel I-59 van de Grondwet een regeling wordt ingesteld voor de schorsing van bepaalde rechten in geval van een ernstige en voortdurende schending van die waarden door een lidstaat;

Eraan herinnerend dat iedere onderdaan van een lidstaat, als burger van de Unie, een bijzondere status en bescherming geniet, die door de lidstaten wordt gegarandeerd overeenkomstig de bepalingen van deel I, titel II, en van deel III, titel II, van de Grondwet;

In aanmerking nemend dat bij de Grondwet een ruimte zonder binnengrenzen tot stand wordt gebracht en aan iedere burger van de Unie het recht op vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten wordt verleend;

Geleid door de wens te voorkomen dat het recht op asiel wordt aangewend voor andere doeleinden dan die waarvoor het bedoeld is;

Overwegende dat in dit protocol de uiteindelijke doelstellingen van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen worden geëerbiedigd,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Enig

Artikel

Het niveau van bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden in de lidstaten van de Europese Unie in aanmerking nemend, beschouwen de lidstaten elkaar als veilige landen van oorsprong voor alle juridische en praktische doeleinden in verband met asielzaken. Dienovereenkomstig kan een asielaanvraag van een onderdaan van een lidstaat door een andere lidstaat uitsluitend in aanmerking worden genomen of ontvankelijk worden verklaard in de volgende gevallen:

  • a.

    indien de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is maatregelen neemt met gebruikmaking van artikel 15 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, waarbij op zijn grondgebied wordt afgeweken van zijn verplichtingen uit hoofde van dat Verdrag;

  • b.

    indien de in artikel I-59, lid 1 of lid 2, van de Grondwet bedoelde procedure op gang is gebracht en totdat de Raad of, in voorkomend geval, de Europese Raad hieromtrent een Europees besluit heeft vastgesteld ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is;

  • c.

    indien de Raad overeenkomstig artikel I-59, lid 1, van de Grondwet een Europees besluit heeft vastgesteld ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is of indien de Europese Raad overeenkomstig artikel I-59, lid 2, van de Grondwet een Europees besluit heeft vastgesteld ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is;

  • d.

    indien een lidstaat hiertoe eenzijdig besluit in verband met de aanvraag van een onderdaan van een andere lidstaat; in dat geval wordt de Raad onverwijld op de hoogte gesteld; de aanvraag wordt behandeld op basis van het vermoeden dat zij duidelijk ongegrond is zonder op enigerlei wijze, in welk geval dan ook, van invloed te zijn op de beslissingsbevoegdheid van de lidstaat.

23

Protocol betreffende permanente gestructureerde samenwerking, ingesteld bij artikel I-41, lid 6, en artikel III-312 van de Grondwet

De Hoge Verdragsluitende Partijen

gelet op artikel I-41, lid 6, en artikel III-312 van de Grondwet;

Memorerend dat de Europese Unie een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid voert dat berust op convergentie van het optreden van de lidstaten;

Memorerend dat het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid een integrerend deel van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid is, dat het de Unie voorziet van een operationeel vermogen dat op civiele en militaire middelen steunt, en dat de Unie deze middelen kan gebruiken voor in artikel III-309 van de Grondwet bedoelde missies buiten het grondgebied van de Unie, zulks met het oog op handhaving van de vrede, conflictpreventie en versterking van de internationale veiligheid overeenkomstig de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties. Bij de uitvoering van deze taken wordt gebruik gemaakt van de door de lidstaten beschikbaar te stellen vermogens, volgens het beginsel van „één set strijdkrachten”;

Memorerend dat het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de Unie het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten onverlet laat;

Memorerend dat het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de Unie de uit het Noord-Atlantisch Verdrag voortvloeiende verplichtingen van de lidstaten die van oordeel zijn dat hun gemeenschappelijke defensie gestalte krijgt in het kader van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, eerbiedigt en verenigbaar is met het in dat kader vastgestelde gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid;

In de overtuiging dat een meer nadrukkelijke rol van de Unie op het gebied van veiligheid en defensie de vitaliteit van een hernieuwd Atlantisch bondgenootschap ten goede zal komen, in overeenstemming met de Berlijn Plus-regeling;

Vastbesloten de Unie in staat te stellen haar verantwoordelijkheden in de internationale gemeenschap volledig op zich te nemen;

Erkennend dat de Verenigde Naties de hulp van de Unie kunnen inroepen met het oog op dringende uitvoering van de missies die uit hoofde van de hoofdstukken VI en VII van het Handvest van de Verenigde Naties worden ondernomen;

Erkennend dat de versterking van het veiligheids- en defensiebeleid van de lidstaten inspanningen op het gebied van vermogens zal vergen;

In het bewustzijn dat het aanbreken van een nieuwe fase in de ontwikkeling van het Europees veiligheids- en defensiebeleid vastberaden inspanningen zal vergen van de lidstaten die daartoe bereid zijn;

Memorerend hoezeer het van belang is dat de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie volledig bij de werkzaamheden van de permanente gestructureerde samenwerking wordt betrokken,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel

1

De in artikel I-41, lid 6, van de Grondwet bedoelde permanente gestructureerde samenwerking staat open voor alle lidstaten die met ingang van de datum van inwerkingtreding van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa zich ertoe verbinden:

  • a.

    intensiever te werken aan de ontwikkeling van hun defensievermogens, door hun nationale bijdragen te ontwikkelen en in voorkomend geval deel te nemen aan multinationale strijdkrachten, aan de voornaamste Europese programma's voor materieel en aan het werk van het Europees agentschap op het gebied van de ontwikkeling van defensievermogens, onderzoek, aankopen en bewapening (hierna het „Europees defensieagentschap” genoemd), en

  • b.

    uiterlijk in 2007 in staat te zijn tot levering, hetzij op nationale basis hetzij als component van gezamenlijke taakgroepen, van specifiek voor de voorgenomen missies bestemde gevechtseenheden, die in tactisch opzicht als snellereactiegevechtgroep geconfigureerd zijn en voorzien zijn van ondersteuningselementen, transport en logistiek inbegrepen, en die in staat zijn binnen een termijn van 5 tot 30 dagen missies als bedoeld in artikel III-309 te ondernemen, in het bijzonder om gevolg te geven aan verzoeken van de Verenigde Naties, en die missies kunnen volhouden gedurende een initiële periode van 30 dagen, te verlengen tot ten minste 120 dagen.

Artikel

2

Teneinde te voldoen aan de in artikel 1 genoemde doelstellingen verbinden de lidstaten die deelnemen aan de permanente gestructureerde samenwerking, zich ertoe:

  • a.

    vanaf de inwerkingtreding van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa samen te werken met het oog op het halen van de overeengekomen streefcijfers betreffende de investeringsuitgaven voor militair materieel en die streefcijfers regelmatig opnieuw te bezien in het licht van het veiligheidsklimaat en de internationale verantwoordelijkheden van de Unie;

  • b.

    hun defensie-instrumentarium in de mate van het mogelijke onderling af te stemmen, met name door de militaire behoeften op geharmoniseerde wijze te bepalen en, in voorkomend geval, door hun defensiemiddelen en defensievermogens te specialiseren, alsmede door samenwerking ten aanzien van opleiding en logistiek te stimuleren;

  • c.

    concrete maatregelen te nemen om de beschikbaarheid, interoperabiliteit, flexibiliteit en inzetbaarheid van hun strijdkrachten te verbeteren, met name door gemeenschappelijke doelen voor het inzetten van strijdkrachten te bepalen, en daarbij eventueel hun nationale besluitvormingsprocedures opnieuw te bezien;

  • d.

    samen te werken om ervoor te zorgen dat zij de nodige maatregelen nemen om, onder andere door multinationale benaderingen en onverminderd de verbintenissen dienaangaande in het kader van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, de in het kader van het vermogensontwikkelingsmechanisme geconstateerde leemten op te vullen;

  • e.

    in voorkomend geval samen te werken bij de ontwikkeling van gemeenschappelijke of Europese programma's voor belangrijke uitrusting in het kader van het Europees Defensieagentschap.

Artikel

3

Het Europees Defensieagentschap draagt bij tot een regelmatige evaluatie van de bijdragen van de deelnemende lidstaten op het gebied van vermogens, in het bijzonder de bijdragen die worden geleverd volgens de onder meer op basis van artikel 2 vast te stellen criteria, en brengt daarover ten minste eenmaal per jaar verslag uit. De evaluatie kan dienen als uitgangspunt voor de aanbevelingen en de Europese besluiten van de Raad die worden vastgesteld overeenkomstig artikel III-312 van de Grondwet.

24

Protocol betreffende artikel I-41, lid 2, van de Grondwet

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Indachtig de noodzaak om de bepalingen van artikel I-41, lid 2, van de Grondwet volledig uit te voeren;

Indachtig het feit dat het beleid van de Unie overeenkomstig artikel I-41, lid 2, van de Grondwet het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten onverlet laat, de uit het Noord-Atlantisch Verdrag voortvloeiende verplichtingen van bepaalde lidstaten waarvan de gemeenschappelijke defensie gestalte krijgt in de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, eerbiedigt en verenigbaar is met het in dat kader vastgestelde gemeenschappelijke veiligheids- en defensiebeleid,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepaling, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa wordt gehecht:

Enig

Artikel

De Unie ontwikkelt in samenwerking met de West-Europese Unie regelingen voor intensievere onderlinge samenwerking.

25

Protocol betreffende de invoer in de Europese Unie van in de Nederlandse Antillen geraffineerde aardolieproducten

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Verlangende nadere bijzonderheden vast te stellen over de regeling van het handelsverkeer, toepasselijk op de invoer in de Unie van in de Nederlandse Antillen geraffineerde aardolieproducten,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel

1

Dit Protocol is van toepassing op aardolieproducten die vallen onder de posten 27.10, 27.11, 27.12 (paraffine, was uit aardoliën), ex 27.13 (paraffineachtige residuen) en 27.14 (leisteenoliën) van de gecombineerde nomenclatuur en die worden ingevoerd voor verbruik in de lidstaten.

Artikel

2

De lidstaten verbinden zich aan de in de Nederlands Antillen geraffineerde aardolieproducten, overeenkomstig dit Protocol, de tariefvoordelen toe te kennen die voortvloeien uit de associatie van dit land met de Unie. De bepalingen van dit Protocol gelden ongeacht de regels inzake oorsprong welke door de lidstaten worden toegepast.

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Indien de Unie besluit kwantitatieve beperkingen toe te passen op de invoer van aardolieproducten, ongeacht de herkomst daarvan, mogen deze ook worden toegepast op de invoer van die producten uit de Nederlandse Antillen. In dit geval wordt aan de Nederlandse Antillen een voorkeursbehandeling ten opzichte van derde landen gewaarborgd.

Artikel

6

Artikel

7

In verband met de uitvoering van dit Protocol dient de Commissie het verloop van de invoer van in de Nederlandse Antillen geraffineerde aardolieproducten in de lidstaten te volgen. De lidstaten brengen de Commissie alle daartoe dienstige gegevens volgens de door haar aanbevolen administratieve voorschriften ter kennis; zij zorgt voor de verspreiding daarvan.

Bijlage

Voor de toepassing van artikel 4, lid 2, hebben de Hoge Overeenkomstsluitende Partijen besloten dat de hoeveelheid van twee miljoen ton Antilliaanse aardolieproducten als volgt over de lidstaten wordt verdeeld:

Duitsland

625 000 ton

Belgisch-Luxemburgse Economische Unie

200 000 ton

Frankrijk

75 000 ton

Italië

100 000 ton

Nederland

1 000 000 ton

26

Protocol betreffende de verwerving van onroerende goederen in Denemarken

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Geleid door de wens bepaalde bijzondere problemen te regelen die betrekking hebben op Denemarken,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepaling, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa wordt gehecht:

Enig

artikel

Niettegenstaande de Grondwet mag Denemarken zijn huidige wetgeving inzake de verwerving van tweede woningen handhaven.

27

Protocol betreffende het publiekeomroepstelsel in de lidstaten

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Van oordeel dat het publiekeomroepstelsel in de lidstaten rechtstreeks verband houdt met de democratische, sociale en culturele behoeften van iedere samenleving en met de noodzaak pluralisme in de media te behouden,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende interpretatieve bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Enig

artikel

De bepalingen van de Grondwet doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om te voorzien in de financiering van de publieke omroep, voorzover deze financiering wordt verleend aan omroeporganisaties voor het vervullen van de publieke opdracht zoals toegekend, bepaald en georganiseerd door iedere lidstaat, en voorzover deze financiering de voorwaarden inzake het handelsverkeer en de mededingingsvoorwaarden in de Unie niet zodanig verandert dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad, waarbij rekening wordt gehouden met de verwezenlijking van de opdracht van deze publieke dienst.

28

Protocol betreffende artikel III-214 van de Grondwet

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepaling, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa wordt gehecht:

Enig

artikel

Voor de toepassing van artikel III-214 van de Grondwet worden uitkeringen uit hoofde van een ondernemings- of sectorale regeling inzake sociale zekerheid niet als beloning beschouwd indien en voorzover zij kunnen worden toegerekend aan tijdvakken van arbeid vóór 17 mei 1990, behalve in het geval van werknemers of hun rechtverkrijgenden die voor die datum een rechtsvordering of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingesteld.

29

Protocol betreffende economische, sociale en territoriale samenhang

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

eraan herinnerend dat artikel I-3 van de Grondwet als een van de doelstellingen de bevordering van de economische, sociale en territoriale samenhang en van de solidariteit tussen de lidstaten omvat en dat in Artikel I-14, lid 2, onder c, van de Grondwet die samenhang als onderdeel van de gebieden van gedeelde bevoegdheid van de Unie wordt vermeld;

Eraan herinnerend dat het geheel van de bepalingen van deel III, titel III, hoofdstuk III, afdeling 3, van de Grondwet inzake de economische, sociale en territoriale samenhang de rechtsgrondslag vormt voor de consolidatie en de verdere ontwikkeling van het optreden van de Unie op dat gebied, met inbegrip van de mogelijkheid om een fonds op te richten;

Eraan herinnerend dat artikel III-223 van de Grondwet voorziet in de oprichting van een Cohesiefonds;

Constaterend dat de Europese Investeringsbank ten behoeve van de armere regio's aanzienlijke en in omvang toenemende leningen verstrekt;

Gezien de wens om de voorwaarden voor de toewijzing van middelen uit de fondsen met structurele strekking flexibeler te maken;

Gezien de wens om de niveaus van de deelneming van de Unie aan programma's en projecten in bepaalde lidstaten te differentiëren;

Gelet op het voorstel om in het stelsel van eigen middelen meer rekening te houden met de relatieve welvaart van de lidstaten,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Enig

artikel

30

Protocol betreffende de bijzondere regeling van toepassing op Groenland

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Enig

artikel

31

Protocol betreffende artikel 40.3.3 van de Grondwet van Ierland

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepaling, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie wordt gehecht:

32

Protocol betreffende artikel I-9, lid 2, van de Grondwet inzake de toetreding van de Unie tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel

1

Het in artikel I-9, lid 2, van de Grondwet bedoelde Akkoord betreffende de toetreding van de Unie tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna „Europees Verdrag” genoemd) voorziet in de instandhouding van de specifieke kenmerken van de Unie en het recht van de Unie, met name wat betreft:

  • a.

    de bijzondere voorwaarden van de eventuele deelneming van de Unie aan de controle-instanties van het Europees Verdrag;

  • b.

    de benodigde mechanismen om ervoor te zorgen dat door staten die geen lidstaat zijn ingeleide procedures en individuele beroepen correct tot de lidstaten en/of de Unie worden gericht, naargelang het geval.

Artikel

2

Het in artikel 1 bedoelde akkoord moet van dien aard zijn dat de toetreding de bevoegdheden van de Unie en die van haar instellingen onverlet laat. Het moet tevens waarborgen dat de situatie van de lidstaten ten aanzien van het Europees Verdrag, en met name ten aanzien van de bijbehorende Protocollen, de door de lidstaten overeenkomstig artikel 15 van het Europees Verdrag genomen afwijkende maatregelen en de door de lidstaten overeenkomstig artikel 57 van dat Verdrag gemaakte voorbehouden geheel onverlet blijft.

33

Protocol betreffende de akten en verdragen waarbij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn aangevuld of gewijzigd

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Overwegende dat in artikel IV-437, lid 1, van de Grondwet het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie, alsmede de akten en verdragen waarbij deze verdragen zijn gewijzigd of aangevuld, worden ingetrokken;

Overwegende dat er een lijst van akten en verdragen als bedoeld in artikel IV-437, lid 1, moet worden opgesteld;

Overwegende dat de inhoud van artikel 9, lid 7, van het Verdrag van Amsterdam dient te worden overgenomen;

Eraan herinnerend dat de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen van kracht dient te blijven;

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden gehecht:

Artikel

1

Artikel

2

34

Protocol betreffende de overgangsbepalingen inzake de instellingen en organen van de unie

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Overwegende dat de overgang van, enerzijds, de Europese Unie die is ingesteld bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en de Europese Gemeenschap naar, anderzijds, de hiervoor in de plaats tredende Europese Unie die is ingesteld bij het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, in goede banen moet worden geleid; dat hiertoe overgangsbepalingen moeten worden vastgesteld die zullen gelden voordat de bepalingen van de Grondwet en de voor de uitvoering daarvan noodzakelijke handelingen van kracht worden,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden gehecht:

TITEL

I

BEPALINGEN BETREFFENDE HET EUROPEES PARLEMENT

Artikel

1

TITEL

II

BEPALINGEN BETREFFENDE DE EUROPESE RAAD EN DE RAAD

Artikel

2

Artikel

3

Tot aan de inwerkingtreding van het in artikel I-24, lid 4, van de Grondwet bedoelde Europees besluit kan de Raad bijeenkomen in de in Artikel I-24, leden 2 en 3, genoemde formaties en in de formaties voorkomende op een lijst die de Raad Algemene Zaken bij Europees besluit vaststelt met gewone meerderheid van stemmen.

TITEL

III

BEPALINGEN BETREFFENDE DE COMMISSIE MET INBEGRIP VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN VAN DE UNIE

Artikel

4

De leden van de Commissie die op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa in functie zijn, blijven in functie tot het eind van hun ambtstermijn. Op de dag waarop de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie wordt benoemd, eindigt evenwel de ambtstermijn van het lid dat dezelfde nationaliteit heeft als de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie.

TITEL

IV

BEPALINGEN BETREFFENDE DE SECRETARIS-GENERAAL VAN DE RAAD, HOGE VERTEGENWOORDIGER VOOR HET GEMEENSCHAPPELIJK BUITENLANDS EN VEILIGHEIDSBELEID, EN DE PLAATSVERVANGEND SECRETARIS-GENERAAL VAN DE RAAD

TITEL

V

BEPALINGEN BETREFFENDE DE ADVIESORGANEN

Artikel

6

Tot aan de inwerkingtreding van het in artikel III-386 van de Grondwet bedoelde Europees besluit is de zetelverdeling van de leden van het Comité van de Regio's als volgt:

België

12

Tsjechische Republiek

12

Denemarken

9

Duitsland

24

Estland

7

Griekenland

12

Spanje

21

Frankrijk

24

Ierland

9

Italië

24

Cyprus

6

Letland

7

Litouwen

9

Luxemburg

6

Hongarije

12

Malta

5

Nederland

12

Oostenrijk

12

Polen

21

Portugal

12

Slovenië

7

Slowakije

9

Finland

9

Zweden

12

Verenigd Koninkrijk

24

Artikel

7

Tot aan de inwerkingtreding van het in artikel III-389 van de Grondwet bedoelde Europees besluit is de zetelverdeling van de leden van het Economisch en Sociaal Comité als volgt:

België

12

Tsjechische Republiek

12

Denemarken

9

Duitsland

24

Estland

7

Griekenland

12

Spanje

21

Frankrijk

24

Ierland

9

Italië

24

Cyprus

6

Letland

7

Litouwen

9

Luxemburg

6

Hongarije

12

Malta

5

Nederland

12

Oostenrijk

12

Polen

21

Portugal

12

Slovenië

7

Slowakije

9

Finland

9

Zweden

12

Verenigd Koninkrijk

24

35

Protocol betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en betreffende het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Memorerend dat alle op 23 juli 2002 bestaande activa en passiva van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal op 24 juli 2002 zijn overgedragen aan de Europese Gemeenschap;

Rekening houdend met het feit dat het wenselijk is die middelen te gebruiken voor onderzoek in sectoren die in verband staan met de kolen- en staalindustrie, en met de noodzaak daarvoor enkele bijzondere regels op te stellen,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel

1

Artikel

2

Artikel

3

De Grondwet is van toepassing, tenzij in dit Protocol en de op grond daarvan vastgestelde besluiten anders is bepaald.

36

Protocol tot wijziging van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Eraan herinnerend hoe belangrijk het is dat de rechtsgevolgen van de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ten volle bewaard blijven;

Verlangend om dat verdrag, met name op institutioneel en financieel gebied, aan te passen aan de nieuwe bepalingen van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht en die het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie als volgt wijzigen:

Artikel

1

Dit Protocol wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna het „EGA-Verdrag” genoemd in de versie die van kracht is op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa.

Niettegenstaande de bepalingen van artikel IV-437 van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en onverminderd andere bepalingen van het onderhavige Protocol, blijven de rechtsgevolgen van de wijzigingen die bij de krachtens artikel IV-437 van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa ingetrokken verdragen en akten in het EGA-Verdrag zijn aangebracht, alsmede de rechtsgevolgen van de geldende handelingen die zijn vastgesteld op grond van het EGA-Verdrag, onverlet.

Artikel

2

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel

3

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel

4

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel

5

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel

6

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel

7

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel

8

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel

9

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel

10

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel

11

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel

12

De ontvangsten en uitgaven van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden, met uitzondering van die van het Voorzieningsagentschap en die van gemeenschappelijke ondernemingen, in de begroting van de Unie opgenomen.

Bijlagen bij het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa

Bijlage

I

Lijst bedoeld in artikel III-226 van de Grondwet

HOOFDSTUK 1

Levende dieren

HOOFDSTUK 2

Vlees en eetbare slachtafvallen

HOOFDSTUK 3

Vis, schaal-, schelp- en weekdieren

HOOFDSTUK 4

Melk en zuivelproducten; vogeleieren; natuurhonig

HOOFDSTUK 5

05.04

Darmen, blazen en magen van dieren, andere dan die van vissen, in hun geheel of in stukken

05.15

Producten van dierlijke oorsprong, niet elders genoemd noch elders onder begrepen; dode dieren van de soorten bedoeld in de hoofdstukken 1 en 3, niet geschikt voor menselijke consumptie

HOOFDSTUK 6

Levende planten en producten van de bloementeelt

HOOFDSTUK 7

Groenten, planten, wortels en knollen, voor voedingsdoeleinden

HOOFDSTUK 8

Eetbaar fruit; schillen van citrusvruchten en van meloenen

HOOFDSTUK 9

Koffie, thee en specerijen, met uitzondering van maté (nr. 09.03)

HOOFDSTUK 10

Granen

HOOFDSTUK 11

Producten van de meelindustrie; mout; zetmeel; gluten; inuline

HOOFDSTUK 12

Oliehoudende zaden en vruchten; allerlei zaden, zaadgoed en vrachten; planten voor industrieel en geneeskundig gebruik; stro en voeder

HOOFDSTUK 13

ex 13.03

Pectine

HOOFDSTUK 15

15.01

Reuzel en ander geperst of gesmolten varkensvet; geperst of gesmolten vet van pluimvee

15.02

Ruw of gesmolten rundvet, schapenvet en geitenvet, premier jus daaronder begrepen

15.03

Varkensstearine; oleostearine; spekolie en oleomargarine, niet geëmulgeerd, niet vermengd en niet anderszins bereid

15.04

Vetten en oliën van vis of van zeezoogdieren, ook indien geraffineerd

15.07

Plantaardige vette oliën, vloeibaar of vast, ruw, gezuiverd of geraffineerd

15.12

Gehydrogeneerde dierlijke of plantaardige vetten en oliën, ook indien gezuiverd doch niet verder bereid

15.13

Margarine, kunstreuzel en andere bereide spijsvetten

15.17

Afvallen, afkomstig van de bewerking van vetstoffen of van dierlijke of plantaardige was

HOOFDSTUK 16

Bereidingen van vlees, van vis, van schaal-, schelp- en weekdieren

HOOFDSTUK 17

17.01

Beetwortelsuiker en rietsuiker, in vaste vorm

17.02

Andere suiker; suikerstroop; kunsthonig, ook indien met natuurhonig vermengd; karamel

17.03

Melasse, ook indien ontkleurd

17.05 (*)

Suiker, stroop en melasse, gearomatiseerd of met toegevoegde kleurstoffen (vanillesuiker en vanillinesuiker daaronder begrepen), met uitzondering van vruchtensap, waaraan suiker is toegevoegd, ongeacht in welke verhouding

HOOFDSTUK 18

18.01

Cacaobonen, ook indien gebroken, al dan niet gebrand

18.02

Cacaodoppen, cacaoschillen, cacaovliezen en andere afvallen van cacao

HOOFDSTUK 20

Bereidingen van groenten, van moeskruiden, van vruchten en van planten of plantendelen

HOOFDSTUK 22

22.04

Gedeeltelijk gegist druivenmost, ook indien de gisting op andere wijze dan door toevoegen van alcohol is gestuit

22.05

Wijn van verse druiven; druivenmost waarvan de gisting door toevoegen van alcohol is gestuit (mistella daaronder begrepen)

22.07

Appeldrank, perendrank, honigdrank en andere gegiste dranken

ex 22.08 (*)

ex 22.09 (*)

Ethylalcohol, al dan niet gedenatureerd, ongeacht de sterkte, verkregen uit landbouwproducten, vermeld in deze bijlage, met uitzondering van gedestilleerde dranken, likeuren en andere alcoholhoudende dranken; samengestelde alcoholische preparaten („geconcentreerde extracten”) voor de vervaardiging van dranken

ex 22.10 (*)

Tafelazijn (natuurlijke en kunstmatige)

HOOFDSTUK 23

Resten en afval van de voedselindustrie; bereid voedsel voor dieren

HOOFDSTUK 24

24.01

Ruwe en niet tot verbruik bereide tabak; afvallen van tabak

HOOFDSTUK 45

45.01

Ruwe natuurkurk en kurkafval; gebroken of gemalen kurk

HOOFDSTUK 54

54.01

Vlas, ruw, geroot, gezwingeld, gehekeld of anders bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval (rafelingen daaronder begrepen)

HOOFDSTUK 57

57.01

Hennep (Cannabis sativa), ruw, geroot, gezwingeld, gehekeld of anders bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval (rafelingen daaronder begrepen).

(*) Toegevoegd door artikel 1 van Verordening nr. 7bis van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap van 18 december 1959 (PB 7 van 30.1.1961, blz. 71/61).

Bijlage

II

Landen en gebieden overzee waarop deel III, titel IV, van de Grondwet toepasselijk is

  • Groenland

  • Nieuw-Caledonië en onderhorigheden

  • Frans Polynesië

  • de Franse Zuidelijke en Zuidpool-gebieden

  • Wallis-archipel en Futuna-eiland

  • Mayotte

  • Saint Pierre en Miquelon

  • Aruba

  • Nederlandse Antillen:

    • Bonaire

    • Curaçao

    • Saba

    • Sint Eustatius

    • Sint Maarten

  • Anguilla

  • Cayman-eilanden

  • Falkland-eilanden

  • South Georgia en de Zuidelijke Sandwich-eilanden

  • Montserrat

  • Pitcairn

  • St. Helena met onderhorigheden

  • Brits Antarctica

  • Brits gebied in de Indische Oceaan

  • Turks- en Caicos-eilanden

  • Britse Maagden-eilanden

  • Bermuda-eilanden.

Slotakte

De Conferentie van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, bijeen te Brussel op 30 september 2003, om in onderling overleg het verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa vast te stellen, heeft de volgende teksten vastgesteld:

De Conferentie heeft de volgende aan de Slotakte gehechte verklaringen aangenomen:

  • A.

    Verklaringen betreffende bepalingen van de Grondwet

    • 1.

      Verklaring ad artikel I-6

    • 2.

      Verklaring ad artikel I-9, lid 2

    • 3.

      Verklaring ad artikelen I-22, I-27 en I-28

    • 4.

      Verklaring ad artikel I-24, lid 7, betreffende het besluit van de Europese Raad inzake de uitoefening van het voorzitterschap van de Raad

    • 5.

      Verklaring ad artikel I-25

    • 6.

      Verklaring ad artikel I-26

    • 7.

      Verklaring ad artikel I-27

    • 8.

      Verklaring ad artikel I-36

    • 9.

      Verklaring ad artikelen I-43 en III-329

    • 10.

      Verklaring ad artikel I-51

    • 11.

      Verklaring ad artikel I-57

    • 12.

      Verklaring betreffende de toelichting bij het Handvest van de grondrechten

    • 13.

      Verklaring ad artikel III-116

    • 14.

      Verklaring ad artikelen III-136 en III-267

    • 15.

      Verklaring ad artikelen III-160 en III-322

    • 16.

      Verklaring ad artikel III-167, lid 2, onder c

    • 17.

      Verklaring ad artikel III-184

    • 18.

      Verklaring ad artikel III-213

    • 19.

      Verklaring ad artikel III-220

    • 20.

      Verklaring ad artikel III-243

    • 21.

      Verklaring ad artikel III-248

    • 22.

      Verklaring ad artikel III-256

    • 23.

      Verklaring ad artikel III-273, lid 1, tweede alinea

    • 24.

      Verklaring ad artikel III-296

    • 25.

      Verklaring ad artikel III-325 betreffende de onderhandelingen over en sluiting van internationale overeenkomsten inzake de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht door de lidstaten

    • 26.

      Verklaring ad artikel III-402, lid 4

    • 27.

      Verklaring ad artikel III-419

    • 28.

      Verklaring ad artikel IV-440, lid 7

    • 29.

      Verklaring ad artikel IV-448, lid 2

    • 30.

      Verklaring betreffende de bekrachtiging van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa

  • B.

    Verklaringen betreffende aan de Grondwet gehechte protocollen

    Verklaringen inzake het Protocol betreffende de verdragen en akten inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, alsmede de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden

    • 31.

      Verklaring betreffende de Åland-eilanden

    • 32.

      Verklaring betreffende het Lapse volk

    Verklaringen inzake het Protocol betreffende het verdrag en de akte inzake de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek

    • 33.

      Verklaring betreffende de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen

    • 34.

      Verklaring van de Commissie betreffende de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen

    • 35.

      Verklaring betreffende de kerncentrale van Ignalina in Litouwen

    • 36.

      Verklaring betreffende de doorreis van personen over land tussen de regio Kaliningrad en andere delen van de Russische Federatie

    • 37.

      Verklaring betreffende eenheid 1 en eenheid 2 van de V1-kerncentrale van Bohunice in Slowakije

    • 38.

      Verklaring betreffende Cyprus

    • 39.

      Verklaring inzake het Protocol betreffende de positie van Denemarken

    • 40.

      Verklaring inzake het Protocol betreffende de overgangsbepalingen inzake de instellingen en organen van de Unie

    • 41.

      Verklaring inzake Italië

De Conferentie heeft tevens akte genomen van de volgende aan deze Slotakte gehechte verklaringen:

  • 42.

    Verklaring van het Koninkrijk der Nederlanden ad artikel I-55

  • 43.

    Verklaring van het Koninkrijk der Nederlanden ad artikel IV-440

  • 44.

    Verklaring van de Bondsrepubliek Duitsland, Ierland, de Republiek Hongarije, de Republiek Oostenrijk en het Koninkrijk Zweden

  • 45.

    Verklaring van het Koninkrijk Spanje en van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

  • 46.

    Verklaring van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de definitie van de term „onderdanen”

  • 47.

    Verklaring van het Koninkrijk Spanje betreffende de definitie van de term „onderdanen”

  • 48.

    Verklaring van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende het kiesrecht bij verkiezingen voor het Europees Parlement

  • 49.

    Verklaring van het Koninkrijk België inzake de nationale parlementen

  • 50.

    Verklaring van de Republiek Letland en de Republiek Hongarije over de spelling van de naam van de enige munteenheid in het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa

GEDAAN te Rome, negenentwintig oktober tweeduizendvier.

A

VERKLARINGEN BETREFFENDE BEPALINGEN VAN DE GRONDWET

1

Verklaring ad artikel I-6

De Conferentie merkt op dat artikel I-6 een afspiegeling is van de bestaande rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en van het Gerecht van eerste aanleg.

2

Verklaring ad artikel I-9, lid 2

De Conferentie is het er over eens dat bij de toetreding van de Unie tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de specifieke kenmerken van het recht van de Unie in stand moeten worden gehouden. In dit verband neemt de Conferentie nota van het bestaan van een regelmatige dialoog tussen het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Europese Hof voor de rechten van de mens; deze dialoog zou kunnen worden versterkt wanneer de Unie toetreedt tot dit verdrag.

3

Verklaring ad artikelen I-22, I-27 en I-28

Bij de keuze van de personen voor de ambten van voorzitter van de Europese Raad, voorzitter van de Commissie en minister van Buitenlandse Zaken van de Unie moet naar behoren rekening worden gehouden met de noodzaak tot eerbiediging van de geografische en demografische verscheidenheid van de Unie en van de lidstaten.

4

Verklaring ad artikel I-24, lid 7, betreffende het besluit van de Europese Raad inzake de uitoefening van het voorzitterschap van de Raad

De Conferentie verklaart dat de Raad, zodra het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa is ondertekend, moet beginnen met de voorbereiding van het Europees besluit tot vaststelling van de maatregelen voor de toepassing van het Europese besluit van de Europese Raad inzake de uitoefening van het voorzitterschap van de Raad en daaraan binnen zes maanden zijn politieke goedkeuring moet hechten. Hieronder volgt een ontwerp van een Europees besluit van de Europese Raad dat zal worden aangenomen op de dag waarop voornoemd verdrag in werking treedt.

Ontwerp van een Europees besluit van de Europese Raad betreffende de uitoefening van het voorzitterschap van de Raad

Artikel 1

  • 1.

    Het voorzitterschap van de Raad, met uitzondering van de formatie Buitenlandse Zaken, wordt gedurende 18 maanden door vooraf bepaalde groepen van drie lidstaten vervuld. Deze groepen worden volgens een toerbeurtsysteem op basis van gelijkheid van de lidstaten samengesteld, waarbij rekening wordt gehouden met de verscheidenheid van de lidstaten en het geografische evenwicht binnen de Unie.

  • 2.

    Ieder lid van de groep zit bij toerbeurt gedurende een periode van zes maanden alle Raadsformaties voor, met uitzondering van de formatie Buitenlandse Zaken. De andere leden van de groep staan het voorzitterschap in al zijn verantwoordelijkheden bij op basis van een gemeenschappelijk programma. De leden van de groep kunnen onderling tot andere regelingen besluiten.

Artikel 2

Het Comité van permanente vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de lidstaat die de Raad Algemene Zaken voorzit.

Het Politiek en Veiligheidscomité wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie.

De voorbereidende instanties van de diverse Raadsformaties, met uitzondering van de formatie Buitenlandse Zaken, worden voorgezeten door het lid van de Groep dat het voorzitterschap van de betrokken Raadsformatie vervult, behoudens een ander besluit overeenkomstig artikel 4.

Artikel 3

De Raad Algemene Zaken draagt in samenwerking met de Commissie in het kader van een meerjarenprogrammering zorg voor de samenhang en de continuïteit van de werkzaamheden van de verschillende Raadsformaties. De lidstaten die het voorzitterschap vervullen, treffen, met de hulp van het secretariaat-generaal van de Raad, alle nodige schikkingen voor de organisatie en het goede verloop van de werkzaamheden van de Raad.

Artikel 4

De Raad stelt een Europees besluit houdende maatregelen tot uitvoering van dit besluit vast.

5

Verklaring ad artikel I-25

De Conferentie verklaart dat het Europese besluit betreffende de uitvoering van artikel I-25 door de Raad zal worden vastgesteld op de dag waarop het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa in werking treedt. Hieronder volgt het ontwerp-besluit:

Ontwerp van een Europees besluit van de Raad betreffende de uitvoering van artikel I-25

De Raad van de Europese Unie,

Overwegende hetgeen volgt:

  • (1)

    Er dienen bepalingen te worden vastgesteld die een vlotte overgang mogelijk maken van het systeem van besluitvorming in de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen – als omschreven in het Verdrag van Nice en overgenomen in artikel 2, lid 2, van het aan de Grondwet gehechte Protocol betreffende de overgangsbepalingen inzake de instellingen en organen van de Unie, dat tot en met 31 oktober 2009 van toepassing zal blijven – naar de stemprocedure als bepaald bij artikel I–25 van de Grondwet, die vanaf 1 november 2009 van toepassing zal zijn.

  • (2)

    Er zij aan herinnerd dat het gebruikelijk is dat de Raad zich inspant om de democratische legitimiteit van met gekwalificeerde meerderheid van stemmen vastgestelde handelingen te versterken.

  • (3)

    Het wordt wenselijk geacht dit besluit zolang van kracht te laten zijn als nodig is om te zorgen voor een vlotte overgang naar de nieuwe stemprocedure waarin de Grondwet voorziet,

Besluit:

Artikel 1

Indien leden van de Raad, die

  • a.

    ten minste driekwart van de bevolking, of

  • b.

    ten minste driekwart van het aantal lidstaten,

vertegenwoordigen zoals vereist voor het vormen van een blokkerende minderheid ingevolge de toepassing van artikel I-25, lid 1, eerste alinea, of lid 2 zich ertegen verzetten dat de Raad een handeling vaststelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, dan zal de Raad de kwestie bespreken.

Artikel 2

De Raad zal tijdens deze besprekingen alles doen wat in zijn macht ligt om, binnen een redelijke tijd en zonder afbreuk te doen aan de dwingende termijnen die door het recht van de Unie worden voorgeschreven, een bevredigende oplossing te vinden om tegemoet te komen aan de bezwaren van de in artikel 1 bedoelde leden van de Raad.

Artikel 3

De voorzitter van de Raad neemt hiertoe, met de hulp van de Commissie en met inachtneming van het reglement van orde van de Raad, ieder initiatief dat nodig is om een grotere mate van overeenstemming in de Raad te vergemakkelijken. De leden van de Raad zijn hem daarbij behulpzaam.

Artikel 4

Dit besluit treedt op 1 november 2009 in werking. Het blijft ten minste tot 2014 van kracht. Daarna kan de Raad een Europees besluit tot intrekking ervan vaststellen.

6

Verklaring ad artikel I-26

De Conferentie is van mening dat, wanneer de Commissie niet langer uit onderdanen van alle lidstaten bestaat, zij bijzondere aandacht moet schenken aan de noodzaak om te zorgen voor volledige transparantie in haar betrekkingen met alle lidstaten. Bijgevolg moet de Commissie nauwe contacten onderhouden met alle lidstaten, ongeacht of een van hun onderdanen lid van de Commissie is, en dat zij in dit verband bijzondere aandacht moet schenken aan de noodzaak om met alle lidstaten informatie te delen en overleg te plegen.

De Conferentie is ook van mening dat de Commissie alle nodige maatregelen moet nemen om ervoor te zorgen dat de politieke, sociale en economische realiteit in alle lidstaten, daaronder de lidstaten begrepen die geen onderdaan als lid van de Commissie hebben, volledig in aanmerking wordt genomen. Deze maatregelen zouden onder meer de waarborg moeten omvatten dat het standpunt van die lidstaten door de vaststelling van passende organisatorische regelingen in aanmerking wordt genomen.

7

Verklaring ad artikel I-27

De Conferentie is van oordeel dat het Europees Parlement en de Europese Raad krachtens de bepalingen van de Grondwet gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het goede verloop van het proces dat tot de verkiezing van de voorzitter van de Commissie leidt. Daarom zullen vertegenwoordigers van het Europees Parlement en van de Europese Raad voorafgaand aan het besluit van de Europese Raad in het daartoe meest geschikt geachte kader de nodige raadplegingen verrichten. Deze raadplegingen zullen handelen over het profiel van de kandidaten voor het ambt van voorzitter van de Commissie, waarbij overeenkomstig artikel I-27, lid 1, rekening zal worden gehouden met de uitslag van de verkiezingen voor het Europees Parlement. De wijze waarop deze raadplegingen plaatsvinden kan te gelegener tijd in onderlinge overeenstemming tussen het Europees Parlement en de Europese Raad geregeld worden.

8

Verklaring ad artikel I-36

De Conferentie neemt er nota van dat de Commissie voornemens is de door de lidstaten aangewezen deskundigen te blijven raadplegen bij de voorbereiding van haar ontwerpen van gedelegeerde Europese verordeningen op het gebied van financiële diensten, overeenkomstig haar vaste praktijk.

9

Verklaring ad artikelen I-43 en III-329

Onverminderd de maatregelen die de Unie vaststelt om te voldoen aan haar solidariteitsverplichting jegens een lidstaat die getroffen wordt door een terroristische aanval, een natuurramp of een door de mens veroorzaakte ramp, beoogt geen van de bepalingen van artikel I-43 of artikel III-329 afbreuk te doen aan het recht van een andere lidstaat de geschiktste middelen te kiezen om aan zijn solidariteitsverplichting jegens eerstgenoemde lidstaat te voldoen.

10

Verklaring ad artikel I-51

De Conferentie verklaart dat in alle gevallen waarin op grond van artikel I-51 voorschriften inzake de bescherming van persoonsgegevens moeten worden vastgesteld die rechtstreekse gevolgen voor de nationale veiligheid zouden kunnen hebben, daarmee naar behoren rekening moet worden gehouden. Zij memoreert dat de geldende wetgeving (zie met name Richtlijn 95/46/EG) terzake specifieke afwijkingen bevat.

11

Verklaring ad artikel I-57

De Unie houdt rekening met de bijzondere situatie van de landen met een klein grondgebied die specifieke nabuurschapsbetrekkingen met haar onderhouden.

12

Verklaring betreffende de toelichting bij het Handvest van de grondrechten

De Conferentie neemt nota van de onderstaande toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten, welke zijn opgesteld onder het gezag van het Præsidium van de Conventie die het Handvest heeft opgesteld en is bijgewerkt onder verantwoordelijkheid van het Præsidium van de Europese Conventie.

Toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten

Deze toelichtingen werden oorspronkelijk opgesteld op verzoek van het praesidium van de Conventie die het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie heeft opgesteld. Zij zijn bijgewerkt onder verantwoordelijkheid van het praesidium van de Europese Conventie, in het licht van de wijzigingen die door laatstgenoemde Conventie in het Handvest zijn aangebracht (met name in artikel 51 en artikel 521)Artikelen II-111 en II-112 van de Grondwet.) en van verdere ontwikkelingen in het recht van de Unie. Hoewel zij op zich geen juridische waarde hebben, vormen zij een nuttig hulpmiddel voor de interpretatie, bedoeld om de bepalingen van het Handvest te verduidelijken.

Preambule

De volkeren van Europa zijn vastbesloten een op gemeenschappelijke waarden gegrondveste vreedzame toekomst te delen door onderling een steeds hechter verbond tot stand te brengen.

De Unie, zich bewust van haar geestelijke en morele erfgoed, is gegrondvest op de ondeelbare en universele waarden van menselijke waardigheid en van vrijheid, gelijkheid en solidariteit. Zij berust op het beginsel van de democratie en het beginsel van de rechtsstaat. De Unie stelt de mens centraal in haar optreden, door het burgerschap van de Unie in te stellen en een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid tot stand te brengen.

De Unie draagt bij tot de instandhouding en de ontwikkeling van deze gemeenschappelijke waarden, met inachtneming van de verscheidenheid van de culturen en tradities van de volkeren van Europa, alsmede van de nationale identiteit van de lidstaten en van hun staatsinrichting op nationaal, regionaal en lokaal niveau. Zij streeft ernaar een evenwichtige en duurzame ontwikkeling te bevorderen en draagt zorg voor het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal, alsook de vrijheid van vestiging.

Te dien einde moet in het licht van de ontwikkelingen in de maatschappij, de sociale vooruitgang en de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen de bescherming van de grondrechten worden versterkt door deze rechten beter zichtbaar te maken in een handvest.

Onder inachtneming van de bevoegdheden en taken van de Unie en van het subsidiariteitsbeginsel, bevestigt dit Handvest de rechten die met name voortvloeien uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities en internationale verplichtingen van de lidstaten, uit het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, uit de door de Unie en de Raad van Europa aangenomen sociale Handvesten, alsook uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de rechten van de mens. In dit verband zullen de rechtscolleges van de Europese Unie en de lidstaten bij de uitlegging van het Handvest naar behoren rekening houden met de toelichtingen die zijn opgesteld onder de verantwoordelijkheid van het praesidium van de Conventie die het Handvest heeft opgesteld en welke is bijgewerkt onder verantwoordelijkheid van het praesidium van de Europese Conventie.

Het genot van deze rechten brengt verantwoordelijkheden en plichten mede jegens de medemens, jegens de mensengemeenschap en de toekomstige generaties.

Derhalve erkent de Unie de hieronder genoemde rechten, vrijheden en beginselen.

TITEL

I

WAARDIGHEID

Artikel

1

1) Artikel II-61 van de Grondwet. Menselijke waardigheid

De menselijke waardigheid is onschendbaar. Zij moet worden geëerbiedigd en beschermd.

Toelichting

De menselijke waardigheid is niet alleen een grondrecht op zich, maar ook de grondslag van alle grondrechten. Het beginsel van de menselijke waardigheid is vastgelegd in de preambule van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948: „... overwegende, dat erkenning van de inherente waardigheid en de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld.”. In zijn arrest van 9 oktober 2001 in Zaak C-377/98 - Nederland tegen Europees Parlement en Raad, Jurispr. 2001, blz. 7079, r.o. 70-77, bevestigt het Hof van Justitie dat een grondrecht op menselijke waardigheid deel uitmaakt van het recht van de Unie.

Hieruit vloeit onder meer voort dat geen van de in dit Handvest vastgelegde rechten mag worden gebruikt om de waardigheid van anderen te schenden en dat de menselijke waardigheid tot het wezen van de in dit Handvest vastgelegde rechten behoort. Er kan derhalve geen afbreuk aan worden gedaan, zelfs niet als een recht wordt beperkt.

Artikel

2

2) Artikel II-62 van de Grondwet. Recht op leven

Artikel

3

3) Artikel II-63 van de Grondwet. Recht op menselijke integriteit

Artikel

4

1) Artikel II-63 van de Grondwet. Verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen

Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Toelichting

Het recht van artikel 42)Artikel II-64 van de Grondwet. correspondeert met het recht dat in het gelijkluidende artikel 3 van het EVRM is gewaarborgd:„Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.”. Overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest2)Artikel II-112, lid 3, van de Grondwet.heeft het derhalve dezelfde inhoud en reikwijdte als voornoemd artikel.

Artikel

5

2) Artikel II-65 van de Grondwet. Verbod van slavernij en dwangarbeid

TITEL

II

VRIJHEDEN

Artikel

6

1) Artikel II-66 van de Grondwet. Recht op vrijheid en veiligheid

Eenieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon.

Toelichting

De rechten van artikel 61)Artikel II-66 van de Grondwet. corresponderen met de rechten die in artikel 5 van het EVRM zijn gewaarborgd en hebben overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest2)Artikel II-112, lid 3, van de Grondwet. dezelfde inhoud en reikwijdte. Daaruit vloeit voort dat de beperkingen die er rechtmatig aan kunnen worden gesteld, niet verder mogen strekken dan die welke door het EVRM in de tekst zelf van artikel 5 zijn toegestaan:

  • „1.

    Eenieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure:

    • a.

      indien hij op rechtmatige wijze is gedetineerd na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter;

    • b.

      indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gedetineerd, wegens het niet naleven van een overeenkomstig de wet door een gerecht gegeven bevel of teneinde de nakoming van een door de wet voorgeschreven verplichting te verzekeren;

    • c.

      indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gedetineerd teneinde voor de bevoegde rechterlijke instantie te worden geleid, wanneer er een redelijke verdenking bestaat, dat hij een strafbaar feit heeft begaan of indien het redelijkerwijs noodzakelijk is hem te beletten een strafbaar feit te begaan of te ontvluchten nadat hij dit heeft begaan;

    • d.

      in het geval van rechtmatige detentie van een minderjarige met het doel toe te zien op zijn opvoeding of in het geval van zijn rechtmatige detentie, teneinde hem voor de bevoegde instantie te geleiden;

    • e.

      in het geval van rechtmatige detentie van personen ter voorkoming van de verspreiding van besmettelijke ziekten, van geesteszieken, van verslaafden aan alcohol of verdovende middelen of van landlopers;

    • f.

      in het geval van rechtmatige arrestatie of detentie van een persoon teneinde hem te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of van een persoon waartegen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is.

  • 2.

    Eenieder die gearresteerd is moet onverwijld en in een taal die hij verstaat op de hoogte worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie en van alle beschuldigingen welke tegen hem zijn ingebracht.

  • 3.

    Eenieder die is gearresteerd of gedetineerd, overeenkomstig lid 1.c van dit artikel, moet onverwijld voor een rechter worden geleid of voor een andere magistraat die door de wet bevoegd verklaard is rechterlijke macht uit te oefenen en heeft het recht binnen een redelijke termijn berecht te worden of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld. De invrijheidstelling kan afhankelijk worden gesteld van een waarborg voor de verschijning van de betrokkene ter terechtzitting.

  • 4.

    Eenieder, wie door arrestatie of detentie zijn vrijheid is ontnomen, heeft het recht voorziening te vragen bij het gerecht opdat dit spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de detentie onrechtmatig is.

  • 5.

    Eenieder die het slachtoffer is geweest van een arrestatie of een detentie in strijd met de bepalingen van dit artikel, heeft recht op schadeloosstelling.”.

De rechten van artikel 61)Artikel II-66 van de Grondwet. moeten in het bijzonder worden geëerbiedigd wanneer het Europees Parlement en de Raad op grond van de artikelen III-270, III-271 en III-273 van de Grondwet wetten en kaderwetten op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken vaststellen, onder andere met het oog op de opstelling van gemeenschappelijke minimumvoorschriften met betrekking tot de kwalificatie van strafbare feiten, met betrekking tot straffen en met betrekking tot bepaalde aspecten van het procesrecht.

Artikel

7

1) Artikel II-67 van de Grondwet. Eerbiediging van het privé-leven en het familie- en gezinsleven

Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.

Toelichting

De in artikel 72)Artikel II-112, lid 3, van de Grondwet.gewaarborgde rechten corresponderen met de rechten die in artikel 8 van het EVRM zijn gewaarborgd. Om rekening te houden met de technische ontwikkelingen is het woord „correspondentie” vervangen door „communicatie”.

Conform artikel 52, lid 3, heeft dit recht dezelfde inhoud en reikwijdte als het recht in de daarmee corresponderende bepaling van het EVRM. Dit heeft tot gevolg dat de beperkingen die er rechtmatig aan kunnen worden gesteld, dezelfde zijn als die welke in het kader van voornoemd artikel 8 toegestaan zijn:

  • „1.

    Eenieder heeft recht op respect voor zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

  • 2.

    een inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voorzover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”.

Artikel

8

3) Artikel II-68 van de Grondwet. Bescherming van persoonsgegevens

Toelichting

Dit artikel was gebaseerd op artikel 286 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en op Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995), alsmede op artikel 8 van het EVRM en op het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, dat door alle lidstaten is bekrachtigd. artikel 286 van het EG-Verdrag is nu vervangen door artikel I-51 van de Grondwet. Voorts wordt verwezen naar Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001). Bovengenoemde richtlijn en verordening bevatten voorwaarden en beperkingen voor de uitoefening van het recht op bescherming van persoonsgegevens.

Artikel

9

1) Artikel II-69 van de Grondwet. Recht te huwen en recht een gezin te stichten

Het recht te huwen en het recht een gezin te stichten worden gewaarborgd volgens de nationale wetten die de uitoefening van deze rechten beheersen.

Toelichting

Dit artikel is gebaseerd op artikel 12 van het EVRM, dat als volgt luidt: „Mannen en vrouwen van huwbare leeftijd hebben het recht te huwen en een gezin te stichten volgens de nationale wetten die de uitoefening van dit recht beheersen.”. De formulering van dit recht is aangepast aan de tijd om ook de gevallen te bestrijken waarin de nationale wetgevingen andere vormen dan het huwelijk erkennen om een gezin te stichten. Dit artikel verbiedt noch gebiedt dat aan verbintenissen tussen personen van hetzelfde geslacht de status van het huwelijk wordt verleend. Dit recht gelijkt dus naar het recht waarin het EVRM voorziet, maar het kan een ruimere reikwijdte hebben wanneer de nationale wetgeving dat bepaalt.

Artikel

10

1) Artikel II-70 van de Grondwet. Vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst

Toelichting

Het in lid 1 gewaarborgde recht correspondeert met het recht dat wordt gewaarborgd in artikel 9 van het EVRM en heeft overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest2)Artikel II-112, lid 3, van de Grondwet., dezelfde inhoud en reikwijdte. Derhalve moet in geval van beperkingen lid 2 van artikel 9 in acht worden genomen, dat als volgt luidt: „De vrijheid zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”.

Het in lid 2 gewaarborgde recht beantwoordt aan de nationale constitutionele tradities en aan de ontwikkeling van de nationale wetgevingen terzake.

Artikel

11

2) Artikel II-71 van de Grondwet. Vrijheid van meningsuiting en van informatie

Artikel

12

1) Artikel II-72 van de Grondwet. Vrijheid van vergadering en vereniging

Artikel

13

1) Artikel II-73 van de Grondwet. Vrijheid van kunsten en wetenschappen

De kunsten en het wetenschappelijk onderzoek zijn vrij. De academische vrijheid wordt geëerbiedigd.

Toelichting

Dit recht vloeit op de eerste plaats voort uit de vrijheid van gedachte en de vrijheid van meningsuiting. Het wordt uitgeoefend met inachtneming van artikel 12)Artikel II-61 van de Grondwet. en kan worden onderworpen aan de beperkingen die krachtens artikel 10 van het EVRM zijn toegestaan.

Artikel

14

3) Artikel II-74 van de Grondwet. Recht op onderwijs

Artikel

15

2) Artikel II-75 van de Grondwet. Vrijheid van beroep en recht om te werken

Toelichting

De vrijheid van beroep, die in artikel 151)Artikel II-84 van de Grondwet., lid 1, is neergelegd, wordt erkend in de jurisprudentie van het Hof van Justitie (zie onder meer de arresten van 14 mei 1974, zaak 4/73, Nold, Jurispr. 1974, blz. 491, r.o. 12-14; van 13 december 1979, zaak 44/79, Hauer, Jurispr. 1979, blz. 3727; van 8 oktober 1986, zaak 234/85, Keller, Jurispr. 1986, blz. 2897, r.o. 8).

Dit lid is tevens geïnspireerd op artikel 1, lid 2, van het op 18 oktober 1961 ondertekende Europees Sociaal Handvest, dat door alle lidstaten is bekrachtigd, en op punt 4 van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers van 9 december 1989. Het begrip „arbeidsvoorwaarden” moet worden uitgelegd als in artikel III-213 van de Grondwet.

Lid 2 noemt de drie vrijheden die in de artikelen I-4 en III-133, III-137 en III-144 van de Grondwet zijn gewaarborgd, namelijk het vrije verkeer van werknemers, de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten.

Lid 3 was gebaseerd op artikel 137, lid 3, vierde streepje, VEG, nu vervangen door artikel III-210, lid 1, onder g), van de Grondwet, en op artikel 19, punt 4, van het op 18 oktober 1961 ondertekende Europees Sociaal Handvest, dat door alle lidstaten is bekrachtigd. Artikel 52, lid 2, van het Handvest1)Artikel II-112, lid 2, van de Grondwet. is derhalve van toepassing. De kwestie van de aanwerving van zeelieden die onderdaan zijn van een derde land voor de bemanning van schepen die de vlag voeren van een lidstaat van de Unie, wordt geregeld in het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken.

Artikel

16

2) Artikel II-76 van de Grondwet. Vrijheid van ondernemerschap

De vrijheid van ondernemerschap wordt erkend overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken.

Toelichting

Dit artikel is gebaseerd op de jurisprudentie van het Hof van Justitie, dat de vrijheid om een economische of een handelsactiviteit uit te oefenen heeft erkend (zie de arresten van 14 mei 1974, zaak 4/73, Nold, Jurispr. 1974, blz. 491, r.o. 14, en van 27 september 1979, zaak 230/78, SPA Eridania e.a., Jurispr. 1979, blz. 2749, r.o. 20 en 31) en de contractuele vrijheid (zie onder meer het arrest Sukkerfabriken Nyk⊘bing, zaak 151/78, Jurispr. 1979, blz. 1, r.o. 19, en het arrest van 5 oktober 1999, Spanje tegen Commissie, C-240/97, Jurispr. 1999, blz. I-6571, r.o. 99), en op artikel I-3, lid 2, van de Grondwet dat de vrije mededinging erkent. Dat recht wordt vanzelfsprekend uitgeoefend met inachtneming van het recht van de Unie en de nationale wetgevingen. Het kan worden onderworpen aan de beperkingen van artikel 52, lid 1, van het Handvest3)Artikel II-112, lid 1, van de Grondwet..

Artikel

17

1) Artikel II-77 van de Grondwet. Recht op eigendom

Toelichting

Dit artikel stemt overeen met artikel 1 van het aanvullend protocol bij het EVRM: „Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.”.

Het gaat hier om een grondrecht dat alle nationale grondwetten gemeen hebben. Het is door de jurisprudentie van het Hof van Justitie herhaaldelijk bekrachtigd, in de eerste plaats in het arrest Hauer (13 december 1979, Jurispr. 1979, blz. 3727). De formulering is gemoderniseerd, maar overeenkomstig artikel 52, lid 32)Artikel II-112, lid 3, van de Grondwet., heeft dit recht dezelfde inhoud en reikwijdte als het door het EVRM gewaarborgde recht en de door het EVRM toegestane beperkingen mogen niet worden overschreden.

De bescherming van intellectuele eigendom, één van de aspecten van het eigendomsrecht, wordt in lid 2 uitdrukkelijk vermeld wegens het toenemend belang ervan en het afgeleid Gemeenschapsrecht. De intellectuele eigendom omvat naast de literaire en de artistieke eigendom, onder meer het octrooi- en merkenrecht alsmede de naburige rechten. De in lid 1 opgenomen waarborgen zijn op passende wijze van toepassing op intellectuele eigendom.

Artikel

18

1) Artikel II-78 van de Grondwet. Recht op asiel

Het recht op asiel is gegarandeerd met inachtneming van de voorschriften van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, en overeenkomstig de Grondwet.

Toelichting

De tekst van het artikel is gebaseerd op artikel 63 VEG, nu vervangen door artikel III-266 van de Grondwet, dat de Unie verplicht het Vluchtelingenverdrag van Genève te eerbiedigen. Er dient te worden verwezen naar de bepalingen van het aan [het Verdrag van Amsterdam] de Grondwet gehechte Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, alsmede van het Protocol betreffende de positie van Denemarken, om te bepalen in hoeverre deze lidstaten het recht van de Unie terzake uitvoeren en in hoeverre dit artikel op hen van toepassing is. Dit artikel eerbiedigt het aan de Grondwet gehechte protocol inzake asiel.

Artikel

19

2) Artikel II-79 van de Grondwet. Bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering

Toelichting

Lid 1 van dit artikel heeft dezelfde inhoud en reikwijdte als artikel 4 van het Vierde Protocol bij het EVRM, wat collectieve uitzetting betreft. Dit lid beoogt te waarborgen dat er voorafgaand aan elke beslissing een specifiek onderzoek plaatsvindt en dat er geen algemene maatregel tot uitzetting van alle personen met de nationaliteit van een bepaalde staat kan worden genomen (zie ook artikel 13 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten).

Lid 2 neemt de relevante jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens over met betrekking tot artikel 3 van het EVRM (zie Ahmed tegen Oostenrijk, arrest van 17 december 1996, Rec. 1996 VI-2206, en Soering, arrest van 7 juli 1989).

TITEL

III

GELIJKHEID

Artikel

20

1) Artikel II-80 van de Grondwet. Gelijkheid voor de wet

Eenieder is gelijk voor de wet.

Toelichting

Dit artikel komt overeen met een algemeen rechtsbeginsel dat in alle Europese grondwetten is opgenomen en dat door het Hof is aangemerkt als een fundamenteel beginsel van het Gemeenschapsrecht (arrest van 13 november 1984, Racke, zaak 283/83, Jurispr. 1984, blz. 3791, arrest van 17 april 1997, zaak C-15/95, EARL, Jurispr. 1997, blz. I-1961, en arrest van 13 april 2000, zaak 292/97, Karlsson, Jurispr. 2000, blz. 2737).

Artikel

21

2) Artikel II-81 van de Grondwet. Non-discriminatie

Toelichting

Lid 1 is geïnspireerd op artikel 13 VEG, nu vervangen door artikel III-124 van de Grondwet, en artikel 14 van het EVRM alsmede op artikel 11 van het Verdrag inzake de rechten van de mens en de biogeneeskunde wat het genetisch erfgoed betreft. Voorzover het samenvalt met artikel 14 van het EVRM wordt het in overeenstemming daarmee toegepast.

Er is geen sprake van tegenstrijdigheid of onverenigbaarheid tussen lid 1 en artikel III-124 van de Grondwet, dat een ander toepassingsgebied en doel heeft: artikel III-124 verleent de Unie de bevoegdheid om wetgevingshandelingen vast te stellen, met inbegrip van de harmonisatie van de wet- en regelgeving van de lidstaten, om bepaalde vormen van discriminatie, die in dat artikel exhaustief worden opgesomd, tegen te gaan. Die wetgevingshandelingen kunnen betrekking hebben op maatregelen van de autoriteiten van de lidstaten (alsmede op de betrekkingen tussen particulieren) op ongeacht welk gebied dat onder de bevoegdheid van de Unie valt. artikel 211)Artikel II-81 van de Grondwet., lid 1, creëert daarentegen generlei bevoegdheid om met betrekking tot het optreden van de lidstaten of van particulieren antidiscriminatiewetten vast te stellen; evenmin bevat het een algeheel discriminatieverbod op deze zeer uiteenlopende gebieden. In plaats daarvan heeft dit lid alleen betrekking op discriminerend optreden van de instellingen en organen van de Unie, wanneer zij de hun op grond van andere artikelen van de delen I en III van de Grondwet verleende bevoegdheden uitoefenen, en van de lidstaten, wanneer zij het recht van de Unie uitvoeren. Lid 1 laat de omvang van de op grond van artikel III-124 verleende bevoegdheden, en de uitlegging van dat artikel, derhalve onverlet.

Lid 2 stemt overeen met artikel I-4, lid 2, van de Grondwet en moet in overeenstemming daarmee worden toegepast.

Artikel

22

2) Artikel II-82 van de Grondwet. Culturele, godsdienstige en taalkundige verscheidenheid

De Unie eerbiedigt de culturele, godsdienstige en taalkundige verscheidenheid.

Toelichting

Dit artikel was gebaseerd op artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 151, leden 1 en 4, van het EG-Verdrag, nu vervangen door artikel III-280, leden 1 en 4, van de Grondwet, aangaande cultuur. Eerbied voor de verscheidenheid aan culturen en talen staat nu in artikel I-3, lid 3, van de Grondwet. Het artikel is tevens geïnspireerd op verklaring nr. 11 bij de Slotakte van het Verdrag van Amsterdam betreffende de status van kerken en niet-confessionele organisaties, dat nu is overgenomen in artikel I-52 van de Grondwet.

Artikel

23

3) Artikel II-83 van de Grondwet. Gelijkheid van mannen en vrouwen

De gelijkheid van mannen en vrouwen moet worden gewaarborgd op alle gebieden, met inbegrip van werkgelegenheid, beroep en beloning. Het beginsel van gelijkheid belet niet dat maatregelen gehandhaafd of genomen worden waarbij specifieke voordelen worden ingesteld ten voordele van het ondervertegenwoordigde geslacht.

Toelichting

De eerste alinea van dit artikel is gebaseerd op de artikelen 2 en 3, lid 2, van het EG-Verdrag, nu vervangen door de artikelen I-3 en III-116 van de Grondwet, waarin de Unie tot taak wordt gesteld de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen, en op artikel 141, lid 1, van het EG-Verdrag, nu vervangen door artikel III-214, lid 1, van de Grondwet. Zij is geïnspireerd op artikel 20 van het herzien Europees Sociaal Handvest van 3 mei 1996 en op punt 16 van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers.

Zij is tevens gebaseerd op artikel 141, lid 3, van het EG-Verdrag, nu vervangen door artikel III-214, lid 3, van de Grondwet, en op artikel 2, lid 4, van Richtlijn 76/207/EEG van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden.

In de tweede alinea is, in een bondiger formulering, artikel III-214, lid 4, van de Grondwet opgenomen, waarin staat dat het beginsel van gelijke behandeling niet belet dat maatregelen gehandhaafd of genomen worden waarbij specifieke voordelen worden ingesteld om de uitoefening van een beroepsactiviteit door het ondervertegenwoordigde geslacht te vergemakkelijken of om nadelen in de beroepsloopbaan te voorkomen of te compenseren. Overeenkomstig artikel 52, lid 21)Artikel II-112, lid 2, van de Grondwet., behelst deze alinea geen wijziging van artikel III-214, lid 4.

Artikel

24

2) Artikel II-84 van de Grondwet. Rechten van het kind

Toelichting

Dit artikel is gebaseerd op het Verdrag van New York van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind, dat door alle lidstaten is bekrachtigd, met name op de artikelen 3, 9, 12 en 13 van dat Verdrag.

Lid 3 houdt rekening met het feit dat, als onderdeel van de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, de wetgeving van de Unie betreffende civiele zaken met grensoverschrijdende gevolgen, waarvoor artikel III-269 van de Grondwet bevoegdheid verleent, met name het bezoekrecht kan omvatten, zodat een kind regelmatig persoonlijke betrekkingen of rechtstreekse contacten met zijn beide ouders kan onderhouden.

Artikel

25

1) Artikel II-85 van de Grondwet. Rechten van ouderen

De Unie erkent en eerbiedigt het recht van ouderen om een waardig en zelfstandig leven te leiden en om aan het maatschappelijk en cultureel leven deel te nemen.

Toelichting

Dit artikel is geïnspireerd op artikel 23 van het herzien Europees Sociaal Handvest en op de artikelen 24 en 25 van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers. Onder deelneming aan het maatschappelijk en cultureel leven wordt vanzelfsprekend ook de deelneming aan het politiek leven verstaan.

Artikel

26

2) Artikel II-86 van de Grondwet. Integratie van personen met een handicap

De Unie erkent en eerbiedigt het recht van personen met een handicap op maatregelen die beogen hun zelfstandigheid, hun maatschappelijke en beroepsintegratie en hun deelname aan het gemeenschapsleven te bewerkstelligen.

Toelichting

Het beginsel dat in dit artikel is neergelegd is gebaseerd op artikel 15 van het Europees Sociaal Handvest en is tevens geïnspireerd op punt 26 van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers.

TITEL

IV

SOLIDARITEIT

Artikel

27

1) Artikel II-87 van de Grondwet. Recht op informatie en raadpleging van de werknemers binnen de onderneming

De werknemers of hun vertegenwoordigers moeten zekerheid krijgen dat zij op de passende niveaus tijdig worden geïnformeerd en geraadpleegd, in de gevallen en onder de voorwaarden waarin het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken voorzien.

Toelichting

Dit artikel staat in het herzien Europees Sociaal Handvest (artikel 21) en het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers (punten 17 en 18). Het is van toepassing onder de voorwaarden waarin het recht van de Unie en de nationale wetgevingen voorzien. De verwijzing naar de passende niveaus heeft betrekking op de niveaus waarin wordt voorzien door het recht van de Unie of door de nationale wetgevingen en praktijken. Het Europees niveau kan daaronder begrepen zijn wanneer het recht van de Unie daarin voorziet. Het „acquis van de Unie” op dit gebied is belangrijk: de artikelen III-211 en III-212 van de Grondwet en de Richtlijnen 2002/14/EG (algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap), 98/59/EG (collectief ontslag), 2001/23/EG (overgang van ondernemingen) en 94/45/EG (Europese ondernemingsraden).

Artikel

28

2) Artikel II-88 van de Grondwet. Recht op collectieve onderhandelingen en collectieve actie

De werkgevers en werknemers of hun respectieve organisaties hebben, overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken, het recht om op de passende niveaus collectief te onderhandelen en collectieve arbeidsovereenkomsten te sluiten, alsmede om, in geval van belangenconflicten, collectieve acties te ondernemen ter verdediging van hun belangen, met inbegrip van staking.

Toelichting

Dit artikel is gebaseerd op artikel 6 van het Europees Sociaal Handvest en op het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers (punten 12 tot 14). Het recht op collectieve actie is door het Europees Hof voor de rechten van de mens erkend als een onderdeel van het in artikel 11 van het EVRM erkende vakverenigingsrecht. Voor de passende niveaus waarop collectief kan worden onderhandeld, wordt verwezen naar de toelichting bij het vorige artikel. De nadere voorschriften en de grenzen voor de uitoefening van collectieve acties, waaronder staking, vallen onder de nationale wetgevingen en praktijken, met inbegrip van de vraag of zij in verschillende lidstaten gelijktijdig kunnen worden ondernomen.

Artikel

29

1) Artikel II-89 van de Grondwet. Recht op toegang tot arbeidsbemiddeling

Eenieder heeft recht op toegang tot gratis arbeidsbemiddeling.

Toelichting

Dit artikel is gebaseerd op artikel 1, lid 3, van het Europees Sociaal Handvest en op punt 13 van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers.

Artikel

30

2) Artikel II-90 van de Grondwet. Bescherming bij kennelijk onredelijk ontslag

Iedere werknemer heeft recht op bescherming tegen kennelijk onredelijk ontslag overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken.

Toelichting

Dit artikel is geïnspireerd op artikel 24 van het herzien Europees Sociaal Handvest. Zie ook Richtlijn 2001/23/EG betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen en Richtlijn 80/987/EEG inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, als gewijzigd bij Richtlijn 2002/74/EG.

Artikel

31

3) Artikel II-91 van de Grondwet. Rechtvaardige en billijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden

Artikel

32

1) Artikel II-92 van de Grondwet. Het verbod van kinderarbeid en de bescherming van jongeren op het werk

Kinderarbeid is verboden. De minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces mag niet lager zijn dan de leeftijd waarop de leerplicht ophoudt, onverminderd voor jongeren gunstiger regels en behoudens beperkte afwijkingen.

Werkende jongeren moeten arbeidsvoorwaarden krijgen die aangepast zijn aan hun leeftijd en zij moeten worden beschermd tegen economische uitbuiting en tegen iedere arbeid die hun veiligheid, hun gezondheid of hun lichamelijke, geestelijke, morele of maatschappelijke ontwikkeling kan schaden, dan wel hun opvoeding in gevaar kan brengen.

Toelichting

Dit artikel is gebaseerd op Richtlijn 94/33/EG betreffende de bescherming van jongeren op het werk, alsmede op artikel 7 van het Europees Sociaal Handvest en de punten 20 tot en met 23 van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers.

Artikel

33

1) Artikel II-93 van de Grondwet. Het gezins- en beroepsleven

Toelichting

Het eerste lid van artikel 332)Artikel II-93 van de Grondwet. is gebaseerd op artikel 16 van het Europees Sociaal Handvest. Het tweede lid is geïnspireerd op Richtlijn 92/85/EEG van de Raad inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie en van Richtlijn 96/34/EG betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof. Het is ook gebaseerd op artikel 8 (moederschapsbescherming) van het Europees Sociaal Handvest en geïnspireerd op artikel 27 (recht van werknemers met een gezin op gelijke kansen en gelijke behandeling) van het herzien Europees Sociaal Handvest. Onder „moederschap” wordt het tijdvak van conceptie tot en met borstvoeding begrepen.

Artikel

34

3) Artikel II-94 van de Grondwet. Sociale zekerheid en sociale bijstand

Toelichting

Het beginsel dat in artikel 341)Artikel II-94 van de Grondwet., lid 1, is neergelegd, steunt op de artikelen 137 en 140 VEG, nu vervangen door de artikelen III-210 en III-213 van de Grondwet, en op artikel 12 van het Europees Sociaal Handvest en punt 10 van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers. Het moet worden geëerbiedigd door de Unie wanneer zij de bevoegdheden uitoefent die haar bij de artikelen III-210 en III-213 van de Grondwet zijn verleend. De vermelding van sociale diensten heeft betrekking op de gevallen waarin dergelijke diensten zijn ingesteld om een aantal voorzieningen te waarborgen, maar impliceert geenszins dat die diensten moeten worden ingesteld wanneer zij niet bestaan. Onder „moederschap” moet hetzelfde worden begrepen als in het voorgaande artikel.

Lid 2 is gebaseerd op de artikelen 12, lid 4, en 13, lid 4, van het Europees Sociaal Handvest en op punt 2 van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers en is een afspiegeling van de voorschriften die voortvloeien uit Verordening nr. 1408/71 en Verordening nr. 1612/68.

Lid 3 is geïnspireerd op artikel 13 van het Europees Sociaal Handvest en de artikelen 30 en 31 van het herzien Europees Sociaal Handvest en op punt 10 van het Gemeenschapshandvest. Het moet door de Unie worden geëerbiedigd in het kader van het beleid dat gebaseerd is op artikel III-210 van de Grondwet.

Artikel

35

2) Artikel II-95 van de Grondwet. Gezondheidszorg

Eenieder heeft recht op toegang tot preventieve gezondheidszorg en op medische verzorging onder de door de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden. Bij de vaststelling en uitvoering van het beleid en de maatregelen van de Unie wordt een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid gewaarborgd.

Toelichting

De in dit artikel neergelegde beginselen zijn gebaseerd op artikel 152 van het EG-Verdrag, nu vervangen door artikel III-278 van de Grondwet, en op de artikelen 11 en 13 van het Europees Sociaal Handvest. In de tweede zin van het artikel is artikel III-278, lid 1, weergegeven.

Artikel

36

1) Artikel II-96 van de Grondwet. De toegang tot diensten van algemeen economisch belang

De Europese Unie erkent en eerbiedigt overeenkomstig de Grondwet de toegang tot diensten van algemeen economisch belang die in de nationale wetgevingen en praktijken is geregeld, teneinde de sociale en territoriale samenhang van de Unie te bevorderen.

Toelichting

Dit artikel is geheel in overeenstemming met artikel III-122 van de Grondwet en schept geen nieuw recht. Het stelt alleen het beginsel dat de Unie de toegang tot diensten van algemeen economisch belang zoals deze is geregeld in de nationale voorschriften, moet eerbiedigen wanneer deze voorschriften verenigbaar zijn met het recht van de Unie.

Artikel

37

2) Artikel II-97 van de Grondwet. Milieubescherming

Een hoog niveau van milieubescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu moeten in het beleid van de Europese Unie worden geïntegreerd en worden gewaarborgd overeenkomstig het beginsel van duurzame ontwikkeling.

Toelichting

De in dit artikel neergelegde beginselen zijn gebaseerd op de artikelen 2, 6 en 174 VEG, nu vervangen door de artikelen I-3, lid 3, III-119 en III-233 van de Grondwet.

Het is bovendien geïnspireerd op de bepalingen van een aantal nationale grondwetten.

TITEL

V

BURGERSCHAP

Artikel

39

1) Artikel II-99 van de Grondwet. Actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement

Toelichting

Artikel 39 2) Artikel II-99 van de Grondwet. vindt toepassing onder de in deel I en deel III van de Grondwet gestelde voorwaarden, overeenkomstig artikel 52, lid 2, van het Handvest3)Artikel II-112, lid 2, van de Grondwet.. Lid 1 van artikel 391)Artikel II-99 van de Grondwet. correspondeert immers met het recht dat wordt gewaarborgd door artikel I-10, lid 2, van de Grondwet (zie ook de rechtsgrondslag in artikel III-126 voor de vaststelling van de nadere regelingen voor de uitoefening van dat recht) en lid 2 van dit artikel stemt overeen met artikel I-20, lid 2, van de Grondwet. In artikel 391)Artikel II-99 van de Grondwet., lid 2, zijn de basisbeginselen van het kiesstelsel in een democratisch bestel opgenomen.

Artikel

40

4) Artikel II-100 van de Grondwet. Actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen

Iedere burger van de Unie heeft het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar hij verblijf houdt, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.

Toelichting

Dit artikel stemt overeen met het recht dat wordt gewaarborgd door artikel I-10, lid 2, van de Grondwet (zie ook de rechtsgrondslag in artikel III-126 voor de vaststelling van de nadere regelingen voor de uitoefening van dat recht). Overeenkomstig artikel 52, lid 22)Artikel II-101 van de Grondwet. , van het Handvest vindt het toepassing onder de in die artikelen van deel I en deel III van de Grondwet gestelde voorwaarden.

Artikel

41

1) Artikel II-101 van de Grondwet. Recht op behoorlijk bestuur

Toelichting

Artikel 412)Artikel II-101 van de Grondwet. is gebaseerd op het bestaan van de Unie als een rechtsgemeenschap waarvan de kenmerken zijn ontwikkeld door de jurisprudentie, die met name behoorlijk bestuur heeft erkend als algemeen rechtsbeginsel (zie onder meer het arrest van het Hof van 31 maart 1992 in zaak C-255/90 P, Burban, Jurispr. 1992, blz. I-2253, en de arresten van het Gerecht van eerste aanleg van 18 september 1995 in zaak T-167/94, Nölle, Jurispr. 1995, blz. II-2589, en van 9 juli 1999 in zaak T-231/97, New Europe Consulting e.a., Jurispr. 1999, blz. II-2403). De formulering van dit recht in de eerste twee leden vloeit voort uit de jurisprudentie (arresten van het Hof van 15 oktober 1987 in zaak 222/86, Heylens, Jurispr. 1987, blz. 4097, punt 15, van 18 oktober 1989 in zaak 374/87, Orkem, Jurispr. 1989, blz. 3283, van 21 november 1991 in zaak C-269/90, TU München, Jurispr. 1991, blz. I-5469; en de arresten van het Gerecht van eerste aanleg van 6 december 1994 in zaak T-450/93, Lisrestal, Jurispr. 1994, blz. II-1177, van 18 september 1995 in zaak T-167/94, Nölle, Jurispr. 1995, blz. II-2589) en, wat de motiveringsplicht betreft, uit artikel 253 VEG, nu vervangen door artikel I-38, lid 2, van de Grondwet (zie tevens de rechtsgrondslag in artikel III-398 van de Grondwet voor de aanneming van wetgeving in het belang van een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat).

Lid 3 behelst het recht dat nu door artikel III-431 van de Grondwet gewaarborgd is. Lid 4 geeft het recht weer dat nu door de artikelen I-10, lid 2, onder d, en III-129 van de Grondwet gewaarborgd is. Overeenkomstig artikel 52, lid 21)Artikel II-112, lid 2, van de Grondwet., van het Handvest vinden deze rechten toepassing onder de voorwaarden en binnen de grenzen die bij deel III van de Grondwet zijn gesteld.

Het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, dat een belangrijk aspect van deze kwestie is, wordt gewaarborgd in artikel 47 van het Handvest2)Artikel II-107 van de Grondwet..

Artikel

42

3) Artikel II-102 van de Grondwet. Recht van inzage in documenten

Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft recht op toegang tot documenten van de instellingen, organen en instanties van de Unie, ongeacht het medium waarop zij zijn vastgelegd.

Toelichting

Het recht dat in dit artikel wordt gewaarborgd is overgenomen uit artikel 255 VEG op basis waarvan later Verordening nr. 1049/2001 is vastgesteld. De Europese Conventie heeft dit recht uitgebreid tot de documenten van de instellingen, organen en instanties in het algemeen, ongeacht de vorm ervan (zie artikel I-50, lid 3, van de Grondwet). Overeenkomstig artikel 52, lid 2, van het Handvest4)Artikel II-112, lid 2, van de Grondwet. wordt het recht op toegang tot documenten uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen waarin wordt voorzien door de artikelen I-50, lid 3, en III-399 van de Grondwet.

Artikel

43

5) Artikel II-103 van de Grondwet. Ombudsman

Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft het recht zich tot de Europese ombudsman te wenden over gevallen van wanbeheer bij het optreden van de instellingen, organen of instanties van de Unie, met uitzondering van het Europees Hof van Justitie bij de uitoefening van zijn gerechtelijke taak.

Toelichting

Het in dit artikel gewaarborgde recht is het recht dat door de artikelen I-10 en III-335 van de Grondwet wordt gewaarborgd. Overeenkomstig artikel 52, lid 21)Artikel II-111, lid 2, van de Grondwet., van het Handvest vindt het toepassing onder de bij deze twee artikelen gestelde voorwaarden.

Artikel

44

2) Artikel II-104 van de Grondwet. Recht van petitie

Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft het recht een verzoekschrift tot het Europees Parlement te richten.

Toelichting

Het in dit artikel gewaarborgde recht is het recht dat door de artikelen I-10 en III-334 van de Grondwet gewaarborgd is. Overeenkomstig artikel 52, lid 21)Artikel II-112, lid 2, van de Grondwet., van het Handvest vindt het toepassing onder de bij deze twee artikelen gestelde voorwaarden.

Artikel

45

3) Artikel II-105 van de Grondwet. Vrijheid van verkeer en van verblijf

Toelichting

Het in lid 1 gewaarborgde recht is het recht dat door artikel I-10, lid 2, onder a, van de Grondwet gewaarborgd is (zie ook de rechtsgrondslag in artikel III-125 en het arrest van het Hof van Justitie van 17 september 2002, zaak C-413/99, Baumbast, Jurispr. 2002, blz. 709). Overeenkomstig artikel 52, lid 21)Artikel II-112, lid 2, van de Grondwet., van het Handvest vindt het toepassing onder de voorwaarden en binnen de grenzen die worden beschreven in deel III van de Grondwet.

Lid 2 memoreert de bevoegdheid die krachtens de artikelen III-265 tot en met III-267 van de Grondwet aan de Unie verleend is. Daaruit volgt dat de toekenning van dat recht afhankelijk is van de uitoefening van deze bevoegdheid door de instellingen.

Artikel

46

2) Artikel II-106 van de Grondwet. Diplomatieke en consulaire bescherming

Iedere burger van de Unie geniet op het grondgebied van derde landen waar de lidstaat waarvan hij onderdaan is, niet vertegenwoordigd is, de bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van iedere andere lidstaat, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat.

Toelichting

Het in dit artikel gewaarborgde recht is het recht dat door artikel I-10 van de Grondwet gewaarborgd is; zie ook de rechtsgrondslag in artikel III-127. Overeenkomstig artikel 52, lid 23)Artikel II-112, lid 2, van de Grondwet., van het Handvest vindt het toepassing onder de bij deze artikelen gestelde voorwaarden.

TITEL

VI

RECHTSPLEGING

Artikel

47

4) Artikel II-107 van de Grondwet. Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht

Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.

Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.

Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voorzover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.

Toelichting

De eerste alinea is gebaseerd op artikel 13 van het EVRM:

„Eenieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.”

Het recht van de Unie biedt echter een ruimere bescherming omdat het een recht op een doeltreffende voorziening in rechte waarborgt. Het Hof van Justitie heeft dit recht erkend als een algemeen beginsel van het recht van de Unie in zijn arrest van 15 mei 1986, Johnston, zaak 222/84, Jurispr. 1986, blz. 1651; zie ook de arresten van 15 oktober 1987 in zaak 222/86, Heylens, Jurispr. 1987, blz. 4097, en van 3 december 1992 in zaak C-97/91, Borelli, Jurispr. 1992, blz. I-6313. Volgens het Hof is dit algemene beginsel van het recht van de Unie eveneens van toepassing op de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie toepassen. De verwerking van deze jurisprudentie in het Handvest had niet tot doel het systeem van rechterlijke toetsing van de verdragen, met name de ontvankelijkheidsregels voor rechtstreekse beroepen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, te wijzigen. De Europese Conventie heeft het mechanisme van de Unie voor rechterlijke toetsing en met name de ontvankelijkheidsregels bekeken, en heeft deze overgenomen, met enkele wijzigingen wat bepaalde aspecten betreft, zoals blijkt uit de artikelen III-353 tot en met III-381 van de Grondwet, en in het bijzonder uit artikel III-365, lid 4, artikel 471)Artikel II-107 van de Grondwet. geldt ten aanzien van de instellingen van de Unie en de lidstaten wanneer deze het Unierecht toepassen en voor alle rechten die worden gewaarborgd door het Unierecht.

De tweede alinea correspondeert met artikel 6, lid 1, van het EVRM, dat als volgt luidt:

„Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé-leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.”

In het recht van de Unie is het recht op toegang tot de rechter niet alleen van toepassing op geschillen inzake civielrechtelijke rechten en verplichtingen. Dit is een consequentie van het feit dat de Unie een rechtsgemeenschap is, zoals het Hof heeft geconstateerd in zaak 194/83, Les Verts tegen Europees Parlement (arrest van 23 april 1986, Jurispr. 1986, blz. 1339). Met uitzondering van de werkingssfeer zijn de door het EVRM geboden waarborgen op dezelfde wijze van toepassing in de Unie.

Met betrekking tot de derde alinea zij erop gewezen dat volgens de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens in rechtsbijstand moet worden voorzien wanneer de garantie van een doeltreffende voorziening in rechte wegens het ontbreken van die bijstand ontwricht zou worden (Arrest EHRM van 9 oktober 1979, Airey, Série A, volume 32, 11). Er bestaat ook een rechtsbijstandregeling voor het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Artikel

48

1) Artikel II-108 van de Grondwet. Vermoeden van onschuld en rechten van de verdediging

Artikel

49

2) Artikel II-109 van de Grondwet. Legaliteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel inzake delicten en straffen

Artikel

50

2) Artikel II-110 van de Grondwet. Recht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde delict te worden berecht of gestraft

Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit waarvoor hij in de Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet.

Toelichting

Artikel 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM luidt als volgt:

  • „1.

    Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die staat.

  • 2.

    De bepalingen van het voorgaande lid beletten niet de heropening van de zaak overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van de betrokken staat, indien er aanwijzingen zijn van nieuwe of pas aan het licht gekomen feiten, of indien er sprake was van een fundamenteel gebrek in het vorige proces, die de uitkomst van de zaak zouden of zou kunnen beïnvloeden.

  • 3.

    Afwijking van dit artikel krachtens artikel 15 van het Verdrag is niet toegestaan.”

De regel „ne bis in idem” is van toepassing in het recht van de Unie (zie een groot aantal arresten, o.a. arrest van 5 mei 1966, Gutmann tegen Commissie, zaak 18/65 en 35/65, Jurispr. 1966, blz. 150, en in een recente zaak het arrest van het Gerecht van 20 april 1999, gevoegde zaken T-305/94 e.a., Limburgse Vinyl Maatschappij NV tegen Commissie, Jurispr. 1999, blz. II-931). Gepreciseerd zij dat het cumulatieverbod betrekking heeft op de cumulatie van twee sancties van dezelfde aard, met name strafrechtelijke sancties.

Overeenkomstig artikel 501)Artikel II-110 van de Grondwet. is de regel „ne bis in idem” niet alleen van toepassing binnen de rechtsmacht van dezelfde staat maar ook in de onderlinge verhoudingen van de rechtsmacht van verschillende lidstaten. Dit stemt overeen met het acquis van het recht van de Unie: zie de artikelen 54 tot en met 58 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst en het arrest van het Hof van Justitie van 11 februari 2003, zaak C-187/01, Gözütok (nog niet gepubliceerd), artikel 7 van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschap, en artikel 10 van de Overeenkomst ter bestrijding van corruptie. De beperkte uitzonderingen waarmee het de lidstaten krachtens die overeenkomsten is toegestaan om af te wijken van de regel „ne bis in idem” vallen onder de horizontale beperkingsbepaling van artikel 52, lid 12)Artikel II-112, lid 1, van de Grondwet.. Wat de in artikel 4 van het Zevende Protocol bedoelde situaties betreft, namelijk de toepassing van het beginsel binnen de rechtsmacht van dezelfde lidstaat, heeft het gewaarborgde recht dezelfde inhoud en reikwijdte als het overeenkomstige recht van het EVRM.

TITEL

VII

ALGEMENE BEPALINGEN VOOR DE INTERPRETATIE EN DE TOEPASSING VAN HET HANDVEST

Artikel

51

3) Artikel II-111 van de Grondwet. Toepassingsgebied

Toelichting

Doel van artikel 511)Artikel II-111 van de Grondwet. is de werkingssfeer van het Handvest af te bakenen. Het beoogt duidelijk te stellen dat het Handvest in de eerste plaats geldt voor de instellingen en organen van de Unie, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel. Deze bepaling sluit aan bij artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, dat de Unie verplicht de grondrechten te eerbiedigen, alsook bij het mandaat van de Europese Raad van Keulen. Het begrip„instellingen” is vastgelegd in deel I van de Grondwet. De uitdrukking „organen en instanties” wordt in de Grondwet gemeenlijk gebruikt om alle instanties aan te duiden die door de Grondwet of door handelingen van afgeleid recht in het leven zijn geroepen (zie bijv. artikel I-50 of I-51 van de Grondwet).

Wat de lidstaten betreft, blijkt uit de jurisprudentie van het Hof ondubbelzinnig dat de verplichting tot eerbiediging van de in het kader van de Unie vastgestelde grondrechten alleen geldt voor de lidstaten wanneer deze optreden binnen het toepassingsgebied van het recht van de Unie (arrest van 13 juli 1989, Wachauf, zaak 5/88, Jurispr. 1989, blz. 2609; arrest van 18 juni 1991, ERT, Jurispr. 1991, blz. I-2925); arrest van 18 december 1997 (zaak C-309/96, Annibaldi, Jurispr. 1997, blz. I-7493). Het Hof van Justitie heeft deze jurisprudentie bevestigd in de volgende bewoordingen: „Bovendien zij eraan herinnerd, dat de eisen van bescherming van de fundamentele rechten in de communautaire rechtsorde de lidstaten ook bij de uitvoering van gemeenschapsregelingen binden.” (Arrest van 13 april 2000, zaak C-292/97, Jurispr. 2000, blz. 2737, r.o. 37). Vanzelfsprekend is deze regel, zoals neergelegd in dit Handvest, zowel van toepassing op de centrale overheden als op de regionale of lokale autoriteiten, alsmede op overheidslichamen wanneer zij het recht van de Unie toepassen.

Lid 2, samen met de tweede zin van lid 1, bevestigt dat het Handvest geen uitbreiding van de bevoegdheden en taken die bij de andere delen van de Grondwet aan de Unie zijn verleend, tot gevolg kan hebben. Het is de bedoeling uitdrukkelijk te vermelden wat logisch voortvloeit uit het subsidiariteitsbeginsel en uit het feit dat de Unie slechts over de bevoegdheden beschikt die haar zijn toegewezen. De grondrechten, zoals deze in de Unie worden gewaarborgd, hebben slechts rechtsgevolgen in het kader van de door deel I en deel III van de Grondwet bepaalde bevoegdheden. Bijgevolg kan de krachtens de tweede zin van lid 1 aan de instellingen opgelegde verplichting om de in het Handvest neergelegde beginselen te bevorderen, slechts gelden binnen de grenzen van die bevoegdheden.

Lid 2 bevestigt voorts dat het Handvest niet tot gevolg mag hebben dat het toepassingsgebied van het recht van de Unie verder wordt uitgebreid dan de in de andere delen van de Grondwet vastgelegde bevoegdheden van de Unie reiken. Het Hof van Justitie heeft deze regel reeds vastgesteld met betrekking tot de grondrechten, waarvan wordt erkend dat zij tot het recht van de Unie behoren (arrest van 17 februari 1998, zaak C-249/96, Grant, Jurispr. 1998, blz. I-621, r.o 45). Overeenkomstig deze regel is het vanzelfsprekend dat de opneming van het Handvest in de Grondwet niet kan worden opgevat als een automatische uitbreiding van de mogelijke handelingen van de lidstaten die als „ uitvoering van het recht van de Unie” (in de zin van lid 1 en voornoemde jurisprudentie) kunnen worden beschouwd.

Artikel

52

1) Artikel II-112 van de Grondwet. Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen

Artikel

53

3) Artikel II-113 van de Grondwet. Beschermingsniveau

Geen der bepalingen van dit Handvest mag worden uitgelegd als zou zij een beperking vormen van of afbreuk doen aan de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden welke binnen hun respectieve werkingssferen worden erkend door het recht van de Unie, het internationaal recht en de internationale overeenkomsten waarbij de Unie of alle lidstaten partij zijn, met name het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsmede door de grondwetten van de lidstaten.

Toelichting

Deze bepaling beoogt de handhaving van het beschermingsniveau dat momenteel, binnen hun respectieve werkingssferen, wordt geboden door het recht van de Unie, het recht van de lidstaten en het internationale recht. Gezien het belang ervan wordt het EVRM genoemd.

Artikel

54

4) Artikel II-114 van de Grondwet. Verbod van misbruik van recht

Geen der bepalingen van dit Handvest mag worden uitgelegd als zou zij het recht inhouden enige activiteit aan de dag te leggen of enige daad te verrichten met als doel de rechten of vrijheden die in dit Handvest zijn erkend, teniet te doen of de rechten en vrijheden verdergaand te beperken dan door dit Handvest is toegestaan.

Toelichting

Dit artikel correspondeert met artikel 17 van het EVRM:

„Geen der bepalingen van dit Verdrag mag worden uitgelegd als zou zij voor een staat, een groep of een persoon het recht inhouden enige activiteit aan de dag te leggen of enige daad te verrichten met als doel de rechten of vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld teniet te doen of deze verdergaand te beperken dan bij dit Verdrag is voorzien.”

13

Verklaring ad artikel III-116

De Conferentie is het erover eens dat de Unie, in het kader van haar algemene streven de ongelijkheden tussen vrouwen en mannen op te heffen, in haar beleidsinitiatieven zal trachten alle vormen van huiselijk geweld te bestrijden. De lidstaten moeten alle maatregelen nemen om deze strafbare feiten te voorkomen en te bestraffen en om de slachtoffers te steunen en te beschermen.

14

Verklaring ad artikelen III-136 en III-267

De Conferentie is van oordeel dat ingeval een op artikel III-267, lid 2, gebaseerd ontwerp van Europese wet of kaderwet afbreuk zou doen aan fundamentele aspecten van het socialezekerheidsstelsel van een lidstaat, met name het toepassingsgebied, de kosten en de financiële structuur ervan, of gevolgen zou hebben voor het financiële evenwicht van dat stelsel, zoals bepaald in artikel III-136, lid 2, er naar behoren rekening zal worden gehouden met de belangen van die lidstaat.

15

Verklaring ad artikelen III-160 en III-322

De Conferentie memoreert dat de eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele vrijheden met name inhoudt dat de nodige aandacht wordt geschonken aan de bescherming en de eerbiediging van het recht van de betrokken natuurlijke personen of entiteiten op het genot van de bij de wet bepaalde waarborgen. Daartoe, en om een grondige rechterlijke toetsing te waarborgen, moeten Europese besluiten waarbij een natuurlijke persoon of entiteit aan beperkende maatregelen wordt onderworpen, op duidelijke en onderscheiden criteria gebaseerd zijn. Deze criteria dienen te worden toegesneden op de specifieke kenmerken van de beperkende maatregel.

16

Verklaring ad artikel III-167, lid 2, onder c

De Conferentie merkt op dat artikel III-167, lid 2, onder c, moet worden uitgelegd in overeenstemming met de bestaande rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en van het Gerecht van eerste aanleg betreffende de toepasselijkheid van die bepaling op de steun die wordt toegekend aan bepaalde gebieden van de Bondsrepubliek Duitsland die gevolgen ondervinden van de vroegere deling van Duitsland.

17

Verklaring ad artikel III-184

Met betrekking tot artikel III-184 bevestigt de Conferentie dat het versterken van het groeipotentieel en het zorgen voor een gezonde begrotingssituatie de twee pijlers zijn van het economisch en het begrotingsbeleid van de Unie en de lidstaten. Het stabiliteits- en groeipact is een belangrijk werktuig om deze doelstellingen te verwezenlijken.

De Conferentie bevestigt dat zij achter de bepalingen betreffende het stabiliteits- en groeipact blijft staan, die zij beschouwt als het kader voor de coördinatie van het begrotingsbeleid van de lidstaten.

De Conferentie bevestigt dat een op regels gebaseerd systeem de beste garantie vormt voor het doen nakomen van de verbintenissen en voor een gelijke behandeling van alle lidstaten.

In verband hiermee bevestigt de Conferentie eveneens dat zij achter de doelstellingen van de strategie van Lissabon blijft staan: creëren van werkgelegenheid, structurele hervormingen en sociale samenhang. De Unie streeft naar evenwichtige economische groei en prijsstabiliteit. Het economisch en het begrotingsbeleid moeten dus de juiste prioriteiten bepalen voor economische hervormingen, innovatie, concurrentievermogen en stimulering van particuliere investeringen en consumptie in tijden van zwakke economische groei. Dit zou tot uiting moeten komen in de opzet van begrotingsbeslissingen op nationaal niveau en op het niveau van de Unie, met name door herstructurering van de overheidsinkomsten en -uitgaven, met inachtneming van de begrotingsdiscipline conform de Grondwet en het stabiliteits- en groeipact.

De budgettaire en economische uitdagingen waarmee de lidstaten worden geconfronteerd wijzen op het belang van een gezond begrotingsbeleid gedurende de gehele economische cyclus.

De Conferentie is het erover eens dat de lidstaten perioden van economisch herstel actief dienen te gebruiken om hun overheidsfinanciën te consolideren en hun begrotingssituatie te verbeteren. Doelstelling is om in goede tijden geleidelijk een begrotingsoverschot te realiseren, waardoor de noodzakelijke ruimte ontstaat om economische tegenvallers op te vangen en aldus bij te dragen tot de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn.

De lidstaten zien met belangstelling mogelijke voorstellen van de Commissie en verdere bijdragen van de lidstaten tegemoet, die de uitvoering van het stabiliteits- en groeipact krachtiger en transparanter moeten maken. De lidstaten zullen alle nodige maatregelen nemen om het groeipotentieel van hun economieën te verbeteren. Een verbeterde coördinatie van het economisch beleid zou deze doelstelling kracht kunnen bijzetten. Met deze verklaring wordt niet vooruitgelopen op het toekomstige debat over het stabiliteits- en groeipact.

18

Verklaring ad artikel III-213

De Conferentie bevestigt dat de in artikel III-213 beschreven beleidsterreinen in essentie onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen. De ondersteunende en coördinerende maatregelen die overeenkomstig dit artikel op het niveau van de Unie moeten worden genomen, zijn van aanvullende aard. Zij hebben niet ten doel de nationale stelsels te harmoniseren, maar de samenwerking tussen de lidstaten te versterken. Zij laten de in elke lidstaat bestaande waarborgen en gebruiken in verband met de verantwoordelijkheid van de sociale partners onverlet.

Deze verklaring doet geen afbreuk aan de bepalingen van de Grondwet die de Unie bevoegdheid toedelen, daaronder begrepen op sociaal gebied.

19

Verklaring ad artikel III-220

De Conferentie is van oordeel dat de woorden „insulaire gebieden” in artikel III-220 ook betrekking kunnen hebben op insulaire staten in hun geheel, mits aan de vereiste criteria wordt voldaan.

20

Verklaring ad artikel III-243

De Conferentie merkt op dat de bepalingen van artikel III-243 moeten worden toegepast in overeenstemming met de gangbare praktijk. De zinsnede „de maatregelen (…) [die] noodzakelijk zijn om de economische nadelen welke door de deling van Duitsland zijn berokkend aan de economie van de door de deling getroffen streken in de Bondsrepubliek te compenseren” moet worden uitgelegd in overeenstemming met de bestaande rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en van het Gerecht van eerste aanleg.

21

Verklaring ad artikel III-248

De Conferentie is het erover eens dat in het optreden van de Unie op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling naar behoren rekening zal worden gehouden met de fundamentele oriëntaties en keuzen van het onderzoeksbeleid van de lidstaten.

22

Verklaring ad artikel III-256

De Conferentie is van oordeel dat artikel III-256 geen afbreuk doet aan het recht van de lidstaten om onder de in artikel III-131 bepaalde voorwaarden de nodige voorzieningen te treffen om hun energievoorziening te waarborgen.

24

Verklaring ad artikel III-296

De Conferentie verklaart dat, zodra het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa is ondertekend, de secretaris-generaal van de Raad, hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, de Commissie en de lidstaten, de voorbereidingen in verband met de Europese dienst voor extern optreden dienen aan te vangen.

25

Verklaring ad artikel III-325 betreffende de onderhandelingen over en sluiting van internationale overeenkomsten inzake de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht door de lidstaten

De Conferentie bevestigt dat de lidstaten op de door deel III, titel III, hoofdstuk IV, afdelingen 3, 4 en 5 bestreken gebieden onderhandelingen kunnen aangaan over overeenkomsten met derde landen en internationale organisaties en zulke overeenkomsten kunnen sluiten, voorzover deze verenigbaar zijn met het recht van de Unie.

26

Verklaring ad artikel III-402, lid 4

In artikel III-402, lid 4, is bepaald dat indien de Europese wet van de Raad tot bepaling van een nieuw financieel kader nog niet is vastgesteld wanneer het voorgaand financieel kader verstrijkt, de maximumbedragen en de overige bepalingen betreffende het laatste jaar van het voorgaand financieel kader van toepassing blijven totdat deze wet is vastgesteld.

De Conferentie verklaart dat indien eind 2006 nog geen Europese wet van de Raad tot bepaling van een nieuw financieel kader is vastgesteld en in de gevallen waarin het Verdrag inzake de toetreding van 16 april 2003 voor de toewijzing van kredieten aan de nieuwe lidstaten voorziet in een periode van geleidelijke invoering die in 2006 afloopt, de toewijzing van kredieten vanaf 2007 wordt vastgesteld op basis van dezelfde criteria voor alle lidstaten.

27

Verklaring ad artikel III-419

De Conferentie verklaart dat de lidstaten bij de indiening van hun verzoek om een nauwere samenwerking te mogen aangaan, kunnen aangeven of zij reeds in dat stadium voornemens zijn artikel III-422 toe te passen, dat voorziet in uitbreiding van de stemming bij gekwalificeerde meerderheid, of gebruik te maken van de gewone wetgevingsprocedure.

28

Verklaring ad artikel IV-440, lid 7

De Hoge Verdragsluitende Partijen komen overeen dat de Europese Raad krachtens artikel IV-440, lid 7, een Europees besluit zal vaststellen om Mayotte ten aanzien van de Unie de status van ultraperifeer gebied in de zin van artikel IV-440, lid 2, en artikel III-424 te verlenen wanneer de Franse autoriteiten de Europese Raad en de Commissie mededelen dat de huidige evolutie in de interne status van het eiland daarvoor de ruimte biedt.

29

Verklaring ad artikel IV-448, lid 2

De Conferentie is van mening dat de mogelijkheid om het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa in de in artikel IV-448, lid 2, bedoelde talen te vertalen bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstelling van eerbiediging van de rijke verscheidenheid van cultuur en taal van de Unie, waarvan sprake is in artikel I-3, lid 3, vierde alinea. In dit verband bevestigt de Conferentie dat de Unie gehecht is aan de culturele verscheidenheid van Europa en bijzondere aandacht zal blijven schenken aan deze en andere talen. De Conferentie beveelt aan dat lidstaten die van de in artikel IV-448, lid 2, geboden mogelijkheid gebruik wensen te maken, binnen zes maanden na de datum van ondertekening van het Verdrag aan de Raad meedelen in welke taal of talen dit Verdrag zal worden vertaald.

B

VERKLARINGEN BETREFFENDE AAN DE GRONDWET GEHECHTE PROTOCOLLEN

VERKLARINGEN INZAKE HET PROTOCOL BETREFFENDE DE VERDRAGEN EN AKTEN INZAKE DE TOETREDING VAN HET KONINKRIJK DENEMARKEN, IERLAND EN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND, DE HELLEENSE REPUBLIEK, HET KONINKRIJK SPANJE EN DE PORTUGESE REPUBLIEK, ALSMEDE DE REPUBLIEK OOSTENRIJK, DE REPUBLIEK FINLAND EN HET KONINKRIJK ZWEDEN

31

Verklaring betreffende de Åland-eilanden

De Conferentie erkent dat bij het opstellen van de in artikel IV-440, lid 5, bedoelde regeling voor de Åland-eilanden rekening wordt gehouden met het bijzondere statuut dat deze eilanden uit hoofde van het internationaal recht genieten.

Te dien einde benadrukt de Conferentie dat specifieke bepalingen zijn opgenomen in titel V, afdeling 5, van het Protocol betreffende de verdragen en akten inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, alsmede de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.

32

Verklaring betreffende het Lapse volk

Gezien de artikelen 60 en 61 van het Protocol betreffende de verdragen en akten inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, alsmede de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden, erkent de Conferentie de verplichtingen en verbintenissen van Zweden en Finland ten aanzien van het Lapse volk in het kader van het nationale en het internationale recht.

De Conferentie neemt er nota van dat Zweden en Finland zich ertoe hebben verbonden om de middelen van bestaan, de taal, de cultuur en de levenswijze van het Lapse volk in stand te houden en te ontwikkelen en acht de traditionele cultuur en middelen van bestaan van het Lapse volk afhankelijk van primaire economische activiteiten als rendierhouderij in de traditionele gebieden van de Lapse nederzettingen.

Te dien einde benadrukt de Conferentie dat specifieke bepalingen zijn opgenomen in titel V, afdeling 6, van het Protocol betreffende de verdragen en akten inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, alsmede de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.

VERKLARINGEN INZAKE HET PROTOCOL BETREFFENDE HET VERDRAG EN DE AKTE INZAKE DE TOETREDING VAN DE TSJECHISCHE REPUBLIEK, DE REPUBLIEK ESTLAND, DE REPUBLIEK CYPRUS, DE REPUBLIEK LETLAND, DE REPUBLIEK LITOUWEN, DE REPUBLIEK HONGARIJE, DE REPUBLIEK MALTA, DE REPUBLIEK POLEN, DE REPUBLIEK SLOVENIË EN DE SLOWAAKSE REPUBLIEK

33

Verklaring betreffende de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen

De Conferentie,

Eraan herinnerend dat in de gemeenschappelijke verklaring betreffende de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen („Sovereign Base Areas”, hierna „SBA's” genoemd), welke gehecht is aan de Slotakte bij het Verdrag betreffende de toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de Europese Gemeenschappen, gesteld wordt dat de regels die gelden voor de betrekkingen tussen de Europese Economische Gemeenschap en genoemde zones zullen worden vastgesteld in het kader van een eventuele regeling tussen deze Gemeenschap en de Republiek Cyprus;

Rekening houdend met de bepalingen over de SBA's in het Verdrag betreffende de oprichting van de Republiek Cyprus (hierna het „Oprichtingsverdrag” genoemd) en de daarbij horende notawisseling van 16 augustus 1960;

Akte nemend van de notawisseling tussen de regering van het Verenigd Koninkrijk en de regering van de Republiek Cyprus betreffende het bestuur van de SBA's van 16 augustus 1960 en de daaraan gehechte verklaring van de regering van het Verenigd Koninkrijk dat een van de hoofddoelstellingen de bescherming is van de belangen van personen die in een SBA verblijven of werken, en in dit verband overwegend dat de bedoelde personen zoveel mogelijk dezelfde behandeling moeten krijgen als personen die in de Republiek Cyprus verblijven of werken;

Tevens nota nemend van de bepalingen van het Oprichtingsverdrag betreffende de douaneregelingen tussen de SBA's en de Republiek Cyprus en met name die welke bedoeld zijn in bijlage F bij dat verdrag;

Tevens nota nemend van de toezegging van het Verenigd Koninkrijk om geen douaneposten of andere grensafsluitingen te installeren tussen de SBA's en de Republiek Cyprus, alsmede van de regelingen die getroffen zijn uit hoofde van het Oprichtingsverdrag waarbij de autoriteiten van de Republiek Cyprus allerlei openbare diensten verrichten in de SBA's, met name op het gebied van landbouw, douane en belastingen;

Bevestigend dat de toetreding van de Republiek Cyprus tot de Unie de rechten en verplichtingen van de partijen bij het Oprichtingsverdrag onverlet dient te laten;

Erkennend derhalve dat sommige bepalingen van de Grondwet en van de handelingen van de Unie dienen te worden toegepast op de SBA's en dat speciale regelingen dienen te worden getroffen voor de uitvoering van deze bepalingen in de SBA's;

Benadrukt dat te dien einde specifieke bepalingen zijn opgenomen in deel twee, titel III, van het Protocol betreffende het verdrag en de akte inzake de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek.

34

Verklaring van de Commissie betreffende de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen

De Commissie bevestigt haar interpretatie dat de bepalingen van het recht van de Unie dat van toepassing is op de SBA's, overeenkomstig deel twee, titel III, van het Protocol betreffende het verdrag en de akte inzake de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek omvatten:

  • a.

    Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad van 6 december 1993 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen;

  • b.

    Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen, voorzover vereist bij Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) met het oog op de financiering van maatregelen voor plattelandsontwikkeling in de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk vallen binnen de Afdeling Garantie van het EOGFL.

35

Verklaring betreffende de kerncentrale van Ignalina in Litouwen

De Conferentie,

Uiting gevend aan de bereidheid van de Unie om ook na de toetreding van Litouwen tot de Unie, voor de periode tot 2006 en daarna, aanvullende steun te geven die in verhouding staat tot de ontmantelingswerkzaamheden van Litouwen, en er nota van nemend dat Litouwen, gezien dit blijk van solidariteit van de Unie, heeft toegezegd eenheid 1 en eenheid 2 van de kerncentrale van Ignalina vóór respectievelijk 2005 en 2009 te zullen sluiten;

Zich er rekenschap van gevend dat de ontmanteling van de kerncentrale van Ignalina, met twee van de voormalige Sovjet-Unie geërfde reactoren van het RBMK-type met een vermogen van ieder 1500 MW, een ongekend grootscheepse onderneming is die voor Litouwen een uitzonderlijk zware financiële last met zich meebrengt welke niet in verhouding staat tot de omvang en de economische draagkracht van het land, en dat de ontmanteling na afloop van de huidige financiële vooruitzichten, bepaald in het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999, zal voortgaan;

Nota nemend van de noodzaak uitvoeringsbepalingen vast te stellen voor de aanvullende steun van de Unie teneinde de gevolgen van de sluiting en de ontmanteling van de kerncentrale van Ignalina te ondervangen;

Er nota van nemend dat Litouwen bij het gebruik van de steun van de Unie naar behoren rekening zal houden met de behoeften van de regio's die het meest getroffen worden door de sluiting van de kerncentrale van Ignalina; Verklarend dat bepaalde maatregelen waarvoor overheidssteun wordt verleend, beschouwd zullen worden als verenigbaar met de interne markt, zoals de ontmanteling van de kerncentrale van Ignalina, de aanpassing aan de milieu-eisen overeenkomstig het acquis en de modernisering van de conventionele elektriciteitsopwekkingscapaciteit die nodig is om de gevolgen van de sluiting van de twee reactoren van de kerncentrale van Ignalina te kunnen ondervangen;

Benadrukt dat te dien einde specifieke bepalingen zijn opgenomen in deel twee, titel IV, van het Protocol betreffende het verdrag en de akte inzake de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek.

36

Verklaring betreffende de doorreis van personen over land tussen de regio Kaliningrad en andere delen van de Russische Federatie

De Conferentie,

Gezien de bijzondere positie van de regio Kaliningrad van de Russische Federatie in de context van de uitbreiding van de Unie;

Indachtig de verplichtingen en toezeggingen van Litouwen in het kader van het acquis inzake de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht;

Er met name nota van nemend dat Litouwen het acquis van de Unie met betrekking tot de lijst van landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum, en van landen waarvan de onderdanen zijn vrijgesteld van deze plicht, alsook het acquis van de Unie inzake een uniform visummodel, uiterlijk vanaf de toetreding volledig moet toepassen en uitvoeren;

Erkennend dat de doorreis van personen over land tussen de regio Kaliningrad en andere delen van de Russische Federatie over het grondgebied van de Unie een aangelegenheid is die de Unie als geheel betreft en als zodanig behandeld moet worden en geen negatieve gevolgen voor Litouwen mag hebben;

Overwegende dat de Raad moet besluiten de controles aan de binnengrenzen op te heffen nadat hij heeft vastgesteld dat aan de daartoe noodzakelijke voorwaarden voldaan is;

Vastbesloten Litouwen te helpen zo spoedig mogelijk de voorwaarden te vervullen om volledig te kunnen deelnemen aan het Schengengebied zonder binnengrenzen;

Benadrukt dat te dien einde specifieke bepalingen zijn opgenomen in deel twee, titel V, van het Protocol betreffende het verdrag en de akte inzake de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek.

37

Verklaring betreffende eenheid 1 en eenheid 2 van de V1-kerncentrale van Bohunice in Slowakije

De Conferentie,

Nota nemend van de toezegging van Slowakije dat het eenheid 1 en eenheid 2 van de V1-kerncentrale in Bohunice respectievelijk eind 2006 en eind 2008 zal sluiten, en uiting gevend aan de bereidheid van de Unie om tot 2006 financiële steun te blijven verlenen ter voortzetting van de pretoetredingssteun in het kader van het PHARE-programma, teneinde Slowakije bij te staan bij de ontmanteling;

Nota nemend van de noodzaak om uitvoeringsbepalingen vast te stellen voor de voortzetting van de steun van de Unie;

Benadrukt dat te dien einde specifieke bepalingen zijn opgenomen in deel twee, titel IX, van het Protocol betreffende het verdrag en de akte inzake de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek.

38

Verklaring betreffende Cyprus

De Conferentie,

Bevestigend dat zij gehecht is aan een algehele regeling van het vraagstuk Cyprus, in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, en dat zij de inspanningen te dien einde van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties krachtig steunt;

Overwegende dat een dergelijke algehele regeling van het vraagstuk Cyprus nog niet tot stand is gekomen;

Overwegende dat derhalve de invoering van het acquis moet worden opgeschort in de zones van de Republiek Cyprus waarover de regering van de Republiek Cyprus niet feitelijk het gezag uitoefent;

Overwegende dat deze opschorting zal worden ingetrokken zodra een oplossing is gevonden voor het vraagstuk Cyprus;

Overwegende dat de Unie bereid is, in overeenstemming met de beginselen waarop zij is gegrondvest, zich naar de voorwaarden van een dergelijke regeling te schikken;

Overwegende dat de voorwaarden moeten worden vastgesteld waaronder de toepasselijke bepalingen van het recht van de Unie gelden ten aanzien van de grens tussen enerzijds de bovengenoemde zones en anderzijds de zones waarover de regering van de Republiek Cyprus feitelijk het gezag uitoefent, alsmede de oostelijke zone onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot Brittannië en Noord-Ierland;

De wens uitend dat de toetreding van Cyprus tot de Europese Unie alle Cypriotische burgers ten goede komt en vrede en verzoening bevordert;

Overwegende derhalve dat deel 2, titel X, van het Protocol betreffende het verdrag en de akte inzake de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek in geen enkel opzicht een beletsel mag zijn voor daartoe strekkende maatregelen;

Overwegende dat zulke maatregelen onverlet laten, de toepassing van het acquis in alle andere gebiedsdelen van de Republiek Cyprus volgens de voorwaarden van genoemd Protocol;

Benadrukt dat te dien einde specifieke bepalingen zijn opgenomen in deel 2, titel X, van het Protocol betreffende het verdrag en de akte inzake de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek.

39

Verklaring inzake het Protocol betreffende de positie van Denemarken

De Conferentie neemt er nota van dat Denemarken, met betrekking tot rechtshandelingen die de Raad alleen of samen met het Europees Parlement moet vaststellen en die zowel bepalingen bevatten die op Denemarken van toepassing zijn als bepalingen die dat niet zijn omdat zij een rechtsgrondslag hebben waarop deel I van het Protocol betreffende de positie van Denemarken van toepassing is, verklaart dat het zijn stemrecht niet zal gebruiken om de vaststelling tegen te gaan van bepalingen die niet op Denemarken van toepassing zijn.

Voorts neemt de Conferentie er nota van dat Denemarken, op basis van de verklaring over artikel I-43 en artikel III-329, verklaart dat de Deense deelneming aan een optreden of aan wetgevingshandelingen op grond van artikel I-43 en artikel III-329 zal geschieden overeenkomstig deel I en deel II van het Protocol betreffende de positie van Denemarken.

40

Verklaring inzake het Protocol betreffende de overgangsbepalingen inzake de instellingen en organen van de Unie

Op de conferenties over de toetreding van Roemenië en/of Bulgarije tot de Unie zullen de lidstaten het volgende standpunt innemen met betrekking tot de verdeling van de zetels in het Europees Parlement en de stemmenweging in de Europese Raad en de Raad.

41

Verklaring inzake Italië

De Conferentie neemt er akte van dat het Protocol betreffende Italië, dat in 1957 aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap is gehecht, zoals gewijzigd bij de goedkeuring van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het volgende bepaalde:

„De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Verlangende bepaalde bijzondere vraagstukken te regelen welke voor Italië van belang zijn,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, welke aan het Verdrag zijn gehecht:

De Lidstaten van de Gemeenschap

Nemen kennis van het feit dat de Italiaanse regering een aanvang heeft gemaakt met de tenuitvoerlegging van een tienjarenplan voor economische expansie, dat tot doel heeft een evenwicht tot stand te brengen in de structuur van de Italiaanse economie, met name door de minderontwikkelde streken in het zuiden en op de eilanden toe te rusten en door nieuwe werkgelegenheid te scheppen, ten einde de werkloosheid uit te schakelen;

Brengen in herinnering dat dit programma van de Italiaanse regering door organisaties van internationale samenwerking waarvan zij lid zijn, in zijn beginselen en zijn doelstellingen in beschouwing is genomen en goedgekeurd;

Erkennen dat het in hun gemeenschappelijk belang is dat de doelstellingen van het Italiaanse programma worden bereikt;

Komen overeen, ten einde de vervulling van de taak der Italiaanse regering te vergemakkelijken, aan de instellingen van de Gemeenschap aan te bevelen alle in het Verdrag bedoelde middelen en procedures aan te wenden, met name een doeltreffend gebruik te maken van de middelen van de Europese Investeringsbank en het Europees Sociaal Fonds;

Zijn van mening dat door de instellingen van de Gemeenschap bij de toepassing van het Verdrag rekening moet worden gehouden met de krachtsinspanning welke de Italiaanse economie zich gedurende de eerstkomende jaren moet getroosten, en met de wenselijkheid gevaarlijke spanningen te voorkomen, met name in de betalingsbalans en het peil van werkgelegenheid, welke de toepassing van dat Verdrag in Italië in gevaar zouden kunnen brengen;

Erkennen in het bijzonder dat er bij de toepassing van de artikelen 109 H en 109 I voor gewaakt moet worden dat de maatregelen welke van de Italiaanse regering worden verlangd, het volbrengen van haar programma voor economische expansie en voor verbetering van de levensstandaard van de bevolking niet aantasten.”

VERKLARINGEN VAN LIDSTATEN

42

Verklaring van het Koninkrijk der Nederlanden ad artikel I-55

Het Koninkrijk der Nederlanden zal instemmen met een Europees besluit, bedoeld in artikel I-55, lid 4, zodra een herziening van de in artikel I-54, lid 3, bedoelde Europese wet Nederland een bevredigende oplossing heeft geboden voor zijn buitensporige negatieve nettobetalingspositie ten opzichte van de begroting van de Unie.

43

Verklaring van het Koninkrijk der Nederlanden ad artikel IV-440

Het Koninkrijk der Nederlanden verklaart dat een initiatief tot een Europees besluit, als bedoeld in artikel IV-440, lid 7, strekkende tot wijziging van de status van de Nederlandse Antillen en/of Aruba ten aanzien van de Unie alleen zal worden ingediend op grond van een besluit dat genomen is in overeenstemming met het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden.

44

Verklaring van de Bondsrepubliek Duitsland, Ierland, de Republiek Hongarije, de Republiek Oostenrijk en het Koninkrijk Zweden

Duitsland, Ierland, Hongarije, Oostenrijk en Zweden merken op dat de belangrijkste bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie sinds de inwerkingtreding van dat verdrag inhoudelijk niet zijn gewijzigd en moeten worden geactualiseerd. Daarom steunen zij het idee van een zo spoedig mogelijk bijeen te roepen Conferentie van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten.

45

Verklaring van het Koninkrijk Spanje en van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

Het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa is van toepassing op Gibraltar als een Europees gebiedsdeel waarvan de buitenlandse betrekkingen door een lidstaat worden behartigd. Dit houdt geen wijziging van de respectieve standpunten van de betrokken lidstaten in.

46

Verklaring van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de definitie van de term „onderdanen”

Wat betreft het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en handelingen die voortvloeien uit die verdragen of van kracht blijven op grond van die verdragen, herinnert het Verenigd Koninkrijk aan de verklaring die het op 31 december 1982 heeft afgelegd over de definitie van de term „onderdanen”, met dien verstande dat het begrip „burgers van Britse afhankelijke gebieden” gelezen moet worden als „burgers van Britse overzeese gebieden”.

47

Verklaring van het Koninkrijk Spanje betreffende de definitie van de term „onderdanen”

Spanje constateert dat overeenkomstig artikel I-10 van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit burger is van de Unie. Spanje neemt tevens nota van het feit dat, bij de huidige stand van de Europese integratie, waarvan het Verdrag de afspiegeling is, alleen de onderdanen van de lidstaten de specifieke rechten van het Europees burgerschap genieten, tenzij het recht van de Unie dit uitdrukkelijk anders bepaalt. In dit verband onderstreept Spanje tot slot dat volgens de artikelen I-20 en I-46 van het Verdrag het Europees Parlement thans de burgers van de Unie vertegenwoordigt.

48

Verklaring van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland betreffende het kiesrecht bij verkiezingen voor het Europees Parlement

Het Verenigd Koninkrijk merkt op dat artikel I-20 en andere bepalingen van de Grondwet niet bedoeld zijn om wijzigingen aan te brengen in de grondslagen voor het kiesrecht bij verkiezingen voor het Europees Parlement.

49

Verklaring van het Koninkrijk België inzake de nationale parlementen

Het Koninkrijk België verduidelijkt dat, overeenkomstig zijn grondwettelijk recht, zowel de kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat van het federaal Parlement als de parlementaire vergaderingen van de Gemeenschappen en Gewesten, in functie van de bevoegdheden die de Unie uitoefent, optreden als componenten van het nationaal parlementair stelsel of als kamers van het nationaal Parlement.

50

Verklaring van de Republiek Letland en de Republiek Hongarije over de spelling van de naam van de enige munteenheid in het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa

Onverminderd de uniforme spelling van de naam van de in het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa bedoelde enige munteenheid van de Europese Unie zoals die op de bankbiljetten en munten staat, verklaren Letland en Hongarije dat de spelling van de naam van de enige munteenheid en van de afgeleide vormen daarvan in de Letse en de Hongaarse tekst van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa geen gevolgen heeft voor de bestaande regels voor de Letse en de Hongaarse taal.