Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, Lid-Staten der Europese Gemeenschappen, het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie

Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, Lid-Staten der Europese Gemeenschappen, het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

Zijne Majesteit de Koning der Belgen, Hare Majesteit de Koningin van Denemarken, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Franse Republiek, de President van Ierland, de President van de Italiaanse Republiek, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen, Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

Verenigd in de wil de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie voort te zetten,

Vastbesloten, in de geest van deze Verdragen, op de reeds gelegde grondslagen een steeds hechtere eenheid tussen de Europese volkeren tot stand te brengen,

Overwegende dat artikel 237 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap alsmede artikel 205 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie , aan de Europese Staten de mogelijkheid bieden lid van deze Gemeenschappen te worden,

Overwegende dat het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland hebben verzocht lid te worden van deze Gemeenschappen,

Overwegende dat de Raad der Europese Gemeenschappen, na advies van de Commissie te hebben ingewonnen, zich heeft uitgesproken voor toelating van deze Staten,

Hebben besloten in gemeenschappelijk overleg de voorwaarden voor deze toelating en de in de Verdragen tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie aan te brengen aanpassingen vast te stellen, en hebben daartoe als gevolmachtigden aangewezen:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen

  • De heer G. Eyskens, Eerste Minister;

  • De heer P. Harmel, Minister van Buitenlandse Zaken;

  • De heer J. van der Meulen, Ambassadeur, Permanent Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

Hare Majesteit de Koningin van Denemarken

  • De heer J. O. Krag, Eerste Minister;

  • De heer I. Nørgaard, Minister van Buitenlandse Handel;

  • De heer J. Christensen, Secretaris-Generaal voor Buitenlandse Handel van het Ministerie van Buitenlandse Zaken;

de President van de Bondsrepubliek Duitsland

  • De heer W. Scheel, Minister van Buitenlandse Zaken;

  • De heer H.-G. Sachs, Ambassadeur, Permanent Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

de President van de Franse Republiek

  • De heer M. Schumann, Minister van Buitenlandse Zaken;

  • De heer J.-M. Boegner, Ambassadeur, Permanent Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

de President van Ierland

  • De heer J. A. Lynch, Eerste Minister;

  • De heer P. J. Hillery, Minister van Buitenlandse Zaken;

de President van de Italiaanse Republiek

  • De heer E. Colombo, Eerste Minister;

  • De heer A. Moro, Minister van Buitenlandse Zaken;

  • De heer G. Bombassei Frascani de Vettor, Ambassadeur, Permanent Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg

  • De heer G. Thorn, Minister van Buitenlandse Zaken;

  • De heer J. Dondelinger, Ambassadeur, Permanent Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden

  • De heer W. K. N. Schmelzer, Minister van Buitenlandse Zaken;

  • De heer Th. E. Westerterp, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken;

  • De heer E. M. J. A. Sassen, Ambassadeur, Permanent Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen

  • De heer T. Bratelli, Eerste Minister;

  • De heer A. Cappelen, Minister van Buitenlandse Zaken;

  • De heer S. Chr. Sommerfelt, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur;

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

  • De heer E. Heath, M.B.E., M.P., Eerste Minister, First Lord of the Treasury, Minister van de Administratie;

  • Sir Alec Douglas-Home, K.T., M.P., Minister van Buitenlandse en Gemenebestzaken;

  • De heer G. Rippon, Q.C., M.P., Kanselier van het Hertogdom Lancaster

die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, omtrent de volgende bepalingen overeenstemming hebben bereikt:

Artikel

1

Artikel

2

Dit Verdrag zal door de Hoge Verdragsluitende Partijen worden bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen. De Akten van bekrachtiging zullen uiterlijk 31 december 1972 worden neergelegd bij de Regering van de Italiaanse Republiek.

Dit Verdrag treedt in werking op 1 januari 1973, mits alle Akten van bekrachtiging voor dit tijdstip zijn neergelegd en mits alle Akten van toetreding tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal op dit tijdstip zijn neergelegd.

Indien echter niet alle in artikel 1, lid 1, genoemde Staten tijdig hun Akten van bekrachtiging en hun Akten van toetreding hebben neergelegd, treedt het Verdrag in werking voor die Staten die tot de nederlegging zijn overgegaan. In dit geval besluit de Raad van de Europese Gemeenschappen, met eenparigheid van stemmen, onmiddellijk over de hierdoor noodzakelijk geworden aanpassingen van artikel 3 van het onderhavige Verdrag en van de artikelen 14, 16, 17, 19, 20, 23, 129, 142, 143, 155 en 160 van de Akte betreffende de voorwaarden van toetreding en de aanpassing van de Verdragen, de bepalingen van zijn bijlage I, die betrekking hebben op de samenstelling en de functionering van verschillende comités en van de artikelen 5 en 8 van het Protocol betreffende de Statuten van de Europese Investeringsbank, gehecht aan deze Akte; de Raad kan eveneens, met eenparigheid van stemmen, de bepalingen van voornoemde Akte, die betrekking hebben op een met name genoemde Staat die zijn Akten van bekrachtiging en van toetreding niet heeft neergelegd, vervallen verklaren of aanpassen.

Artikel

3

Dit Verdrag, opgesteld in één enkel exemplaar, in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Franse, de Ierse, de Italiaanse, de Nederlandse en de Noorse taal, zijnde de Deense, de Duitse, de Engelse, de Franse, de Ierse, de Italiaanse en de Nederlandse tekst gelijkelijk authentiek, zal worden neergelegd in het archief van de Regering van de Italiaanse Republiek, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de Regeringen der andere ondertekenende Staten.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder dit Verdrag hebben gesteld.

GEDAAN te Brussel, de tweeëntwintigste januari negentienhondertweeënzeventig.

Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing der verdragen

EERSTE

DEEL

BEGINSELEN

Artikel

1

In de zin van deze Akte:

  • worden met de uitdrukking „oorspronkelijke Verdragen” bedoeld het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie , zoals deze Verdragen zijn aangevuld of gewijzigd bij Verdragen of andere rechtshandelingen die voor de toetreding in werking zijn getreden; worden de uitdrukkingen „E.G.K.S.-Verdrag”, „E.E.G.-Verdrag” en „E.G.A.-Verdrag” bedoeld de desbetreffende, aldus aangevulde of gewijzigde oorspronkelijke Verdragen;

  • worden met de uitdrukking „oorspronkelijke Lid-Staten” bedoeld het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden;

  • worden met de uitdrukking „nieuwe Lid-Staten” bedoeld het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Artikel

2

Vanaf de toetreding zijn de oorspronkelijke Verdragen en de door de Instellingen van de Gemeenschappen genomen besluiten verbindend voor de nieuwe Lid-Staten en in deze Staten toepasselijk onder de voorwaarden voorzien in deze Verdragen en in deze Akte.

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

6

De bepalingen van deze Akte kunnen, tenzij anders is bepaald, uitsluitend worden geschorst, gewijzigd of ingetrokken door middel van de procedures voorzien in de oorspronkelijke Verdragen die het mogelijk maken tot een herziening van die Verdragen te komen.

Artikel

7

De door de Instellingen van de Gemeenschappen genomen besluiten waarop de in deze Akte vastgestelde overgangsmaatregelen zijn gebaseerd, behouden hun eigen rechtskarakter; met name blijven de voor deze besluiten geldende wijzigingsprocedures van toepassing.

Artikel

8

De bepalingen van deze Akte waarvan het doel of het gevolg is dat besluiten van de Instellingen van de Gemeenschappen anders dan bij wijze van overgangsmaatregel worden ingetrokken of gewijzigd, verkrijgen hetzelfde rechtskarakter als de daardoor ingetrokken of gewijzigde bepalingen en zijn onderworpen aan dezelfde regels als laatstgenoemde bepalingen.

Artikel

9

TWEEDE

DEEL

AANPASSING DER VERDRAGEN

Titel

I

Institutionele bepalingen

HOOFDSTUK

1

De vergadering

Artikel

10

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

HOOFDSTUK

2

De Raad

Artikel

11

Wijzigt het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben; Brussel, 8 april 1965.

Artikel

12

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951.

Artikel

13

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951.

Artikel

14

Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

HOOFDSTUK

3

De Commissie

Artikel

15

Wijzigt het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben; Brussel, 8 april 1965.

Artikel

16

Wijzigt het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben; Brussel, 8 april 1965.

HOOFDSTUK

4

Het Hof van Justitie

Artikel

17

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel

18

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel

19

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel

20

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

HOOFDSTUK

5

Het Economisch en Sociaal Comité

Artikel

21

Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

HOOFDSTUK

6

Het Raadgevend Comité E.G.K.S.

Artikel

22

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951.

HOOFDSTUK

7

Het wetenschappelijk en technisch comité

Artikel

23

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

TITEL

II

Andere aanpassingen

Artikel

24

Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel

25

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951.

Artikel

26

Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel

27

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel

28

De besluiten van de Instellingen van de Gemeenschap die betrekking hebben op de produkten van bijlage II van het E.E.G.-Verdrag en op de produkten die bij invoer in de Gemeenschap aan een bijzondere regeling zijn onderworpen als gevolg van de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, alsmede de besluiten inzake de harmonisatie van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de belastingen op de toegevoegde waarde zijn niet van toepassing op Gibraltar, tenzij de Raad op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen anders besluit.

DERDE

DEEL

AANPASSING VAN DE BESLUITEN VAN DE INSTELLINGEN

Artikel

29

Ten aanzien van de besluiten genoemd in de lijst die voorkomt in bijlage I van deze Akte vinden de aanpassingen plaats die in die bijlage worden omschreven.

Artikel

30

De ingevolge de toetreding noodzakelijke aanpassingen van de in de lijst die voorkomt in bijlage II van deze Akte genoemde besluiten, worden verricht overeenkomstig de in die bijlage vervatte richtsnoeren en volgens de procedure en op de wijze bepaald in artikel 153.

VIERDE

DEEL

OVERGANGSBEPALINGEN

Titel

I

Vrij verkeer van goederen

HOOFDSTUK

1

Tariefbepalingen

Artikel

31

Artikel

32

Artikel

33

In geen geval worden binnen de Gemeenschap douanerechten toegepast die hoger zijn dan die welke gelden ten opzichte van derde landen waarvoor de meestbegunstigingsclausule geldt.

Ingeval de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief worden gewijzigd of geschorst of ingeval de nieuwe Lid-Staten artikel 41 toepassen, kan de Raad, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, de nodige maatregelen nemen ter handhaving van de communautaire preferentie.

Artikel

34

Elke nieuwe Lid-Staat kan de heffing van de rechten die worden toegepast op uit de andere Lid-Staten ingevoerde produkten geheel of gedeeltelijk schorsen. Hij stelt de andere Lid-Staten en de Commissie daarvan in kennis.

Artikel

35

Elke heffing van gelijke werking als een invoerrecht, die met ingang van 1 januari 1972 wordt ingevoerd in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen de nieuwe Lid-Staten onderling, wordt op 1 januari 1973 afgeschaft.

Elke heffing van gelijke werking als een invoerrecht, waarvan het peil op 31 december 1972 hoger is dan het peil van de heffing die op 1 januari 1972 daadwerkelijk wordt toegepast, wordt op 1 januari 1973 tot op dit laatstgenoemd peil teruggebracht.

Artikel

36

Artikel

37

De uitvoerrechten en heffingen van gelijke werking worden tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen de nieuwe Lid-Staten onderling uiterlijk op 1 januari 1974 afgeschaft.

Artikel

38

Artikel

39

Artikel

40

Voor de volgende produkten die zijn opgenomen in het gemeenschappelijk douanetarief:

No. van het gemeenschappelijk douanetarief

Omschrijving (E.G.K.S.)

73.01

Gietijzer (spiegelijzer daaronder begrepen), onbewerkt, in ingots, gietelingen, blokken en klompen

73.02

Ferrolegeringen:

A. Ferromangaan:

I. bevattende meer dan 2 gewichtspercenten koolstof

73.07

Blooms, billets, bramen en largets, van ijzer of van staal; smeedstukken van ijzer of van staal, enkel ruw voorgesmeed

A. Blooms en billets:

ex I. Gewalste billets

past Ierland, in afwijking van artikel 39, met ingang van 1 januari 1975, rechten toe waarbij het verschil tussen de op 1 januari 1972 daadwerkelijk toegepaste rechten en die van het ééngemaakte E.G.K.S.-tarief met één derde wordt verminderd. Het verschil dat uit deze eerste aanpassing voortvloeit, wordt op 1 januari 1976 opnieuw met 50% verminderd.

Met ingang van 1 juli 1977 past Ierland het ééngemaakte E.G.K.S.tarief volledig toe.

Artikel

41

Bij de aanpassing van hun tarieven aan het gemeenschappelijk douanetarief en aan het ééngemaakte E.G.K.S.-tarief, staat het de nieuwe Lid-Staten vrij om hun douanerechten in een sneller ritme te wijzigen dan is bepaald in artikel 39, leden 1 en 3. Zij geven de andere Lid-Staten en de Commissie daarvan kennis.

HOOFDSTUK

2

Afschaffing van kwantitatieve beperkingen

Artikel

42

De kwantitatieve in- en uitvoerbeperkingen tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen de nieuwe Lid-Staten onderling worden onmiddellijk bij de toetreding afgeschaft.

De maatregelen van gelijke werking als zulke beperkingen worden uiterlijk op 1 januari 1975 afgeschaft.

Artikel

43

In afwijking van artikel 42, kunnen de Lid-Staten uitvoerbeperkingen inzake schroot, resten en afvallen van werken van gietijzer, van ijzer of van staal van post 73.03 van het gemeenschappelijk douanetarief gedurende een periode van twee jaar handhaven, mits deze regeling niet beperkender is dan de regeling die geldt voor de uitvoer naar derde landen.

Voor Denemarken wordt bovengenoemde periode vastgesteld op drie jaar en voor Ierland op vijf jaar.

Artikel

44

HOOFDSTUK

3

Overige bepalingen

Artikel

45

Artikel

46

Artikel

47

Artikel

48

Artikel

49

Titel

II

Landbouw

HOOFDSTUK

1

Algemene bepalingen

Artikel

50

Voor zover in deze Titel niet anders is bepaald, zijn de bepalingen van deze Akte van toepassing op landbouwprodukten.

Artikel

51

Artikel

52

Artikel

53

Indien wordt vastgesteld dat het verschil tussen het prijspeil voor een bepaald produkt in een nieuwe Lid-Staat en het peil van de gemeenschappelijke prijs van geringe betekenis is, kan de Raad volgens de procedure van artikel 43, lid 2, van het E.E.G.-Verdrag besluiten dat in deze nieuwe Lid-Staat voor het betrokken produkt de gemeenschappelijke prijs wordt toegepast.

Artikel

54

Artikel

55

Artikel

56

Indien de prijs op de wereldmarkt voor een bepaald produkt hoger is dan de prijs aangehouden voor de berekening van de in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ingestelde belasting bij invoer, verminderd met het compenserende bedrag dat wordt afgetrokken van de belasting bij invoer krachtens artikel 55, of wanneer de restitutie bij uitvoer naar derde landen lager is dan het compenserende bedrag of wanneer er geen restitutie wordt verleend, kunnen passende maatregelen worden getroffen om de goede werking van de gemeenschappelijke ordening der markten te waarborgen.

Artikel

57

Bij het vaststellen van het peil van de verschillende elementen van de regeling inzake prijzen en interventies, andere dan de prijzen bedoeld in de artikelen 51 en 70, wordt, voor zover zulks noodzakelijk is voor de goede werking van de communautaire regeling, ten aanzien van de nieuwe Lid-Staten rekening gehouden met het prijsverschil dat wordt uitgedrukt door het compenserende bedrag.

Artikel

58

De toegekende compenserende bedragen worden door de Gemeenschap gefinancierd ten laste van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie.

Artikel

59

Ten aanzien van produkten uit derde landen waarvan de invoer in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling is onderworpen aan douanerechten, gelden de volgende bepalingen:

  • 1.

    De douanerechten bij invoer worden tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen de nieuwe Lid-Staten onderling, in vijf etappes geleidelijk afgeschaft. De eerste verlaging waarbij de douanerechten worden verlaagd tot 80% van het basisrecht en de vier overige verlagingen van 20% elk vinden plaats in het volgende ritme:

    • a)

      voor de produkten die onder de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees vallen: jaarlijks aan het begin van het verkoopseizoen, terwijl de eerste verlaging in 1973 plaatsvindt;

    • b)

      voor de produkten die vallen onder Verordening No. 23 houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit, onder Verordening (EEG) No. 234/68 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector levende planten en produkten van de bloementeelt en onder Verordening (EEG) No. 865/68 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten: jaarlijks op 1 januari, terwijl de eerste verlaging plaatsvindt op 1 janari 1974;

    • c)

      voor de overige landbouwprodukten: in het ritme neergelegd in artikel 32, lid 1, met dien verstande dat de eerste verlaging plaatsvindt op 1 juli 1973.

  • 2.

    Met het oog op de geleidelijke invoering van het gemeenschappelijk douanetarief, vermindert elke nieuwe Lid-Staat het verschil tussen het basisrecht en het recht van het gemeenschappelijk douanetarief in etappes van 20%. Deze aanpassingen vinden plaats op de data die in lid 1 voor de betreffende produkten worden genoemd. Ten aanzien van de in lid 1, sub c), bedoelde produkten vinden de aanpassingen plaats volgens het ritme voorgeschreven in artikel 39, lid 1.

    Voor de tariefposten waarbij de basisrechten niet meer dan 15% naar boven of naar beneden afwijken van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief, worden laatstgenoemde rechten echter toegepast vanaf de datum van de eerste aanpassing voor elk van de categorieën van de betrokken produkten.

  • 3.

    Wat de in lid 1, sub b) , bedoelde produkten betreft, kan de Raad, voor de tweede, de derde en de vierde verlaging of aanpassing, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten dat voor één of meer nieuwe Lid-Staten de rechten voor één of meer van deze produkten gedurende een jaar afwijken van de rechten die voortvloeien uit de toepassing van het bepaalde in lid 1 of, naargelang van het geval, in lid 2.

    Deze afwijking mag niet meer bedragen dan 10% van het bedrag van de wijziging die krachtens lid 1 of lid 2 dient te worden verricht.

    In dat geval zijn de voor het volgende jaar toe te passen douanerechten de rechten die zouden zijn voortgevloeid uit de toepassing van lid 1 of, naar gelang van het geval, lid 2, indien niet tot afwijking zou zijn besloten. Voor dat jaar kan evenwel opnieuw tot een afwijking van deze rechten worden besloten, overeenkomstig het bepaalde in de voorgaande alinea's.

    Op 1 januari 1978 worden de douanerechten voor deze produkten afgeschaft en passen de nieuwe Lid-Staten volledig het gemeenschappelijk douanetarief toe.

  • 4.

    Ten aanzien van de produkten die onder een gemeenschappelijke ordening der markten vallen, kunnen de nieuwe Lid-Staten volgens de procedure van artikel 26 van Verordening No. 120/67/ EEG houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen of, naar gelang van het geval, van het overeenkomstige artikel van de andere verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten, gemachtigd worden over te gaan tot de afschaffing der in lid 1 bedoelde douanerechten of tot de in lid 2 bedoelde aanpassing, in een sneller tempo dan in voorgaande leden is bepaald, dan wel tot een gehele of gedeeltelijke schorsing van de douanerechten toepasselijk op produkten die worden ingevoerd uit de andere Lid-Staten.

    Voor de overige produkten is voor het nemen van de in de voorgaande alinea bedoelde maatregelen geen machtiging vereist.

    De douanerechten die voortvloeien uit een versnelde aanpassing mogen niet lager zijn dan die welke worden toegepast bij invoer van dezelfde produkten uit de andere Lid-Staten.

    De nieuwe Lid-Staten stellen de overige Lid-Staten en de Commissie in kennis van de genomen maatregelen.

Artikel

60

Artikel

61

Artikel

62

Artikel

63

Artikel

64

Het bepaalde in deze Titel doet geen afbreuk aan de mate waarin het handelsverkeer in landbouwprodukten is geliberaliseerd ingevolge de op 14 december 1965 ondertekende Overeenkomst tot instelling van een vrijhandelszone tussen Ierland en het Verenigd Koninkrijk en de daarmede verbonden Overeenkomsten.

HOOFDSTUK

2

Bepalingen betreffende bepaalde gemeenschappelijke marktordeningen

Afdeling

1

Groenten en fruit

Artikel

65

Artikel

66

Artikel

67

Voor de vaststelling van de invoerprijzen worden de in de nieuwe Lid-Staten waargenomen noteringen verminderd met:

  • a)

    het eventueel compenserende bedrag;

  • b)

    de rechten die van toepassing zijn bij invoer uit derde landen in deze Lid-Staten, in plaats van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief.

Artikel

68

De bepalingen inzake de gemeenschappelijke kwaliteitsnormen zijn op het in de handel brengen in het Verenigd Koninkrijk van de binnenlandse produktie niet eerder van toepassing dan vanaf:

  • a)

    1 februari 1974 voor artisjokken, asperges, spruitjes, bleekselderij, witlof, knoflook en uien;

  • b)

    1 februari 1975 voor bonen, sluitkool, wortelen, sla, krulandijvie en andijvie, doperwten, spinazie en aardbeien.

Afdeling

2

Wijn

Artikel

69

Tot en met 31 december 1975 zijn Ierland en het Verenigd Koninkrijk gemachtigd het gebruik van de samengestelde benamingen waarin het woord wijn voorkomt te handhaven voor de aanduiding van bepaalde dranken ten aanzien waarvan het gebruik van deze aanduiding niet verenigbaar is met de communautaire voorschriften. Deze afwijking is evenwel niet van toepassing voor de produkten die worden uitgevoerd naar de Lid-Staten van de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling.

Afdeling

3

Oliehoudende zaden

Artikel

70

Artikel

71

Het bedrag van de steun voor oliehoudende zaden die in een nieuwe Lid-Staat zijn geoogst, wordt gecorrigeerd met het in die Lid-Staat toepasselijke compenserende bedrag, vermeerderd met de invloed van de daar toegepaste douanerechten.

Artikel

72

In het handelsverkeer wordt het compenserende bedrag slechts toegepast op de restituties toegekend bij de uitvoer van de in een nieuwe Lid-Staat geoogste oliehoudende zaden naar derde landen.

Afdeling

4

Granen

Artikel

73

In de sector granen zijn de artikelen 51 en 52 van toepassing op de afgeleide interventieprijzen.

Artikel

74

De compenserende bedragen die gelden, in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen deze laatste en derde landen worden als volgt vastgesteld:

  • 1.

    Wat betreft granen waarvoor geen afgeleide interventieprijs voor de nieuwe Lid-Staten wordt vastgesteld, wordt het tot de eerste aanpassing toepasselijke compenserende bedrag afgeleid van het compenserende bedrag dat geldt voor de concurrerende graansoort waarvoor een afgeleide interventieprijs is vastgesteld, met inachtneming van de tussen de drempelprijzen van de betrokken graansoorten bestaande verhouding. Indien echter de verhouding tussen de drempelprijzen aanzienlijk afwijkt van de verhouding tussen de prijzen die zijn waargenomen op de markt van de betrokken nieuwe Lid-Staat, kan deze laatste verhouding in aanmerking worden genomen.

    Vervolgens worden de bedragen vastgesteld uitgaande van de in de eerste alinea bedoelde bedragen, volgens de in artikel 52 voor de aanpassing der prijzen neergelegde regels.

  • 2.

    Voor de produkten genoemd in artikel 1, sub c) en d) , van Verordening No. 120/67/EEG, wordt het compenserende bedrag afgeleid van het compenserende bedrag toepasselijk voor de graansoorten waarmede deze produkten zijn verbonden, met behulp van de coëfficiënten of de regels voor de vaststelling van de heffing, of het variabele element van de heffing, voor die produkten.

Afdeling

5

Varkensvlees

Artikel

75

Artikel

76

Afdeling

6

Eieren

Artikel

77

Artikel

78

Ierland en het Verenigd Koninkrijk kunnen, ten aanzien van de handelsnormen voor eieren, op hun markt een indeling in vier, respectievelijk vijf gewichtsklassen handhaven, mits de commercialisatie van eieren die voldoen aan de communautaire normen niet wordt onderworpen aan beperkingen op grond van het feit dat de eieren volgens andere systemen zijn ingedeeld.

Afdeling

7

Slachtpluimvee

Artikel

79

Afdeling

8

Rijst

Artikel

80

De compenserende bedragen die van toepassing zijn in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen deze laatste en derde landen, worden als volgt vastgesteld:

  • 1.

    Voor rondkorrelige gedopte rijst, langkorrelige gedopte rijst en breukrijst, wordt het compenserende bedrag dat van toepassing is tot de eerste aanpassing, vastgesteld op de grondslag van het verschil tussen de drempelprijs en de gedurende een referentieperiode op de markt van de betrokken nieuwe Lid-Staat waargenomen marktprijzen.

    Vervolgens worden de bedragen vastgesteld uitgaande van die bedoeld in de eerste alinea en volgens de in artikel 52 voor de aanpassing van de prijzen vastgestelde regels.

  • 2.

    Voor padie, halfwitte rijst, volwitte rijst en de produkten, genoemd in artikel 1, lid 1 sub c) , van Verordening No. 359/67/EEG houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt, wordt het compenserende bedrag, voor elk van deze produkten, afgeleid van het compenserende bedrag voor het in lid 1 genoemde produkt waarmee het verband houdt, met behulp van de coëfficiënten voor de vaststelling van de heffing of van het variabele element van de heffing.

Afdeling

9

Suiker

Artikel

81

In de sector suiker zijn de artikelen 51 en 52 van toepassing op de afgeleide interventieprijs voor witte suiker, op de interventieprijs voor ruwe suiker en op de minimumprijs van suikerbieten.

Artikel

82

De compenserende bedragen die in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten, alsmede tussen deze laatste en derde landen van toepassing zijn, worden afgeleid:

  • a)

    voor de produkten, andere dan verse suikerbieten, genoemd in artikel 1, lid 1 sub b) , van Verordening No. 1009/67/EEG houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, van het compenserende bedrag toepasselijk op het betrokken basisprodukt, volgens de regels die gelden voor de berekening van de heffing;

  • b)

    voor de produkten genoemd in artikel 1, lid 1 sub d) , van Verordening No. 1009/67/EEG, van het compenserende bedrag toepasselijk op het betrokken basisprodukt, volgens de regels voor de berekening:

    • van de heffing, ten aanzien van het bij invoer van toepassing zijnde compenserende bedrag,

    • van de restitutie, ten aanzien van het bij uitvoer van toepassing zijnde compenserende bedrag.

Artikel

83

Het in artikel 25, lid 3, van Verordening No. 1009/67/EEG bedoelde bedrag wordt in de nieuwe Lid-Staten gecorrigeerd met het overeenkomstig artikel 55, lid 2, berekende compenserende bedrag.

Afdeling

10

Levende planten en produkten van de bloementeelt

Artikel

84

De bepalingen inzake de gemeenschappelijke kwaliteitsnormen zijn op het in de handel brengen in het Verenigd Koninkrijk van de binnenlandse produktie niet eerder van toepassing dan vanaf 1 februari 1974 en voor snijbloemen niet eerder dan vanaf 1 februari 1975.

Afdeling

11

Melk en zuivelprodukten

Artikel

85

Het bepaalde in de artikelen 51 en 52 is van toepassing op de interventieprijzen voor boter en mager melkpoeder.

Artikel

86

In het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten, alsmede tussen deze laatste en derde landen, worden de compenserende bedragen als volgt vastgesteld:

  • 1.

    Voor de andere hoofdprodukten dan die bedoeld in artikel 85 wordt het compenserende bedrag toepasselijk tot de eerste aanpassing, vastgesteld op de grondslag van het verschil tussen het prijspeil op de representatieve markt van de betrokken nieuwe Lid-Staat en het prijspeil op de representatieve markt van de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling in de loop van de representatieve periode die voorafgaat aan de toepassing van de communautaire regeling in de betrokken nieuwe Lid-Staat.

    Bij het vaststellen van de compenserende bedragen die gelden vanaf de eerste aanpassing, wordt rekening gehouden met het bedrag dat is vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de eerste alinea of in lid 3 en met de in artikel 52 neergelegde regels voor de aanpassing der prijzen.

  • 2.

    Voor de produkten die geen hoofdprodukten zijn, worden de compenserende bedragen afgeleid van het compenserende bedrag toepasselijk op het hoofdprodukt van de groep waartoe het betrokken produkt behoort, volgens de regels die gelden voor de berekening van de heffing.

  • 3.

    Indien de bepalingen van lid 1, eerste alinea, en van lid 2 niet kunnen worden toegepast of indien de toepassing daarvan leidt tot compenserende bedragen die abnormale prijsverhoudingen teweegbrengen, wordt het compenserende bedrag berekend uitgaande van de compenserende bedragen toepasselijk op boter en mager melkpoeder.

Artikel

87

Artikel

88

Artikel

89

Afdeling

12

Rundvlees

Artikel

90

De artikelen 51 en 52 zijn van toepassing op de oriëntatieprijzen voor volwassen runderen en voor kalveren.

Artikel

91

Artikel

92

Voor de produkten genoemd in artikel 1, sub b) en c) , van Verordening (EEG) No. 805/68 wordt de restitutie bij uitvoer uit de nieuwe Lid-Staten naar derde landen gecorrigeerd met de invloed van het verschil tussen de douanerechten die worden toegepast op de in de bijlage van genoemde verordening vermelde produkten bij invoer uit derde landen in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling enerzijds en de nieuwe Lid-Staten anderzijds.

Artikel

93

Zolang het Verenigd Koninkrijk krachtens artikel 54 subsidies voor de produktie van slachtvee handhaaft, is Ierland gemachtigd om ter voorkoming van distorsies op de Ierse markt voor vee, de maatregelen inzake de uitvoer van rundvlees te handhaven die het vóór de toetreding, in samenhang met het in het Verenigd Koninkrijk toegepaste subsidiestelsel, toepaste.

Afdeling

13

Op basis van groenten en fruit verwerkte produkten

Artikel

94

De compenserende bedragen worden bepaald op de grondslag van de compenserende bedragen die, naar gelang van het geval, zijn vastgesteld voor suiker, glucose of glucosestroop, en volgens de regels voor de berekening:

  • van de heffing, wat betreft het compenserende bedrag dat bij invoer van toepassing is,

  • van de restitutie, wat betreft het compenserende bedrag dat bij uitvoer van toepassing is.

Afdeling

14

Vlas

Artikel

95

Afdeling

15

Zaadgoed

Artikel

96

Wanneer steun bij de produktie van zaadgoed wordt toegekend, kan het bedrag van de steun voor de nieuwe Lid-Staten worden vastgesteld op een peil dat verschilt van het voor de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling vastgestelde peil, indien tevoren het inkomen van de producenten van een nieuwe Lid-Staat aanmerkelijk verschilde van het inkomen dat werd verworven door de producenten van de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling.

In dit geval moet bij de vaststelling van het bedrag van de steun voor de nieuwe Lid-Staat rekening worden gehouden met het tevoren door de producenten van zaaigoed verworven inkomen en met de noodzaak elke distorsie in de structuur van de produktie te voorkomen en dit bedrag geleidelijk nader te brengen tot het bedrag van de communautaire steun.

Afdeling

16

Landbouwprodukten die worden uitgevoerd in de vorm van goederen welke niet onder Bijlage II van het E.E.G.-Verdrag vallen

Artikel

97

De compenserende bedragen worden bepaald op de grondslag van de compenserende bedragen die worden vastgesteld voor de basisprodukten en volgens de regels voor de berekening der restituties, voorzien in Verordening (EEG) No. 204/69 tot vaststelling van de algemene regels aangaande toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwprodukten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage II van het Verdrag vallen.

HOOFDSTUK

3

Bepalingen inzake de visserij

Afdeling

1

Gemeenschappelijke ordening der markten

Artikel

98

Voor visserijprodukten worden de artikelen 51 en 52 toegepast op de oriëntatieprijs. De prijsaanpassing vindt plaats aan het begin van het visseizoen en voor de eerste maal op 1 februari 1973.

Artikel

99

De compenserende bedragen worden, voor zover nodig, gecorrigeerd met de invloed van de douanerechten.

Afdeling

2

Visserijregeling

Artikel

100

Artikel

101

De in artikel 100 bedoelde grens van zes zeemijlen wordt voor de volgende gebieden uitgebreid tot twaalf zeemijlen:

  • 1.

    Denemarken:

    • -

      de Faeröer,

    • -

      Groenland,

    • -

      de westkust van Thyborøn tot Blaavands Huk.

  • 2.

    Frankrijk:

    De kust van de departementen Manche, Ille-et-Vilaine, Côtes-du-Nord, Finistère en Morbihan.

  • 3.

    Ierland:

    • -

      de noord- en de westkust, van Lough Foyle tot Cork Harbour in het zuidwesten,

    • -

      de oostkust, van Carlingford Lough tot Carnsore Point, voor de vangst van schaal-, schelp- en weekdieren („shellfish”).

  • 4.

    Verenigd Koninkrijk:

    • -

      de Shetland-eilanden en de Orkaden,

    • -

      Noord-en Oost-Schotland, van Kaap Wrath tot Berwick,

    • -

      Noordoost-Engeland, van de Coquet-rivier tot Flamborough Head,

    • -

      het Zuidwesten, van Lyme Regis tot Hartland Point (met inbegrip van twaalf zeemijlen rondom Lundy Island),

    • -

      het Graafschap Down.

Artikel

102

Uiterlijk vanaf het zesde jaar na de toetreding stelt de Raad, op voorstel van de Commissie, de voorwaarden vast voor de uitoefening van de visserij, ten einde de bescherming van de visbanken en het behoud van de biologische rijkdommen van de zee te waarborgen.

Artikel

103

Vóór 31 december 1982 brengt de Commissie bij de Raad verslag uit over de economische en sociale ontwikkeling van de kustgebieden der Lid-Staten en over de visstand. Aan de hand van dit verslag en van de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, bestudeert de Raad, op voorstel van de Commissie, de bepalingen die zouden kunnen volgen op de afwijkingen die gelden tot en met 31 december 1982.

HOOFDSTUK

4

Andere bepalingen

Afdeling

1

Veterinaire maatregelen

Artikel

104

De Richtlijn No. 64/432/EEG van de Raad inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens wordt toegepast met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • 1.

    Tot en met 31 december 1977 zijn de nieuwe Lid-Staten gemachtigd om, met eerbiediging van de algemene regels van het E.E.G.-Verdrag, hun nationale regelingen te handhaven voor de invoer van runderen en varkens bestemd voor fokkerij, gebruik of slacht, met uitzondering, voor wat Denemarken betreft, van slachtrunderen.

    In het kader van deze regelingen zal worden gestreefd naar aanpassingen ten einde de geleidelijke ontwikkeling van het handelsverkeer te waarborgen; te dien einde worden deze regelingen onderworpen aan een onderzoek in het Permanent Veterinair Comité.

  • 2.

    Tot en met 31 december 1977 kennen de Lid-Staten van bestemming de Lid-Staten van waaruit runderen worden verzonden de afwijking toe bedoeld in artikel 7, lid 1 punt A onder a) , van de richtlijn.

  • 3.

    Tot en met 31 december 1977 zijn de nieuwe Lid-Staten gemachtigd de methoden te handhaven die zij op hun grondgebied toepassen om een rundveebeslag officieel tuberculosevrij of brucellosevrij te verklaren in de zin van artikel 2 van de richtlijn, onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen van de richtlijn inzake de aanwezigheid van tegen brucellose ingeënte dieren. De bepalingen inzake de voor de dieren die binnen de Gemeenschap worden verhandeld voorgeschreven tests blijven van toepassing, onder voorbehoud van het bepaalde in de leden 4 en 6.

  • 4.

    Tot en met 31 december 1977 kan de uitvoer van runderen uit Ierland naar het Verenigd Koninkrijk plaatsvinden:

    • a)

      in afwijking van de bepalingen van de richtlijn inzake brucellose; de bepalingen inzake de voor de dieren die binnen de Gemeenschap worden verhandeld voorgeschreven tests blijven van toepassing bij de uitvoer van niet-gecastreerde runderen;

    • b)

      in afwijking van de bepalingen van de richtlijn inzake tuberculose, mits er bij de uitvoer een verklaring wordt afgelegd waaruit blijkt dat het uitgevoerde dier afkomstig is van een officieel tuberculosevrij verklaard rundveebeslag volgens de in Ierland geldende methodes;

    • c)

      in afwijking van de bepalingen van de richtlijn inzake de verplichting gebruiks- en fokdieren te scheiden van slachtdieren.

  • 5.

    Tot en met 31 december 1975 is Denemarken gemachtigd alttuberculine te gebruiken in afwijking van het bepaalde in bijlage B van de richtlijn.

  • 6.

    Tot aan de inwerkingtreding van de communautaire voorschriften betreffende het in de handel brengen in de Lid-Staten wat betreft de aangelegenheden die onder de richtlijn vallen, zijn Ierland en het Verenigd Koninkrijk gemachtigd hun nationale regelingen te handhaven die gelden voor het handelsverkeer tussen Ierland en Noord-Ierland.

De desbetreffende Lid-Staten nemen passende maatregelen ten einde deze afwijking te beperken tot bovengenoemd handelsverkeer.

Artikel

105

De Richtlijn No. 64/433/EEG inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees wordt toegepast met inachtneming van de navolgende bepalingen:

Tot en met 31 december 1977 zijn Ierland en het Verenigd Koninkrijk, voor wat Noord-Ierland betreft, gemachtigd bij de invoer van vers vlees hun nationale regeling betreffende de bescherming tegen mond- en klauwzeer te handhaven, met eerbiediging van de algemene bepalingen van het E.E.G.-Verdrag.

Artikel

106

Voor de afloop van de in de artikelen 104 en 105 bedoelde termijnen vindt een onderzoek van de toestand in de Gemeenschap in haar geheel en in de verschillende delen daarvan plaats in het licht van de ontwikkeling op veterinair gebied.

Uiterlijk op 1 juli 1976 legt de Commissie de Raad een verslag voor en voor zover nodig passende voorstellen waarbij rekening wordt gehouden met deze ontwikkeling.

Afdeling

2

Diverse bepalingen

Artikel

107

De besluiten die zijn opgenomen in de lijst in bijlage V van deze Akte zijn van toepassing ten aanzien van de nieuwe Lid-Staten onder de voorwaarden neergelegd in deze bijlage.

Titel

III

Buitenlandse betrekkingen

HOOFDSTUK

1

Overeenkomsten van de gemeenschappen met bepaalde derde landen

Artikel

108

HOOFDSTUK

2

Betrekkingen met de geassocieerde Afrikaanse Staten en Madagaskar en met bepaalde ontwikkelingslanden van het Gemenebest

Artikel

109

Artikel

110

Op de produkten van de lijst van bijlage II van het E.E.G.-Verdrag die onder een gemeenschappelijke marktordening vallen en op de produkten die bij invoer in de Gemeenschap als gevolg van de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid aan een specifieke regeling zijn onderworpen, passen de nieuwe Lid-Staten wanneer deze produkten van oorsprong zijn uit de in artikel 109, lid 1, bedoelde geassocieerde Staten of uit de in artikel 109, lid 3, bedoelde onafhankelijke landen van het Gemenebest bij invoer de communautaire regeling toe onder de voorwaarden als omschreven in deze Akte, behoudens de volgende bepalingen:

  • a)

    wanneer de gemeenschapsregeling de heffing van douanerechten bij invoer uit derde landen voorschrijft, passen de nieuwe Lid-Staten, behoudens het bepaalde in artikel 111, de tariefregeling toe, die zij vóór de toetreding toepasten;

  • b)

    voor wat de beschermende elementen andere dan douanerechten betreft, stelt de Raad, indien dit noodzakelijk is, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de aanpassingen van de gemeenschapsregelingen vast die kunnen waarborgen dat de invoer van deze produkten geschiedt onder soortgelijke voorwaarden als die welke vóór de toetreding bestonden.

Artikel

111

Indien de aanpassing aan het gemeenschappelijk douanetarief in een nieuwe Lid-Staat tot een verlaging van het douanerecht leidt, wordt het aldus verlaagde nieuwe douanerecht toegepast op de invoer bedoeld in de artikelen 109 en 110.

Artikel

112

Artikel

113

Artikel

114

Bij vaststelling van de door de Raad te nemen besluiten en door het Comité van het Europees Ontwikkelingsfonds te geven adviezen, in het kader van het op 29 juli 1969 ondertekende Intern Akkoord inzake maatregelen en procedures nodig ter toepassing van de Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de met deze Gemeenschap geassocieerde Afrikaanse Staten en Madagaskar, van het op 29 juli 1969 ondertekende Intern Akkoord betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap en van het op 24 september 1969 ondertekende Intern Akkoord inzake maatregelen en procedures nodig ter toepassing van de Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Verenigde Republiek Tanzania, de Republiek Oeganda en de Republiek Kenya, worden alleen de stemmen van de oorspronkelijke Lid-Staten geteld, overeenkomstig, al naargelang van het geval, hetzij de stemmenweging die vóór de toetreding gold voor de berekening van de gekwalificeerde meerderheid, hetzij artikel 13, lid 3, van bovengenoemd Intern Akkoord betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap.

Artikel

115

HOOFDSTUK

3

Betrekkingen met Papoea-Nieuw-Guinea

Artikel

116

Titel

IV

Associatie van de landen en gebieden overzee

Artikel

117

Artikel

118

Het bepaalde in het derde deel van Protocol No. 22 betreffende de betrekkingen tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Geassocieerde Afrikaanse Staten en Madagaskar, en de onafhankelijke ontwikkelingslanden van het Gemenebest gelegen in Afrika, in de Indische Oceaan, in de Stille Oceaan en in het Caribische gebied, is van toepassing zowel op de landen en gebieden overzee bedoeld in artikel 117 als op de niet-Europese landen en gebieden die bijzondere betrekkingen onderhouden met de oorspronkelijke Lid-Staten.

Artikel

119

Titel

V

Kapitaalverkeer

Artikel

120

Artikel

121

Artikel

122

Artikel

124

Artikel

125

Zo de omstandigheden zulks toelaten, verwezenlijken de nieuwe Lid-Staten de vrijmaking van de in de artikelen 121 tot en met 124 genoemde categorieën van kapitaalverkeer vóór de afloop van de in die artikelen gestelde termijnen.

Artikel

126

Voor de toepassing van deze Titel kan de Commissie het Monetair Comité raadplegen en ieder dienstig voorstel bij de Raad indienen.

Titel

VI

Financiële bepalingen

Artikel

127

Het besluit van 21 april 1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de Lid-Staten door eigen middelen van de Gemeenschappen, hierna „besluit van 21 april 1970” genoemd, wordt toegepast met inachtneming van de volgende bepalingen.

Artikel

128

De ontvangsten bedoeld in artikel 2 van het besluit van 21 april 1970 omvatten eveneens:

  • a)

    bij die, welke landbouwheffingen worden genoemd, de ontvangsten afkomstig van elk compenserend bedrag geheven bij de invoer uit hoofde van de artikelen 47 en 55 van de vaste elementen welke worden toegepast in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten alsmede tussen de nieuwe Lid-Staten uit hoofde van artikel 61;

  • b)

    bij die, welke douanerechten worden genoemd, de douanerechten geheven door de nieuwe Lid-Staten in het handelsverkeer met landen die geen lid zijn, alsmede de douanerechten geheven in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten alsook tussen de nieuwe Lid-Staten.

Artikel

129

Artikel

130

De eigen middelen, alsmede de financiële bijdragen en, eventueel, de in artikel 4, leden 2, 3 en 4, van het besluit van 21 april 1970 bedoelde bijdragen, zijn door de nieuwe Lid-Staten slechts verschuldigd tot een bedrag van:

  • 45,0% in 1973

  • 56,0% in 1974

  • 67,5% in 1975

  • 79,5% in 1976

  • 92,0% in 1977

Artikel

131

Artikel

132

Tot en met 31 december 1979 wordt het gedeelte van de begroting der Gemeenschappen dat door de toepassing van de artikelen 130 en 131 eventueel niet is gedekt, opgenomen in het bedrag dat voor de oorspronkelijke Lid-Staten voortvloeit uit de verdeling overeenkomstig artikel 129. Het aldus verkregen totale bedrag wordt tussen de oorspronkelijke Lid-Staten verdeeld overeenkomstig het besluit van 21 april 1970.

Titel

VII

Andere bepalingen

Artikel

133

De in de lijst in bijlage VII van deze Akte genoemde besluiten zijn ten aanzien van de nieuwe Lid-Staten van toepassing, op de wijze als bepaald in die bijlage.

Artikel

134

Artikel

135

Artikel

136

Artikel

137

VIJFDE

DEEL

BEPALINGEN BETREFFENDE DE TENUITVOERLEGGING VAN DEZE AKTE

Titel

I

Het in werking stellen van de instellingen

Artikel

139

Artikel

140

Artikel

141

Artikel

142

Artikel

143

Onmiddellijk na de toetreding wordt het Economisch en Sociaal Comité aangevuld door de benoeming van tweeënveertig leden die alle sectoren van het economische en sociale leven van de nieuwe Lid-Staten vertegenwoordigen. Het mandaat van de aldus benoemde leden eindigt terzelfder tijd als het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel

144

Onmiddellijk na de toetreding wordt het Raadgevend Comité van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal aangevuld door de benoeming van extra-leden. Het mandaat van de aldus benoemde leden eindigt terzelfder tijd als het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel

145

De leden van het Wetenschappelijk en Technisch Comité worden onmiddellijk na de toetreding benoemd volgens de procedure van artikel 134 van het E.G.A.-Verdrag. Het Comité treedt in functie op de vijfde dag na de benoeming van zijn leden. Tegelijkertijd eindigt het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel

146

Onmiddellijk na de toetreding wordt het Monetair Comité aangevuld door de benoeming van de leden die de nieuwe Lid-Staten vertegenwoordigen. Hun mandaat verstrijkt terzelfder tijd als het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel

147

De door de toetreding noodzakelijk geworden aanpassingen van de statuten en van de Reglementen van Orde van de bij de oorspronkelijke Verdragen ingestelde Comités geschieden zo spoedig mogelijk na de toetreding.

Artikel

148

Titel

II

Toepassing van de besluiten der instellingen

Artikel

149

Vanaf het tijdstip der toetreding wordt ervan uitgegaan dat de richtlijnen en beschikkingen in de zin van artikel 189 van het E.E.G.-Verdrag en van artikel 161 van het E.G.A.-Verdrag, alsmede de aanbevelingen en beschikkingen in de zin van artikel 14 van het E.G.K.S.-Verdrag, eveneens tot de nieuwe Lid-Staten zijn gericht, en dat hun daarvan kennis is gegeven, voor zover van deze richtlijnen, aanbevelingen en beschikkingen aan alle oorspronkelijke Lid-Staten kennis is gegeven.

Artikel

150

De toepassing in elke nieuwe Lid-Staat van de in de lijst die is opgenomen in bijlage X van deze Akte voorkomende besluiten wordt uitgesteld tot de in die lijst vermelde data.

Artikel

151

Artikel

152

De nieuwe Lid-Staten stellen de maatregelen in werking die nodig zijn om vanaf het tijdstip van toetreding uitvoering te geven aan de richtlijnen en beschikkingen in de zin van artikel 189 van het E.E.G.-Verdrag en van artikel 161 van het E.G.A.-Verdrag, alsmede aan de beschikkingen en aanbevelingen in de zin van artikel 14 van het E.G.K.S.-Verdrag, tenzij in de lijst die is opgenomen in bijlage XI of in andere bepalingen van de onderhavige Akte een bepaalde termijn is vastgesteld.

Artikel

153

Artikel

154

In afwijking van artikel 3, lid 3, zijn de beginselen betreffende de algemene regelingen inzake regionale steun, die zijn uitgewerkt in het kader van de toepassing van de artikelen 92, 93 en 94 van het E.E.G.-Verdrag en die zijn vervat in de mededeling van de Commissie van 23 juni 1971, alsmede in de resolutie van 20 oktober 1971 van de Vertegenwoordigers van de Regeringen van de Lid-Staten, in het kader van de Raad bijeen, uiterlijk vanaf 1 juli 1973 van toepassing op de nieuwe Lid-Staten.

Deze bepalingen worden aangevuld ten einde rekening te houden met de nieuwe situatie van de Gemeenschap na de toetreding, opdat alle Lid-Staten zich te dien aanzien in dezelfde toestand bevinden.

Artikel

155

De vóór de toetreding aanvaarde teksten van de besluiten van de Instellingen der Gemeenschappen en die door de Raad of de Commissie in de Deense en de Engelse taal zijn vastgesteld, zijn vanaf het tijdstip van toetreding op gelijke wijze authentiek als de in de vier oorspronkelijke talen vastgestelde teksten. Zij worden in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt, wanneer de teksten in de oorspronkelijke talen aldus zijn bekendgemaakt.

Artikel

156

Van de op het tijdstip van toetreding bestaande overeenkomsten, besluiten en onderling samenhangende gedragingen die ingevolge de toetreding onder de werkingssfeer van artikel 65 van het E.G.K.S.-Verdrag vallen, moet aan de Commissie kennis worden gegeven binnen een termijn van ten hoogste drie maanden, te rekenen vanaf de toetreding. Alleen overeenkomsten en besluiten waarvan kennis is gegeven, blijven voorlopig van kracht totdat de Commissie heeft beslist.

Artikel

157

De wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen voor de bescherming van de gezondheid van de bevolking en van de werknemers op het grondgebied van de nieuwe Lid-Staten tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren, worden, overeenkomstig artikel 33 van het E.G.A.-Verdrag, door deze Staten aan de Commissie medegedeeld binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de toetreding.

Titel

III

Slotbepalingen

Artikel

159

De Regering van de Franse Republiek zendt aan de Regeringen van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en van de verdragen waarbij dit Verdrag is gewijzigd toe.

Artikel

160

De Regering van de Italiaanse Republiek zendt aan de Regeringen van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland een voor eensluidend gewaarmerkt af schrift in de Duitse, de Franse, de Italiaanse en de Nederlandse taal toe van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de verdragen tot wijziging of aanvulling daarvan.

De teksten van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en van het Verdrag tot oprichting, van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, alsmede van de verdragen tot wijziging of aanvulling daarvan, die zijn opgesteld in de Deense, de Engelse, de Ierse en de Noorse taal, worden aan de onderhavige Akte gehecht. De teksten, die zijn opgesteld in de Deense, de Engelse en de Ierse taal, zijn op gelijke wijze authentiek als de oorspronkelijke teksten van bovengenoemde Verdragen.

Artikel

161

De Secretaris-Generaal van de Raad der Europese Gemeenschappen zal een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de internationale overeenkomsten die zijn nedergelegd in het archief van het Secretariaat-Generaal, aan de Regeringen van de nieuwe Lid-Staten toezenden.

BIJLAGE

I

Lijst bedoeld in artikel 29 van de Akte van toetreding

De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1972:073:FULL&from=EN.

BIJLAGE

II

Lijst bedoeld in artikel 30 van de Akte van toetreding

De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1972:073:FULL&from=EN.

BIJLAGE

III

Lijst van produkten bedoeld in de artikelen 32, 36 en 39 van de Akte van toetreding

De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1972:073:FULL&from=EN.

BIJLAGE

IV

Lijst van produkten, bedoeld in artikel 32 van de Akte van toetreding (produkten van het Gemenebest ten aanzien waarvan op overeenkomsten berustende preferentiemarges bestaan in het Verenigd Koninkrijk)

De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1972:073:FULL&from=EN.

BIJLAGE

V

Lijst bedoeld in artikel 107 van de Akte van toetreding

De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1972:073:FULL&from=EN.

BIJLAGE

VI

Lijst van de in artikel 109 van de Akte van toetreding en in Protocol No. 22 bedoelde landen

De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1972:073:FULL&from=EN.

BIJLAGE

VII

Lijst bedoeld in artikel 133 van de Akte van toetreding

De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1972:073:FULL&from=EN.

BIJLAGE

VIII

Lijst bedoeld in artikel 148, lid 1, van de Akte van toetreding

De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1972:073:FULL&from=EN.

BIJLAGE

IX

Lijst bedoeld in artikel 148, lid 2, van de Akte van toetreding

De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1972:073:FULL&from=EN.

BIJLAGE

X

Lijst bedoeld in artikel 150 van de Akte van toetreding

De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1972:073:FULL&from=EN.

BIJLAGE

XI

Lijst bedoeld in artikel 152 van de Akte van toetreding

De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1972:073:FULL&from=EN.

Protocol

No. 1

betreffende de Statuten van de Europese Investeringsbank

Eerste

deel

Aanpassing van de Statuten van de Europese Investeringsbank

Artikel

1

Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.

Artikel

2

Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.

Artikel

3

Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.

Artikel

4

Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.

Artikel

5

Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.

Artikel

6

Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.

Artikel

7

Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.

Artikel

8

Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.

Artikel

9

Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.

Tweede

deel

Andere bepalingen

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

Onmiddellijk na de toetreding wordt de Directie aangevuld door de benoeming van een Vice-President. Zijn ambtsperiode loopt te zelf der tijd af als de ambtsperiode van de leden van de Directie die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Protocol

No. 2

betreffende de Faeröer

Artikel

1

Zolang de Deense Regering de in de artikelen 25, 26 en 27 van de Akte van toetreding bedoelde verklaringen niet heeft afgelegd en uiterlijk tot en met 31 december 1975 behoeft de douaneregeling die op de datum van toetreding van toepassing is op de invoer in de andere gebieden van Denemarken van produkten van oorsprong en van herkomst uit de Faeröer niet te worden gewijzigd.

De produkten die in overeenstemming met bovenbedoelde regeling uit de Faeröer in de andere gebieden van Denemarken worden ingevoerd kunnen niet worden beschouwd als zich in deze Staat in het vrije verkeer bevindend in de zin van artikel 10 van het E.E.G.-Verdrag wanneer zij weer worden uitgevoerd naar een andere Lid-Staat.

Artikel

2

Indien de Deense Regering de in artikel 1 bedoelde verklaringen aflegt, zijn de bepalingen van de Akte van toetreding van toepassing op de Faeröer met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • -

    de invoer in de Faeröer is onderworpen aan de douanerechten die van toepassing zouden zijn geweest, indien het Verdrag en het besluit betreffende de toetreding vanaf 1 januari 1973 zouden zijn toegepast;

  • -

    de Instellingen van de Gemeenschap zullen in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten voor visserijprodukten naar passende oplossingen streven voor de specifieke problemen van de Faeröer;

  • -

    de autoriteiten van de Faeröer kunnen onder communautair toezicht passende maatregelen handhaven ten einde de voorziening van de bevolking van de Faeröer met melk tegen redelijke prijzen te handhaven.

Artikel

3

Indien de Deense Regering gedurende het in artikel 1 bedoelde tijdvak de Raad ervan in kennis stelt dat zij ingevolge een beslissing die de plaatselijke Regering van de Faeröer heeft genomen niet in staat is de in artikel 1 bedoelde verklaringen af te leggen, beziet de Raad op verzoek van de Deense Regering de aldus in het leven geroepen situatie. De Raad besluit op voorstel van de Commissie inzake de regelingen die dienen te worden getroffen om de problemen op te lossen die deze toestand voor de Gemeenschap en met name voor Denemarken en de Faeröer doet rijzen.

Artikel

4

De Deense onderdanen die op de Faeröer woonachtig zijn, worden slechts als onderdanen van een Lid-Staat in de zin van de oorspronkelijke Verdragen beschouwd vanaf de datum waarop deze oorspronkelijke Verdragen op deze eilanden van toepassing worden.

Artikel

5

De in artikel 1 bedoelde verklaringen moet gelijktijdig worden afgelegd en kunnen slechts leiden tot een gelijktijdige toepassing van de oorspronkelijke Verdragen op de Faeröer.

Protocol

No. 3

betreffende de Kanaal-eilanden en het eiland Man

Artikel

1

Artikel

2

Aan de rechten die de onderdanen van deze gebieden in het Verenigd Koninkrijk hebben verkregen, wordt geen afbreuk gedaan door de Akte van toetreding. De communautaire bepalingen betreffende het vrije verkeer van personen en diensten zijn echter niet op hen van toepassing.

Artikel

3

De bepalingen van het E.G.A.-Verdrag die voor personen of ondernemingen in de zin van artikel 196 van dat Verdrag gelden, zijn op deze personen of ondernemingen van toepassing, wanneer zij in bovengenoemde gebieden zijn gevestigd.

Artikel

4

De autoriteiten van deze gebieden behandelen alle natuurlijke of rechtspersonen van de Gemeenschap op dezelfde wijze.

Artikel

5

Indien zich bij toepassing van de in dit Protocol neergelegde regeling van de ene of de andere zijde moeilijkheden voordoen in de betrekkingen tussen de Gemeenschap en deze gebieden, stelt de Commissie onverwijld aan de Raad de vrijwaringsmaatregelen voor die zij nodig acht, waarbij zij de voorwaarden en de wijze van toepassing aangeeft.

De Raad besluit binnen een maand met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Artikel

6

In de zin van dit Protocol wordt als onderdaan van de Kanaaleilanden of van het eiland Man beschouwd iedere burger van het Verenigd Koninkrijk of van zijn koloniën die deze hoedanigheid bezit op grond van de omstandigheid dat een van zijn ouders of een van zijn grootouders op het desbetreffende eiland is geboren, geadopteerd, genaturaliseerd of daar in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven; in dit opzicht wordt evenwel iemand niet als onderdaan van deze gebieden beschouwd indien hijzelf, een van zijn ouders of een van zijn grootouders in het Verenigd Koninkrijk is geboren, geadopteerd, genaturaliseerd of daar in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven. Als onderdaan wordt evenmin beschouwd degene die in welk tijdvak dan ook gedurende vijf jaar in het Verenigd Koninkrijk woonachtig is geweest.

Van de administratieve bepalingen om de identiteit van deze personen vast te stellen wordt aan de Commissie kennis gegeven.

Protocol

No. 4

betreffende Groenland

Artikel

1

Vervallen

Artikel

2

Vervallen

Protocol

No. 5

betreffende Svalbard (Spitsbergen)

Protocol

No. 6

betreffende bepaalde kwantitatieve beperkingen die van belang zijn voor Ierland

I

Ierland

1

De in Ierland geldende kwantitatieve beperkingen op de invoer van de volgende produkten worden geleidelijk opgeheven door de opening van onderstaande globale contingenten:

Aantal paren

£

Aantal stuks

Aantal stuks

Aantal stuks

1 jan. 1973 t/m 30 juni 1973

2 000 000

50 000

300 000

130 000

600 000

1 juli 1973 t/m 30 juni 1974

5 000 000

150 000

900 000

460 000

1 600 000

1 juli 1974 t/m 30 juni 1975

6 000 000

200 000

1 250 000

660 000

2 200 000

1) Het contingent geldt voor kousen en panties, sokken daaronder niet begrepen, volledig of in hoofdzaak van zijde of van kunstvezels, met een waarde van ten hoogste £ 2,50 per dozijn paar.

2) Het contingent geldt voor veren en veerbladen van gewalst ijzer of gewalst: staal, voor voertuigen.

Deze beperkingen worden op 1 juli 1975 afgeschaft.

2

Ierland wordt gemachtigd voor superfosfaat van post 31.03 A I van het gemeenschappelijk douanetarief ten aanzien van andere landen dan het Verenigd Koninkrijk een invoercontingent te handhaven. De omvang van dit contingent wordt, op de grondslag van de Ierse produktie die is waargenomen in 1970, vastgesteld op:

  • 3% van de omvang van deze produktie in 1973,

  • 6% van de omvang van deze produktie in 1974,

  • de helft van 8 % van de omvang van deze produktie voor het eerste halfjaar van 1975.

Dit contingent wordt op 1 juli 1975 opgeheven.

3

Ierland wordt gemachtigd tot 1 juli 1975 de kwantitatieve beperkingen op de uitvoer naar de andere Lid-Staten ten aanzien van de onderstaande produkten te handhaven:

ex 41.01

Huiden en vellen, ongelooid (vers, gezouten gedroogd, gekalkt of gepekeld - „pickled” -), ongelooide schapevachten daaronder begrepen:

- Huiden en vellen, ongelooid (vers, gezouten, gedroogd, gekalkt of gepekeld - „pickled” -), van schapen, ongelooide schapevachten daaronder begrepen

44.01

Brandhout, in ronde en in andere blokken, rijshout, takkenbossen; houtafval, zaagsel daaronder begrepen

44.03

Hout, onbewerkt, ook indien ontschorst of ruw behakt of ontdaan van het spint

44.04

Hout, enkel vierkant gehakt of vierkant bezaagd

44.05

Hout, enkel overlangs gezaagd of enkel gesneden of geschild, met een dikte van meer dan 5 mm

ex 74.01

Kopersteen of ruw steen; ruw of gezuiverd koper; resten en afvallen, van koper:

- Resten en afvallen, van koper

ex 75.01

Nikkelmatten, nikkelspijs en andere tussenprodukten van de nikkelmetallurgie; ruw nikkel (met uitzondering van de anoden bedoeld bij post 75.05); resten en afvallen, van nikkel:

- Resten en afvallen, van nikkel

76.01

Ruw aluminium; resten en afvallen, van aluminium:

B. Resten en afvallen

78.01

Ruw lood (ook indien zilverhoudend); resten en afvallen, van lood:

B. Resten en afvallen

79.01

Ruw zink; resten en afvallen, van zink:

B. Resten en afvallen

II

Noorwegen

Protocol

no. 7

betreffende de invoer van motorvoertuigen en de motorvoertuigenassemblage-industrie in Ierland

Artikel

1

Ierland wordt gemachtigd om tot 1 januari 1985 de regeling inzake de assemblage van motorvoertuigen en de invoer daarvan, hierna het „Scheme” genoemd, die wordt toegepast overeenkomstig het bepaalde in de „Motor Vehicles (Registration of Importers) Act 1968”, hierna de „Act” genoemd, te handhaven.

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Indien zich bij de toepassing van dit Protocol, en met name van artikel 2, lid 1, concurrentiedistorsies tussen de in Ierland gevestigde importeurs-assembleurs voordoen waardoor de geleidelijke overgang van de bij de toetreding geldende regeling naar de regeling die in overeenstemming is met de bepalingen van het E.E.G.-Verdrag, in gevaar zou kunnen komen, kan de Commissie de Ierse Regering machtigen, de nodige maatregelen te nemen om de situatie weer in evenwicht te brengen. Die maatregelen mogen de einddatum voor de afschaffing van het „Scheme” niet in het geding brengen.

Artikel

5

Ierland brengt in het „Scheme” alle aanvullende wijzigingen aan ten einde de overgang van de bij de toetreding geldende regeling naar de regeling die strookt met het E.E.G.-Verdrag, te vergemakkelijken.

Protocol

No. 8

betreffende fosfor van onderverdeling C IV van post No. 28.04 van het gemeenschappelijk douanetarief

1

Met ingang van 1 januari 1974 en tot en met 31 december 1977, wordt het Verenigd Koninkrijk gemachtigd een jaarlijks tariefcontingent voor fosfor van onderverdeling C IV van post No. 28.04 van het gemeenschappelijk douanetarief te openen, waarvan de omvang overeenstemt met de behoeften van dat land, doch dat 40.000 ton per jaar niet overschrijdt.

2

Gedurende de jaren 1974, 1975 en 1976 zal voor dit contingent een nulrecht gelden.

De Raad kan met eenparigheid van stemmen besluiten tot wijziging van het recht voor dit tariefcontingent, met inachtneming van de mededingings-, de bevoorradings- en de produktievoorwaarden op de fosformarkt.

3

Voor 1977 stelt de Raad met eenparigheid van stemmen het recht voor dit contingent vast. Blijft zulk een besluit uit, dan geldt voor het contingent een recht dat gelijk is aan de helft van het recht van het gemeenschappelijk douanetarief.

4

Met ingang van 1 januari 1978 past het Verenigd Koninkrijk het recht van het gemeenschappelijk douanetarief toe.

5

Het Verenigd Koninkrijk past met ingang van 1 april 1973 een nulrecht toe op de invoer van fosfor uit de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling.

Protocol

No. 9

betreffende aluminiumoxyde en aluminiumhydroxyde van onderverdeling A van post No. 28.20 van het gemeenschappelijk douanetarief

1

Uiterlijk op 1 januari 1975 wordt het autonome recht van het gemeenschappelijk douanetarief voor aluminiumoxyde en aluminiumhydroxyde van onderverdeling A van post No. 28.20 van het gemeenschappelijk douanetarief voor onbepaalde tijd geschorst tot 5,5%.

2

De nieuwe Lid-Staten gaan op 1 januari 1976 over tot de eerste aanpassing van hun rechten aan het gemeenschappelijk douanetarief voor dit produkt, en wel door op die datum het verschil tussen het basisrecht en het recht van 5,5% met 50% te verminderen.

3

De nieuwe Lid-Staten passen met ingang van 1 juli 1977 het recht van 5,5% toe.

4

De Raad zal de situatie opnieuw bezien, enerzijds ingeval door de Gemeenschap geen nulrecht zou worden toegepast op de invoer van aluminiumoxyde en aluminiumhydroxyde uit de onafhankelijke ontwikkelingslanden van het Gemenebest, en met name uit die in het Caribische gebied en anderzijds ingeval de specifieke situatie van de aluminiumindustrie zulks zou eisen.

Protocol

No. 10

betreffende looiextract van mimosabast van onderverdeling A van post No. 32.01 van het gemeenschappelijk douanetarief en looiextract van de kastanje van onderverdeling C van post No. 32.01 van het gemeenschappelijk douanetarief

1

Uiterlijk op 1 januari 1974 wordt het autonome recht van het gemeenschappelijk douanetarief voor looiextract van mimosabast van onderverdeling A van post No. 32.01 van het gemeenschappelijk douanetarief voor onbepaalde tijd geschorst tot 3%.

2

Ierland en het Verenigd Koninkrijk passen met ingang van 1 juli 1973 een nulrecht toe op de invoer uit de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling van looiextract van mimosabast van onderverdeling A van post No. 32.01 van het gemeenschappelijk douanetarief en looiextract van de kastanje van onderverdeling C van post No. ex 32.01 van het gemeenschappelijk douanetarief.

Protocol

No. 11

betreffende duplex-, triplex- en multiplexhout van post No. 44.15 van het gemeenschappelijk douanetarief

1

Voor onderstaande produkten:

  • ex 44.15 - Duplex-, triplex- en multiplexhout van naaldbomen, waaraan geen andere stoffen zijn toegevoegd, met een dikte van meer dan 9 mm, waarvan de zijden ruw zijn bij afwikkeling;

  • ex 44.15 - Duplex-, triplex- en multiplexhout van naaldbomen, waaraan geen andere stoffen zijn toegevoegd, gepolijst, met een dikte van meer dan 18,5 mm,

worden met ingang van 1 januari 1974 twee autonome communautaire tariefcontingenten met nulrecht geopend. De omvang daarvan zal jaarlijks worden bepaald, wanneer is vastgesteld dat alle voorzieningsmogelijkheden op de interne markt van de Gemeenschap gedurende het tijdvak waarvoor de contingenten zijn geopend, uitgeput zullen worden.

2

De Raad zal de situatie opnieuw bezien, ingeval zich een belangrijke wijziging voordoet in de invoer tegen nulrecht van duplex-, triplex- en multiplexhout uit Finland in Ierland en in het Verenigd Koninkrijk of in het door de Gemeenschap op bepaalde produkten van oorsprong uit de ontwikkelingslanden toegepaste stelsel van tariefpreferenties.

3

Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk passen vanaf 1 april 1973 een nulrecht toe ten aanzien van de invoer van duplex-, triplex- en multiplexhout uit de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling.

Protocol

No. 12

betreffende papierstof van onderverdeling A II van post No. 47.01 van het gemeenschappelijk douanetarief

1

Het autonome recht van het gemeenschappelijk douanetarief voor papierstof van onderverdeling A II van post No. 47.01 van het gemeenschappelijk douanetarief wordt in een nader te bepalen ritme volledig geschorst.

2

Totdat bovengenoemd recht volledig is geschorst, zijn de Lid-Staten gemachtigd om voor de in paragraaf 1 bedoelde produkten tariefcontingenten met nulrecht te openen. Zij stellen de Commissie hiervan in kennis.

Protocol

No. 13

betreffende courantenpapier van onderverdeling A van post No. 48.01 van het gemeenschappelijk douanetarief

1

De definitie van courantenpapier van onderverdeling A van post No. 48.01 van het gemeenschappelijk douanetarief wordt zodanig gewijzigd dat de benedengrens van het gewicht per vierkante meter wordt teruggebracht van 48 op 40 gram.

3

Jaarlijks wordt een autonoom communautair tariefcontingent met nulrecht geopend, wanneer is vastgesteld dat alle voorzieningsmogelijkheden op de interne markt van de Gemeenschap gedurende het tijdvak waarvoor het contingent is geopend, uitgeput zullen worden.

Protocol

No. 14

betreffende ruw lood van onderverdeling A van post No. 78.01 van het gemeenschappelijk douanetarief

1

Voor als volgt omschreven werklood:

  • 78.01 A I – Ruw lood met ten minste 0,02 gewichtspercenten zilver, dat bestemd is om te worden gezuiverd (werklood)

wordt tot de inwerkingtreding van een volledige schorsing van onbepaalde duur, van het recht op werklood, een communautair tariefcontingent met nulrecht geopend, waaraan de nieuwe Lid-Staten met ingang van 1 januari 1974 zullen deelnemen. De jaarlijkse omvang ervan is gelijk aan het totaal van de verzoeken welke worden ingediend door de belanghebbende Lid-Staten, plus een reserve.

Dit communautair tariefcontingent wordt beheerd volgens een stelsel dat kan waarborgen dat het aldus ingevoerde werklood daadwerkelijk wordt gezuiverd door het land waaraan het is toegewezen.

2

Voor werklood geldt een ad valorem-recht van 4,5%.

3

Het autonome recht op werklood wordt met ingang van 1 januari 1975 geschorst tot 2%.

4

Jaarlijks gaat de Raad de mogelijkheid na van een volledige schorsing, voor onbepaalde tijd, van het autonome recht op werklood.

5

Wat betreft ander ruw lood dan werklood gelden de volgende maatregelen:

  • a)

    het huidige recht van 1,32 R.E./100 kg wordt per 1 januari 1974 omgezet in een ad valorem-recht van 4,5% met een minimum van 1,1 R.E./100kg;

  • b)

    met ingang van 1 januari 1974 nemen de nieuwe Lid-Staten deel aan het communautaire tariefcontingent van 55.000 ton met nulrecht voor ander ruw lood dan werklood. Om op 31 december 1977 tot algehele afschaffing van het contingent te komen, neemt de omvang ervan met ingang van 1975 geleidelijk af;

  • c)

    vóór de afschaffing van het contingent beziet de Raad de situatie, ten einde te besluiten tot een eventuele verlaging van het autonome recht voor ander ruw lood dan werklood, met dien verstande dat het aldus verlaagde recht een minimum van 1,1 R.E./100 kg moet bedragen.

Protocol

No. 15

betreffende ruw zink van onderverdeling A van post No. 79.01 van het gemeenschappelijk douanetarief

1

Met ingang van 1 januari 1974 geldt voor ruw zink van onderverdeling A van post No. 79.01 van het gemeenschappelijk douanetarief een recht van 4,5% met een minimum van 1,1 R.E./100 kg.

2

Met ingang van dezelfde datum nemen de nieuwe Lid-Staten deel in het geleidelijk verminderde jaarlijkse communautaire tariefcontingent met nulrecht voor ruw zink; de oorspronkelijke omvang van dit contingent bedroeg 30.000 ton voor 1971. In 1974 heeft het tariefcontingent dezelfde omvang als in 1973. De omvang neemt vanaf 1975 wederom geleidelijk af tot de afschaffing van het contingent op 31 december 1977.

Protocol

No. 16

inzake de markten van en de handel in landbouwprodukten

1

De toepassing door de nieuwe Lid-Staten van de communautaire regeling van de landbouw tezamen met de overgangsmaatregelen voorzien in het Vierde deel, Titel II, van de Akte van toetreding, zal ertoe leiden dat de communautaire preferentie voor landbouwprodukten zich uitstrekt tot de Gemeenschap in haar geheel, zodra deze bepalingen van toepassing worden.

2

De ordening der markten heeft als wezenlijk kenmerk het intracommunautaire handelsverkeer de mogelijkheid te bieden zich te ontwikkelen onder voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die welke op een interne markt bestaan.

3

De geografische uitbreiding van de Gemeenschap kan echter inzake het natuurlijk verloop van de handelsstromen, met name in de sector granen (tarwe en rijst), leiden tot problemen die vermeden dienen te worden.

De Instellingen van de Gemeenschap dragen er, bij de toepassing van de verordeningen inzake de gemeenschappelijke ordening der markten, zorg voor dat het vrije verkeer van alle produkten verzekerd blijft, overeenkomstig de doelstellingen opgenomen in het E.E.G.-Verdrag en de desbetreffende verordeningen.

4

Wijzigingen van de structuur van het internationale handelsverkeer vormen een normaal gevolg van de uitbreiding van de Gemeenschap.

5

Met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 39 en 110 van het E.E.G.-Verdrag moet het gedurende het tijdvak waarin overgangsmaatregelen worden toegepast mogelijk zijn zich te gelegener tijd bezig te houden met de problemen die kunnen rijzen voor bepaalde derde landen en voor bepaalde concrete gevallen 1)De Conferentie tussen de Europese Gemeenschappen en de Staten die om toetreding tot deze Gemeenschappen hebben verzocht, heeft tijdens de zittingen van 11 en 12 mei 1971 met het Verenigd Koninkrijk, 7 juni 1971 met Ierland, 21 juni 1971 met Noorwegen en 12 juli 1971 met Denemarken vastgesteld dat deze concrete gevallen „voor zover thans valt te voorzien, beperkt zullen blijven tot boter, suiker, bacon en bepaalde soorten groenten en fruit”. .

Indien dergelijke problemen zich mochten voordoen, bezien de Instellingen de concrete gevallen aan de hand van alle zwaarwegende factoren van de situatie van het ogenblik, zoals zij dit tot nu toe in soortgelijke gevallen hebben gedaan, en treffen zij, voor zover nodig, gedurende het tijdvak waarin overgangsmaatregelen worden toegepast, de maatregelen die een oplossing kunnen bieden voor deze problemen, in overeenstemming met de beginselen van en in het kader van de voorzieningen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

6

Ten einde de moeilijkheden te overwinnen die zich op de markten van de Gemeenschap tengevolge van de toepassing van de overgangsregelingen zouden kunnen voordoen, beschikken de Instellingen van de Gemeenschap over, en maken zij gebruik van, de onderscheiden middelen die voortvloeien uit de bepalingen van het E.E.G.-Verdrag, de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en het bepaalde in deze Akte.

Protocol

No. 17

betreffende de invoer in het Verenigd Koninkrijk van suiker uit de exporterende landen en gebieden genoemd in de Suikerovereenkomst van het Gemenebest

1

Tot en met 28 februari 1975 is het Verenigd Koninkrijk gemachtigd om volgens onderstaande regels uit de exporterende landen en gebieden genoemd in de Suikerovereenkomst van het Gemenebest, de hoeveelheden suiker in te voeren die overeenstemmen met de quota tegen overeengekomen prijs, vastgesteld in het kader van die Overeenkomst.

2

Bij deze invoer wordt:

  • a)

    een speciale heffing toegepast die gelijk is aan het verschil tussen de overeengekomen aankoopprijs, herleid tot een c.i.f.-prijs, en de prijs waartegen de suiker wordt afgezet op de markt van het Verenigd Koninkrijk.

    Artikel 55, lid 1 sub b, van de Akte van toetreding is niet van toepassing;

  • b)

    een recht geheven dat is vastgesteld op de grondslag van het verschil tussen de prijs voor ruwe suiker op de wereldmarkt, herleid tot een c.i.f.-prijs, en de overeengekomen aankoopprijs, herleid tot een c.i.f.-prijs; de opbrengst van dit recht zal worden gebruikt om de kosten te financieren die voortvloeien uit de wederverkoop door de U.K. Sugar Board.

Indien de wereld c.i.f.-prijs voor ruwe suiker de overeengekomen aankoopprijs, herleid tot een c.i.f.-prijs, echter overschrijdt, betaalt de U.K. Sugar Board het verschil aan de importeur.

3

De prijs waartegen de betrokken suiker op de markt van het Verenigd Koninkrijk wordt afgezet, wordt op een zodanig niveau vastgesteld dat de betrokken hoeveelheden daadwerkelijk kunnen worden afgezet zonder de afzet van suiker uit de Gemeenschap in gevaar te brengen.

4

In afwijking van het bepaalde in artikel 15, lid 1, van Verordening (EEG) No. 766/68 houdende vaststelling van de algemene voorschriften inzake de restitutie bij de uitvoer van suiker, kan de restitutie bij uitvoer die in het Verenigd Koninkrijk wordt toegepast, worden verleend voor witte suiker die is vervaardigd uit de ruwe suiker die krachtens dit Protocol werd ingevoerd.

5

De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de maatregelen voor de uitvoering van dit Protocol vast, en wel in dier voege dat de goede werking van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker wordt verzekerd en met name dat de prijs voor de afzet van deze suiker op de markt van het Verenigd Koninkrijk bij de toepassing van het bepaalde in lid 2 in acht wordt genomen.

Protocol

No. 18

betreffende de invoer in het Verenigd Koninkrijk van boter en kaas uit Nieuw-Zeeland

Artikel

1

Artikel

2

Artikel

3

De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, de noodzakelijke maatregelen voor de uitvoering van de artikelen 1 en 2 vast.

Artikel

4

De Gemeenschap zal haar pogingen voortzetten om het sluiten van een internationale zuivelovereenkomst te bevorderen, ten einde de situatie op de wereldmarkt zo spoedig mogelijk te verbeteren.

Artikel

5

Protocol

No. 19

betreffende alcoholhoudende dranken uit granen

1

De Raad stelt volgens de procedure van artikel 43, lid 2, van het E.E.G.-Verdrag de noodzakelijke maatregelen vast om het gebruik van granen uit de Gemeenschap voor de vervaardiging van alcoholhoudende dranken uit granen, en met name van whisky, die naar derde landen worden uitgevoerd te vergemakkelijken, in dier voege dat deze maatregelen te gelegener tijd kunnen worden toegepast.

2

Deze maatregelen die kunnen worden getroffen in het kader van de verordening inzake de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen of van de vast te stellen verordening inzake de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector alcohol, moeten worden ingevoegd in het kader van het algemeen beleid van de Gemeenschap inzake alcohol waarbij elke discriminatie tussen deze produkten en andere alcohol, met inachtneming van de bijzondere situatie van elk geval, dient te worden vermeden.

Protocol

No. 20

betreffende de Noorse landbouw

Vervallen

Protocol

No. 21

betreffende de visserijregeling voor Noorwegen

Vervallen

Protocol

No. 22

inzake de betrekkingen tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Geassocieerde Afrikaanse Staten en Madagaskar alsmede de onafhankelijke landen van het Gemenebest in Afrika, in de Indische Oceaan, in de Stille Oceaan en in het Caribische gebied

I

II

III

De Gemeenschap zal bedacht zijn op bescherming van de belangen van alle in dit Protocol bedoelde landen waarvan de economie in aanzienlijke mate afhankelijk is van de uitvoer van basisprodukten, met name van suiker.

Het probleem van de suiker zal in dit kader worden geregeld, waarbij, wat de uitvoer van dit produkt betreft, rekening zal worden gehouden met het belang dat het voor de economie van verscheidene van deze landen, met name voor die van het Gemenebest, vertegenwoordigt.

Protocol

No. 23

betreffende de toepassing door de nieuwe Lid-Staten van het stelsel van algemene preferenties dat door de Europese Economische Gemeenschap wordt toegepast

1

De nieuwe Lid-Staten zijn gemachtigd de toepassing van het stelsel van algemene tariefpreferenties dat door de Europese Economische Gemeenschap ten aanzien van produkten van oorsprong uit ontwikkelingslanden wordt toegepast, uit te stellen tot 1 januari 1974.

2

Voor de produkten die onder de Verordeningen (EEG) No. 2796/71, No. 2797/71, No. 2798/71 en No. 2799/71 vallen, is Ierland evenwel gemachtigd tot en met 31 december 1975 ten aanzien van de landen die voor algemene tarief preferenties in aanmerking komen douanerechten toe te passen die gelijk zijn aan de rechten die voor dezelfde produkten worden toegepast ten aanzien van de Lid-Staten, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk.

Protocol

No. 24

betreffende de deelneming van de nieuwe Lid-Staten aan het vermogen van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal

De bijdragen van de nieuwe Lid-Staten aan het vermogen van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal zijn als volgt vastgesteld:

Verenigd Koninkrijk . . . . . . . . . . .

57 000 000 R.E.

Denemarken . . . . . . . . . . . . . . . .

635 500 R.E.

Ierland . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

77 500 R.E.

Deze bijdragen worden vanaf de toetreding gestort in drie jaarlijks gelijke gedeelten.

Elk van deze gedeelten wordt in vrij converteerbare nationale valuta van elk der nieuwe Lid-Staten gestort.

Protocol

No. 25

betreffende de uitwisseling van kennis op nucleair gebied met Denemarken

Artikel

1

Artikel

2

Protocol

No. 26

betreffende de uitwisseling van kennis op nucleair gebied met Ierland

Artikel

1

Artikel

2

Protocol

No. 27

betreffende de uitwisseling van kennis op nucleair gebied met Noorwegen

Protocol

No. 28

betreffende de uitwisseling van kennis op nucleair gebied met het Verenigd Koninkrijk

Artikel

1

Artikel

2

BIJLAGE

Lijst van de sectoren bedoeld in artikel 1, lid 2

  • I.

    Basiskennis

    • Reactorfysica

    • Basisonderzoek inzake metallurgie en chemie

    • Isotopenonderzoek

    • Chemische engineering.

  • II.

    Reactoren

    • a)

      Onderzoek en ontwikkeling inzake reactorsystemen

    • b)

      Bedrijfservaring met Magnox-reactoren (met inbegrip van onderzoek naar de werking van de reactoren)

    • c)

      Veiligheid van de reactoren (met uitzondering van snelle reactoren)

    • d)

      Onderzoek en ontwikkeling op het gebied van de snelle reactoren (met inbegrip van de veiligheid)

    • e)

      Bedrijfservaringen met materiaalbeproevingsreactoren.

  • III.

    Materialen en componenten

    • a)

      Grafiet- en koelmiddelchemie

    • b)

      Verenigbaarheid van constructiematerialen voor reactoren

    • c)

      Staal en beton (met inbegrip van corrosie): lassen en lasproeven

    • d)

      Experimentele splijtstof fabricage en evaluatie van hun ontwerp en prestaties

    • e)

      Warmtewisseling

    • f)

      Metallurgie.

  • IV.

    Instrumenten (met inbegrip van de instrumenten voor de bescherming van de gezondheid)

  • V.

    Stralingsbiologie

  • VI.

    Scheepsvoortstuwing

Protocol

No. 29

betreffende de Overeenkomst met het Internationale Agentschap voor Atoomenergie

Het Koninkrijk Denemarken en Ierland verbinden zich ertoe om, overeenkomstig de daarin vast te stellen voorwaarden, toe te treden tot de overeenkomst tussen bepaalde oorspronkelijke Lid-Staten te zamen met de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie enerzijds, en het Internationale Agentschap voor Atoomenergie anderzijds, voor de toepassing op het grondgebied van bepaalde Lid-Staten van de Gemeenschap van de garanties vervat in het Verdrag betreffende de non-proliferatie van kernwapens.

Protocol

No. 30

betreffende Ierland

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Verlangende bepaalde bijzondere vraagstukken die voor Ierland van belang zijn te regelen,

Tot overeenstemming geraakt omtrent de volgende bepalingen,

Brengen in herinnering dat de fundamentele doelstellingen van de Europese Economische Gemeenschap de voortdurende verbetering van de omstandigheden waaronder de volkeren van de Lid-Staten leven en werken, omvatten, alsmede de harmonische ontwikkeling van hun economie door het verschil in niveau tussen de onderscheiden gebieden en de achterstand van de minder begunstigde gebieden te verminderen;

Nemen kennis van de omstandigheid dat de Ierse Regering een aanvang heeft gemaakt met de uitvoering van een politiek inzake industrialisatie en economische ontwikkeling die ten doel heeft de levensstandaard in Ierland nader te brengen tot die in de andere Europese landen en het tekort aan werkgelegenheid op te heffen, waarbij de regionale verschillen in ontwikkeling geleidelijk worden opgeheven;

Erkennen dat het in hun gemeenschappelijk belang is dat de doelstellingen van dit beleid worden verwezenlijkt;

Komen overeen te dien einde tot de Instellingen van de Gemeenschap de aanbeveling te richten alle middelen en procedures aan te wenden waarin het E.E.G.-Verdrag voorziet, met name door op doeltreffende wijze gebruik te maken van de communautaire middelen die dienen ter verwezenlijking van bovengenoemde doelstellingen van de Gemeenschap;

Erkennen in het bijzonder dat in geval van toepassing van de artikelen 92 en 93 van het E.E.G.-Verdrag, rekening dient te worden gehouden met de doelstellingen van economische expansie en verhoging van de levensstandaard van de bevolking.

Briefwisseling betreffende de monetaire vraagstukken

Brussel, 22 januari 1972

Excellentie,

  • 1.

    In de Ministerzitting van de Conferentie op 7 juni 1971 werd overeengekomen dat de verklaring die ik tijdens die zitting over monetaire vraagstukken heb afgelegd, het voorwerp zou uitmaken van een briefwisseling, gehecht aan de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassingen van de Verdragen. Derhalve heb ik nu de eer U te bevestigen dat ik tijdens die vergadering de volgende verklaring heb afgelegd:

    • „a)

      Wij zijn bereid na onze toetreding een geregelde en geleidelijke vermindering van de officiële sterlingsaldi te overwegen.

    • b)

      Wij zijn bereid na onze toetreding tot de Gemeenschappen te bespreken welke maatregelen gepast zouden zijn voor een geleidelijke aanpassing van de kenmerken en praktijken welke het pond sterling in het buitenlands geldverkeer onderscheiden van de andere valuta's in de Gemeenschap, aan de kenmerken van en de praktijken gevolgd ten aanzien van laatstgenoemde valuta's, dit in het kader van de vorderingen op de weg naar de economische en monetaire unie in de uitgebreide Gemeenschap, en wij vertrouwen dat het officiële pond sterling (*)Onder „het officiële pond sterling” wordt verstaan „officiële sterlingsaldi”. dusdanig kan worden behandeld dat wij in staat zullen zijn ons deel in deze vooruitgang volledig op ons te nemen.

    • c)

      Ondertussen zullen wij ons beleid ter stabilisering van de officiële sterlingsaldi dusdanig voeren dat het in overeenstemming is met deze doelstellingen op lange termijn.

    • d)

      Ik hoop dat de Gemeenschap deze verklaring als een bevredigend antwoord wil beschouwen op het vraagstuk van het pond sterling en aanverwante kwesties, zodat het enige wat nog tijdens de onderhandelingen moet worden geregeld de voorzieningen zijn voor de aanpassing door het Verenigd Koninkrijk aan de overeenkomstig het Verdrag van Rome vastgestelde richtlijnen betreffende het kapitaalverkeer.”

  • 2.

    Tijdens bedoelde zitting van 7 juni werd bovengenoemde verklaring door de delegatie van de Gemeenschap aanvaard.

  • 3.

    Ik meen te begrijpen dat de delegaties van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Koninkrijk Noorwegen eveneens hebben ingestemd met bovengenoemde verklaring, zoals deze in de onderhavige brief wordt bevestigd.

  • 4.

    Ik zou het op prijs stellen, indien U mij de goede ontvangst van deze brief zoudt willen berichten en mij de instemming zoudt willen bevestigen van de Regeringen van de Lid-Staten van de Gemeenschap en van de Regering van het Koninkrijk Denemarken, de Regering van Ierland en de Regering van het Koninkrijk Noorwegen met bovengenoemde verklaring.

Gelieve, Excellentie, de verzekering van mijn bijzondere hoogachting te aanvaarden.

(w.g.) GEOFFREY RIPPON

Mr. G. Rippon

Chancellor of the Duchy of Lancaster

De heer G. Thorn

Minister van Buitenlandse Zaken van het Groothertogdom Luxemburg

Brussel, 22 januari 1972

Excellentie,

In Uw brief van heden heeft U mij het volgende medegedeeld:

  • „1.

    In de Ministerzitting van de Conferentie op 7 juni 1971 werd overeengekomen dat de verklaring die ik tijdens die zitting over monetaire vraagstukken heb afgelegd, het voorwerp zou uitmaken van een briefwisseling, gehecht aan de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassingen van de Verdragen. Derhalve heb ik nu de eer U te bevestigen dat ik tijdens die vergadering de volgende verklaring heb afgelegd:

    • „a)

      Wij zijn bereid na onze toetreding een geregelde en geleidelijke vermindering van de officiële sterlingsaldi te overwegen.

    • b)

      Wij zijn bereid na onze toetreding tot de Gemeenschappen te bespreken welke maatregelen gepast zouden zijn voor een geleidelijke aanpassing van de kenmerken en praktijken welke het pond sterling in het buitenlands geldverkeer onderscheiden van de andere valuta's in de Gemeenschap, aan de kenmerken van en de praktijken gevolgd ten aanzien van laatstgenoemde valuta's, dit in het kader van de vorderingen op de weg naar de economische en monetaire unie in de uitgebreide Gemeenschap, en wij vertrouwen dat het officiële pond sterling (*)Onder „het officiële pond sterling” wordt verstaan „officiële sterlingsaldi”. dusdanig kan worden behandeld dat wij in staat zullen zijn ons deel in deze vooruitgang volledig op ons te nemen.

    • c)

      Ondertussen zullen wij ons beleid ter stabilisering van de officiële sterlingsaldi dusdanig voeren dat het in overeenstemming is met deze doelstellingen op lange termijn.

    • d)

      Ik hoop dat de Gemeenschap deze verklaring als een bevredigend antwoord wil beschouwen op het vraagstuk van het pond sterling en aanverwante kwesties, zodat het enige wat nog tijdens de onderhandelingen moet worden geregeld de voorzieningen zijn voor de aanpassing door het Verenigd Koninkrijk aan de overeenkomstig het Verdrag van Rome vastgestelde richtlijnen betreffende het kapitaalverkeer.”

  • 2.

    Tijdens bedoelde zitting van 7 juni werd bovengenoemde verklaring door de delegatie van de Gemeenschap aanvaard.

  • 3.

    Ik meen te begrijpen dat de delegaties van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Koninkrijk Noorwegen eveneens hebben ingestemd met bovengenoemde verklaring, zoals deze in de onderhavige brief wordt bevestigd.

  • 4.

    Ik zou het op prijs stellen, indien U mij de goede ontvangst van deze brief zoudt willen berichten en mij de instemming zoudt willen bevestigen van de Regeringen van de Lid-Staten van de Gemeenschap en van de Regering van het Koninkrijk Denemarken, de Regering van Ierland en de Regering van het Koninkrijk Noorwegen met bovengenoemde verklaring.”

Ik heb de eer U de goede ontvangst van deze mededeling te berichten en U de instemming van de Regeringen van de Lid-Staten van de Gemeenschap en van de Regering van het Koninkrijk Denemarken, de Regering van Ierland en de Regering van het Koninkrijk Noorwegen met de verklaring in de eerste paragraaf van Uw brief te bevestigen.

Gelieve, Excellentie, de verzekering van mijn bijzondere hoogachting te aanvaarden.

(w.g.) GASTON THORN

Minister van Buitenlandse Zaken van het Groothertogdom Luxemburg

(w.g.) P. HARMEL

Minister van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk België

(w.g.) IVOR NØRGAARD

Minister van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk Denemarken

(w.g.) WALTER SCHEEL

Minister van Buitenlandse Zaken van de Bondsrepubliek Duitsland

(w.g.) MAURICE SCHUMANN

Minister van Buitenlandse Zaken van de Franse Republiek

(w.g.) PADRAIG Ó HIRIGHILE

Minister van Buitenlandse Zaken van Ierland

(w.g.) ALDO MORO

Minister van Buitenlandse Zaken van de Italiaanse Republiek

(w.g.) N. SCHMELZER

Minister van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk der Nederlanden

(w.g.) ANDREAS CAPPELEN

Minister van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk Noorwegen

De heer G. Rippon

Kanselier van het Hertogdom Lancaster

Slotakte

De gevolmachtigden van

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

Hare Majesteit de Koningin van Denemarken,

de President van de Bondsrepubliek Duitsland,

de President van de Franse Republiek,

de President van Ierland,

de President van de Italiaanse Republiek,

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg,

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen,

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

en de Raad der Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door zijn Voorzitter,

Bijeengekomen te Brussel, de tweeëntwintigste januari negentienhonderdtweeënzeventig, ter gelegenheid van de ondertekening van het Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, hebben vastgesteld, dat de volgende teksten zijn opgesteld en aangenomen in het kader van de Conferentie tussen de Europese Gemeenschappen en de Staten die om toetreding tot deze Gemeenschap hebben verzocht:

De gevolmachtigden hebben akte genomen van het besluit van de Raad der Europese Gemeenschappen van 22 januari 1972 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal.

Voorts hebben de gevolmachtigden en de Raad de hierna genoemde en aan deze Slotakte gehechte verklaringen aangenomen:

De gevolmachtigden en de Raad hebben eveneens kennis genomen van de volgende verklaring die aan deze Slotakte is gehecht:

Verklaring van de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de toepassing op Berlijn van het besluit inzake de toetreding tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en van het Verdrag betreffende de toetreding tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

De gevolmachtigden hebben tevens kennis genomen van de overeenstemming betreffende de procedure voor het aannemen van sommige gedurende de aan de toetreding voorafgaande periode te nemen besluiten en andere maatregelen, die tot stand is gekomen in het kader van de Conferentie tussen de Europese Gemeenschappen en de Staten die om toetreding tot deze Gemeenschappen hebben verzocht en die aan deze Slotakte is gehecht.

Tenslotte zijn de volgende verklaringen afgelegd en aan deze Slotakte gehecht:

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder deze Slotakte hebben geplaatst.

GEDAAN te Brussel, de tweeëntwintigste januari negentienhonderd tweeënzeventig.

Gemeenschappelijke Verklaring betreffende het Hof van Justitie

De aanvullende maatregelen die ingevolge de toetreding van nieuwe Lid-Staten noodzakelijk mochten blijken, dienen te worden genomen door de Raad die op verzoek van het Hof het aantal advocaten-generaal op vier kan brengen, en de bepalingen van artikel 32, derde alinea, van de E.G.K.S.-Verdrag, artikel 165, derde alinea, van het E.E.G.-Verdrag en artikel 137, derde alinea, van het E.G.A.-Verdrag aan kan passen.

Gemeenschappelijke Verklaring betreffende de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen

De regels die gelden voor de betrekkingen tussen de Europese Economische Gemeenschap en de zones van Cyprus waarover het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland de soevereiniteit uitoefent, zullen worden vastgesteld in het kader van een eventuele regeling tussen deze Gemeenschap en de Republiek Cyprus.

Gemeenschappelijke verklaring betreffende de visserijsector

1

De Instellingen van de Europese Economische Gemeenschap zullen de problemen in de sector vismeel en traan bestuderen, ten einde de maatregelen aan te nemen die in deze sector noodzakelijk mochten blijken voor wat betreft de gebruikte grondstof. Deze maatregelen moeten beantwoorden aan de eisen van de bescherming en van een rationele exploitatie van de biologische rijkdommen van de zee, terwijl terzelfder tijd de instelling of handhaving van onvoldoend rendabele produktie-eenheden moet worden voorkomen.

2

De toepassing van de gemeenschappelijke handelsnormen voor bepaalde soorten verse of gekoelde vis mag er niet toe leiden dat enige handelsmethode wordt uitgeschakeld en, omgekeerd, dat enige methode de toepassing van genoemde handelsnormen in de weg staat; de Instellingen van de Europese Economische Gemeenschap kunnen de problemen die zouden rijzen, te gelegener tijd in die geest oplossen.

3

De Europese Economische Gemeenschap is zich bewust van het belang van de Noorse uitvoer van visserijprodukten naar derde landen, welke uitvoer, zoals de overige uitvoer van de Gemeenschap, onderworpen is aan de bepalingen van Verordening (EEG) No. 2142/70.

4

Er is overeengekomen dat de Noorse wet op de handel in vis afkomstig van de verwerkende industrie, van 18 december 1970, ten spoedigste grondig zal worden bestudeerd, ten einde de voorwaarden te bespreken waaronder deze wet kan worden toegepast, gelet op de bepalingen van het communautaire recht.

Gemeenschappelijke Verklaring van Intentie betreffende de ontwikkeling van de handelsbetrekkingen met Ceylon, India, Maleisië, Pakistan en Singapore

Gedreven door de wens om de handelsbetrekkingen met de onafhankelijke ontwikkelingslanden van het Gemenebest in Azië (Ceylon, India, Maleisië, Pakistan en Singapore) uit te breiden en te versterken, is de Europese Economische Gemeenschap bereid om, na de toetreding, met deze landen de vraagstukken te bestuderen die zich zouden kunnen voordoen op handelsgebied, ten einde passende oplossingen te vinden, waarbij rekening wordt gehouden met de draagwijdte van het stelsel der algemene tarief preferenties en met de omstandigheden van de ontwikkelingslanden in dezelfde geografische zone.

Het vraagstuk van de suikeruitvoer van India naar de Gemeenschap na 31 december 1974, het tijdstip waarop de „Commonwealth Sugar Agreement” verstrijkt, zal door de Gemeenschap moeten worden geregeld in het licht van deze verklaring van intentie en met inachtneming van de bepalingen die kunnen worden vastgesteld ten aanzien van de invoer van suiker uit de onafhankelijke landen van het Gemenebest die worden genoemd in Protocol No. 22 betreffende de betrekkingen tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Geassocieerde Afrikaanse Staten en Madagaskar en de onafhankelijke ontwikkelingslanden van het Gemenebest in Afrika, in de Indische Oceaan, in de Stille Oceaan en in het Caribische gebied.

Gemeenschappelijke Verklaring betreffende het vrije verkeer van werknemers

De uitbreiding van de Gemeenschap zou bepaalde moeilijkheden kunnen meebrengen voor de sociale toestand in één of meer Lid-Staten ten aanzien van de toepassing van de bepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers.

De Lid-Staten verklaren zich voor te behouden om, indien moeilijkheden van deze aard rijzen, zich tot de Instellingen van de Gemeenschap te wenden voor een oplossing van dit vraagstuk overeenkomstig de bepalingen der Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en de bepalingen ter uitvoering daarvan.

Verklaring van de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de toepassing op Berlijn van het besluit inzake de toetreding tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en van het verdrag inzake de toetreding tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie

De Regering van de Bondsrepubliek Duitsland behoudt zich het recht voor, bij het van kracht worden van de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, en bij het nederleggen van zijn akte van bekrachtiging van het verdrag inzake de toetreding van vorengenoemde landen tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, te verklaren dat het besluit van de Raad van 22 januari 1972 inzake de toetreding tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en bovengenoemd verdrag eveneens van toepassing zijn op het „Land Berlijn”.

Verklaring van de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de definitie van het woord „onderdanen”

Bij de ondertekening van het Verdrag van toetreding legt de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland de volgende verklaring af:

„Wat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreft, worden de woorden „onderdanen”, „onderdanen van Lid-Staten” of „onderdanen van Lid-Staten en landen en gebieden overzee”, wanneer zij worden gebruikt in het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie of het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, dan wel in enige van de uit deze Verdragen afgeleide communautaire besluiten, geacht te verwijzen naar:

  • a)

    personen die burger zijn van het Verenigd Koninkrijk en Koloniën of personen die Britse „onderdanen” zijn, niet in het bezit van dat burgerschap of het burgerschap van enig ander land of grondgebied van het Gemenebest, en die, in elk van deze twee gevallen, het recht van verblijf in het Verenigd Koninkrijk genieten en op die grond zijn vrijgesteld van immigratiecontrole vanwege het Verenigd Koninkrijk;

  • b)

    personen die krachtens geboorte in Gibraltar dan wel registratie of naturalisatie aldaar burger van het Verenigd Koninkrijk en Koloniën zijn, of wier vader als zodanig in Gibraltar geboren, geregistreerd of genaturaliseerd is.”

Verklaringen betreffende de economische en industriële ontwikkeling van Ierland

Tijdens de 6e ministeriële zitting van de onderhandelingen tussen de Gemeenschap en Ierland op 19 oktober 1971 heeft de heer A. Moro, Minister van Buitenlandse Zaken van de Italiaanse Republiek, namens de delegatie van de Gemeenschap, de verklaring afgelegd die onder I is opgenomen.

De heer P. J. Hillery, Minister van Buitenlandse Zaken van Ierland heeft, namens de Ierse delegatie, geantwoord middels de verklaring die onder II is opgenomen.

I

Verklaring die de heer A. Moro, Minister van Buitenlandse Zaken van de Italiaanse Republiek, namens de delegatie van de Gemeenschap heeft afgelegd

II

Verklaring die de heer P. J. Hillery, Minister van Buitenlandse Zaken van Ierland, namens de Ierse delegatie heeft afgelegd

Het doet mij genoegen U te kunnen mededelen dat de Ierse delegatie de tekst aanvaardt van het voorgestelde Protocol betreffende Ierland, waarover tussen onze beide delegaties is beraadslaagd en waarvan de achtergronden duidelijk zijn uiteengezet in Uw inleidende verklaring. De aanvaarde tekst zal de Ierse Regering in staat stellen om voort te gaan met haar plannen voor economische en sociale ontwikkeling, in de wetenschap dat de Gemeenschap, via haar Instellingen en organen, bereid zal zijn om met ons samen te werken bij het streven naar de verwezenlijking van de doelstellingen die wij trachten te bereiken.

In de loop der onderhandelingen heb ik bij diverse gelegenheden de aandacht gevestigd op de problemen in verband met de verschillen in niveau van de economische ontwikkeling binnen een geheel als de uitgebreide Gemeenschap is. Ook heb ik getracht, U de moeilijkheden uit te leggen die een land als Ierland, gelegen aan de periferie van de uitgebreide Gemeenschap, moet overwinnen ten einde zijn economisch ontwikkelingspeil nader tot dat van de overige Lid-Staten te brengen. Ik ben mij er ten volle van bewust dat het de wens en het doel van de Gemeenschap is om de doelstellingen te verwezenlijken die in het E.E.G.-Verdrag zijn neergelegd, namelijk de voortdurende verbetering van de levensstandaard en van de omstandigheden waaronder de volkeren der Lid-Staten leven en werken en de harmonische ontwikkeling van hun economieën te waarborgen. Het Protocol waarover wij vandaag overeenstemming hebben bereikt is er een overtuigend bewijs van, dat de Gemeenschap vastbesloten is om aan deze fundamentele doelstellingen wezenlijke inhoud te geven. Dit Protocol zal een instrument van praktische waarde zijn waar het erom gaat, mijn land in staat te stellen, binnen de uitgebreide Gemeenschap een volwaardige rol te spelen bij het bereiken van deze doelstellingen. Het zal dit streven nog doeltreffender kunnen dienen wanneer er een alomvattend communautair regionaal beleid wordt ontwikkeld. In dit verband merk ik op dat ik mij gesterkt voel door de pogingen die in het werk worden gesteld om dit belangrijke punt te behandelen als een onderdeel van de ontwikkeling der Gemeenschap.

Wat Ierland betreft, dient de doeltreffendheid van de nationale of communautaire maatregelen op het gebied van de ontwikkeling te worden beoordeeld op grond van de daling van werkloosheid en emigratie en de stijging van de levensstandaard. Hiervoor dient in de eerste plaats de nodige werkgelegenheid te worden gecreëerd voor ons toenemend aantal arbeidskrachten, anders blijft een groot gedeelte van onze meest kostbare economische middelen onbenut of gaat het verloren door emigratie, en wordt het tempo van de economische ontwikkeling vertraagd.

Het zal mijn Regering verheugen dat uit onze besprekingen van vandaag is gebleken dat Ierlands toetreding tot de Gemeenschap haar in staat zal stellen te blijven streven naar verwezenlijking van de doelstellingen vermeld in het Protocol. Ik denk hier vooral aan de gestage groei van de industrie, die het hoofdpunt vormt van onze algemene doelstelling ten aanzien van economische expansie. Het is voor ons van vitaal belang dat op dit gebied ook verder vooruitgang kan worden geboekt via daadwerkelijke maatregelen voor stimulering van de industrie. Ik meen te begrijpen dat, evenals elk ander stimuleringssysteem, onze stimulansen voor de industrie na toetreding zullen worden onderzocht om na te gaan of zij in overeenstemming zijn met de communautaire voorschriften. Met voldoening constateer ik dat U de noodzaak van een stimuleringsbeleid in Ierland erkent, maar dat er problemen kunnen rijzen wat betreft de speciale vorm die ons stimuleringssysteem heeft gekregen toen wij nog buiten de Gemeenschap stonden.

Ik zou Uw aandacht erop willen vestigen dat in dit verband de kwestie aan de orde kan komen van de verplichtingen die wij eerder hebben aangegaan. Uiteraard zullen wij deze verplichtingen moeten nakomen, maar wij zullen bereid zijn om de overschakeling op elk nieuw stelsel dat eventueel zal worden ontworpen, in al haar aspecten te bespreken en wij zullen aan het oplossen van deze vraagstukken op passende wijze onze medewerking verlenen.

Uw opmerking over het soepele karakter van de betreffende bepalingen van het Verdrag geeft mij het volste vertrouwen dat de Instellingen van de Gemeenschap bij het bestuderen van onze stimulansen ten volle rekening zullen houden met onze speciale problemen. Gezien het feit dat de doelstellingen van de Ierse Regering en de Gemeenschap identiek zijn, vertrouw ik er eveneens op dat, indien aanpassing van dat stimuleringssysteem nodig is, de Ierse Regering de expansie der Ierse industrie zal kunnen handhaven en een voortdurende stijging in werkgelegenheid en levensstandaard kan bereiken.

Tot slot zou ik U nog willen zeggen hoezeer ik de sympathie en het begrip waardeer die de Gemeenschap heeft betuigd bij haar benadering en bestudering van onze regionale problemen en de industriële stimulansen, die voor mijn land van het grootste belang zijn. De overeenstemming die wij hebben bereikt doet het beste hopen voor wat betreft onze toekomstige samenwerking binnen de uitgebreide Gemeenschap bij de verwezenlijking van de fundamentele doelstellingen van het Verdrag. Deze toekomstige samenwerking beschouw ik als het middel waarmede wij in Ierland onze nationale economische doelstellingen het best kunnen verwezenlijken.

Verklaringen betreffende melk in vloeibare toestand, varkensvlees en eieren

Tijdens de tweede ministeriële zitting inzake de onderhandelingen tussen de Gemeenschap en het Verenigd Koninkrijk op 27 oktober 1970, legden de heer G. Rippon, Kanselier van het Hertogdom Lancaster, namens de delegatie van het Verenigd Koninkrijk, en de heer W. Scheel, Minister van Buitenlandse Zaken van de Bondsrepubliek Duitsland, namens de delegatie van de Gemeenschap, de twee onderstaande verklaringen af.

De twee delegaties zijn tot de slotsom gekomen dat overeenstemming was bereikt op de grondslag van deze twee verklaringen.

I

Verklaring van de heer G. Rippon, Kanselier van het Hertogdom Lancaster, mede namens de delegatie van het Verenigd Koninkrijk

II

Verklaring van de heer W. Scheel, Minister van Buitenlandse Zaken van de Bondsrepubliek Duitsland, namens de delegatie van de Gemeenschap

De delegatie van de Gemeenschap stemt in met Uw analyse van de doelstellingen van het gemeenschappelijk beleid inzake de zuivelsector, de huidige mogelijkheden voor het vaststellen van kleinhandelsprijzen voor consumptiemelk en inzake de activiteiten van niet gouvernementele producentenorganisaties. Voor zover dit nodig is, herinnert zij eraan dat het bij Verordening (EEG) No. 804/68 ingestelde verbod van nationale maatregelen die verevening tussen de prijzen van de verschillende zuivelprodukten mogelijk maken, eveneens doelt op elk nationaal wettelijk voorschrift waarmee een dergelijke verevening wordt beoogd.

De delegatie van de Gemeenschap kan instemmen met Uw uiteenzetting over het belang en de kenmerken van de baconmarkt in een uitgebreide Gemeenschap. In het licht van de doelstellingen van het gemeenschappelijk beleid ter zake van varkensvlees en eieren deelt zij Uw verlangen naar stabiliteit in deze sectoren.

De delegatie van de Gemeenschap neemt akte van de verklaring van Uw delegatie en is verheugd te kunnen constateren, dat de bestaande regelingen betreffende de genoemde drie sectoren niet behoeven te worden gewijzigd om tegemoet te komen aan de bezorgdheid van de delegatie van het Verenigd Koninkrijk.

Verklaring inzake het stelsel van vaststelling van de landbouwprijzen van de Gemeenschap

Tijdens de 2e ministeriële zitting van de onderhandelingen tussen de Gemeenschap en het Verenigd Koninkrijk op 27 oktober 1970, heeft de heer W. Scheel, Minister van Buitenlandse Zaken van de Bondsrepubliek Duitsland, namens de delegatie van de Gemeenschap, een verklaring afgelegd inzake het stelsel van vaststelling van de landbouwprijzen van de Gemeenschap.

De heer G. Rippon, Kanselier van het Hertogdom Lancaster, heeft namens de delegatie van het Verenigd Koninkrijk zijn instemming met deze verklaring betuigd. Hij voegde hieraan toe dat hij niet twijfelde aan het waardevolle karakter voor allen van deze analysen van de landbouw en het voornemen diepgaande en doeltreffende contacten te onderhouden, met name met de op communautair niveau werkzame beroepsorganisaties van producenten.

De beide delegaties zijn tot de slotsom gekomen dat overeenstemming was bereikt overeenkomstig de navolgende verklaring van de heer W. Scheel:

  • „1.

    Sedert de besprekingen die daarover in 1962 werden gevoerd, wordt in de Gemeenschap een jaarlijks overzicht van de situatie in de landbouw en op de landbouwmarkten opgesteld, dat een onderdeel vormt van de procedure voor de vaststelling van de communautaire prijzen.

    Deze procedure heeft de volgende kenmerken:

    In het algemeen bepalen de verschillende landbouwverordeningen dat de Raad, op voorstel van de Commissie, elk jaar vóór 1 augustus, voor het verkoopseizoen dat het daaropvolgende jaar aanvangt, voor de Gemeenschap alle landbouwprijzen vaststelt die op grond van de gemeenschappelijke ordening der markten moeten worden vastgesteld.

    Bij de indiening van haar voorstellen legt de Commissie een jaarverslag voor over de situatie van de landbouw en van de landbouwmarkten, zulks overeenkomstig de juridische verplichtingen en de verbintenissen van de Commissie.

    Voor de opstelling van dit verslag baseert de Commissie zich op ter zake dienstige statistische en boekhoudkundige gegevens uit alle beschikbare bronnen, zowel nationale als communautaire.

    De daarin vervatte analyse behelst een studie van:

    • de economische situatie en de algemene ontwikkeling van de landbouw zowel op nationaal als op communautair niveau, alsmede in algemeen economisch opzicht;

    • de markt per produkt of groep van produkten, ten einde een overzicht te geven van de marktsituatie en van de ontwikkeling der factoren die de markt kenmerken.

    De gegevens die de Commissie bestudeert, omvatten met name inlichtingen omtrent de prijs- en kostentendensen, de werkgelegenheid, de produktiviteit en het landbouwinkomen.

    De landbouwprijzen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 43, lid 2, van het E.E.G.-Verdrag, hetgeen betekent dat de Vergadering moet worden geraadpleegd.

    Te dien einde worden de voorstellen van de Commissie en het jaarverslag aan de Vergadering toegezonden. Naar aanleiding daarvan wordt een algemeen debat gehouden over het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

    Voorts wordt het Economisch en Sociaal Comité, dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van alle sectoren van het economische en sociale leven, regelmatig geraadpleegd over de voorstellen en het verslag in kwestie. Voor wat de taken van dit Comité betreft, wordt in artikel 47 van het E.E.G-Verdrag bepaald dat de afdeling landbouw zich ter beschikking van de Commissie dient te houden ten einde de beraadslagingen van het Comité voor te bereiden, overeenkomstig de artikelen 197 en 198 van het E.E.G.-Verdrag,

    Vóór, gedurende en na de opstelling van het jaarverslag en de prijsvoorstellen door de Commissie, worden contacten onderhouden met de op gemeenschapsniveau werkende agrarische beroepsorganisaties. Hierbij vindt een discussie plaats over de statistische en andere gegevens die van invloed zijn op de situatie en de economische vooruitzichten van de landbouw en die door de Commissie in aanmerking worden genomen in haar verslag aan de Raad.

    Wegens het karakter van de prijzen die in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid worden vastgesteld, beperkt de Commissie deze contacten niet tot de landbouwsectoren, maar heeft zij deze uitgebreid tot het bedrijfsleven, de handel, de vakbonden en de consumenten.

    Tijdens deze contacten kunnen alle betrokkenen mededeling doen van hun opmerkingen en verlangens. Anderzijds bieden zij de Commissie de gelegenheid om haar jaarverslag over de situatie van de landbouw en haar prijsvoorstellen met volledige kennis van het standpunt der betrokkenen op te stellen.

    De raadpleging van de Vergadering en van het Economisch en Sociaal Comité tijdens het proces waarin de politieke wil wordt gevormd die leidt tot het uiteindelijke Raadsbesluit, te zamen met het nauwe en rechtstreekse contact tussen de Instelling die het verslag en de voorstellen moet opstellen en de organisaties uit de betrokken kringen, bieden de nodige waarborgen dat op evenwichtige wijze rekening wordt gehouden met de belangen van allen die bij deze besluiten betrokken zijn.

  • 2.

    Vanzelfsprekend belet deze procedure niet dat de Lid-Staten van hun kant elk jaar volgens hun nationale procedures de situatie van hun landbouw onderzoeken, in overleg met de betrokken beroepsorganisaties.

  • 3.

    De delegatie van de Gemeenschap stelt voor:

    • dat de Conferentie constateert dat bij de communautaire procedures en praktijken, alsmede bij de bestaande nationale procedures en praktijken, passend overleg zal worden gepleegd met de betrokken beroepsorganisaties;

    • dat de Conferentie bovendien akte neemt van het voornemen van de Instellingen der Gemeenschap om de onder punt 1 omschreven procedures en praktijken ook in de uitgebreide Gemeenschap toe te passen;

    • dat de Conferentie ervan uitgaat dat overeenkomstig de vorige twee alinea's in de uitgebreide Gemeenschap een stelsel zal worden toegepast, waardoor het mogelijk is, de economische situatie en de vooruitzichten van de landbouw te bezien en passende contacten te onderhouden met de beroepsorganisaties van de producenten alsmede met de overige belanghebbende organisaties en kringen.”

Verklaringen betreffende de landbouw in bergachtige gebieden

Tijdens de 8e ministeriële zitting inzake de onderhandelingen tussen de Gemeenschap en het Verenigd Koninkrijk van 21/22 en 23 juni 1971, heeft de heer G. Rippon, Kanselier van het Hertogdom Lancaster, namens de delegatie van het Verenigd Koninkrijk, de verklaring afgelegd die onder I is opgenomen.

De heer M. Schumann, Minister van Buitenlandse Zaken van de Franse Republiek, heeft, namens de delegatie van de Gemeenschap, geantwoord middels de verklaring die is opgenomen onder II.

I

Verklaring van de heer G. Rippon, Kanselier van het Hertogdom Lancaster, namens de delegatie van het Verenigd Koninkrijk

Toen de heer Barber in zijn openingsverklaring voor de Conferentie van 30 juni 1970 de landbouwproblemen behandelde, maakte hij gewag van de problemen in verband met de landbouw in bergachtige gebieden. Schotland, Wales, Noord-Ierland, alsmede Noord- en Zuidwest-Engeland bestaan gedeeltelijk uit bergachtige gebieden, waar, wegens het klimaat, de bodemgesteldheid en de geografische omstandigheden, alleen extensieve veeteelt mogelijk is.

De landbouwbedrijven in deze gebieden zijn klein en noodzakelijkerwijs sterk afhankelijk van de marktvoorwaarden, zodat hoge eindprijzen alleen niet toereikend zijn om de levensvatbaarheid van die bedrijven te handhaven. Daarom wordt op grond van de huidige regeling aan die bedrijven steun verleend, zowel in het kader van onze algemene economische en sociale politiek als in dat van ons landbouwbeleid. Verscheidene van de huidige Lid-Staten van de Gemeenschap hebben stellig ook gebieden met soortgelijke problemen, en wij zullen die uiteraard, evenals U, oplossen in overeenstemming met het Verdrag en het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Ik zou het op prijs stellen, indien de Gemeenschap mijn opvatting bevestigt dat alle Lid-Staten van de uitgebreide Gemeenschap die soortgelijke moeilijkheden kennen het hoofd dienen te bieden aan het vraagstuk van de handhaving van een redelijk inkomen van de landbouwers in bergachtige gebieden.

II

Verklaring van de heer M. Schumann, Minister van Buitenlandse Zaken van de Franse Republiek, namens de delegatie van de Gemeenschap

De delegatie van de Gemeenschap heeft met aandacht kennis genomen van de verklaring van de delegatie van het Verenigd Koninkrijk betreffende de landbouw in bergachtige gebieden in het Verenigd Koninkrijk en de maatregelen die ten gunste van de betrokken gebieden werden genomen.

In antwoord op deze verklaring kan de delegatie van de Gemeenschap de volgende mededeling doen:

De Gemeenschap is zich bewust van de bijzondere omstandigheden van de landbouw in bergachtige gebieden ten opzichte van de andere gebieden van het Verenigd Koninkrijk, evenals trouwens van de soms zeer aanmerkelijke verschillen tussen gebieden in de Lid-Staten van de huidige Gemeenschap.

De bijzondere omstandigheden in bepaalde streken van de uitgebreide Gemeenschap kunnen inderdaad acties vereisen met het oog op het zoeken van een oplossing voor de vraagstukken in verband met deze bijzondere omstandigheden, met name ten einde te bewerkstelligen dat het inkomen van de landbouwers in deze gebieden redelijk blijft.

Vanzelfsprekend dienen dergelijke acties, zoals U zoëven hebt gezegd, te stroken met de bepalingen van het Verdrag en van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

Procedure voor de aanvaarding van bepaalde besluiten en andere maatregelen die moeten worden genomen tijdens de periode die aan de toetreding voorafgaat

I

Voorlichtings- en overlegprocedure met het oog op de aanvaarding van bepaalde besluiten

II

Het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland nemen de nodige maatregelen om hun toetreding tot de in artikel 3, lid 2, en artikel 4, lid 2, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing van de Verdragen bedoelde overeenkomsten of akkoorden, voor zover mogelijk, en overeenkomstig het in die Akte bepaalde, te doen samenvallen met de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de toetreding.

Voor zover de in artikel 3, lid 1 tweede zin, en lid 2, bedoelde overeenkomsten en akkoorden slechts in de vorm van een ontwerp bestaan, nog niet zijn ondertekend en waarschijnlijk in het tijdvak dat aan de toetreding voorafgaat niet meer kunnen worden ondertekend, zullen de toetredende Staten worden uitgenodigd om na de ondertekening van het Verdrag betreffende de toetreding volgens passende procedures deel te nemen aan de uitwerking, in positieve zin en zodanig dat de sluiting daarvan wordt bevorderd, van die ontwerpen.

III

Ten aanzien van de onderhandelingen over de overwogen overeenkomsten met de E.V.A.-landen die niet om toetreding tot de Europese Gemeenschappen hebben verzocht, alsmede van de onderhandelingen over bepaalde aanpassingen van de preferentiële akkoorden die werden gesloten uit hoofde van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen, worden de Vertegenwoordigers van de toetredende Staten als waarnemers bij de werkzaamheden betrokken, naast de Vertegenwoordigers van de oorspronkelijke Lid-Staten.

Bepaalde door de Gemeenschap gesloten niet-preferentiële akkoorden die ook na 1 januari 1973 blijven gelden, kunnen worden aangepast om rekening te houden met de uitbreiding van de Gemeenschap. De Gemeenschap zal de Vertegenwoordigers van de toetredende Staten overeenkomstig de in de vorige alinea omschreven procedure bij de onderhandelingen over deze aanpassingen betrekken.

IV

Inzake het verdrag inzake de non-proliferatie van kernwapens coördineren het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Koninkrijk Noorwegen hun standpunt met dat van de Europese Gemeenschap van Atoomenergie bij de onderhandelingen over een overeenkomst betreffende verificatie met het Internationale Agentschap voor Atoomenergie (I.A.A.E.). Zij verzoeken in de overeenkomsten betreffende controle die zij met het I.A.A.E. mochten sluiten, om de opname van een bepaling die het hun mogelijk maakt deze overeenkomsten na de toetreding op korte termijn te vervangen door de overeenkomst betreffende verificatie die de Gemeenschap met het Agentschap mocht hebben gesloten.

Het Verenigd Koninkrijk en de Gemeenschap maken in het tijdvak dat aan de toetreding voorafgaat een aanvang met het overleg dat noodzakelijk is vanwege de omstandigheid dat de regeling inzake controle en inspectie die van toepassing is uit hoofde van de overeenkomst tussen verscheidene Lid-Staten en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie enerzijds en het I.A.A.E. anderzijds door het Verenigd Koninkrijk zal worden aanvaard.

VI

De toetredende Staten verbinden zich ertoe te bewerkstelligen dat de verlening van de in de artikelen 2 van de Protocollen No. 25 tot en met No. 28 betreffende de uitwisseling van kennis op het gebied van de kernenergie bedoelde licenties vóór de toetreding niet opzettelijk wordt versneld ten einde de draagwijdte van de in die Protocollen vervatte verbintenissen te verminderen.

Besluit van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 januari 1972 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal

De Raad van de Europese Gemeenschappen,

Gelet op artikel 98 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal,

Overwegende dat het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland hebben verzocht om toetreding tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal,

Gezien het advies van de Commissie,

Overwegende dat over de door de Raad vast te stellen toetredingsvoorwaarden is onderhandeld met vorengenoemde Staten,

Besluit:

Artikel

1

Artikel

2

De Akten van toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal zullen op 1 januari 1973 worden neergelegd bij de Regering van de Franse Republiek.

De toetreding wordt van kracht op 1 januari 1973, mits alle Akten van toetreding op dit tijdstip zijn neergelegd en mits alle Akten van bekrachtiging van het Verdrag betreffende de toetreding tot de Europese Economische Gemeenschap en tot de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie voor dit tijdstip zijn neergelegd.

Indien echter niet alle in de eerste alinea van dit artikel genoemde Staten tijdig hun Akten van toetreding en hun Akten van bekrachtiging hebben neergelegd, wordt de toetreding van kracht voor de andere toetredende Staten. In dit geval besluit de Raad van de Europese Gemeenschappen, met eenparigheid van stemmen, onmiddellijk over de hierdoor noodzakelijk geworden aanpassingen van artikel 3 van het onderhavige besluit, en van de artikelen 12, 13, 16, 17, 19, 20, 22, 142, 155 en 160 van de Akte betreflende de voorwaarden van toetreding en de aanpassing van de Verdragen; de Raad kan eveneens, met eenparigheid van stemmen, de bepalingen van voornoemde Akte die betrekking hebben op een met name genoemde Staat die zijn Akten van toetreding en van bekrachtiging niet heeft neergelegd, vervallen verklaren of aanpassen.

De Regering van de Franse Republiek zendt een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de Akte van toetreding van elke toetredende Staat toe aan de Regeringen van de Lid-Staten en van de andere toetredende Staten.

Artikel

3

Dit besluit, opgesteld in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Franse, de Ierse, de Italiaanse, de Nederlandse en de Noorse taal, zijnde de Deense, de Duitse, de Engelse, de Franse, de Ierse, de Italiaanse en de Nederlandse tekst gelijkelijk authentiek, wordt medegedeeld aan de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Gedaan te Brussel, de 22ste januari 1972.

Voor de Raad

De Voorzitter,

(w.g.) GASTON THORN