Wet van 15 januari 1921

Wetboek van Strafvordering

Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje Nassau, enz., enz., enz..
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is een nieuw Wetboek van Strafvordering vast te stellen;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel I

Worden vastgesteld de navolgende bepalingen welke zullen uitmaken het Wetboek van Strafvordering

Eerste

Boek

Algemeene bepalingen

Titel

I

Strafvordering in het algemeen

Eerste

afdeeling

Inleidende bepaling

Artikel

1

Strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien.

Tweede

afdeeling

Relatieve bevoegdheid van de rechtbanken tot kennisneming van strafbare feiten

Artikel

2

Artikel

4

Strafbare feiten buiten het rechtsgebied van een rechtbank aan boord van een Nederlandsch vaartuig of luchtvaartuig begaan, worden, ter bepaling van de bevoegdheid des rechters, geacht te zijn begaan binnen het rijk ter plaatse waar de eigenaar van het vaartuig of luchtvaartuig woont of de zetel van het bedrijf is gevestigd dan wel het vaartuig teboekstaat.

Artikel

5

Indien de voorgaande artikelen niet een bevoegde rechter aanwijzen, is de rechtbank Amsterdam bevoegd.

Artikel

6

Derde

afdeeling

Vervolging van strafbare feiten

Artikel

7

De procureur-generaal bij den Hoogen Raad is belast met de vervolging van die strafbare feiten waarvan de Hooge Raad in eersten aanleg kennis neemt.

Artikel

8

Het College van procureurs-generaal waakt voor de richtige vervolging van de strafbare feiten waarvan, de rechtbanken en de gerechtshoven kennisnemen. Het geeft daartoe de nodige bevelen aan de hoofden van de parketten.

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

Vervallen.

Vierde

afdeeling

Beklag over het niet vervolgen van strafbare feiten

Artikel

12

Artikel

12a

Artikel

12b

Indien het beklag niet tot de kennisneming van het gerechtshof behoort, verklaart het gerechtshof zich onbevoegd. Is het gerechtshof van oordeel dat een ander gerechtshof dan wel, in geval van artikel 13a, de Hoge Raad bevoegd is, dan verwijst het gerechtshof de zaak naar het bevoegd geachte college onder gelijktijdige toezending van het klaagschrift en een afschrift van de beschikking.

Artikel

12c

Is de klager kennelijk niet ontvankelijk of het beklag kennelijk ongegrond, dan kan het gerechtshof zonder nader onderzoek de klager niet ontvankelijk of het beklag ongegrond verklaren.

Artikel

12d

Artikel

12e

Artikel

12f

Artikel

12g

De persoon wiens vervolging wordt verlangd is niet verplicht op de vragen, hem in raadkamer gesteld, te antwoorden. Hiervan wordt hem, voordat hij wordt gehoord, mededeling gedaan. De mededeling wordt in het proces-verbaal opgenomen.

Artikel

12h

Het horen van de klager en de persoon wiens vervolging wordt verlangd kan ook aan één der leden van het gerechtshof worden opgedragen.

Artikel

12i

Artikel

12j

De leden van het gerechtshof die over het beklag hebben geoordeeld, nemen bij voorkeur geen deel aan de berechting.

Artikel

12k

Artikel

12l

Artikel

13

Artikel

13a

Betreft het beklag een strafbaar feit waarvan de Hooge Raad in eersten aanleg kennis neemt, dan geldt hetgeen in de artikel 12-12j ten aanzien van het gerechtshof, de leden en de advocaat-generaal voorkomt, ten aanzien van den Hoogen Raad, de leden en den procureur-generaal bij dien Raad.

Vijfde

afdeeling

Schorsing der vervolging

Artikel

14

Artikel

14a

In zaken betreffende minderjarige verdachten kan de vervolging worden geschorst, indien, gelijktijdig met de vervolging, ten aanzien van beide of een der ouders, onderscheidenlijk de voogd, een verzoek tot beëindiging van het gezag, onderscheidenlijk beëindiging van de voogdij, over de verdachte dan wel een verzoek of een vordering tot ondertoezichtstelling aanhangig is, en wel totdat de beslissing daarop onherroepelijk zal zijn geworden.

Artikel

15

Na de kennisgeving van verdere vervolging of, indien deze niet heeft plaats gehad, na het uitbrengen van de dagvaarding ter terechtzitting kan de verdachte de schorsing wegens het bestaan van een geschilpunt van burgerlijk recht enkel verzoeken, hetzij bij het bezwaarschrift hetwelk tegen die kennisgeving of dagvaarding kan worden ingediend, hetzij op de terechtzitting.

Artikel

16

Artikel

17

Artikel

19

Artikel

20

Zesde

afdeeling

Behandeling door de raadkamer

Artikel

21

Artikel

22

Artikel

23

Artikel

24

Artikel

25

Titel

II

De verdachte

Artikel

27

Artikel

27a

Artikel

27b

Artikel

27c

Artikel

27ca

Artikel

27cb

Het verhoor van een aangehouden verdachte vindt zoveel mogelijk plaats op een plaats die is bestemd voor het verhoren van verdachten of op een andere door de hulpofficier van justitie of de officier van justitie aangewezen plaats van verhoor.

Artikel

27d

Artikel

27e

Artikel

28

Artikel

28a

Artikel

28ab

Artikel 28, eerste lid, is niet van toepassing bij het verhoor ter plaatse van de staande gehouden verdachte van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen overtreding waarvoor een strafbeschikking zal worden uitgevaardigd.

Artikel

28b

Artikel

28c

Artikel

28d

Artikel

28e

Artikel

29

Artikel

29a

Artikel

29b

Artikel

29c

Artikel

29d

De taken en bevoegdheden die in deze titel aan de hulpofficier van justitie zijn toegekend, kunnen ook door de officier van justitie worden uitgeoefend.

Artikel

29e

Artikel

29f

Titel

IIa

Kennisneming van processtukken

Artikel

30

Artikel

31

Aan de verdachte mag niet worden onthouden de volledige kennisneming van:

  • a.

    de processen-verbaal van zijn verhoren;

  • b.

    de processen-verbaal betreffende verhoren of handelingen van onderzoek, waarbij hij of zijn raadsman de bevoegdheid heeft gehad tegenwoordig te zijn, tenzij en voor zover uit een proces-verbaal blijkt van een omstandigheid waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven, en in verband daarmee een bevel als bedoeld in artikel 46, eerste lid, is gegeven;

  • c.

    de processen-verbaal van verhoren, waarvan hem de volledige inhoud mondeling is medegedeeld.

Artikel

32

Artikel

32a

Artikel

33

De kennisneming van alle processtukken in het oorspronkelijk of in afschrift mag, behoudens het bepaalde in artikel 149b, de verdachte niet worden onthouden zodra de dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg aan hem is betekend dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd.

Artikel

34

Titel

IIb

Kennisgeving van gerechtelijke mededelingen

Artikel

36a

Artikel

36b

Artikel

36c

Artikel

36d

Artikel

36e

Artikel

36f

Artikel

36g

Artikel

36h

Artikel

36i

Artikel

36j

Artikel

36k

Artikel

36l

Heeft de uitreiking niet overeenkomstig artikel 36j, tweede of derde lid, of artikel 36k, tweede of derde lid, kunnen geschieden, dan wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Deze autoriteit zendt alsdan een afschrift van de mededeling onverwijld toe aan het in de mededeling vermelde adres, van welk feit aantekening wordt gedaan op de akte van uitreiking.

Artikel

36n

Titel

III

De raadsman

Eerste

afdeling

Optreden raadsman

Artikel

37

Artikel

38

Artikel

39

Artikel

40

Artikel

41

Artikel

42

Artikel

43

Artikel

44

Tweede

afdeling

Bevoegdheden van de raadsman betreffende het verkeer met de verdachte en de kennisneming van processtukken

Artikel

45

De raadsman heeft vrije toegang tot de verdachte die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, kan hem alleen spreken en met hem brieven wisselen zonder dat van de inhoud door anderen wordt kennis genomen, een en ander onder het vereiste toezicht, met inachtneming van de huishoudelijke reglementen, en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.

Artikel

46

Artikel

47

Artikel

48

Ten aanzien van de bevoegdheid van de raadsman tot de kennisneming van processtukken en het verkrijgen van afschrift daarvan vinden de artikelen 30 tot en met 34 overeenkomstige toepassing. Van alle stukken die ingevolge dit wetboek ter kennis van de verdachte worden gebracht, ontvangt de raadsman, behoudens het bepaalde in artikel 32, tweede lid, onverwijld afschrift.

Derde

afdeeling

Bevoegdheden van den raadsman betreffende het verkeer met den verdachte en de kennisneming van processtukken

Artikel

49

Vervallen

Artikel

50

Vervallen

Artikel

50a

Vervallen

Artikel

51

Vervallen

Titel

IIIA

Het slachtoffer

Eerste

afdeling

Definities

Artikel

51a

Tweede

afdeling

Rechten van het slachtoffer

Artikel

51aa

Artikel

51ab

Artikel

51ac

Artikel

51b

Artikel

51c

Artikel

51ca

Artikel

51e

Derde

afdeling

Schadevergoeding

Artikel

51f

Artikel

51g

Artikel

51h

Titel

IIIC

: De deskundige

Artikel

51i

Artikel

51j

Artikel

51k

Artikel

51l

Artikel

51m

Titel

IV

Eenige bijzondere dwangmiddelen

Eerste

afdeeling

Aanhouding en inverzekeringstelling

Artikel

52

Iedere opsporingsambtenaar is bevoegd de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en hem daartoe staande te houden.

Artikel

53

Artikel

54

Artikel

55

Artikel

55a

Artikel

55b

Artikel

55c

Artikel

55d

Artikel

55e

Artikel

56

Artikel

56a

Artikel

56b

Artikel

57

Artikel

58

Artikel

59

Artikel

59a

Artikel

59c

Artikel

60

De officier van justitie voor wien de verdachte wordt geleid of die zelf den verdachte heeft aangehouden, doet hem, ingeval hij diens bewaring noodig oordeelt, onverwijld geleiden voor den rechter-commissaris.

Artikel

61

Vervallen

Artikel

61a

Artikel

62

Artikel

62a

Tweede

afdeeling

Voorloopige hechtenis

§

1

Bevelen tot voorloopige hechtenis

Artikel

63

Artikel

64

Artikel

65

Artikel

66

Artikel

66a

Artikel

67

Artikel

67a

Artikel

67b

Artikel

68

Artikel

69

Artikel

70

Artikel

71

Artikel

72

Artikel

72a

Artikel

73

Artikel

74

Indien het gerechtshof of de Hooge Raad tot het geven van eenige beslissing is geroepen, vóórdat beroep van de einduitspraak is aangeteekend, wordt daarbij de opheffing van het bevel tot voorloopige hechtenis gelast, indien dit uit de beslissing voortvloeit.

Artikel

75

Artikel

76

In geval van voorlopige hechtenis zijn de artikelen 62 en 62a van overeenkomstige toepassing.

§

2

Het hooren van den in voorloopige hechtenis gestelden verdachte

Artikel

77

§

3

Inhoud der bevelen en hunne beteekening

Artikel

78

Artikel

79

De bevelen tot opheffing van een bevel tot voorlopige hechtenis en de beslissing waarbij zodanige opheffing wordt geweigerd, worden onverwijld aan de verdachte betekend.

§

4

Schorsing der voorloopige hechtenis

Artikel

80

Artikel

81

Artikel

82

Artikel

83

Artikel

84

Artikel

85

Indien het voortduren der zekerheid niet langer noodzakelijk is, beveelt de rechter, zoo noodig na verhoor van den verdachte en diens waarborg, ambtshalve, op de vordering van het openbaar ministerie, of op het verzoek van den verdachte of diens waarborg, dat de gestorte geldswaarden aan dengene die de zekerheid heeft gesteld, zullen worden teruggegeven, of dat diens verbintenis zal worden opgeheven.

Artikel

86

Artikel

87

Artikel

88

Waar in deze paragraaf wordt gesproken van schorsing, wordt daaronder begrepen opschorting.

Tweede afdeling

A

Schadevergoeding

Artikel

89

Vervallen

Artikel

90

Vervallen

Artikel

91

Vervallen

Artikel

93

Vervallen

Derde

afdeeling

Inbeslagneming

§

1

Algemene bepalingen

Artikel

94

Artikel

94a

Artikel

94b

Voor de toepassing van de artikelen 94 en 94a geldt:

  • 1°.

    dat beslag op vorderingen wordt gelegd en beëindigd door een schriftelijke kennisgeving aan de schuldenaar;

  • 2°.

    dat beslag op rechten aan toonder of order geschiedt door beslag op het papier;

  • 3°.

    dat bij het leggen van beslag op aandelen en effecten op naam en bij het leggen en beëindigen van beslag op onroerende registergoederen de tussenkomst van de gerechtsdeurwaarder wordt ingeroepen en formaliteiten in acht genomen worden welke ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gelden ten aanzien van de mededeling of aanzegging van de inbeslagneming, dan wel de betekening van het proces-verbaal van inbeslagneming, de aantekening, inschrijving of doorhaling in registers en de betekening daarvan aan derden;

  • 4°.

    dat bij het leggen en beëindigen van beslag op schepen en luchtvaartuigen formaliteiten in acht genomen worden welke ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gelden ten aanzien van de betekening van het proces-verbaal van inbeslagneming, en ingevolge enige regeling inzake teboekgestelde schepen, onderscheidenlijk luchtvaartuigen ten aanzien van de inschrijving en doorhaling daarvan in registers.

Artikel

94c

Op het beslag, bedoeld in artikel 94a, is de vierde Titel van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing, behoudens dat:

  • a.

    voor het leggen van het beslag geen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank vereist is, noch vrees voor verduistering behoeft te bestaan;

  • b.

    een maximum bedrag waarvoor het recht tot verhaal zal worden uitgeoefend in het proces-verbaal van inbeslagneming of het beslagexploit dient te worden vermeld;

  • c.

    geen overeenkomstige toepassing toekomt aan voorschriften omtrent termijnen waarbinnen na het beslag de eis in de hoofdzaak dient te zijn ingesteld;

  • d.

    voor roerende zaken die geen registergoederen zijn en rechten aan toonder of order ook volstaan kan worden met het door een opsporingsambtenaar opmaken van een proces-verbaal van inbeslagneming en het afgeven van een bewijs van ontvangst aan degene bij wie de voorwerpen in beslag zijn genomen;

  • e.

    het niet in acht nemen van termijnen waarbinnen betekening van het beslag moet plaatsvinden, buiten de gevallen van artikel 94b, onder 3°, geen nietigheid van het beslag meebrengt;

  • f.

    geen overeenkomstige toepassing toekomt aan artikel 721 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; de officier van justitie geeft, zo de hoofdzaak na het beslag ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt, daarvan zo spoedig mogelijk aan de derde schriftelijk kennis;

  • g.

    geen overeenkomstige toepassing toekomt aan artikel 722 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

  • h.

    op in beslag genomen roerende zaken die in bewaring worden genomen de artikelen 117 en 118 toepasselijk zijn;

  • i.

    de beëindiging van het beslag met inachtneming van de bepalingen van dit Wetboek geschiedt.

Artikel

94d

§

2

Inbeslagneming door opsporingsambtenaren of bijzondere personen

Artikel

95

Artikel

96

Artikel

96a

Artikel

96b

Artikel

96c

Artikel

97

Artikel

98

Artikel

99

Artikel

99a

De verdachte is bevoegd zich tijdens het doorzoeken van plaatsen door zijn raadsman te doen bijstaan, zonder dat de doorzoeking daardoor mag worden opgehouden.

Artikel

100

Artikel

101

Artikel

102

Artikel

102a

§

2a

Inbeslagneming op grond van artikel 94a

Artikel

103

§

3

Inbeslagneming door den rechter-commissaris

Artikel

104

Artikel

105

Artikel

108

Artikel

109

Indien het over te brengen stuk een gedeelte uitmaakt van een register, waarvan het niet kan worden afgescheiden, kan de rechter-commissaris bevelen dat het register, voor de tijd bij het bevel te bepalen, ter inzage of voor het maken van een afschrift zal worden overgebracht.

Artikel

110

Artikel

114

§

4

Teruggave en bewaring van inbeslaggenomen voorwerpen

Artikel

116

Artikel

117

Artikel

117a

Indien het openbaar ministerie een van de beslissingen bedoeld in de artikelen 116 en 117 neemt terwijl de rechter-commissaris uit hoofde van de artikelen 181 tot en met 183 onderzoekshandelingen verricht, doet het daarvan mededeling aan de rechter-commissaris.

Artikel

118

Artikel

118a

Artikel

119

Artikel

119a

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot de toepassing van artikel 117, eerste tot en met het derde lid, 118, tweede lid, en 118a omtrent de wijze waarop de inbeslaggenomen voorwerpen worden aangeboden aan de bewaarder, de wijze waarop deze worden bewaard en ter beschikking van het onderzoek gehouden.

Vierde

afdeeling

Handhaving der orde ter gelegenheid van ambtsverrichtingen

Artikel

124

Vijfde

afdeling

Maatregelen ter gelegenheid van een schouw of een doorzoeking

Artikel

125

Zesde

afdeling

Zevende

afdeling

Doorzoeking ter vastlegging van gegevens

Artikel

125i

Aan de rechter-commissaris, de officier van justitie, de hulpofficier van justitie en de opsporingsambtenaar komt onder dezelfde voorwaarden als bedoeld in de artikelen 96b, 96c, eerste, tweede en derde lid, 97, eerste tot en met vierde lid, en 110, eerste en tweede lid, de bevoegdheid toe tot het doorzoeken van een plaats ter vastlegging van gegevens die op deze plaats op een gegevensdrager zijn opgeslagen of vastgelegd. In het belang van het onderzoek kunnen zij deze gegevens vastleggen. De artikelen 96, tweede lid, 98, 99 en 99a zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel

125j

Artikel

125k

Artikel

125l

Naar gegevens die zijn ingevoerd door of vanwege personen met bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in de artikelen 218 en 218a, vindt, tenzij met hun toestemming, geen onderzoek plaats voor zover daartoe hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. Een onderzoek in een geautomatiseerd werk waarin zodanige gegevens zijn opgeslagen, vindt, tenzij met hun toestemming, slechts plaats, voor zover dit zonder schending van het stands-, beroeps- of ambtsgeheim kan geschieden.

Artikel

125la

Indien bij een doorzoeking ter vastlegging van gegevens bij een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst gegevens worden aangetroffen die niet voor deze bestemd of van deze afkomstig zijn, is de officier van justitie slechts bevoegd te bepalen dat van deze gegevens wordt kennisgenomen en dat deze worden vastgelegd, voor zover zij klaarblijkelijk van de verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn, op hem betrekking hebben of tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend, ofwel klaarblijkelijk met betrekking tot die gegevens het strafbare feit is gepleegd. De officier van justitie behoeft hiervoor een voorafgaande schriftelijke machtiging, op zijn vordering te verlenen door de rechter-commissaris.

Artikel

125m

Artikel

125n

Artikel

125o

Artikel

125p

Negende

afdeling

strafrechtelijk financieel onderzoek

Artikel

126

Artikel

126a

Artikel

126b

Artikel

126c

Artikel

126d

De artikelen 98, 99 en 99a zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in artikel 98, vijfde lid, bedoelde doorzoeking zich ten aanzien van brieven en geschriften mede uitstrekt tot die welke kunnen dienen om wederrechtelijk voordeel aan te tonen dat is verkregen door degene tegen wie het onderzoek is gericht.

Artikel

126e

Artikel

126f

Artikel

126fa

Titel

IVA

Bijzondere bevoegdheden tot opsporing

Eerste

afdeling

Stelselmatige observatie

Artikel

126g

Tweede

afdeling

Infiltratie

Artikel

126h

Derde

afdeling

Pseudo-koop of -dienstverlening

Artikel

126i

Vierde

afdeling

Stelselmatige inwinning van informatie

Artikel

126j

Vijfde

afdeling

Bevoegdheden in een besloten plaats

Artikel

126k

Zesde

afdeling

Opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel

Artikel

126l

Zevende

afdeling

Onderzoek van communicatie door middel van geautomatiseerde werken

Artikel

126la

Vervallen

Artikel

126m

Artikel

126ma

Artikel

126n

Artikel

126na

Artikel

126nb

Achtste

afdeling

Onderzoek in een geautomatiseerd werk

Artikel

126nba

Negende

afdeling

Vorderen van gegevens

Artikel

126nc

Artikel

126nd

Artikel

126nda

Artikel

126ne

Artikel

126nf

Artikel

126ng